Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4958

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-12-2017
Datum publicatie
06-02-2018
Zaaknummer
AWB - 16-1659, 16-1660 en 16/1802
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kansspelbelasting. Rechtbank houdt het ervoor dat begunstiging in drie gevallen is gebaseerd op door de Belastingdienst/Zuidwest gevoerd beleid. Beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt daarom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/294
V-N 2018/23.2.3
Viditax (FutD), 07-02-2018
FutD 2018-0421
NTFR 2018/807 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
NLF 2018/0389 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 16/1659, 16/1660, 16/1802

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 22 december 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser de volgende naheffingsaanslagen kansspelbelasting (KSB) opgelegd:

- voor het jaar 2007 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer1] ) van
€ 157.746 (zaaknummer 16/1802);

- voor het jaar 2008 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer2] ) van

€ 149.197 (zaaknummer 16/1659);

- voor het jaar 2008 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [nummer3] ) van
€ 10.150 (zaaknummer 16/1660).

Bij uitspraken op bezwaar van 31 maart 2016 heeft verweerder de bezwaren van eiser gericht tegen de naheffingsaanslagen voor het jaar 2008 ongegrond verklaard. Bij uitspraak op bezwaar van 13 april 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de naheffingsaanslag voor het jaar 2007 gegrond verklaard en daarbij de naheffingsaanslag verminderd tot € 148.749.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is inwoner van Nederland en heeft vanuit Nederland deelgenomen aan internetpokerspelen bij aanbieders die niet binnen de Europese Unie zijn gevestigd (de buitenlandse internetpokerspelen). Eiser heeft hiermee in 2007 een bedrag van € 512.931 aan prijzen gewonnen, terwijl het door hem berekende resultaat (prijzen minus inzetten)
€ 5.150 negatief bedroeg. In de periode januari tot en met oktober 2008 heeft eiser met bedoelde internetpokerspelen een bedrag aan prijzen gewonnen van € 388.685. Het door hem over die periode berekende resultaat bedroeg € 114.421.

1.2.

De Belastingdienst/Zuidwest heeft voor het jaar 2007 met dagtekening 5 oktober 2011 ter zake van de buitenlandse internetpokerspelen aan eiser een naheffingsaanslag KSB opgelegd tot een bedrag van € 157.746, uitgaande van gewonnen prijzen van in totaal
€ 543.952. Na bezwaar heeft verweerder deze naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 148.749, uitgaande van gewonnen prijzen van in totaal € 512.931.

1.3.

Voor het jaar 2008 heeft de Belastingdienst/Zuidwest met dagtekening 5 oktober 2011 een naheffingsaanslag KSB (eerste naheffingsaanslag) opgelegd tot een bedrag van
€ 149.197. Deze naheffingsaanslag heeft tot een bedrag van € 14.752 betrekking op buitenlandse live-pokertoernooien. Tot een bedrag van € 31.877 heeft deze naheffingsaanslag betrekking op internetpokerspelen over de maanden november en december 2008. Deze naheffingsaanslag heeft verder tot een bedrag van 102.568 betrekking op de buitenlandse internetpokerspelen over de periode januari tot en met oktober 2008.

1.4.

Naar aanleiding van door eiser in de bezwaarfase verstrekte informatie is de Belastingdienst/Zuidwest tot de conclusie gekomen dat over de periode januari tot en met oktober 2008 ter zake van de buitenlandse internetpokerspelen een bedrag van € 112.718 (29% van € 388.685) nageheven had moeten worden. De Belastingdienst/Zuidwest heeft eiser daarom voor het jaar 2008 een tweede naheffingsaanslag KSB (tweede naheffingsaanslag) opgelegd tot een bedrag van € 10.150 (€ 112.718 minus € 102.568).

1.5.

Tot de gedingstukken behoort een op 20 april 2011 gedagtekende brief van de Belastingdienst/Zuidwest aan de heer [A] ( [A] ). Hierin staat onder meer het volgende vermeld:

Aangifteplicht

Ik stel u alsnog in de gelegenheid middels bijgevoegde bijlage op de juiste wijze opgave te doen van uw inkomsten uit internetkansspelen en buitenlandse pokertoernooien

Onze gegevens stemmen namen in het geheel niet overeen met uw ingeleverde aangiftes kansspelbelasting Het gaat hierbij met name over gewonnen prijzen tijdens toernooien in 2007, 2008, 2009 en 2010.

Internetspelen

Met betrekking tot (buitenlandse) internetspelen zijn tot 1 november 2008 prijzen boven de
€ 454 belast voor de kansspelbelasting waarbij buy-ins niet verrekenbaar zijn.

Vanaf 1 november 2008 komen de nettoprijzen per maand (het positief verschil tussen de ontvangen prijzen minus gedane inzetten) in aanmerking voor de heffing van kansspelbelasting.”.

1.6.

Tot de gedingstukken behoort een op 25 mei 2011 door [A] ingevuld formulier van de Belastingdienst. Oningevuld is op dit van de Belastingdienst afkomstige formulier voor wat betreft het jaar 2007 het volgende voorgedrukt:

Bijlage 5 Jaar 2007

Vraag 1

Internetkansspelen

Saldo prijzen minus inzetten (in euro’s vermelden)

bereken 29% kansspelbelasting

Januari 2007

Februari 2007

(…)

December 2007

Vraag 2

Overige buitenlandse kansspelen

naam organisator van het kansspel

vestigingsland organisator

totaal bedrag aan prijzen > € 454

bereken 29% kansspelbelasting

Januari 2007

Februari 2007

(…)

December 2007

Vraag 3

Vrijstelling voorkoming dubbele belasting

Betaalde u in een ander land een soortgelijke belasting

In welk land betaalde u een soortgelijke belasting

Over welk bedrag aan prijzen heeft u in een ander land een soortgelijke belasting betaald

Januari 2007

ja/nee

Februari 2007

ja/nee

(…)

December 2007

ja/nee

“.

Voor het jaar 2008 ziet het formulier er, behoudens de jaartallen, hetzelfde uit.

[A] heeft op het aan hem verstrekte formulier voor het jaar 2007 bij vraag 1 voor wat betreft de maanden januari, maart, april, juni, juli, augustus, september en december het saldo van de door hem gewonnen prijzen en de door hem betaalde inzetten vermeld. Het door [A] voor het jaar 2007 bij vraag 1 in totaal vermelde saldo bedraag € 6.405. Bij vraag 3 heeft [A] steeds bij zojuist vermelde maanden in de kolom “Betaalde u in een ander land een soortgelijke belasting” het antwoord “nee” doorgestreept. Bij de maand januari heeft hij bij de vraag “In welk land betaalde u een soortgelijke belasting” ingevuld “Gibraltar” en bij de overige maanden “Isle of Man”. In de laatste kolom heeft hij bij vraag 3 heeft hij, behoudens bij de maand juni steeds ingevuld “Geheel”. Bij de maand juni heeft hij € 203 ingevuld. Dat bedrag komt overeen met de bij vraag 1 voor die maand berekende KSB.

Op het aan hem verstrekte formulier voor het jaar 2008 heeft [A] bij vraag 1 voor wat betreft de maanden maart, april en juni het saldo van de door hem gewonnen prijzen en de door hem betaalde inzetten vermeld. Dit saldo bedraagt in totaal € 3.229. Bij vraag 3 heeft [A] steeds bij zojuist vermelde maanden in de kolom “Betaalde u in een ander land een soortgelijke belasting” het antwoord “nee” doorgestreept. Bij de vraag “In welk land betaalde u een soortgelijke belasting” heeft hij bij de desbetreffende maanden ingevuld “Isle of Man”. In de laatste kolom heeft hij bij vraag 3 heeft hij, behoudens bij de maand juni steeds ingevuld “Geheel”. Bij de maand juni heeft hij € 510 ingevuld. Dat bedrag komt overeen met de bij vraag 1 voor die maand berekende KSB.

1.7.

Tot de gedingstukken behoort een op 7 juni 2011 gedagtekende brief van de Belastingdienst/Zuidwest aan [A] . Hierin is onder meer vermeld:

“2007

Inkomsten uit Internetkansspelen zijnde prijzen boven de € 454 aangegeven € 6 405 maal 29% kansspelbelasting is € 1 857.

U doet een beroep op de vrijstelling voorkoming dubbele belasting omdat er in Gibraltar en de Isle of Man belasting betaald zou zijn. Voorzover mij bekend kunnen Gibraltar en de Isle of Man geen “soortgelijke belasting” waardoor de inkomsten in Nederland belast zijn. Indien u bewijsstukken kunt overleggen waaruit blijkt dat dit wel het geval is dan nodig ik u uit mij deze toe te sturen

(…)

2008

Inkomsten uit internetkansspelen zijnde prijzen boven de € 454 (tot 1-11-2008) aangegeven € 3 229 maal 29% KSB is € 936

U doet een beroep op de vrijstelling voorkoming dubbele belasting omdat er in de Isle of Man belasting betaald zou zijn. Voorzover mij bekend kunnen Gibraltar en de Isle of Man geen “soortgelijke belasting” waardoor de inkomsten in Nederland belast zijn. Indien u bewijsstukken kunt overleggen waaruit blijkt dat dit wel het geval is dan nodig ik u uit mij deze toe te sturen”.

1.8.

Tot de gedingstukken behoort een op 21 september 2011 gedagtekende brief van de Belastingdienst/Zuidwest aan [A] betreffende “bezwaarschrift(en) kansspelbelasting”. Hierin staat onder meer vermeld:

Naheffingsaanslagen

De aan u opgelegde naheffingsaanslagen zijn mede gebaseerd op uw opgave (in mei 2011) en uw aangiften kansspelbelasting over perioden in de betreffende jaren”.

1.9.

Tot de gedingstukken behoort een op 14 december 2010 gedagtekende brief van mrs. [P] en [R] , verbonden aan [advieskantoor] namens hun cliënt [B] ( [B] ), gericht aan de Belastingdienst/Zuidwest. In deze brief staat onder meer het volgende vermeld:

De heer [B] neemt al enkele jaren deel aan kansspelen op internet. Met de deelname aan deze kansspelen op internet heeft de heer [B] resultaat behaald, hetgeen onder de Wet op de Kansspelbelasting is belast met kansspelbelasting. Middels dit schrijven willen wij u graag, namens de heer [B] , uit eigen beweging op de hoogte stellen van het volledige resultaat dat de heer [B] heeft behaald met deelname aan kansspelen op internet. (…)

Het resultaat dat de heer [B] in de periode 2007 heeft behaald bedraagt in totaal
€ 33.295,-. Het resultaat dat de heer [B] in de periode 2008 heeft behaald bedraagt in totaal € 79.962,-.”.

1.10.

Tot de gedingstukken behoort een op naam van [B] gestelde naheffingsaanslag KSB voor het jaar 2007 tot een bedrag van € 9.655. Verder behoort tot de gedingstukken een op naam van [B] gesteld naheffingsaanslag KSB voor het jaar 2008 tot een bedrag van € 23.188. De naheffingsaanslagen zijn gedagtekend op 26 januari 2011.

1.11.

Tot de gedingstukken behoort een op 30 juni 2015 gedagtekende brief van de Belastingdienst (kantoor Middelburg) gericht aan [B] . Hierin is onder meer vermeld:

“De Hoge Raad heeft onlangs arrest gewezen in twee procedures betreffende internetkansspelen. Deze uitspraken zijn te vinden op www.rechtspraak.nl onder de nummers ECLI:NL:HR2015:471 en 472. (…)

Uit de hiervoor genoemde arresten leid ik af dat de wetgeving van vóór 1 november 2008 niet in strijd is met het EU-recht. Vóór die datum bestaat geen verschil in de heffing van KSB in de binnenlandse en de buitenlandse situatie. De verschuldigde kansspelbelasting werd toen in beide situaties geheven met de prijs als grondslag. Dit heeft tot gevolg dat bij deze aangifte(n) en/of naheffingsaanslag(en), het niet van belang is waar de aanbieder (binnen of buiten de EU) is gevestigd.”.

1.12.

Tot de gedingstukken behoort een overzicht van de pokerwinsten van [C] ( [C] ). Dit overzicht heeft betrekking op de periode 2007 tot en met juli 2010. Volgens dit overzicht bedraagt voor het jaar 2007 de totale winst € 7.194. Voor de periode januari tot en met oktober 2008 bedraagt de totale winst € 175.100. Deze als totale winst vermelde bedragen betreffen het saldo van de prijzen minus de inzetten.

1.13.

Tot de gedingstukken behoort een op 23 december 2010 gedateerde brief van de Belastingdienst/Zuidwest aan gericht aan [C] . Hierin is ondermeer vermeld:

In uw brief van 14 december 2010 heeft u, uit eigen beweging, een opgave gedaan van de prijzen die u heeft behaald met deelname aan kansspelen via internet.

De verschuldigde kansspelbelasting over 2007 bedraagt: 29 % van € 7.194 = € 2.086.

De verschuldigde kansspelbelasting over de periode 01-01-2008 t/m 21-10-2008 bedraagt 29 % van € 175.100 = € 50.750.

Ik leg hiervoor naheffingsaanslagen op. (…)”.

1.14.

Tot de gedingstukken behoort een op 26 maart 2010 gedagtekende brief van de Belastingdienst/Zuidwest gericht aan [D] ( [D] ). In deze brief is onder meer vermeld:

Kansspelbelasting

Over de jaren 2004 tot en met 31 oktober 2008 zijn onvoldoende gegevens bekend inzake de hoogte van de afzonderlijke prijzen om de juiste toepassing van de vrijstelling van € 454 mogelijk te maken. Om die reden is een compromis gesloten dat over de bruto spelopbrengst per jaar kansspelbelasting wordt geheven naar het geldende tarief bij buitenlandse kansspelen.”.

1.15.

In zijn bezwaarschrift van 15 november 2011, onder meer gericht tegen de naheffingsaanslag KSB voor de jaren 2007 en de eerste naheffingsaanslag KSB voor het jaar 2008, schrijft eiser dat hij deelnemer is aan de “zgn. Fiscale Pokerprocedure”. In zijn brief van 30 januari 2012 schrijft verweerder in reactie hierop: “In ons telefoongesprek van 28 december 2011 hebt u mij – desgevraagd – gezegd dat u daarmee bedoelt dat u wil dat ik wacht met het doen van uitspraak op de bezwaarschriften totdat de rechter in hoogste instantie heeft beslist in de proefprocedure(s).”.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de heffing van KSB beperkt dient te blijven tot 29% van het door eiser in de desbetreffende perioden (2007 en januari tot en met oktober 2008) behaalde saldo van prijzen minus de inzetten wegens strijd met

a. artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);

b. het vertrouwensbeginsel;

c. het gelijkheidsbeginsel.

3. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst eisers stelling inhoudende dat de heffing van kansspelbelasting over de prijzen in zijn geval in strijd komt met het gelijkheidsbeginsel, behandelen.

4.1

Eiser beroept zich op niet gepubliceerd begunstigend beleid, inhoudende dat voor de perioden vóór 1 november 2008 KSB werd geheven over de jaarwinst (prijzen minus inzetten). Ter onderbouwing van dit beroep verwijst eiser naar de bij 1.5 tot en met 1.13 vermelde vaststaande feiten. Hieruit volgt volgens hem dat met hem vergelijkbare belastingplichtigen een gunstigere behandeling ten deel is gevallen dan hij zelf ondervindt. Eiser wijst hierbij met name op het bij 1.6 weergegeven voorgedrukte formulier. Een dergelijk voorgedrukt formulier moet volgens eiser vaker zijn gebruikt.

4.2

Verweerder stelt dat geen sprake is van niet gepubliceerd begunstigend beleid. Er is volgens verweerder slechts sprake van begunstiging in individuele gevallen. In alle andere gevallen is (gewoon) de wet toegepast.

4.3

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 23 april 2014, nr 38 262, ECLI:NL:HR:2004:AL8260, overwogen: “Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat indien een belastingplichtige in het kader van een beroep op niet gepubliceerd begunstigend beleid, waarvan te zijnen aanzien zou zijn afgeweken, wijst op gevallen waarin met hem vergelijkbare belastingplichtigen een gunstiger behandeling ten deel is gevallen dan hij zelf ondervindt, het op de weg ligt van de inspecteur die ongelijke behandeling te verklaren en daarbij aannemelijk te maken dat die niet voortvloeit uit een door hem gevoerd of op een hoger niveau gecoördineerd begunstigend beleid.” (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 22 september 2017, nr 16/03830, ECLI:NL:HR:2017:2434).

4.4

De rechtbank stelt vast dat eisers gemachtigde in zijn nader stuk alsmede ter zitting heeft gewezen op een drietal gevallen, waarin met hem vergelijkbare belastingplichtigen een gunstigere behandeling ten deel is gevallen dan hij zelf ondervindt. Gelet op de hiervoor vermelde jurisprudentie ligt het op de weg van verweerder die ongelijke behandeling te verklaren en daarbij aannemelijk te maken dat die niet voortvloeit uit een door hem gevoerd of op een hoger niveau gecoördineerd begunstigend beleid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet aan deze bewijslast voldaan. Ten aanzien van de belastingplichtige [A] volgt naar het oordeel van de rechtbank uit de bij 1.6 tot en met 1.8 vermelde feiten alsmede uit de ter zitting door eisers gemachtigde gegeven toelichting daarop, dat KSB is geheven over de jaarwinst (prijzen minus inzetten). Verweerder heeft hiervoor geen enkele verklaring gegeven. Evenmin heeft verweerder een verklaring gegeven voor het feit dat aan [A] voor het doen van opgave van zijn inkomsten uit internetkansspelen voor de jaren 2007 en 2008 het bij 1.6 bedoelde voorgedrukte formulier, waarin wordt gevraagd om het “Saldo prijzen minus inzetten” in te vullen, is verstrekt door de Belastingdienst/Zuidwest. Aan dit voorgedrukte formulier ontleent de rechtbank, conform eisers stelling ter zitting, het vermoeden dat de Belastingdienst belastingplichtigen op deze wijze voor de tijdvakken vóór 1 november 2008 vaker opgave heeft laten doen van het “Saldo prijzen minus inzetten”. Aldus acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat verweerder, zoals de rechtbank eisers stelling begrijpt, systematisch van de wet is afgeweken. Verweerder heeft dit vermoeden op geen enkele wijze weten te ontzenuwen. Ten aanzien van de belastingplichtige [B] heeft verweerder niet bestreden, hetgeen ook volgt uit de bij 1.9 tot en met 1.11 vermelde vaststaande feiten alsmede uit de ter zitting door eisers gemachtigde gegeven toelichting daarop, dat KSB is geheven over de jaarwinst (zie bij 1.10). Hoewel verweerder erop heeft gewezen dat in de bij 1.11 bedoelde op 30 juni 2015 gedagtekende brief van de Belastingdienst gericht aan [B] staat vermeld dat vóór 1 november 2008 voor buitenlandse situaties de prijs als heffingsgrondslag gold, heeft verweerder geen verklaring gegeven voor het feit dat desondanks KSB van [B] is geheven over de jaarwinst. Ook ten aanzien van de belastingplichtige [C] heeft verweerder niet bestreden, hetgeen ook volgt uit de bij 1.12 en 1.13 vermelde feiten en de door eisers gemachtigde gegeven toelichting daarop, dat KSB is geheven over de jaarwinst. Verweerder heeft in zijn pleitnota weliswaar gesteld dat de behaalde (opgegeven) resultaten zijn beschouwd als prijzen, maar heeft niet uitgelegd waarom dat zo is gedaan. Verweerder heeft nog gewezen op de bij 1.14 bedoelde brief aan [D] . Echter, in deze brief kan geen verklaring worden gevonden voor het feit dat in de zojuist bedoelde drie door eiser aangedragen gevallen, zoals verweerder in zijn pleitnota zelf stelt, sprake is geweest van begunstiging. Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank het ervoor dat die begunstiging is gebaseerd op door de Belastingdienst/Zuidwest gevoerd beleid. Het gelijkheidsbeginsel brengt naar het oordeel van de rechtbank mee dat dit begunstigend beleid ook in eisers geval dient te worden toegepast. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de destijds bestaande belastingregio Belastingdienst/Zuidwest – naar de rechtbank afleidt uit de door verweerder overgelegde stukken – zich landelijk bezighield met de KSB en deze belastingregio ook aan eiser de onderhavige naheffingsaanslag heeft opgelegd.

5. Uit het voorgaande volgt dat de bij 2 geformuleerde vraag op grond van het gelijkheidsbeginsel bevestigend dient te worden beantwoord. Dit leidt ertoe dat – zoals partijen ter zitting hebben bevestigd – de naheffingsaanslag voor het jaar 2007 dient te worden vernietigd, de eerste naheffingsaanslag voor het jaar 2008 dient te worden verminderd tot € 79.811 en de tweede naheffingsaanslag voor het jaar 2008 dient te worden vernietigd. De overige stellingen van eiser behoeven geen bespreking meer, nu deze niet tot een gunstiger resultaat kunnen leiden.

6. De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de uitspraken op bezwaar alsmede de naheffingsaanslag voor het jaar 2007 en de tweede naheffingsaanslag voor het jaar 2008. De rechtbank vermindert de eerste naheffingsaanslag voor het jaar 2008 tot
€ 79.811.

7. Eiser heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat in deze zaken de redelijke termijn is overschreden. Deze zaken hebben in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, zodat zij samenhangen. Dit brengt mee dat ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel. Het eerst aangewende rechtsmiddel is het op 18 november 2011 door verweerder ontvangen bezwaarschrift in de zaken 16/1659 en 16/1802. Het tijdsverloop tussen de aanwending van dit rechtsmiddel en deze uitspraak van de rechtbank bedraagt ruim zes jaar. Uitgaande van dit tijdsverloop, is de standaard redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar dus met ruim vier jaar overschreden. Zoals volgt uit hetgeen bij 1.15 staat vermeld en hetgeen tussen partijen niet in geschil is, zijn de uitspraken op bezwaar aangehouden totdat de rechter in hoogste instantie heeft beslist in de proefprocedure(s). Zoals eisers gemachtigde ter zitting heeft gesteld, moet - gelet op de aard van deze zaken en de tijdvakken waarop deze zaken betrekking hebben - naar het oordeel van de rechtbank er vanuit worden gegaan dat hiermee de procedures die hebben geleid tot de arresten van de Hoge Raad van 11 juli 2014 zijn bedoeld. De periode van aanhouding tot deze arresten dient daarom buiten beschouwing dient te worden gelaten bij de bepaling van de mate van de overschrijding van de redelijke termijn. Deze periode bedraagt twee jaar en acht maanden. Aldus is de redelijke termijn overschreden met afgerond een jaar en vier maanden. De bezwaarfase heeft, gerekend vanaf 11 juli 2014 tot en met 31 maart 2016, een jaar en acht maanden in beslag genomen, dus een jaar en twee maanden langer dan de daarvoor redelijk te achten termijn van een half jaar (zie r.o. 3.11.1 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). De overschrijding is dus voor 14 maanden aan verweerder toe te rekenen. Voor twee maanden is de overschrijding aan de rechtbank toe te rekenen. Aldus ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.312,50 (14/16 * € 1.500) en de Minister tot een bedrag van € 187,50 (2/16 * € 1.500). De rechtbank zal deze veroordeling uitspreken in de zaak met het zaaknummer 16/1659. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op zijn beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

8. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank heeft alleen in de zaken 16/1659 en 16/1802 griffierecht geheven.

9.1

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze drie zaken samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank stelt de voor vergoeding in aanmerking komende kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Nu eiser vóór de uitspraken op bezwaar niet heeft verzocht om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van de bezwaren zijn gemaakt, kan de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb, verweerder niet veroordelen in de door eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten.

9.2

Uit het voorgaande volgt dat verweerder voor de beroepsfase aan eiser per zaak een bedrag van € 330 dient te vergoeden voor de door hem gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag voor het jaar 2007;

  • -

    vernietigt de tweede naheffingsaanslag voor het 2008;

  • -

    vermindert de eerste naheffingsaanslag voor het jaar 2008 tot een bedrag van
    € 79.811;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de zaak 16/1659 tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.312,50;

  • -

    veroordeelt de Minister in de zaak 16/1659 tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 187,50;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 92 (2 x € 46) in de zaken 16/1659 en 16/1802 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 330 per zaak ( in totaal € 990).

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 december 2017.

w.g. griffier

w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.