Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:5053

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
02-01-2018
Zaaknummer
18/820504-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich binnen een periode van vier maanden schuldig gemaakt aan vier diefstallen en één poging daartoe. Hij heeft de feiten gepleegd met één of meer anderen en bij vier feiten was sprake van braak en/of gebruikmaking van valse sleutels.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. Op zichzelf genomen zou, gezien de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats zijn, maar de rechtbank is van oordeel dat de positieve ontwikkeling die verdachte momenteel doormaakt, niet moet worden doorbroken door het ondergaan van een vrijheidsbenemende straf, met name gezien de kwetsbare persoonlijkheid van verdachte. De rechtbank ziet geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820504-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 december 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

8 december 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Roggen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 15 november 2016 tot en met 16 november

2016, te Haren Gn, althans gemeente Haren, tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening vanaf een parkeerplaats nabij het Stationsplein heeft weggenomen

een auto (merk Peugeot, type 207), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich

de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg

te nemen auto onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van

braak, verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 15 november

2016 tot en met 16 november 2016, te Haren Gn, althans gemeente Haren, tezamen

en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening vanaf een parkeerplaats nabij het Stationsplein

heeft weggenomen een auto (merk Peugeot, type 207), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s), waarbij die [medeverdachte 1]

en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf

heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn/hun bereik

heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of

valse sleutel,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de

periode van 15 november 2016 tot en met 16 november 2016, te Haren Gn, althans

gemeente Haren, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft

verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) in een door hem, verdachte, bestuurde

auto naar en/of van de plaats van het misdrijf te vervoeren, en/of

- in de (onmiddellijke) nabijheid van de plaats van het misdrijf op de uitkijk

te (gaan) staan teneinde in geval van ontdekking op heterdaad die [medeverdachte 1]

en/of zijn mededader(s) te kunnen waarschuwen;

2.

primair

hij in of omstreeks de periode 15 november 2016 tot en met 16 november 2016 te

[pleegplaats] , in de gemeente Slochteren, tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [straatnaam] heeft weggenomen

(onder meer) horloges, etenswaar, kleding (onder meer politiekleding),

sleutels, een beamer en/of tassen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich

de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat

weg te nemen bovengenoemd(e) goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben

gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of valse sleutel;

subsidiair

[medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) in of omstreeks de periode van 15 november

2016 tot en met 16 november 2016, te [pleegplaats] , althans in de gemeente

Slochteren, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen

aan de [straatnaam] heeft weggenomen (onder meer) horloges, etenswaar,

kleding (onder meer politiekleding), sleutels, een beamer en/of tassen, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s),

waarbij die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van

het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen bovengenoemd(e)

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de

periode van 15 november 2016 tot en met 16 november 2016, te [pleegplaats] ,

althans gemeente Slochteren, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door:

- die [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) in een door hem, verdachte, bestuurde

auto naar en/of van de plaats van het misdrijf te vervoeren, en/of

- in de (onmiddellijke) nabijheid van de plaats van het misdrijf op de uitkijk

te gaan staan teneinde in geval van ontdekking op heterdaad die [medeverdachte 1] en/of

zijn mededader(s) te kunnen waarschuwen;

3.

hij in of omstreeks de periode van 24 november 2016 tot en met 25 november

2016, in de gemeente Leek, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een

muntautomaat van een wasstraat gevestigd aan het Industriepark ([plaats]

) heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte

en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben

verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/hun bereik hebben gebracht

door middel van braak en/of verbreking;

4.

primair

hij op of omstreeks 9 augustus 2016, in de gemeente Winsum, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening in/uit een kantine/schuur gelegen aan de

[straatnaam] heeft weggenomen (onder meer) een bosmaaier en/of een compressor

en/of kratten bier, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3]

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de

plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen

bovengenoemd(e) goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door

middel van braak, verbreking, inklimming en/of valse sleutel;

subsidiair

hij op of omstreeks 9 augustus 2016, in de gemeente Winsum, ter uitvoering van

het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of

meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een kantine/schuur gelegen aan de [straatnaam] weg te nemen

(onder meer) een bosmaaier en/of een compressor en/of kratten bier, althans

goederen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te

verschaffen en/of die/dat weg te nemen bovenmgenoemd(e) goed(eren) onder

zijn/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming,

met zijn mededader, een slot van genoemde kantine/schuur heeft/hebben

geforceerd en/of (vervolgens) een of meer bovengenoemde goederen in en/of in

de nabijheid van zijn/hun auto heeft/hebben gelegd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

5.

hij op of omstreeks 20 november 2016, in de gemeente Groningen, ter uitvoering

van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met

een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening in/uit een oliebollenkraam welke zich bevond op of aan de

[straatnaam] , weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele toebehorende

aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of zijn mededaders en zich daarbij de toegang tot de plaats van het

misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder

zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking,

met zijn mededader, althans alleen, een deur van genoemde oliebollenkraam

heeft/hebben geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair, 4 primair en 5 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Ten aanzien van feit 1 kan verdachte niet worden aangemerkt als medepleger, omdat hij niet heeft gedeeld in de opbrengst van de diefstal, terwijl daar ook geen afspraken over zijn gemaakt. Verdachte wist wel dat medeverdachte [medeverdachte 1] van plan was om de auto te stelen en heeft geholpen bij het uitvoeren van dit plan door [medeverdachte 1] naar de auto toe te brengen. Daarmee kan worden bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest, zoals subsidiair is ten laste gelegd. Ten aanzien van feit 4 kan slechts een poging worden bewezen, omdat verdachten zijn overlopen en daardoor niet als heer en meester over de goederen hebben kunnen beschikken. Verdachte heeft geholpen bij de poging tot inbraak in de oliebollenkraam (feit 5) door de medeverdachte er naar toe te brengen en door rond te kijken. Daarmee is verdachte aan te merken als medeplichtige. Omdat deze variant niet is ten laste gelegd, dient vrijspraak te volgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

1. De door verdachte op de terechtzitting van 8 december 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben in mijn auto, samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar Haren gereden. Bij het station heeft [medeverdachte 1] een auto opengebroken door een zijruit te vernielen. Ik zat op dat moment in de auto te wachten. [medeverdachte 1] heeft uit die auto een huissleutel en kentekenpapieren weggenomen. [medeverdachte 2] zei dat wij het huis van de eigenares van de auto moesten leeghalen. Nadat ik het adres, [straatnaam] , in de navigatie had ingevoerd, ben ik met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar [pleegplaats] gereden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn de woning ingegaan en kwamen na een half uur naar buiten met tassen waarin politiepakken zaten. Ik ben daarna terug gereden naar Haren en heb [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgezet bij het station. Ik heb gezien dat zij de auto die eerder was opengebroken wegnamen. [medeverdachte 2] zou de politiepakken verkopen en ik zou een deel van de opbrengst krijgen. Ik had een T-shirt in mijn bezit, dat van de diefstal afkomstig was.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 16 november 2016, opgenomen op pagina 76 e.v. van het dossier d.d. 28 februari 2017 (onderzoek " [medeverdachte 1] "), inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 15 november 2016 heb ik mijn voertuig, een Peugeot 207, geparkeerd op de parkeer-plaats gelegen aan het Stationsplein te Haren. Op 16 november 2016 zag ik dat mijn voertuig niet meer in het parkeervak stond waar ik hem had geparkeerd. Er lagen glasscherven op de grond ter hoogte van waar mijn voertuig stond geparkeerd. Mijn kentekenbewijs lag in het dashboardkastje. Mijn sleutelbos lag in het voertuig, met al mijn huissleutels.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 29 november 2016, opgenomen op pagina 90 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik doe aangifte van diefstal uit mijn woning. Men is mijn woning aan de [straatnaam] te [pleegplaats] vermoedelijk binnengekomen door gebruik te maken van mijn huissleutels die in de auto lagen. Op 16 november 2016 bleek mijn auto gestolen te zijn.

De volgende goederen zijn weggenomen: sporttas, fluit aan koord, etenswaren, vilten tas, reservesleutel auto, sportbril, hardloophorloge 910 XT met oplader, grijs colori horloge, flesje parfum, hardloophorloge 205 met oplader, 9 medailles aan lint, zwart colori horloge, laptop met muis, doosje met toebehoren van de garmin 910 XT en politiekleding met klapkrat.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 27 januari 2017, opgenomen op pagina 317 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

[medeverdachte 1] had ook de reservesleutel van de auto waar hij eerder op het Stationsplein te Haren had ingebroken, in de keukenla van die woning gevonden. Wij zijn toen weer terug naar Haren gereden om die Peugeot te stelen. Bij het station te Haren heeft [medeverdachte 1] vervolgens met de reservesleutel die Peugeot gestolen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 januari 2017, opgenomen op pagina 263 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

Vraag: Tussen 15 november 2016 en 16 november 2016 werd er een personenauto merk Peugeot, type 207, kleur zwart en voorzien van het kenteken [nummer] vanaf het Stationsplein te Haren weggenomen. Hoe is dit gegaan?

Antwoord: Die auto heb ik gestolen en dat bleek een auto van een politieagent te zijn. We zijn daar bij die woning geweest en hebben daar ingebroken. Wij waren daar met meerdere personen. We zijn daar met de huissleutel naar binnen gegaan. Die huissleutel lag in de auto waar is ingebroken. Wij zijn toen terug gereden naar Haren om ook die auto te stelen.

De opgave ten aanzien van feit 3 luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 december 2017.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 25 november 2016, opgenomen op pagina 154 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1] .

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 januari 2017, opgenomen op pagina 263 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medeverdachte 1] .

Ten aanzien van feit 4:

1. De door verdachte op de terechtzitting van 8 december 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 9 augustus 2016 reden [medeverdachte 1] en ik in mijn auto in Winsum langs een sportcentrum. [medeverdachte 1] zei dat de deur van een schuurtje open stond. Wij zijn uitgestapt en hebben lege kratten bier, een bosmaaier en een compressor in mijn auto geladen. Toen kwam die man die riep dat wij de spullen moesten terugzetten eraan. Ik was bang om de politie op mijn dak te krijgen. Toen hebben we de spullen terug gelegd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 17 augustus 2016, opgenomen op pagina 180 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ik doe namens [slachtoffer 3] te Winsum aangifte van poging tot diefstal uit een schuur van de vereniging. Op 9 augustus 2016 was ik werkzaam bij [slachtoffer 3] aan de [straatnaam] te Winsum. Ik zag dat er een auto bij de schuur stond. Ik zag twee personen spullen uit de schuur halen en in hun voertuig plaatsen. Ik eiste dat ze de spullen terug gingen zetten in de schuur. Na enige tijd gingen ze dit doen.

Ze hadden het volgende in de auto geladen: 1 bosmaaier, 1 compressor, ± 10 kratten bier met lege flessen, 1 paar knielappen die bij de bosmaaier horen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 18 januari 2017, opgenomen op pagina 263 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1] :

Ik ben met [verdachte] nog in Winsum geweest. Wij hadden spullen uit een berging gehaald en toen werden wij overlopen door iemand van [slachtoffer 3] . De spullen hebben wij toen weer terug gezet.

Ten aanzien van feit 5:

1. De door verdachte op de terechtzitting van 8 december 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

[medeverdachte 1] en ik zijn op 20 november 2016 bij de oliebollenkraam aan de [straatnaam] in Groningen geweest. [medeverdachte 1] zei dat er meestal wel € 50,00 aan kleingeld in zat. [medeverdachte 1] had een koevoet. Ik hielp een beetje mee. Wij zijn samen van de kraam weggelopen. [medeverdachte 1] heeft de koevoet in de bosjes gegooid. Ik heb de auto opgehaald, die verderop bij een flat stond geparkeerd, en heb [medeverdachte 1] opgepikt. [medeverdachte 1] heeft de koevoet weer in de auto gelegd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 15 januari 2017, opgenomen op pagina 220 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Ik ben eigenaar van een drietal oliebollenkramen in Groningen. De kraam in [wijk] staat bij het winkelcentrum, zijde [straatnaam] . Op 20 november 2016, tussen 23:00 uur en 23:45 uur, heeft men gepoogd in te breken in de oliebollenkraam in [wijk] . Ik zag enorm veel schade aan de kraam. Men had geprobeerd de deur te forceren. De deur was afgesloten middels nachtslot. Men heeft de deur niet kunnen openen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 9 januari 2017, opgenomen op pagina 225 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

Ik ben woonachtig aan de [straatnaam] te Groningen. Aan de overkant van de straat is het winkelcentrum [wijk] gevestigd. Enige weken geleden, ergens in november, omstreeks 23.30 uur, bevond ik mij op mijn balkon aan de voorzijde van de woning. Ik hoorde een vreemd geluid, namelijk het intrappen van een deur. Dit kwam van de overkant vandaan, aan de rechterkant van het winkelcentrum. Ik zag een tweetal personen lopen. Zij kwamen vanuit de richting van het winkelcentrum. Een van de personen gooide iets in de bosjes. Dit betrof een langwerpig voorwerp. De andere persoon liep verder richting de apotheek. De persoon die het voorwerp weggooide, bleef staan. Hierop kwam er een auto aanrijden vanuit de

richting van de apotheek. De auto stopte bij de persoon. De persoon haalde het langwerpige voorwerp weer uit de bosjes en legde dit in de auto. Hierna stapte hij zelf ook in.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte ten aanzien van feit 1 niet kan worden aangemerkt als medepleger.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij feit 1 het volgende af.

Verdachte is met de twee medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in zijn auto naar Haren gereden, waar medeverdachte [medeverdachte 1] de auto van aangeefster [slachtoffer 1] heeft opengebroken. Uit de auto heeft [medeverdachte 1] onder andere een kentekenbewijs en een huissleutel weggenomen. Verdachte heeft vervolgens het adres van aangeefster, dat op het kentekenbewijs stond, in zijn navigatiesysteem gezet, nadat door medeverdachte [medeverdachte 2] was voorgesteld om het huis van degene die op het kentekenbewijs stond vermeld en van wie waarschijnlijk de huissleutel was leeg te halen. Hierop is verdachte naar het adres van aangeefster gereden, waar zijn beide medeverdachten met de huissleutel van aangeefster de woning zijn binnengegaan en onder andere een reservesleutel van de auto van aangeefster hebben weggenomen. Met deze sleutel zijn de drie verdachten, wederom in de auto van verdachte, teruggereden naar de plek waar de opengebroken auto van aangeefster stond. Hier heeft verdachte de twee medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] afgezet en hebben beide medeverdachten vervolgens de auto van aangeefster meegenomen.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten is komen vast te staan. Hoewel geen sprake is van een gezamenlijke uitvoering voor zover het betreft de wegnemingshandeling, is de bijdrage van verdachte aan het tenlastegelegde in de aanloop ernaartoe naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Daarmee acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde medeplegen bewezen.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van feit 4 sprake is van een voltooide diefstal, zoals primair is ten laste gelegd. De Hoge Raad heeft overwogen dat voor veroordeling voor diefstal is vereist dat de dader zich een zodanige feitelijke heerschappij over het goed heeft verschaft dan wel dit zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbenden heeft onttrokken dat de wegneming van het goed als voltooid kan gelden.1 Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] hebben goederen weggenomen uit een schuur en deze goederen vervolgens in een verderop geparkeerde auto geladen. Op deze wijze hebben zij de goederen aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbenden onttrokken en daarover als heer en meester beschikt. Naar het oordeel van de rechtbank levert dit een voltooide diefstal op. Van een vrijwillige terugtred kan dan geen sprake meer zijn. De rechtbank acht niet bewezen dat sprake is van braak, zoals aangever in zijn verklaring heeft gesteld. Verdachte heeft dit deel van de tenlastelegging ontkend en de verklaring van aangever wordt op dit punt niet ondersteund door enig ander bewijs. Verdachte zal daarom van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 5 heeft de raadsman gesteld dat verdachte niet als medepleger van de poging tot inbraak kan worden aangemerkt. De rechtbank is echter van oordeel dat er ook ten aanzien van dit feit sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] . Dat verdachte alleen maar zou hebben geholpen door [medeverdachte 1] er naar toe te brengen en door rond te kijken, wordt weerlegd door de opgenomen bewijsmiddelen, waaronder de bekennende verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij in de periode van 15 november 2016 tot en met 16 november 2016 te Haren, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een parkeerplaats nabij het Stationsplein heeft weggenomen een auto (merk Peugeot, type 207), toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededaders die weg te nemen auto onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en valse sleutels;

2. primair

hij in de periode van 15 november 2016 tot en met 16 november 2016 te [pleegplaats] , in de gemeente Slochteren, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning gelegen aan de [straatnaam] heeft weggenomen onder meer horloges, etenswaar, politiekleding, sleutels, een beamer en tassen, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van valse sleutels;

3.

hij in de periode van 24 november 2016 tot en met 25 november 2016 in de gemeente Leek, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een muntautomaat aan het Industriepark ( [plaats] ) heeft weggenomen een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte en zijn mededader dat weg te nemen geld onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

4. primair

hij op 9 augustus 2016 in de gemeente Winsum, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een schuur gelegen aan de [straatnaam] heeft weggenomen onder meer een bosmaaier en een compressor en kratten met lege bierflessen, toebehorende aan [slachtoffer 3] ;

5.

hij op 20 november 2016 in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een oliebollenkraam welke zich bevond op of aan de [straatnaam] , weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [slachtoffer 4] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, met zijn mededader, een deur van genoemde oliebollenkraam heeft geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en valse sleutels;

2. primair diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van valse sleutels;

3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;

4. primair diefstal door twee of meer verenigde personen;

5. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair,

2 primair, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 62 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en een werkstraf van 150 uur met 75 dagen vervangende jeugddetentie voor het geval verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld zich te kunnen vinden in het advies van de reclassering om het jeugdstrafrecht toe te passen en in de vordering van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen een periode van vier maanden schuldig gemaakt aan vier diefstallen en één poging daartoe. Hij heeft de feiten gepleegd met één of meer anderen en bij vier feiten was sprake van braak en/of gebruikmaking van valse sleutels.

Diefstallen en inbraken zijn ergerlijke feiten, die naast materiële schade veel hinder veroorzaken voor de gedupeerden. Tevens worden door dergelijke feiten gevoelens van onveiligheid en maatschappelijke onrust veroorzaakt. Door de woninginbraak is door verdachte en zijn medeverdachten een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Bij dit feit zijn bovendien goederen weggenomen waaraan aangeefster op gevoelsgronden was gehecht, zoals is gebleken uit het door haar ingediende schadevergoedingsformulier.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor diefstal.

Uit het reclasseringsrapport d.d. 16 oktober 2017 komt naar voren dat verdachte zijn leven ten tijde van de delicten niet op orde had en zich heeft laten meeslepen door medeverdachte [medeverdachte 1] , die door verdachte werd gezien als een vaderfiguur. Daarnaast is er vermoedelijk sprake van zwakbegaafdheid en kan verdachte hierdoor situaties onvoldoende overzien. Verdachte heeft na zijn aanhouding positieve stappen gezet. Hij beschikt, samen met zijn partner en twee kinderen, over een eigen woning, terwijl het gezin onder bewind staat en hulp krijgt vanuit Stichting MEE. Daarnaast heeft verdachte contact met de AFPN, gericht op onder andere het delictgedrag. Al deze aspecten, alsmede het feit dat verdachte geen contact meer heeft met medeverdachte [medeverdachte 1] , worden gezien als positief, beschermend en recidive verlagend. Omdat verdachte in een vrijwillig kader gemotiveerd meewerkt aan de hulpverlening, is hulp vanuit een justitieel kader niet nodig. De reclassering heeft geadviseerd het jeugdstrafrecht toe te passen en verdachte een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om het jeugdstrafrecht toe te passen. Mocht al sprake zijn van zwakbegaafdheid, zoals de reclassering vermoedt, dan zal deze stoornis een leven lang blijven bestaan. Deze stoornis vindt dan ook niet zijn oorzaak in een onrijpe persoonlijkheid van verdachte. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf wel rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte.

Alles afwegende zal de rechtbank een vrijheidsstraf opleggen waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan de duur van het reeds ondergane voorarrest, alsmede een taakstraf van na te noemen duur. Op zichzelf genomen zou, gezien de ernst van de feiten, een onvoorwaarde-lijke vrijheidsstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats zijn, maar de rechtbank is van oordeel dat de positieve ontwikkeling die verdachte momenteel doormaakt, niet moet worden doorbroken door het ondergaan van een vrijheidsbenemende straf, met name gezien de kwetsbare persoonlijkheid van verdachte.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 357,64 ter vergoeding van materiële schade en € 300 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de hoofdelijkheidsclausule.

Standpunt van de verdediging

Verdachte en zijn raadsman hebben de vordering niet betwist.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 november 2016.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 47, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 62 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 60 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 150 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 657,64 (zegge: zeshonderd zevenenvijftig euro en vierenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , te betalen een bedrag van € 657,64 (zegge: zeshonderd zevenenvijftig euro en vierenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 november 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 13 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 357,64 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Oostveen, voorzitter, mr. F. de Jong en

mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 december 2017.

Mr. Venema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 22 maart 2011, LJN BP2627