Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5063

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-12-2017
Datum publicatie
03-01-2018
Zaaknummer
18/830269-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

seksueel misbruik; betrouwbaarheid aangiftes; steunbewijs

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 244
Wetboek van Strafrecht 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830269-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 21 december 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 december 2017. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. drs L.S. Wachters, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 2000 tot en met 2007 te [pleegplaats] ,

gemeente Menterwolde, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren op

[geboortedatum] 1997), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een

of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en)

uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] ,

immers heeft/is hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (telkens) met

zijn, verdachtes, penis en/of tong en of vinger(s) en/of hand(en)

op/over/langs/tussen de clitoris en/of de schaamlippen, in elk geval de vagina

van [slachtoffer 1] gewreven en/of gegaan;

2.

hij in of omstreeks de periode van 2000 tot en met 2007 te [pleegplaats] ,

gemeente Menterwolde, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren op

[geboortedatum] 1997), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, immers

heeft/is hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (telkens):

- die [slachtoffer 1] op de mond gekust/gezoend en/of

- die [slachtoffer 1] uit een seksboekje voorgelezen en/of

- zichzelf in het bijzijn van die [slachtoffer 1] afgetrokken en/of

- ( over) de billen van die [slachtoffer 1] gestreeld en/of betast en/of

- op de clitoris en/of (tussen) de schaamlippen, in elk geval op de vagina van die [slachtoffer 1] gespuugd en/of

- met zijn, verdachtes, penis en/of tong en/of vinger(s) en/of hand(en)

op/over/langs/tussen de clitoris en/of de schaamlippen, in elk geval de

vagina, van die [slachtoffer 1] gewreven en/of gegaan en/of

- de hand(en) van die [slachtoffer 1] op zijn, verdachtes, penis gelegd en/of (vervolgens) bewogen en/of (aldus) zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] laten vasthouden en/of aftrekken en/of

- die [slachtoffer 1] met haar (ontblote) onderlichaam op zijn, verdachtes, (ontblote) penis laten zitten en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 1] met haar (ontblote) onderlichaam over zijn, verdachtes, (ontblote) penis heen en weer bewogen/laten bewegen en/of

- een hond aan de vagina van die [slachtoffer 1] laten likken;

3.

hij in of omstreeks de periode van 2003 tot en met 2008 te [pleegplaats] ,

gemeente Menterwolde, althans in Nederland, met [slachtoffer 2]

(geboren op [geboortedatum] 1999), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had

bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd,

immers heeft/is hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, (telkens):

- die [slachtoffer 2] op de mond gekust/gezoend en/of

- die [slachtoffer 2] uit een seksboekje voorgelezen en/of

- zichzelf in het bijzijn van die [slachtoffer 2] afgetrokken en/of

- zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 2] laten aftrekken en/of

- die [slachtoffer 2] met haar (ontblote) onderlichaam op zijn, verdachtes,(ontblote) penis laten zitten en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 2] met haar (ontblote) onderlichaam over zijn, verdachtes, (ontblote) penis heen en weer bewogen/laten bewegen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er voldoende wettig bewijs voorhanden is onder meer bestaande uit twee onafhankelijk van elkaar gedane aangiftes van twee zusjes. Deze verklaringen zijn gedetailleerd, consequent en geloofwaardig en steunen elkaar over en weer. Hoewel aangeefsters nimmer met elkaar over het misbruik hebben gesproken, bevatten hun verklaringen opvallende overeenkomsten over de aard en opbouw van het misbruik en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden. Verder worden de aangiftes ondersteund door de verklaring van [getuige 1] dat ze heeft gezien dat verdachte door [slachtoffer 1] werd afgetrokken. Ook worden ze op onderdelen bevestigd door de verklaringen van de stiefmoeder en de vader van aangeefsters onder meer over de aanwezigheid van de autostoel en de seksboekjes op de zolder van de garage.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde, aangezien de verklaringen in het dossier niet betrouwbaar zijn en de aangiftes geen dan wel onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal, zodat niet is voldaan aan het wettelijke bewijsminimum.

Ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft de raadsvrouw daartoe in het bijzonder het volgende aangevoerd. Aangeefster [slachtoffer 1] was extreem jong toen het vermeende misbruik begon en is daar pas jaren later over gaan verklaren. Het is niet ondenkbaar dat deze verklaringen gekleurd zijn door allerlei andere herinneringen. Haar verklaringen zijn hierdoor dermate onbetrouwbaar dat deze moeten worden uitgesloten van het bewijs. Maar ook als ervan wordt uitgegaan dat de aangifte voldoende betrouwbaar is, moet verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken omdat er onvoldoende ander bewijs voorhanden is dat de aangifte ondersteunt. De verklaring van [getuige 1] kan daartoe niet dienen, aangezien deze op opvallende punten niet wordt ondersteund door de andere verklaringen in het dossier en dus onvoldoende betrouwbaar moet worden geacht. De aangifte van [slachtoffer 2] , de zus van [slachtoffer 1] , betreft ter zake geen zelfstandig bewijsmiddel, aangezien zij niet heeft gezien dat [slachtoffer 1] werd misbruikt. De verklaring van [slachtoffer 2] kan ook niet als schakelbewijs worden gehanteerd nu de beschreven feitelijke gang van zaken in beide aangiftes op de essentiële punten geen belangrijke overeenkomsten vertoont. Er is dan ook geen sprake van een patroon dat vanwege zijn specifieke elementen een samenstellend deel kan vormen van de bewijsconstructie van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Ten slotte betreffen de overige verklaringen die met betrekking tot de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zijn afgelegd alle de auditu-verklaringen die zijn terug te voeren op één bron, te weten [slachtoffer 1] .

Al het voorgaande geldt eveneens voor het onder 3 ten laste gelegde feit met betrekking tot [slachtoffer 2] . Ook haar aangifte moet gezien haar jeugdige leeftijd ten tijde van het vermeende misbruik en het tijdsverloop tussen dit misbruik en de daarover afgelegde verklaringen als onbetrouwbaar worden gekwalificeerd, temeer nu deze niet geheel consistent is met de inhoud van het met haar gevoerde informatieve gesprek. Verder zijn de verklaringen van de getuigen ook ten aanzien van [slachtoffer 2] verklaringen van horen zeggen in dit geval afkomstig van [slachtoffer 2] . Ook ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit is derhalve sprake van onvoldoende wettig bewijs en verdachte moet van dit feit worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters

De rechtbank verwerpt de door de verdediging gevoerde verweren op het punt van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefsters. De rechtbank overweegt daartoe dat de verklaringen die aangeefster van het onder 1 en 2 ten laste gelegde feit tegenover de politie heeft afgelegd, uitgebreid en gedetailleerd zijn, en op grond van de inhoud als voldoende betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. De verklaringen zijn consistent over de diverse gebeurtenissen die zich in de ten laste gelegde periode hebben afgespeeld. Blijkens het proces-verbaal bevindingen1 van 28 mei 2014 heeft [slachtoffer 1] toen al aan verbalisanten op het politiebureau te Veendam verteld dat het seksueel misbruik door een vroegere huisgenoot bijgenaamd [naam] is begonnen met het voorlezen uit seksboekjes, dat hij na een tijdje er toe overging haar tijdens dit voorlezen te betasten, dat zij hem niet lang daarna ook moest aanraken en dat zij op hem moest ‘rijden’. Zij heeft tevens verteld dat hij heeft geprobeerd haar te penetreren maar dat dit niet lukte omdat het niet paste. Ook heeft zij toen verteld dat zij zich verdrietig voelde over het feit dat zij niet werd geloofd door haar moeder. Dit alles heeft zij herhaald tijdens het daaropvolgende informatieve gesprek op 30 juni 2014 alsmede bij haar aangifte op 9 maart 2016, tijdens welke verklaringen zij steeds gedetailleerder is gaan verklaren over de gebeurtenissen, waaronder de al eerder door haar aangehaalde situatie waarin verdachte haar begeleidde tijdens het ponyrijden en de pony nabij de gasplint vastbond, waarna hij op de grond ging liggen en [slachtoffer 1] op hem moest zitten en ‘rijden’.

De verklaringen van [slachtoffer 1] komen bovendien niet alleen onderling inhoudelijk op specifieke en essentiële punten met elkaar overeen, maar ook met die van haar stiefmoeder [getuige 2] en haar ex-vriend [getuige 3] . Zij hebben beiden een verklaring afgelegd over wat [slachtoffer 1] over het misbruik aan hen had verteld. Deze ‘de auditu’-verklaringen zijn weliswaar ontoereikend om als steunbewijs te dienen, maar mogen wel worden meegewogen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de aangiftes. Van belang in dat verband is dan of, en zo ja in hoeverre, in deze ‘de auditu’-verklaringen onderdelen van de verklaringen van aangeefster(s) worden bevestigd. Dat daarvan sprake is blijkt bijvoorbeeld uit hetgeen [getuige 3] heeft verklaard: “Ze gingen bijvoorbeeld naar de paarden toe. Maar ze gingen dan naar een caravan die achter het huis stond. Hij had daar allemaal boekjes klaar liggen. Hij deed dan een condoom om en plaste deze vol.” en “Ik weet dat hij een keer geprobeerd heeft om zijn penis in de vagina te drukken.” Op de vraag of ze ook heeft verteld waar het was gebeurd, antwoord hij “Ja, de zolder en schuur achter het huis. Dat was in [pleegplaats] .” “V: En ik hoorde je net zeggen de caravan met boekjes. A: Ja. Maar de boekjes lagen ook op zolder en in de caravan.”2

In dit verband speelt ook de verklaring van [getuige 4] , de vader van aangeefsters een rol. Zijn verklaring staat ten aanzien van de ontuchtige handelingen die verdachte zou hebben gepleegd weliswaar in een nog verder verband, aangezien hij heeft verklaard wat [getuige 2] hem heeft verteld, niettemin komt deze op essentiële onderdelen3 overeen met de aangifte van [slachtoffer 1] . Verder worden door de vader van aangeefster ook dingen verklaard die hij uit eigen waarneming kent en die de verklaring van [slachtoffer 1] eveneens ondersteunen, bijvoorbeeld dat hij de stoel op de zolder heeft zien staan en dat daar seksboekjes bij lagen en dat verdachte een hele kleine piemel heeft4. Dit laatste wordt ook door de stiefmoeder van aangeefster gezegd op pagina 71 in het dossier: “ [naam] heeft een extreem kleine piemel. Dat weet ik, want ik heb hem zelf weleens gezien. Ik denk dat de piemel in harde toestand maar 5 of 6 centimeter is.

V: Hoe weet jij dat de piemel van [naam] in harde toestand maar 5 of 6 centimeter is?

A: Dat is informatie die ik van [naam] heb. Ik heb de piemel van [naam] nog nooit in harde toestand gezien. Ik heb hem weleens in slappe toestand gezien”.

Ook de verklaringen van aangeefster van het onder 3 ten laste gelegde feit beoordeelt de rechtbank als betrouwbaar. Weliswaar zijn deze minder gedetailleerd en consistent dan die van haar zus, maar de rechtbank wijt dit met name aan de sterke band die [slachtoffer 2] in haar jeugd met verdachte heeft gevoeld, wat wordt bevestigd door alle betrokkenen in het dossier, zodat het voor haar moeilijker zal zijn geweest om belastend over hem te verklaren. Verder zal het karakter van [slachtoffer 2] , die wordt omschreven als heel gesloten, een binnenvetter, een “opkropper, die zich stil houdt en niets uit”5, hier aan hebben bijgedragen.

Dat op onderdelen in de verklaringen van aangeefsters tegenstrijdigheden zijn te ontdekken, maakt het vorenstaande niet anders. Aangeefsters verklaren over feiten die tien jaar of langer geleden zijn voorgevallen. Bovendien verklaren zij over een beladen en heel persoonlijk onderwerp en over een persoon (verdachte) waar zij lange tijd loyaal aan zijn geweest aangezien hij ook heel aardig voor hen was, vaak op hen paste en ook anderszins verzorgende taken ten aanzien van hen op zich had genomen.

Voor zover de verdediging zich op het standpunt heeft gesteld dat denkbaar is dat de belastende verklaringen van [slachtoffer 2] voortkomen uit loyaliteit aan [slachtoffer 1] en dat zij [slachtoffer 1] wil ondersteunen in haar (valse) aangifte door zelf ook een valse aangifte te doen van vermeend misbruik, heeft de rechtbank hiervoor geen aanknopingspunten in de processtukken aangetroffen. Sterker nog, uit het dossier blijkt dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vanaf de scheiding van hun ouders apart zijn gaan wonen en dat [slachtoffer 2] nimmer tegenover [slachtoffer 1] in heeft willen gaan op het seksueel misbruik6 en dat beide aangeefsters aan niemand in hun directe omgeving precies uit de doeken hebben willen doen waaruit de seksuele handelingen die zij hebben moeten ondergaan hebben bestaan7. Hieruit volgt dat aangeefsters naar het oordeel van de rechtbank onafhankelijk van elkaar en onkundig van elkaars misbruik bij de politie hun verhaal hebben gedaan.

Door verdachte is ter terechtzitting nog aangevoerd dat aangeefsters poppenkastfiguren zijn die er enkel op uit zijn om zijn leven kapot te maken. Desgevraagd kan hij echter geen verklaring of motief bedenken voor de in zijn ogen valse beschuldigingen.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de jeugdige leeftijd waarop het ten laste gelegde handelen zou zijn ondergaan en het tijdsverloop geen belemmeringen vormen om de verklaringen betrouwbaar te achten.

De rechtbank heeft gelet op al het voorgaande geen reden om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en acht deze dan ook bruikbaar voor het bewijs.

Het steunbewijs

Volgens vaste jurisprudentie laat de vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is voldaan, zich niet in algemene zin beantwoorden, maar moet dit per concreet geval worden beoordeeld. Met betrekking tot zedenzaken is bovendien niet vereist dat het misbruik steun vindt in ander bewijsmateriaal. Vereist is dat de verklaringen van een aangever op specifieke punten bevestiging vinden in ander bewijsmateriaal en dat tussen een en ander niet een te ver verwijderd verband bestaat.

In het onderhavige geval is de rechtbank van oordeel dat hoewel aangeefsters bij gebrek aan wetenschap niet specifiek, in zeker detail, hebben kunnen verklaren over elkaars misbruik, de aangifte van de één zeer goed kan dienen als steunbewijs voor die van de ander. De omstandigheid dat er sprake is van twee afzonderlijke, betrouwbaar geachte aangiftes van soortgelijke, zo niet identieke delicten tegen dezelfde verdachte kan tot geen andere conclusie leiden dat dat deze elkaar over en weer, niet alleen in feitelijke, maar ook in bewijstechnische zin, ondersteunen. Hierbij wijst de rechtbank op de volgende met elkaar overeenkomende feitelijke omstandigheden die uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid en waarbij sprake is van een duidelijke en onderlinge samenhang in aard van de ontuchtige handelingen en de wijze waarop en de omstandigheden waaronder die handelingen plaatsvonden. Zo hebben aangeefsters beiden afzonderlijk van elkaar verklaard:

- dat ze op de zolder van de schuur bij verdachte op schoot moesten zitten en vervolgens rijdende bewegingen op hem moesten maken;

- dat in de schuur pornoblaadjes lagen;

- dat verdachte tegen hen heeft gezegd dat de seksuele handelingen heel normaal zijn, dat iedereen het doet maar dat anderen het niet mochten weten en dat het hun geheimpje was.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van aangeefster van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op specifieke punten bevestiging vinden in de verklaringen van aangeefster van het onder 3 ten laste gelegde feit en dat er geen te ver

verwijderd verband hiertussen bestaat.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde merkt de rechtbank nog op dat “het met de tong/vinger aanraken van de kittelaar en daartoe openen van de grote en kleine schaamlippen” volgens de Hoge Raad8 seksueel binnendringen oplevert, zodat, gelet op hetgeen [slachtoffer 1] daarover heeft verklaard (“Hij ging met zijn vingers tussen mijn schaamlippen bewegen”), ook dit bestanddeel kan worden bewezen.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en past daartoe de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten. Ieder bewijsmiddel is – ook in
onderdelen – slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 7 december 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Mijn bijnaam is [naam] . Ik heb vanaf 2000 tot 2007 bij de familie [naam] in [pleegplaats] gewoond. Ik heb ook een tijdje op de zolder van de schuur gewoond.

Het klopt dat [slachtoffer 1] een keer flipte toen ze mij bij haar thuis zag.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 9 maart 2016, opgenomen op pagina 22 t/m 41 van het dossier met nummer PL0100-2016163659 d.d. 6 juni 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] , voor zover hier van belang inhoudende en zakelijk weergegeven:

Ik ben geboren op [geboortedatum] 1997. Ik ben seksueel misbruikt door [verdachte] . Ik noem hem [naam] . Dat was toen ik 4 of 5 jaar was, misschien ook wel 3, maar ik gok 4 jaar oud. Hij woonde bij ons in [pleegplaats] in de gemeente Menterwolde.

Het begon met het voorlezen uit de seksboekjes. Dat was eerst in zijn caravan maar later ook op de zolder in de schuur. Daar stond een autostoel en daar lag altijd een Foxy. Ik moest daar bij hem in de autostoel gaan zitten en meelezen in de Foxy. Ik was heel jong en wist alles al over seks. Na het voorlezen won hij mijn vertrouwen en maakte er misbruik van. Hij gaf kusjes en ik hem. Ik moest ook over zijn trainingsbroek aan zijn piemel zitten. Hij ging ook aan mij zitten en heeft me een keer gebeft.

In [pleegplaats] gingen we rijden met de pony. Hij bond dan de pony vast en ging ernaast op de grond zitten. Ik moest dan op hem zitten en dan moest ik een rijdende beweging op hem maken.

Ook een keer in de caravan, had hij me voorgelezen uit een seksboekje. Het ging over condooms en sperma. Hij vroeg me of ik wist wat dat was. Ik wist dat niet. Hij deed zijn broek uit en deed een condoom om. Hij deed zijn broek weer aan. Hij zette mij op zijn schoot en bewoog mij heen en weer. Toen hij klaar was liet hij mij het condoom zien. Er zat wat in het condoom. Hij zei dat het sperma was. En zei:" Nu weet je ook wat dat is". Nu weet ik dat sperma wit is en dat was niet wit. Ik denk dat er plas in het condoom heeft gezeten.

Ik moest een keer aan hem zitten. Hij had mijn hand vast. Hij bewoog zijn en mijn hand naar zijn piemel. Mijn zus, [getuige 1] , kwam toen binnen. Zei vroeg wat wij deden.

V: Nog andere dingen?

A: Hij deed alles wel meerdere keren. Behalve dat met die condoom, dat deed hij één keer. Dat ik aan hem zat, dat hij aan mij zat en dat hij me befte, deed hij meerdere keren. Ook dat met het ponyrijden, bij de gasplint, deed hij vaker.

Ik weet zeker dat hij degene is die aan mij heeft gezeten en bovenop mij heeft gelegen. De man die dat gedaan heeft, was dik. Ik was klein en ik kon er niet tegenin gaan.

V: Wanneer stopte het misbruik?

A: De laatste keer was denk ik dat hij de mogelijkheid niet meer had om bij ons te komen. Dat zou rond 2007 of 2008 geweest zijn. Ik weet dat niet meer exact.

A: Hij heeft me gebeft. Hij heeft me niet gevingerd, maar hij heeft wel mijn clitoris aangeraakt.

V: Wat is het verschil?

A: Hij is niet bij mijn gaatje naar binnen geweest. Hij heeft wel tussen mijn schaamlippen mijn clitoris aangeraakt.

V: Hoe vaak heeft hij aan je clitoris gezeten?

A: Niet heel vaak. Ik weet het niet precies.

V: Hoe zat het met je kleding, als hij aan je clitoris zat?

A: Dan deed hij mijn knoop los en deed hij de broek een beetje naar beneden, zodat de broek ook weer snel omhoog kon. Hij ging altijd met zijn hand bij de broek naar binnen en ging dan met zijn vingers over mijn clitoris.

V: En beffen?

A: Hij spuugde op mijn vagina. Hij ging met zijn vingers tussen mijn schaamlippen bewegen. Hij ging een paar keer likken en toen hield hij op. Dat was in de caravan.

V: Hoe komt het dat hij je kon beffen, hoe gaat dat?

A: We waren bezig met een spelletje doen. Hij begon met knuffelen en kusjes geven. Hij ging steeds verder met aan me zitten. Hij zat aan mijn billen en ik moest bij hem wrijven. Hij ging op mijn ding spugen en dat vond ik echt niet leuk.

V: Wat nog meer?

A: Ik moest hem aftrekken. Hij pakte altijd mijn hand en legde die dan op zijn penis, over zijn trainingsbroek. Dan moest ik heen en weer wrijven. Hij zette mij ook op hem en bewoog mij heen en weer. Hij was veel te dik om op mij te liggen, dus ik moest altijd op hem zitten en op hem rijden. Ik reed dan op zijn piemel, dat moest van hem.

Hij heeft een keer een condoom omgedaan, toen heeft hij het geprobeerd, dat lukte niet. Hij ging door tot het voor hem genoeg was. Hij probeerde met zijn piemel echt bij mijn vagina te komen. Dat was echt niet goed. Hij deed toen zijn trainingsbroek weer omhoog. Hij zette mij toen weer bovenop zich en ik moest weer op hem heen en weer rijden.

Als hij dat soort dingen deed was er nooit iemand bij. Het rijden op hem gebeurde veel vaker

als het aan mijn clitoris zitten en mij beffen. Ik denk dat hij dit deed, omdat híj daar sneller mee kon stoppen als er iemand binnenkwam. Hij hield dan altijd zijn kleding aan en ik had dan ook altijd mijn kleding aan.

Als ik op hem moest rijden, was dat 9 van de 10 keer met trainingsbroek aan. Het is misschien 1 keer gebeurd dat hij het zonder probeerde. Al die dingen deed hij wel vaker.

A: Hij heeft de hond aan mij laten likken.

V: Hoe ging het aftrekken?

A: Ik moest zijn piemel in mijn hand nemen en een paar keer trekken. Dan mocht ik weer stoppen en ging hij me weer op zich zetten en moest ik weer op hem rijden.

V: Hoe wist je dat ik hem moest aftrekken?

A: Hij pakte mijn vingers en legde die om zijn piemel. Hij zei dan dat ik moest bewegen. Hij zei nooit het woord aftrekken.

V: Hoe had je die piemel vast?

A: Hij had een hele kleine piemel. Ik had zijn naakte piemel in mijn hand.

V: Hoe kwam je bij zijn naakte piemel?

A: Hij deed mijn hand in zijn broek. Soms deed hij zijn piemel zelf uit zijn broek.

V: In welke staat was die piemel?

A; Hij heeft een hele kleine piemel. Dus stijf is hij nog steeds klein. Ik denk dat zijn piemel nog iets kleiner is dan de grote van je pen, in opgewonden toestand.

V: Wat kun je ons vertellen over hetgeen [slachtoffer 2] aangifte van heeft gedaan?

A: Hij heeft ons samen voorgelezen uit een seksboekje.

V: Wat kun jij ons vertellen over het seksuele misbruik van [slachtoffer 2] . Wat heb jij daar zelf van meegekregen?

A: Heel vaak was hij ons aan het voorlezen uit die seksboekjes en dan moesten we hem ook kusjes geven en knuffelen. Hij vroeg dan of we het ook bij hem konden doen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 12 oktober 2015, opgenomen op pagina 47 t/m 60 van voornoemd dossier , inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] , voor zover hier van belang inhoudende en zakelijk weergegeven:

Ik ben geboren op [geboortedatum] 1999. Ik doe aangifte van seksueel misbruik tegen [naam] . Hij heeft bij ons ingewoond. Het seksueel misbruik vond plaats vanaf groep 2 tot en met groep 4 of 5. In groep 2 was ik ongeveer 5 of 6 jaar. Het is gestopt toen ik 8 of 9 jaar was.

Het misbruik vond plaats in huis. In [pleegplaats] , waar ik nu nog woon.

Hij bracht mij naar bed en ging voorlezen. Hij ging zich dan aftrekken en dat moest ik ook bij hem doen. Hij ging ook wel over mij heen schuren. Hij deed dat overal. Het gebeurde in de schuur en in mijn slaapkamer. Hij trok zich heel vaak af. Ik moest dat ook bij hem doen, over hem heen rijden.

Wat kun je ons vertellen over de allereerste keer misbruik door [verdachte] bij jou, die jij je nog kunt herinneren?

A: Dat weet ik niet echt. Ik lag met hem op de bank. We hebben de 'snorkels' op tv. Toen zat hij al met zijn hand in zijn broek. Hij was zich aan het aftrekken. Dat is wat ik mij kan herinneren over hoe het begon.

V: Wat gebeurde er precies?

A: Hij zat met zijn hand in zijn broek en hij ging zich aftrekken en ik ging de snorkels kijken.

V: Hoe weet jij dat hij zich aan het aftrekken was?

A: Dat wist ik toen nog niet, dat weet ik nu.

V: Wat deed hij dan precies? Wat zag je?

A: Hij had zijn hand in zijn broek en hij was aan het bewegen

V: Ik zie je een beweging maken met jouw hand. Is dat een op en neer gaande beweging?

A: Ja.

V: Sinds wanneer weet je dat dit aftrekken is geweest?

A: Dat weet ik niet hoe ik dat moet uitleggen. Ik heb daar niet echt een antwoord op. Ik denk dat ik wist wat dat was toen ik 12 jaar was.

V: Wat kun je ons vertellen over de allerlaatste keer misbruik door [verdachte] bij jou, die jij je nog kunt herinneren?

A: Dat weet ik niet echt. Volgens mij was de laatste keer bij de schuur. Hij was boven in de schuur. Daar ging hij heel vaak zitten. Ik was wel eens mee. Daar keek mijn vader ook niet echt. Toen moest ik tegen hem aanrijden. Meer weet ik ook niet echt.

V: Hoe ging dat dat tegen hem aanrijden?

A: Gewoon over zijn piemel heen rijden.

V: Hoe wist je dat je dat moest doen?

A: Dat zei hij. Hij tilde mij op zijn schoot. Ik moet heen en weer rijden.

A: In de schuur lagen eerder ook altijd pornoblaadjes van hem.

V: Wat gebeurde er precies?

A: Dat ik op zijn schoot zit en dat ik tegen hem aanrij.

V: Hoe zat het met die kleding toen het misbruik plaats vond die laatste keer?

A: Soms deed hij het uit, soms liet hij het zitten. Ik weet niet meer hoe het die laatste keer was.

V: Als hij het soms uit deed wat deed hij dan uit?

A: Mijn broek.

V: Hoe was dat andere keren dat je over hem heen moest rijden?

A: Dan had hij zijn broek half uit. Soms had hij hem uit, soms half uit en soms hield hij hem aan.

V: Dus als ik je goed begrijp dan was het soms dat jij je broek uit had en soms had je je broek aan. En hij had zijn broek aan en soms uit.

A: Ja.

V: Kun je dat rijden, kun je dat uitleggen hoe dat gaat?

A: Hij zit of hij ligt en ik moet dan heen en weer. Net als met paardrijden maar dan niet op en neer, maar heen en weer.

V: Als het zitten gebeurde, hoe was jouw positie dan ten opzichte van hem?

A: We zaten altijd te knuffelen zeg maar en ik ging dan een beetje rijden.

V: Zat je dan met je gezicht naar hem toen of niet of zat je schuin?

A: Met mijn gezicht naar hem toe.

V: Hoe wist je dan wat je moest doen?

A: Omdat het wel vaker gebeurde.

V: Op welke plekken heeft het misbruik allemaal plaats gevonden?

A: Thuis, in de woonkamer in de slaapkamer, in de schuur, caravan. In de auto. Dan waren we ergens heengereden. Naar de bossen dat weet ik nog wel.

V: Welke seksuele handelingen hebben er tussen jou en [verdachte] plaatsgevonden?

A: Zichzelf aftrekken, porno kijken, ik moest aan zijn piemel zitten met mijn handen, ik moet over hem heen rijden. Hij keek pornoblaadjes in, hij trok zichzelf vaak af waar ik bij was, gewoon met zichzelf spelen. Hij reed wel tegen mij aan. Dat is wat ik mij nog kan herinneren.

V: Heb jij ooit gezien dat [verdachte] iemand anders dan jou misbruikte?

A: Niet gezien, maar ik weet wel dat mijn zus er ook bij was. [slachtoffer 1] . Ik kan mij daar niet veel van herinneren. Maar ik kan mij herinneren dat zij er ook bij was in de caravan.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 5 april 2016, opgenomen op pagina 87 t/m 96 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] , voor zover hier van belang inhoudende en zakelijk weergegeven:

Ik vroeg een keer aan mijn moeder waar [slachtoffer 1] was. Ik ging boven kijken en ik zag dat ze met [verdachte] in de slaapkamer was en ze was hem aan het aftrekken.

Hij ging ook wel met de meiden paardrijden. Dan gingen ze naar de gasplaat en dan ging hij de paarden vastknopen aan het hek. We keken wel waarom die paarden daar zo lang stonden.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 10 maart 2016, opgenomen op pagina 62 t/m 73 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2], voor zover hier van belang inhoudende en zakelijk weergegeven:

Nadat [slachtoffer 2] mij had verteld dat [naam] haar altijd mee nam naar de zolder boven de schuur en dat daar een autostoel stond met een blad, de Foxy, ben ik naar boven gegaan om te kijken. Toen ik boven kwam zag ik inderdaad de autostoel met daarop het pornoblad, de Foxy.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 24 maart 2016, opgenomen op pagina 74 t/m 84 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 4], voor zover hier van belang inhoudende en zakelijk weergegeven:

Ik heb wel gezien dat die stoel op zolder stond en dat er seksboekjes bij lagen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 2000 tot en met 2007 te [pleegplaats] , gemeente Menterwolde, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1997), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers is hij, verdachte, met zijn, verdachtes, penis en/of tong en/of vinger(s) op/over/langs/tussen de clitoris en/of de schaamlippen gewreven en/of gegaan;

2.

hij in de periode van 2000 tot en met 2007 te [pleegplaats] , gemeente Menterwolde, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 1997), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, immers

heeft/is hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal:

- die [slachtoffer 1] uit een seksboekje voorgelezen en

- zichzelf in het bijzijn van die [slachtoffer 1] afgetrokken en

- de billen van die [slachtoffer 1] betast en

- op de vagina van die [slachtoffer 1] gespuugd en

- met zijn, verdachtes, penis en/of tong en/of vinger(s) op/over/langs/tussen de clitoris en/of de schaamlippen van die [slachtoffer 1] gewreven en/of gegaan en

- de hand van die [slachtoffer 1] op zijn, verdachtes, penis gelegd en vervolgens bewogen en zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 1] laten vasthouden en aftrekken en

- die [slachtoffer 1] met haar onderlichaam op zijn, verdachtes, penis laten zitten en

- vervolgens die [slachtoffer 1] met haar onderlichaam over zijn, verdachtes, penis heen en weer bewogen/laten bewegen en

- een hond aan de vagina van die [slachtoffer 1] laten likken;

3.

hij in de periode van 2003 tot en met 2008 te [pleegplaats] , gemeente Menterwolde, met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1999), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd,

immers heeft/is hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal:

- die [slachtoffer 2] uit een seksboekje voorgelezen en

- zichzelf in het bijzijn van die [slachtoffer 2] afgetrokken en

- zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer 2] laten aftrekken en

- die [slachtoffer 2] met haar onderlichaam op zijn, verdachtes, penis laten zitten en

- vervolgens die [slachtoffer 2] met haar onderlichaam over zijn, verdachtes, penis heen en weer bewogen/laten bewegen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.


Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1

Met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan of mede bestaan uit seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Feiten 2 en 3

Met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen gevangenisstraf de (bijzondere) voorwaarden als opgenomen in het reclasseringsrapport worden verbonden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de strafmaat slechts aangegeven dat verdachte in geval van een bewezenverklaring bereid is mee te werken aan hulpverlening door de reclassering.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van twee zeer jonge meisjes. Het misbruik heeft gedurende lange tijd plaatsgevonden in en rond de woning van de meisjes waar verdachte als huisgenoot woonachtig was.

Verdachte heeft misbruik gemaakt van het door de meisjes (en hun ouders) in hem gestelde vertrouwen en het overwicht dat hij als volwassene op hen had en heeft door zijn handelwijze de lichamelijke en seksuele integriteit van deze meisjes geschonden. Hierdoor heeft verdachte een normale en gezonde seksuele ontwikkeling, waar ieder kind recht op heeft, doorkruist.

Het is algemeen bekend dat jonge misbruikslachtoffers lange tijd op diverse vlakken ernstige gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan. Bovendien worden niet alleen zijzelf, maar ook het gezin waarin ze opgroeien vaak hierdoor – direct of indirect – getroffen.

Ook in dit geval zijn daar aanwijzingen voor, gelet op de toelichting die de slachtoffers hebben gevoegd bij de door hen ingediende vorderingen tot schadevergoeding. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk nimmer stilgestaan en heeft zijn eigen lustgevoelens en de bevrediging daarvan vooropgesteld. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank rekent het verdachte ook zwaar aan dat hij zowel in zijn verklaringen bij de politie als ook ter terechtzitting geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en kennelijk geen oog heeft voor de impact en de gevolgen die zijn handelen op de slachtoffers heeft gehad.

Verder slaat de rechtbank bij het bepalen van de strafmaat acht op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden en zal een deels voorwaardelijke vrijheidsstraf van na te noemen duur worden opgelegd.

Blijkens het reclasseringsrapport van 12 mei 2017 zijn er ten aanzien van verdachte vermoedens van een licht verstandelijke beperking en is er mogelijk sprake van weinig probleembesef en beperkte coping vaardigheden wat er voor zorgt dat hij moeite heeft de gevolgen van zijn handelen te overzien en zijn eigen aandeel in het tekort van financiële middelen. Het na detentie zelf stappen zetten naar een beter leven en niet terugkeren naar het criminele circuit zal (mogelijk in verband met zijn cognitief functioneren) moeilijk zijn. Er wordt door de reclassering ingeschat dat verdachte behoefte heeft aan een geïndiceerde vorm van begeleid wonen in combinatie met verslavingszorg, rekening houdend met zijn nader te bepalen niveau van cognitief functioneren. Om meer inzicht te krijgen in het cognitief functioneren (IQ), het middelengebruik, de persoonlijke problematiek en de zorgbehoefte van verdachte zal hij moeten meewerken aan nadere (verdiepings-)diagnostiek en naar aanleiding daarvan geïndiceerde behandeling.

Gelet hierop en in aanmerking genomen dat door de raadsvrouw ter terechtzitting is aangevoerd dat verdachte bereid is mee te werken aan hulpverlening, acht de rechtbank het noodzakelijk dat aan de voorwaardelijke vrijheidsstraf de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Benadeelde partijen

[slachtoffer 1] heeft zich ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij heeft een bedrag van € 5.000,00 gevorderd ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente.

[slachtoffer 2] heeft zich ter zake van het onder 3 bewezen verklaarde eveneens als benadeelde partij gevoegd en heeft een bedrag van € 3.500,00 ter vergoeding van immateriële schade gevorderd, vermeerderd met wettelijke rente.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat de vorderingen van de benadeelde partijen voor toewijzing vatbaar zijn, met daaraan gekoppeld de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen in hun vordering niet-ontvankelijk moeten worden verklaard gelet op de door haar bepleite vrijspraken. Subsidiair heeft zij, onder verwijzing naar vergelijkbare uitspraken in de Smartengeldgids 2016, verzocht de toe te wijzen bedragen te matigen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de ten laste gelegde periode waarop de bedragen lijken te zijn gebaseerd niet leidend moet zijn bij de bepaling van de hoogte aangezien het geen duidelijk te onderscheiden periode betreft maar lijkt te zijn gebaseerd op een grove schatting.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de ingrijpende gevolgen die slachtoffers van zedenfeiten in het algemeen ervaren, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen immateriële schade hebben geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 respectievelijk onder 3 bewezen verklaarde. De rechtbank acht een schadebedrag van
€ 1.500,-, waarvoor verdachte in ieder geval aansprakelijk kan worden gesteld, billijk en reeds nu voor toewijzing vatbaar ten aanzien van elk van beide benadeelde partijen. De benadeelde partijen zullen voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk worden verklaard. Dat deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal tevens de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd, aangezien vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht.

Daarnaast zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen over het toegewezen bedrag vanaf 1 januari 2009.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat veroordeelde zich binnen een week nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden meldt bij VNN Reclassering, Canadalaan 1 (9728 EA) te Groningen en zich tijdens de proeftijd zal blijven melden op door de reclassering te bepalen data en locaties, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd houdt aan de voorschriften en aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

3. dat veroordeelde meewerkt aan diagnostiek door de Forensische Polikliniek van VNN of soortgelijke ambulante forensische zorg, dit ter beoordeling van de reclassering, waarbij onderzoek wordt gedaan naar het cognitieve vermogen, middelengebruik, seksualiteit/ seksueel grensoverschrijdend gedrag, overige psychische problematiek en zorgbehoefte;

4. dat veroordeelde vervolgens meewerkt aan een behandeling door de Forensische Polikliniek van VNN of soortgelijke instantie, waarbij veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/ behandelaar worden gegeven, zolang en zo vaak de instelling/behandelaar dit noodzakelijk acht;

5. dat veroordeelde, indien diagnostiek naar de zorgbehoefte dit uitwijst, tijdens de proeftijd meewerkt aan plaatsing en verblijf in een geïndiceerde woonvorm ter bepaling van de reclassering waarbij hij zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van de woonbegeleiding worden gegeven;

6. dat veroordeelde medewerking verleent aan urinecontroles, zo frequent en zolang de reclassering dit tijdens de proeftijd noodzakelijk acht, met als doel het middelengebruik inzichtelijk te maken;

7. dat veroordeelde meewerkt aan budgettering/schuldhulpverlening indien de reclassering dit nodig acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ter zake van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

1 januari 2009.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door deze benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde feit

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2009.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door deze benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 1.500,00 (zegge: vijftienhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. L.W. Janssen en

mr. R.Tj. Terpstra, rechters, bijgestaan door mr. K.A. de Groot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 december 2017.

1 pagina 17 en 18 van het dossier

2 pagina 102 van het dossier

3 bijvoorbeeld op pagina 79: “V: Wat vertelde [getuige 2] jou die dag? A: Dat [slachtoffer 1] had verteld dat hij met haar op de zolder was geweest. Dat hij een seksboekje had gelezen met haar en aparte dingen had gedaan. V: [getuige 2] vertelt jou dat [slachtoffer 1] met [naam] op zolder seksboekje las, hoe weet jij dan dat het om misbruik gaat? A: Dat heeft [getuige 2] mij wel verteld. Dat hij dingen met ze gedaan had. Maar hij was er niet in geweest.”

4 pagina 82 van het dossier

5 aldus halfzus [getuige 1] op pagina 89

6 Zie PV informatief gesprek zeden op pagina 44: “ [slachtoffer 2] heeft niet inhoudelijk gesproken met [slachtoffer 1] over wat haar overkomen is”.

7 [getuige 1] op pagina 95: “V: Wanneer heb jij [slachtoffer 1] hierover gesproken? A: Daar moet ze zelf mee komen. V: Ik begrijp dat-ze dat nog niet gedaan heeft? A: Nee. V: Wat heb jij met [slachtoffer 2] hier over besproken? A: Niets. V: Wat kun jij ons vertellen over de seksuele handelingen die bij [slachtoffer 1] zijn gepleegd? A: Ik weet alleen dat ze af moest trekken bij [naam] . Dat heb ik gezien en verder heb ik het er liever niet met ze over. V: En bij [slachtoffer 2] ? A: Weet ik niet.”

8 Hoge Raad 18 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6910.