Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5114

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-10-2017
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
C18 /179335/PR RK 17-339
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking, wegens verkeerde oproeping vanuit de rechtbank welke later is gecorrigeerd.

Verzoek is afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Locatie Groningen

128933 / HA RK 11-30516 september 2017

Meervoudige wrakingskamer

Zaaknummer / rekestnummer: C 18 / 179335 / PR RK 17-339

Datum beslissing: 10 oktober 2017

Beslissing op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker, hierna [verzoeker] te noemen,

in persoon procederende.

1 Het procesverloop

1.1

Bij elektronisch ingediend bericht, ter griffie van deze rechtbank ontvangen op 28 september 2017, heeft [verzoeker] een verzoek tot wraking gedaan van mr. P.G. Wijtsma, rechter in deze rechtbank, ter zake van de behandeling van zijn zaak onder nummer LEE 17-1590.

1.2

Bij brief van 28 september 2017 heeft mr. Wijtsma gemotiveerd kenbaar gemaakt dat hij niet in het wrakingsverzoek berust.

1.3

Op 3 oktober 2017 is het wrakingsverzoek ter zitting van de wrakingskamer behandeld door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, en mrs. P.H.M. Tapper-Wessels en M. Sanna, leden.

1.4

[verzoeker] is, hoewel daartoe deugdelijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Mr. Wijtsma is met kennisgeving niet verschenen.

1.4

Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat deze beslissing vandaag wordt uitgesproken.

2 Het standpunt van [verzoeker]

2.1

legt aan zijn verzoek ten grondslag dat hij uit de door de griffier verzonden brief van 25 september 2017 opmaakt dat ongeacht de uitkomst van het verzet, zijn beroep niet nader zal worden behandeld. Dit is in strijd met het bepaalde in artikel 8:55 lid 10 Awb. Er is daarom sprake van zowel subjectieve als objectieve partijdigheid.

3 Het standpunt van mr. Wijtsma

3.1

Mr. Wijtsma voert aan, samengevat weergegeven en voor zover voor de beoordeling van belang, dat de door [verzoeker] aangevoerde feiten de twijfel aan zijn onpartijdigheid niet rechtvaardigen. De griffier heeft [verzoeker] op 15 augustus 2017, onder vermelding van de zaaknummers 17/1589 en 17/1590, een uitnodiging gestuurd voor de behandeling van ‘zijn beroep' op 28 september 2017. De uitnodiging was echter onjuist nu op 28 september 2017 het verzet van [verzoeker] zou worden behandeld. Dit is op 25 september 2017 gecorrigeerd door [verzoeker] schriftelijk te berichten dat het om een verzetzitting zou gaan. Uit die brief heeft [verzoeker] kunnen begrijpen dat op de zitting van 28 september 2017 zijn verzet zou worden behandeld. De bevoegdheid van artikel 8:55 lid 10 Awb, met de daaraan verbonden voorwaarden, blijft bestaan. Van partijdigheid is dan ook geen sprake.

4 De beoordeling

4.1

Ingevolge artikel 8:15 e.v. Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoeker is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

4.3

In de brief van 25 september 2017 van de griffier aan [verzoeker] staat:

(…)

Met betrekking tot uw verzetzaak die behandeld zal worden op de zitting van 28 september aanstaande, bericht ik u het volgende.

Op 15 augustus 2017 is u een brief toegezonden waarin u wordt uitgenodigd voor genoemde zitting. Daarbij is aangegeven het gaat om de behandeling van uw beroep. Dat is echter onjuist. Op de zitting zal het niet gaan over uw beroep, maar alleen over het verzet dat u hebt gedaan tegen de uitspraak van de rechtbank van 23 mei 2017.

(…)

4.4

Artikel 8:55 lid 10 Awb bepaalt dat indien de bestuursrechter het verzet gegrond verklaart, hij tevens uitspraak kan doen op het beroep mits aan de in dat artikel gestelde voorwaarden is voldaan. De door [verzoeker] aan de brief van 25 september 2017 verbonden conclusie dat zijn beroep niet zal worden behandeld, is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. De behandeling van het beroep is afhankelijk van de gegrondheid van het ingestelde verzet. Uit de brief van 25 september 2017 kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet worden afgeleid dat, ongeacht de uitkomst van het verzet, het beroep van [verzoeker] niet zal worden behandeld.

4.5

Een en ander in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat het wrakingsverzoek van [verzoeker] zal worden afgewezen.

4.6

Op 28 september 2017 heeft [verzoeker] aanvullende stukken ingediend, houdende een klacht en een schadeclaim ter zake van de zaken onder nummers LEE 17-1589, LEE 17-1590 en LEE 17-151. Deze door [verzoeker] ingediende klacht en schadeclaim zullen worden doorgezonden naar de klachtenfunctionaris in deze rechtbank.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking van mr. Wijtsma af;

- bepaalt dat de hoofdzaak (met zaaknummer LEE 17-1590) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

- beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan [verzoeker] , mr. Wijtsma en de Raad van Bestuur Uwv.

Deze beslissing is gegeven door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, en mrs. P.H.M. Tapper-Wessels en M. Sanna, leden, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2017.

c402