Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5066

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
04-01-2018
Zaaknummer
18/730392-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 21 december 2017 een man veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met een vierjarig meisje door haar vagina en billen te betasten. De man heeft het slachtoffer uit de steeg achter haar woning weggelokt door haar een ijsje aan te bieden. Hij heeft haar vervolgens meegenomen naar zijn woning waar hij haar heeft betast. Bij een zoekactie kort nadien in de buurt is het slachtoffer door buurvrouwen in de woning van de man aangetroffen. De rechtbank heeft de man een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van drie jaren opgelegd. Tevens moet de man zich aan bijzondere voorwaarden houden zoals een meldplicht bij de reclassering en een verplichte ambulante behandeling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730392-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 december 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 december 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.P.M. Grijmans, advocaat te Bolsward.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 3 september 2016, te Leeuwarden, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van haar vagina en/of billen en/of het brengen van zijn penis tegen haar vagina en/of billen;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 3 september 2016, te Leeuwarden, door giften of beloften van geld of goed of misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of door misleiding, te weten als volwassen en beduidend ouder persoon en/of door het geven van een ijsje en/of een flesje water, [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, van wie verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

opzettelijk heeft bewogen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen van verdachte, te weten het betasten van haar vagina en/of billen en/of het brengen van zijn penis tegen haar vagina en/of billen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte vanaf het begin consistent heeft ontkend dat hij het ten laste gelegde heeft gepleegd en dat de bewijsmiddelen onvoldoende betrouwbaar zijn, zodat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd.

Ten aanzien van de verklaring van [slachtoffer] heeft de raadsman aangevoerd dat uit deze verklaring blijkt dat [slachtoffer] niet uit eigen waarneming heeft verklaard, maar dat zij zich een verhaal van haar moeder eigen heeft gemaakt danwel woorden van de getuige [getuige 1] heeft opgevangen en die heeft herhaald. Dit blijkt ook uit de omstandigheid dat [slachtoffer] in haar verklaring bewoordingen gebruikt die haar niet eigen zijn blijkens de verklaring daarover van haar moeder. Tevens heeft de politie te lang doorgevraagd waardoor de uiteindelijke antwoorden van [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn.

Zowel de getuige [getuige 2] als de getuige [getuige 1] hebben verklaard dat ze hebben gezien dat [slachtoffer] in de woning van verdachte aanwezig was. Verdachte ontkent dit ook niet, maar verklaart dat hij van de aanwezigheid van [slachtoffer] in zijn woning geen weet had. Op het moment dat de getuigen bij zijn woning kwamen, was verdachte boven in de woning en heeft om die reden niet meegekregen dat [slachtoffer] in zijn woning was. De sleutel zat in de voordeur, zodat het heel goed mogelijk is dat [slachtoffer] -zonder dat verdachte dit wist- zelf naar binnen is gegaan.

Verdachte heeft [slachtoffer] voordat zij in de woning is aangetroffen buiten een flesje water overhandigd. Dit zou de aanwezigheid van het DNA-materiaal van verdachte, dat bij [slachtoffer] is aangetroffen, kunnen verklaren. Het DNA-materiaal kan immers via de hand van [slachtoffer] verder over haar lichaam zijn verspreid, bijvoorbeeld doordat [slachtoffer] naar het toilet is geweest en met de hand waarop het DNA-materiaal van verdachte bij het overhandigen van het flesje water terecht is gekomen haar plasser en bips heeft afgeveegd. Het aangetroffen DNA-materiaal is derhalve evenmin een overtuigend bewijsmiddel.

Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat er DNA-materiaal van verdachte op de buitenste schaamlippen en de anus van [slachtoffer] is aangetroffen. Deze lichaamsdelen zijn niet ten laste gelegd, zodat ook om die reden vrijspraak dient te volgen.

Tot slot heeft de raadsman er op gewezen dat er sprake is van een aantal vormverzuimen in het onderzoek. Zo heeft de raadsman aangevoerd dat er geen machtiging tot binnentreden van de woning van verdachte was; er geen machtiging voor het ombinden van zakken om de handen van verdachte was; de camerabeelden niet bij de stukken zijn gevoegd en het onduidelijk is of deze beelden zijn gevorderd. Evenmin is duidelijk of de familieleden van verdachte, voordat zij werden gehoord, op hun verschoningsrecht zijn gewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft geconstateerd dat de raadsman geen conclusie aan de door hem genoemde vormverzuimen heeft verbonden. De rechtbank zal bespreking daarvan daarom achterwege laten, nu zij ambtshalve geen aanleiding ziet enige consequentie aan deze (mogelijke) verzuimen te verbinden.

Door de raadsman is aangevoerd dat er geen sprake is van betrouwbaar en (deels daarom) overtuigend bewijs.

De rechtbank ziet echter, gelet op de inhoud van de verklaringen van [slachtoffer] en de getuigen en het bij [slachtoffer] en verdachte aangetroffen DNA-materiaal in onderling verband en samenhang beschouwd, geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer] en de getuigen te twijfelen. Dit maakt ook dat de rechtbank de door de verdediging naar voren gebrachte verklaring voor het aantreffen van DNA-materiaal van verdachte op de schaamlippen en anus van [slachtoffer] , doordat [slachtoffer] zelf via haar hand verdachtes DNA-materiaal heeft verspreid, onaannemelijk acht.

De rechtbank acht derhalve op grond van de hieronder opgenomen bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft meegenomen naar zijn woning en dat hij vervolgens ontuchtige handelingen bij haar heeft gepleegd, te weten het betasten van haar vagina en billen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de hierna gegeven bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 september 2016, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met onderzoeknummer NNRBC16113 d.d. 31 mei 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, afgelegd op 4 september 2016:

Ik was gisteren in de steeg aan het spelen met [naam 1] . En [naam 2] zag dat die man bij (onverstaanbaar) was. Toen had die me eventjes mee naar huis genomen. Die man vond mij lief. Hij zat aan mijn poesje. Hier. ( [slachtoffer] wijst naar haar kruis.) Hij had mijn onderbroek uitgedaan. Hij zat met zijn vinger aan mijn plasser. Ik heb het ijsje van die mijnheer gekregen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

4 september 2016, opgenomen op pagina 54 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ik woon in Leeuwarden. Op 3 september 2016 zei de buurvrouw, de moeder van [slachtoffer] , dat [slachtoffer] weg was. Ik zei: "Ik ga helpen zoeken". Ik kwam [getuige 1] tegen. [getuige 2] zei dat [slachtoffer] bij [verdachte] zat en dat wist ze van haar zoon [naam 2] . Aan de voordeur van de woning van [verdachte] hing een bos sleutels in de deur. [getuige 2] is als eerste naar binnen gegaan. Ik kwam erachter aan. [getuige 2] zei: "Hij schiet in een keer naar boven". [verdachte] schreeuwde iets wat ik niet kon verstaan. Ik heb [slachtoffer] gepakt. Die stond midden in de huiskamer met een rolletje kauwgom, een pakje Smarties en een Cornetto ijsje in haar handen. Ik heb dat kind meegenomen. Ik ben richting huis gelopen. Toen zei [slachtoffer] : "Hij heeft aan mijn poesje gezeten". Ik heb [slachtoffer] vervolgens gelijk in mijn huis genomen. Ik vroeg [slachtoffer] : "Wat zei jij net tegen mij?” Ze herhaalde dat hij aan haar poesje had gezeten. Ik heb haar bij mij gehouden. Ze vertelde mij: "Hij heeft ook aan mijn kontje gezeten". Ik zei: "Dan heeft hij zeker gewoon zo gedaan". Ik sloeg hierbij met mijn vlakke hand op mijn bil. Waarop [slachtoffer] antwoordde: "Nee, hij zat met zijn vingertje zo". Ze fluisterde dit. Ze maakte een gebaar dat ze met haar hand in het midden van haar kont deed.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

5 september 2016, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

[slachtoffer] is mijn buurmeisje van twee huizen verderop. Mijn zoon [naam 2] zei: "Mama, er was een man in de steeg, die vroeg of [naam 1] en [slachtoffer] een ijsje wilden hebben". Ik zei: "Welke man?" Toen zei [naam 2] : "Dat is die man met de duiven, die woont naast de speeltuin". Toen ben ik achterom, via de steeg naar voren gelopen. Daar kwam ik [getuige 2] tegen. Ik zei tegen haar: " [slachtoffer] is bij [verdachte] , ze krijgt een ijsje van hem". [getuige 2] is met mij meegegaan naar die woning. Ik zag dat de sleutel in de voordeur zat. Ik deed die deur open en ik zag dat [verdachte] de trap oprende. Ik hoorde dat hij daarbij iets schreeuwde. Ik zag dat [slachtoffer] een Cornetto, een ijsje, in haar hand had. Zij stond in de woonkamer, een beetje in de achterkamer. [getuige 2] heeft direct gereageerd en heeft [slachtoffer] opgepakt en op haar arm genomen. We zijn toen direct weggegaan. [getuige 2] zat de hele tijd met [slachtoffer] in de gang te praten. [getuige 2] moest haar verhaal bij de politie doen. Ik ben toen bij [slachtoffer] gaan zitten. [slachtoffer] zei tegen mij: "Die meneer zat aan mijn poesje". Toen zei ze tegen mij: "en weet je wat die meneer nog meer deed? Hij ging met zijn vinger daar bij mijn kont, dat mag toch niet, dat kan toch niet?" Daarbij deed ze het voor en wees met haar wijsvinger naar haar kontje.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek d.d.

11 april 2017, opgenomen op pagina 114 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 3 september 2016 ben ik aanwezig geweest bij het aan [verdachte] ingestelde onderzoek. Van [verdachte] werden de volgende lichaamsbemonsteringen genomen: nagels van alle vingers, binnen- en buitenzijde van beide handen, rond mond, penishuid, onderzijde eikel/slijmvlies voorhuid en eikel. De bemonsteringen werden uitgevoerd met het materiaal uit een zedenset (SIN ZAAC7288NL).

Op 4 september 2016 omstreeks 00.30 uur is door dr. H. Terlingen, werkzaam als forensisch arts bij het Nederlands Forensisch Instituut een onderzoek ingesteld aan [slachtoffer] . Ik was bij dit onderzoek aanwezig. Door dr. H. Terlingen werden de vagina en de anus van [slachtoffer] bemonsterd op biologische sporen. Hiervoor werd gebruik gemaakt van het materiaal uit een zedenset, voorzien van SIN: ZAAC7063NL.

Op 4 september 2016 is door dr. H. Terlingen, in mijn aanwezigheid, een referentie monster wangslijm (RABL2982NL) afgenomen van [slachtoffer] .

Op 4 september 2016 is door een forensisch medewerker een monster wangslijm (RABK3388NL) afgenomen van [verdachte] .

5. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna NFI), zaaknummer 2016.11.11.107, d.d. 7 april 2017 opgemaakt door dr. A.G.M. van Gorp, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

De onderzoekset zedendelicten ZAAC7063NL van [slachtoffer] is onderzocht op aanwezigheid van biologische sporen. Op de buitenste schaamlippen (nat) zijn aanwijzingen voor spermavloeistof en speeksel aangetroffen. Deze zijn voor DNA-onderzoek veiliggesteld als ZAA7063NL#01. Op basis van de bemonsterde locaties en de hoeveelheid mannelijk DNA is de bemonstering ZAAC7063NL#01 onderworpen aan een Y-chromosomaal DNA-onderzoek om te trachten meer informatie van de mannelijke celdonor(en) in deze bemonstering te verkrijgen. Voor het vergelijkend Y-chromosomaal DNA-onderzoek is ook het referentiemonster RABK3388NL van [verdachte] onderworpen aan een

Y-chromosomaal DNA-onderzoek. Het ZAA7063NL#01 heeft een match met het Y-chromosomaal DNA-profiel van [verdachte] . Om de bewijskracht van de gevonden match tussen het Y-chromosomale DNA-profiel van het DNA in de bemonstering ZAAC7063NL#01 en het Y-chromosomale DNA-profiel van [verdachte] RABK3388NL te kunnen formulering in termen van waarschijnlijkheid, wordt geconcludeerd dat de resultaten van het verkregen Y-chromosomale DNA-onderzoek aan de bemonstering ZAAC7063NL#01 (buitenste schaamlippen) zeer veel waarschijnlijker is dat deze mannelijk celmateriaal van [verdachte] bevat dan van een andere willekeurig gekozen man die niet in de mannelijk lijn aan [verdachte] verwante man.

Het monster ZAA7063NL#08 genomen om de anus (nat) bevat een DNA-mengprofiel van [slachtoffer] en [verdachte] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Het monster ZAAC7288NL#18 genomen van de nagel van de wijsvinger van de rechterhand van [verdachte] bevat een DNA-mengprofiel van [verdachte] en [slachtoffer] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen vrouw matcht met dit afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 3 september 2016 te Leeuwarden, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van haar vagina en billen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van drie jaren. Alsmede oplegging van de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij Reclassering Nederland en de verplichting een ambulante behandeling bij Trajectum te volgen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit -in het geval de rechtbank tot een veroordeling komt- voor een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het voorarrest en aan het voorwaardelijk deel de bijzondere voorwaarden worden gekoppeld van verplicht reclasseringstoezicht en een verplichte ambulante behandeling bij Trajectum. Deze straf zou eventueel kunnen worden aangevuld met een onvoorwaardelijke taakstraf. Gelet op het blanco strafblad van verdachte, de omstandigheid dat het feit een jaar geleden is gepleegd en verdachte afgelopen jaar een moeizame tijd heeft gehad door de onderhavige vervolging en wat dat betreft ook nog een lastige tijd tegemoet gaat is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het psychologisch onderzoek door T. van den Hazel, klinisch psycholoog BIG van 16 oktober 2017 en de reclasseringsrapportages van 24 november 2016 en 30 juni 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een vierjarig meisje door haar vagina en billen te betasten. Verdachte heeft het slachtoffer uit de steeg achter haar woning weggelokt door haar een ijsje aan te bieden. Hij heeft haar vervolgens meegenomen naar zijn woning waar hij haar heeft betast. Bij een zoekactie kort nadien in de buurt is het slachtoffer door buurvrouwen in de woning van verdachte aangetroffen. Door zijn handelen heeft verdachte de geestelijke en lichamelijke integriteit van het erg jonge slachtoffer ernstig geschonden. Ook het vertrouwen van het slachtoffer in volwassen personen en het gevoel van veiligheid voor haar en haar gezin rondom haar woning is door verdachte geschonden. Haar ouders hebben er dan ook voor gekozen om met haar te verhuizen. Het gedrag van verdachte heeft tevens voor veel onrust gezorgd bij de buurtbewoners.

De rechtbank is van oordeel dat het uitgangspunt voor een ernstig strafbaar feit als het onderhavige, waarbij een erg jong slachtoffer bewust wordt meegelokt en vervolgens wordt misbruikt door het betasten van haar geslachtsdelen, een langere gevangenisstraf van in ieder geval één jaar onvoorwaardelijk dient te zijn.

De rechtbank neemt in aanmerking dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat er bij verdachte sprake is van een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis. Deze is duurzaam van aard en hiervan was zeker sprake ten tijde van het ten laste gelegde. Door de afwerende houding van verdachte en zijn maar gedeeltelijke medewerking aan het onderzoek kan anderszins geen onderbouwd advies gegeven worden over de al dan niet (verminderde) toerekenbaarheid van het feit.

Het risico op herhaling van een pedoseksueel delict wordt door de psycholoog als matig ingeschat. Bij alcoholgebruik neemt dit risico toe vanwege een nog meer beperkte gedragscontrole en een nog geringere afstemming op een ander. Geïndiceerd wordt een ambulant begeleidings- en behandeltraject afgestemd op de verstandelijke ontwikkelingsstoornis van verdachte en bemoeizorgend van aard, uitgaande van verdachtes afweer en een beperkte motivatie voor begeleiding en behandeling. De verwachting is dat een extern begeleidingskader noodzakelijk is om de motivatie tot behandeling vast te houden.

De reclassering heeft geadviseerd bij een deels voorwaardelijke straf de voorwaarden van een meldplicht bij Reclassering Nederland en een ambulante behandelverplichting bij de Geestelijke Gezondheidszorg (hierna GGZ) Friesland Polikliniek Forensische Psychiatrie of soortgelijke ambulante forensische zorg op te leggen.

De rechtbank weegt bij de strafoplegging verdachtes houding ten opzichte van het strafbare feit en zijn houding tijdens het onderzoek bij de psycholoog mee. Ondanks dat overvloedig bewijs het tegendeel aangeeft blijft verdachte stellig ontkennen. Hij ontkent niet alleen de ontuchtige handelingen te hebben gepleegd, maar hij ontkent ook dat hij het slachtoffer heeft meegenomen naar zijn woning. Op vragen van de rechtbank om een verklaring voor deze bewijsmiddelen te geven is zijn korte antwoord: "het klopt niet". Hij geeft geen enkele uitleg en lijkt tegen beter weten te volharden in zijn ontkenning. De rechtbank is van oordeel dat deze houding het voor verdachte erg lastig maakt om, zoals hij graag wil, terug te keren naar de buurt en daar door de buurtbewoners -waaronder ook familie van het slachtoffer- te worden geaccepteerd. Tevens belemmert zijn houding het verkrijgen van inzicht in hetgeen verdachte heeft bewogen en bemoeilijkt het een door de rechtbank noodzakelijk geachte behandeling. Ook positieve effecten die bij een andersoortige opstelling op kunnen treden bij de verwerking van het gepleegde door het slachtoffer en haar opvoeders heeft verdachte daarmee geen kans gegeven.

De rechtbank heeft door de opstelling en de houding van verdachte onvoldoende zicht gekregen in de persoonlijkheidsproblematiek van verdachte die matigend zou kunnen werken. De rechtbank is van oordeel dat het, naast de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, daarom nodig is dat verdachte een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd krijgt om zodoende een behandeling te ondergaan voor bij hem eventueel aanwezige persoonlijkheids- en seksuele problematiek en om hem gemotiveerd te houden om die, en de begeleiding, vol te houden.

Alles afwegend zal de rechtbank verdachte, overeenkomstig de eis van de officier van justitie, veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van drie jaren. Alsmede oplegging van de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij Reclassering Nederland en een ambulante behandelverplichting bij de GGZ Friesland Polikliniek Forensische Psychiatrie of soortgelijke ambulante forensische zorg voor zijn persoonlijkheidsproblematiek.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 2.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

Door de raadsman is primair bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is, omdat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat bij een bewezenverklaring de vordering tot een bedrag van € 500,-- kan worden toegewezen. De raadsman heeft aangevoerd dat de door de benadeelde partij in de vordering aangehaalde uitspraak niet passend is in deze zaak en niet als ondergrens kan worden gebruikt, omdat in de rechtspraak in het algemeen een veel lager bedrag aan immateriële schade wordt toegekend.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij heeft vergoeding van immateriële schade gevorderd. In het geval geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals hier aan de orde, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De rechtbank overweegt dat in casu ontuchtige handelingen zijn gepleegd bij een zeer jong slachtoffer. De bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan bij het slachtoffer maakt dat vergoeding van immateriële schade mogelijk is. Het gaat hierbij om een inbreuk op een zodanig fundamenteel recht, de lichamelijke integriteit, dat dit in zichzelf als aantasting van de persoon op een andere wijze dient te worden beschouwd.

De rechtbank is van oordeel dat met betrekking tot de hoogte van de schade geen aansluiting gezocht kan worden bij de door de benadeelde partij aangevoerd uitspraak van het gerechtshof Amsterdam betreffende de strafzaak tegen [naam 3]. (ECLI:NL:GHAMS:2013:BZ8885). Die strafzaak is van een geheel andere orde en niet vergelijkbaar met de onderhavige strafzaak. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de schade wordt geschat op € 500,--. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2016, toewijzen en het overige gedeelte van de vordering afwijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen één week na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden;

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de Geestelijke Gezondheidszorg Friesland Polikliniek Forensische Psychiatrie of soortgelijke ambulante forensische zorg op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

3 september 2016.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 500,-- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van tien dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 september 2016. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door G.T. Zandstra-Alkema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 december 2017.

Mr. M.J.B. Holsink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.