Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5085

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
09-01-2018
Zaaknummer
C/18/176899 / PR RK 17-215
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek omdat verzoekster van mening is dat zij geen eerlijk proces krijg indien zij net de beschikking krijgt over bepaalde stukken en indien de rechtbank de wederpartij niet verplicht om die stukken te overleggen.

Verzoek is niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Meervoudige wrakingskamer

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/176899 / PR RK 17-215

Beslissing van 23 juni 2017

op het verzoek van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster.

1 De procedure

1.1.

Bij de behandeling van het bestuursrechtelijk beroep in de zaak van [naam] tegen burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (zaaknummer 16/2849) op 13 juni 2017 heeft verzoekster de behandelend rechter mr. D.W.J. Vinkes gewraakt.

1.2.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Mr. Vinkes heeft aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek.

2 Het standpunt van verzoekster

2.1.

Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij geen eerlijk proces krijgt indien zij niet de beschikking krijgt over bepaalde stukken en indien de rechtbank burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen niet verplicht die stukken te overleggen.

3
3. Beoordeling

3.1.

Ingevolge artikel 8:15 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.3.

Uit de wet (artikel 8:15 Awb en artikel 8:16 Awb) volgt dat een verzoeker concrete feiten en omstandigheden dient aan te voeren waaruit objectief afgeleid kan worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is, of dat de vrees van een partij dat er sprake is van een dergelijke vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is. Alle feiten en omstandigheden moeten tegelijk - in het verzoek - worden voorgedragen.

3.4.

De rechtbank overweegt dat aan het verzoek tot wraking van mr. Vinkes voornoemd, geen concrete feiten en/of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd waaruit vooringenomenheid van de rechter of zwaarwegende aanwijzingen voor objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor, kunnen worden afgeleid. Voor zover wel feiten zijn gesteld, valt hieruit geen enkele (schijn van) vooringenomenheid af te leiden, zodat er naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor wraking is.

Verzoekster zal dan ook aanstonds als kennelijk niet-ontvankelijk in haar verzoek worden verklaard. Een mondelinge behandeling van het verzoek tot wraking kan daarom achterwege blijven.

3.5.

Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

4
4. De beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wraking;

  • -

    bepaalt dat de procedure in de hoofdzaak (met zaaknummer 16/2849) wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

  • -

    beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster, burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen en mr. Vinkes.


Deze beslissing is gegeven door mr. C.H. de Groot, voorzitter, en
mr. P.H.M. Tapper-Wessels en mr. S. Dijkstra, leden, en in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2017.

js