Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:494

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-02-2017
Datum publicatie
20-02-2017
Zaaknummer
C/17/148550 / HA ZA 16-120
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geldverstrekking t.b.v belegging, ontbinding overeenkomst wegens tekortkoming, verweerd onvoldoende onderbouwd, geen bewijsopdracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/955

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/148550 / HA ZA 16-120

Vonnis van 15 februari 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FRANS BEENTJES B.V.,

gevestigd te Heemskerk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BEENTJES EN DE BRUIJN ONROEREND GOED B.V.,

gevestigd te Heemskerk,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. H.J. Bos te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.T. van Daatselaar te Hoogeveen.

Partijen zullen hierna Beentjes c.s. (eisers sub 1 t/m 3), [eiser sub 3] (eiser sub 3) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 3] is enig bestuurder en aandeelhouder van eiseres sub 1 en (indirect) bestuurder en aandeelhouder van eiseres sub 2. Beentjes c.s. heeft in de periode

mei - oktober 2015, op verschillende momenten, verschillende bedragen, in totaal

€ 143.500,-, overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde] onder vermelding van "SA Universal Crown, oprichting".

2.2.

Daaraan voorafgaand heeft een bespreking tussen [eiser sub 3] , [gedaagde] en mevrouw mr. [naam] (hierna: [naam] ) plaatsgevonden in hotel Tjaarda te Oranjewoud. [eiser sub 3] is bestuurder geweest van een (transport-)brancheorganisatie. Voor diezelfde organisatie heeft [naam] werkzaamheden verricht en [eiser sub 3] kent [naam] nog uit die tijd. [naam] trekt sinds vele jaren intensief op met [gedaagde] .

2.3.

Tijdens voornoemde bespreking is gesproken over het investeren van liquiditeiten waarover [eiser sub 3] (direct dan wel indirect) beschikte in zogenaamde life-settlements (Amerikaanse verzekeringspolissen).

2.4.

In verband met het uitblijven van de door Beentjes c.s. gewenste investeringen heeft de advocaat van Beentjes c.s. [gedaagde] op 14 januari 2016 zowel telefonisch als schriftelijk gesommeerd tot terugbetaling van de op de bankrekening van [gedaagde] door Beentjes c.s. gestorte bedragen. In de brief van de advocaat van Beentjes c.s. staat vermeld, voor zover van belang:

"(…)

Tijdens ons telefoongesprek zei u mij, dat u nooit geld van [eiser sub 3] en/of een van diens vennootschappen hebt ontvangen. Ik ben in het bezit van bankafschriften waaruit blijkt dat u (…) geld hebt ontvangen op uw bankrekening (…)."

2.5.

Op 3 februari 2016 heeft de advocaat van Beentjes c.s. nogmaals telefonisch contact opgenomen met [gedaagde] . Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft de advocaat van Beentjes c.s. bij brief van 4 februari 2016 onder meer aan [gedaagde] geschreven:

"(…)

Ik heb u gezegd, dat ik bankrekeningafschriften heb gezien waaruit blijkt, dat u € 160.000,- rechtstreeks van meneer [eiser sub 3] hebt ontvangen en ik heb u gevraagd waar dat voor is. Waarop u antwoordde: "Meneer [eiser sub 3] heeft nooit een brief van mij gehad, nog nooit." Ik heb toen gezegd, dat u wel heel veel geld van hem hebt ontvangen en gevraagd waarvoor dat was. U zei toen, dat dat u niet uitmaakt en dat als iemand wil storten ten name van een ander, dat dat toch prima is. Voorts zei u, dat u [eiser sub 3] niet heeft gefactureerd en dat u daarom het gekregen geld bekijkt als een "schenking" en dat als ik een toelichting op die schenking wil hebben ik maar contact op zou moeten nemen met uw advocaat (…).

(…)

(…) heb ik nogmaals gevraagd waarom u het geld van de heer [eiser sub 3] niet terug betaalt. U zei, dat u het nergens in zou investeren omdat u geen investeerder bent. Toen ik u vroeg of u het geld zelf heeft gehouden, zei u, dat het geld niet voor u bestemd was, maar dat u het moest doorgeven, maar dat het mij niets aanging aan wie u het moest doorgeven. U zei "het is bij mij gestort en daarmee is het klaar. Daarmee ben ik er vanaf. Klaar."

(…)."

2.6.

In een schriftelijke verklaring gedateerd 12 februari 2016 en gericht aan [gedaagde] heeft [naam] geschreven:

"(…)

In het verleden heeft u op uw privé rekening geld ontvangen dat door de heer [eiser sub 3] zelf en/of door een aan hem verbonden rechtspersoon naar u is overgemaakt en/of van de bankrekening van TB Belastingadviseurs BV naar uw privé rekening is overgemaakt.

Hierbij bevestig ik dat u al deze gelden vervolgens aan mij heeft gegeven.

(…)."

2.7.

Anderhalve maand daaraan voorafgaand heeft [naam] een brief aan [gedaagde] geschreven, gedateerd 31 december 2015, waarin staat:

"(…)

Anders dan meneer (…) stelt is er geen sprake van onverschuldigd aan u gedane betalingen of van een lening aan u. Ik besef hoe wrang dit alles is in het licht van het feit dat ik u nog ettelijke miljoenen schuldig ben voor alles wat u voor mij heeft betaald en voor de aan u verkochte zaken die u nog altijd niet geleverd heeft gekregen (…)."

2.8.

In een schriftelijke verklaring gedateerd 29 januari 2016 heeft notaris Planting te Emmen geschreven:

"Hierbij verklaar ik, notaris P.C. Planting, uit eigen wetenschap dat de heer [gedaagde] nooit betrokken is geweest bij de BV TB Belastingadviseurs noch bij de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs.

(…)."

2.9.

In een door Beentjes c.s. overgelegd uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van 14 januari 2016 staat vermeld dat [gedaagde] samen met notaris Planting bestuurder was van de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs. Volgens het uittreksel is [gedaagde] sinds 27 februari 2014 in functie. Blijkens een door Beentjes c.s. overgelegd uittreksel uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van 2 februari 2016 getiteld Historie Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs is [gedaagde] tevens gezamenlijk met [naam] bestuurder geweest van voornoemde stichting. In dit uittreksel staat vermeld dat Planting per 27 februari 2014 zowel in als uit functie is getreden.

2.10.

Blijkens een door Beentjes c.s. overgelegd faillissementsverslag van de curator van TB Belastingadviseurs B.V., gedateerd 21 juli 2015, is [gedaagde] ook bestuurder geweest van deze inmiddels failliete vennootschap. Uit het verslag blijkt voorts dat [naam] de eerste bestuurder van TB Belastingadviseurs B.V. was. Verder staat in het verslag van de curator vermeld dat [gedaagde] zich met terugwerkende kracht als bestuurder heeft uitgeschreven. De curator heeft [gedaagde] in een gerechtelijke procedure betrokken bij rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. In die procedure heeft de curator [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor (onder meer) faillissementsfraude. In de door Beentjes c.s. overgelegde conclusie van antwoord van [gedaagde] in die procedure staat vermeld:

"(…)

[gedaagde] heeft de ontvangen bedragen gekenmerkt als zijnde betalingen die namens [naam] zijn gedaan welke betalingen naar de mening van [gedaagde] in de boekhouding van TB Belastingadviseurs opgevoerd zouden moeten worden als zijnde privé-opnamen van [naam] waarmee [naam] een deel van de schuld aan [gedaagde] heeft voldaan.

(…)."

2.11.

Beentjes c.s. heeft voorts een vonnis in kort geding van de rechtbank

Noord-Nederland, locatie Assen, overgelegd, gedateerd 14 maart 2016. In dit vonnis is de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs veroordeeld om aan Beentjes c.s. een bedrag van € 750.000,- te betalen.

2.12.

Ondanks herhaald verzoek en sommatie is [gedaagde] niet tot terugbetaling van de door Beentjes c.s. op de bankrekening van [gedaagde] gestorte bedragen overgegaan.

3 De vordering

3.1.

Beentjes c.s. vordert, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

de (mondelinge) overeenkomst tussen [gedaagde] en Beentjes c.s. te vernietigen wegens bedrog, althans dwaling en [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van de door

Beentjes c.s. aan [gedaagde] betaalde geldsommen van in totaal € 143.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

Subsidiair:

de (mondelinge) overeenkomst tussen [gedaagde] en Beentjes c.s. te ontbinden wegens een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] en [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de door Beentjes c.s. aan [gedaagde] betaalde geldsommen van in totaal € 143.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

Meer subsidiair:

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ad € 143.500,- aan

Beentjes c.s. wegens ongerechtvaardigde verrijking, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

Uiterst subsidiair:

[gedaagde] te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ad € 143.500,- aan

Beentjes c.s. wegens onrechtmatig handelen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van betaling tot aan de dag der algehele voldoening;

Zowel primair, als subsidiair, als meer subsidiair, als uiterst subsidiair:

[gedaagde] te veroordelen tot vergoeding aan Beentjes c.s. van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.842,-;

[gedaagde] te veroordelen in de proceskosten, alsmede in de nakosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil en de beoordeling daarvan

4.1.

Tussen partijen is in de kern genomen in geschil of [gedaagde] gehouden is het door Beentjes c.s. op de bankrekening van [gedaagde] gestorte bedrag van € 143.500,- in totaal, aan Beentjes c.s. terug te betalen.

4.2.

Beentjes c.s. stelt dat [gedaagde] daartoe gehouden is en grondt zijn vordering, verkort weergegeven, primair en subsidiair op het bestaan van een overeenkomst tussen hem en [gedaagde] , op grond waarvan [gedaagde] gehouden was de op de bankrekening van [gedaagde] gestorte geldbedragen te beleggen in Amerikaanse verzekeringspolissen (zogenaamde "life-settlements"). Volgens Beentjes c.s. heeft [gedaagde] het geld niet belegd, maar zelf behouden. In dit verband stelt Beentjes c.s. voorts dat [gedaagde] en [naam] de spil vormen van een internationaal opererend netwerk, waarvan meerdere "leden" worden of werden vervolgd voor fraude. Volgens Beentjes c.s. brengt [naam] mensen die de beschikking hebben over liquide middelen in contact met [gedaagde] voor een bepaald project, waarna het geld gaat stromen naar [gedaagde] , de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs en TB Belastingadviseurs B.V., waarvan (onder meer) [gedaagde] bestuurder was. Beentjes c.s. stelt dat het geld nadien wordt weggepompt en niet meer terug komt. Doordat [gedaagde] zich het geld van Beentjes c.s. zonder valide grond heeft toegeëigend, verzoekt Beentjes c.s. primair om de tussen hem en [gedaagde] te vernietigen en [gedaagde] te veroordelen om de onverplicht door Beentjes c.s. verrichte betaling van

€ 143.500,- aan Beentjes c.s. terug te betalen. Voorts stelt Beentjes c.s. dat de handelwijze van [gedaagde] als een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst dient te worden gekwalificeerd, omdat [gedaagde] niet datgene met het geld heeft gedaan, wat hij had moeten doen. Beentjes c.s. verzoekt de rechtbank daarom subsidiair om de overeenkomst te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen tot terugbetaling van € 143.500,-.

Indien de rechtbank zou oordelen dat er geen overeenkomst bestaat tussen Beentjes c.s. en [gedaagde] , of indien de rechtbank niet tot vernietiging van de overeenkomst zou overgaan, dan kwalificeert de ontvangst en het behouden van het geld door [gedaagde] (meer subsidiair) als ongerechtvaardigde verrijking, aldus Beentjes c.s. Volgens Beentjes c.s. dient [gedaagde] dan de door hem geleden schade te vergoeden, tot het bedrag van zijn verrijking. Uiterst subsidiair stelt Beentjes c.s. dat [gedaagde] de door hem geleden schade dient te vergoeden wegens onrechtmatig handelen. Volgens Beentjes c.s. tracht [gedaagde] zichzelf van detentor tot eigenaar te maken, zodat hij bezitter te kwader trouw is.

4.3.

[gedaagde] betwist dat hij gehouden is tot terugbetaling van het door Beentjes c.s. gevorderde bedrag en voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat [naam] degene is die als investeerder in "life-settlements" heeft te gelden en niet [gedaagde] . [gedaagde] betwist in dit verband voorts dat hij en [naam] als de spil van een internationaal opererend frauduleus netwerk moeten worden beschouwd. Onder verwijzing naar de verklaring van (oud-)notaris Planting wenst [gedaagde] opgemerkt te zien dat hij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij TB Belastingadviseurs B.V. c.q. de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs. Volgens [gedaagde] hebben [naam] en [eiser sub 3] tijdens de bespreking in Oranjewoud overeenstemming bereikt over investering van liquiditeiten van [eiser sub 3] en zijn vennootschappen in "life-settlements". [gedaagde] voert verder aan dat op verzoek van [eiser sub 3] ervoor is gekozen dat [gedaagde] de genoemde gelden in ontvangst zou nemen en deze gelden zou doorstorten aan [naam] . Volgens [gedaagde] heeft hij in dat kader alleen een faciliterende rol gespeeld en heeft hij zich van zijn taak gekweten doordat hij het geld aan [naam] heeft doen toekomen. [gedaagde] verwijst in dit verband naar de schriftelijke verklaring van [naam] die hij heeft overgelegd (zie r.o. 2.6.). De reden waarom de geldstromen via [gedaagde] zijn gelopen is volgens [gedaagde] gelegen in het feit dat [naam] in staat van faillissement verkeert. Volgens [gedaagde] is hij de op hem rustende verplichting nagekomen, waarmee de vorderingen van Beentjes c.s. voor afwijzing gereed liggen.

4.4.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan [gedaagde] gehouden was de op de bankrekening van [gedaagde] gestorte geldbedragen van Beentjes c.s. te beleggen in Amerikaanse verzekeringspolissen (zogenaamde "life-settlements"), zoals gesteld door Beentjes c.s. en betwist door [gedaagde] . Op grond van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering rust op Beentjes c.s. de bewijslast en het bewijsrisico van deze stelling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Beentjes c.s. aan zijn stel- en bewijsplicht voldaan door het stellen van voldoende concrete feiten en omstandigheden en het overleggen van stukken ter onderbouwing daarvan. De rechtbank is voorts van oordeel dat [gedaagde] de juistheid van de door Beentjes c.s. gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende adequaat heeft betwist, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] gehouden was het geld van Beentjes c.s. te beleggen in Amerikaanse verzekeringspolissen.

4.5.

Daartoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat Beentjes c.s. onweersproken heeft gesteld dat uit de door hem overgelegde bankafschriften volgt dat bij alle overschrijvingen van de geldbedragen van Beentjes c.s. naar de bankrekening van [gedaagde] als omschrijving staat vermeld "SA Universal Crown, oprichting". De stelling van Beentjes c.s. dat deze omschrijving betrekking heeft op de investering in life-settlements (Amerikaanse verzekeringspolissen) is evenmin door [gedaagde] weersproken, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het voor [gedaagde] duidelijk was, althans had moeten zijn, dat het geld van Beentjes c.s. door [gedaagde] diende te worden aangewend voor voornoemde investering.

4.6.

Voorts heeft Beentjes c.s. onweersproken gesteld dat [gedaagde] , tijdens de telefoongesprekken die de advocaat van Beentjes c.s. op 14 januari 2016 en 3 februari 2016 met [gedaagde] heeft gevoerd, uiteenlopende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het geld dat Beentjes c.s. op de bankrekening van [gedaagde] heeft gestort. Zo blijkt uit de door de advocaat van Beentjes c.s. opgestelde brieven van 14 januari 2016 en 4 februari 2016, met daarin een weergave van voornoemde telefoongesprekken, dat [gedaagde] in eerste instantie heeft ontkend dat hij het betreffende geld van Beentjes c.s. heeft ontvangen (zie

r.o. 2.4.). Vervolgens heeft [gedaagde] het geld aangeduid als een schenking (zie r.o. 2.5.). Hierna heeft [gedaagde] volgens de brief van 4 februari 2016 verklaard dat hij het geld nergens in zou investeren en dat hij het geld moest doorgeven (r.o. 2.5.). Ten slotte heeft [gedaagde] blijkens voornoemde brief verklaard dat het geld bij hem is gestort en dat het daarmee klaar is (r.o. 2.5.). Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het thans door [gedaagde] gevoerde verweer (dat hij het geld, op verzoek van Beentjes c.s., heeft doorgestort naar [naam] het derde verweer van [gedaagde] is, afwijkend van de hiervoor omschreven eerste en tweede verweren, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van [gedaagde] .

4.7.

In reactie op het verweer van [gedaagde] dat hij op geen enkele wijze bij TB Belastingadviseurs B.V. en/of de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs betrokken is geweest, heeft Beentjes c.s. uittreksels uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel overgelegd, waaruit blijkt dat [gedaagde] bestuurder is geweest van de Stichting Derdengelden TB Belastingadviseurs (zie r.o. 2.9). De betrokkenheid van [gedaagde] bij TB Belastingadviseurs B.V. volgt voorts uit het door Beentjes c.s. overgelegde faillissementsverslag van de curator van TB Belastingadviseurs B.V. (zie 2.10.). Gelet daarop, alsmede op het feit dat [gedaagde] de juistheid van voornoemde stukken bij conclusie van dupliek niet heeft weerlegd, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat [gedaagde] stellingen betrekt die evident onjuist zijn, hetgeen eveneens afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van [gedaagde] .

4.8.

Tevens heeft Beentjes c.s. gesteld dat [eiser sub 3] [gedaagde] voorafgaand aan de bespreking in hotel Oranjewoud nog niet kende, hetgeen door [gedaagde] is bevestigd, zodat de rechtbank Beentjes c.s. volgt in zijn stelling dat het niet aannemelijk is dat Beentjes c.s. het geld bestemd voor de belegging in Amerikaanse verzekeringspolissen aan [gedaagde] zou overmaken in plaats van aan [naam] indien [naam] degene zou zijn die tot investering van het geld zou overgaan. Het verweer van [gedaagde] dat de reden waarom de geldstromen via hem richting [naam] zijn gelopen gelegen is in het faillissement van [naam] snijdt, zonder nadere toelichting die [gedaagde] niet heeft gegeven, naar het oordeel van de rechtbank geen hout. [gedaagde] heeft immers niet duidelijk gemaakt waarom een betaling aan [naam] via [gedaagde] een ander gevolg zou hebben (met het oog op het faillissement van [naam] ) dan een betaling rechtstreeks van Beentjes c.s. aan [naam] . Het faillissement van [naam] levert naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen relevant argument op voor het betalen van het geld van Beentjes c.s. aan [gedaagde] als tussenschakel.

4.9.

De brief van [naam] van 12 februari 2016 (zie r.o. 2.6.) waarin wordt gesteld dat [naam] het geld van Beentjes c.s. van [gedaagde] heeft ontvangen, is volgens Beentjes c.s. in strijd met de waarheid opgemaakt en slechts bedoeld om de rechtbank te misleiden. Beentjes c.s. heeft daartoe onder meer een brief van [naam] van 31 december 2015 overgelegd, gericht aan [gedaagde] , waarin - kort gezegd - staat dat Botermans aan [gedaagde] nog miljoenen is verschuldigd (zie r.o. 2.7.). In dat licht acht Beentjes c.s. het ongeloofwaardig dat het geld van Beentjes c.s. door [gedaagde] aan [naam] zou zijn betaald. In dit verband heeft Beentjes c.s. voorts gewezen op de procedure die de curator van TB Belastingadviseurs B.V. tegen [gedaagde] heeft aangespannen. In die procedure heeft [gedaagde] in zijn conclusie van antwoord (zie r.o. 2.10.) volgens Beentjes c.s. zelf aangevoerd dat [naam] schulden aan hem heeft. [gedaagde] heeft in reactie op het vorenstaande tot zijn verweer aangevoerd dat de rechtbank in die procedure een vonnis heeft gewezen waarbij [gedaagde] is veroordeeld. Volgens [gedaagde] zegt de wijze waarop de rechtbank een en ander in die procedure reeds heeft gewogen voldoende. Het betreffende vonnis is door [gedaagde] niet overgelegd.

4.10.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Daargelaten de juistheid van de verklaring van [naam] van 31 december 2015 dat zij ettelijke miljoenen aan [gedaagde] is verschuldigd, alsmede de juistheid van het volgens Beentjes c.s. in de procedure tussen de curator en [gedaagde] door [gedaagde] gevoerde verweer, heeft [gedaagde] de stelling van Beentjes c.s. dat de brief van [naam] van 12 februari 2016 in strijd met de waarheid is opgemaakt, niet, althans onvoldoende weerlegd. Van een expliciete betwisting van de stelling van Beentjes c.s. is geen sprake en zonder nadere toelichting, die [gedaagde] niet heeft gegeven, acht de rechtbank de enkele verwijzing van [gedaagde] naar een eerdere uitspraak van de rechtbank in een andere procedure - zonder dat [gedaagde] daarbij heeft aangegeven wat de rechtbank in die procedure heeft overwogen en wat de relevantie daarvan is voor de onderhavige procedure - onvoldoende. Daarmee heeft [gedaagde] zijn verweer, inhoudende dat hij, op verzoek van Beentjes c.s., het geld aan [naam] heeft overgemaakt, onvoldoende onderbouwd.

4.11.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen op grond waarvan [gedaagde] gehouden was het geld van Beentjes c.s. te beleggen in Amerikaanse verzekeringspolissen. Het verweer van [gedaagde] dat niet hij, maar [naam] het geld van Beentjes c.s. zou beleggen, is onvoldoende adequaat onderbouwd, zodat [gedaagde] niet tot

(tegen)bewijslevering zal worden toegelaten.

4.12.

Vervolgens ligt de vraag voor welke gevolgen dit heeft. Beentjes c.s. heeft primair een beroep gedaan op vernietiging van voornoemde overeenkomst wegens bedrog, althans dwaling. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4.13.

Van bedrog is sprake wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk daartoe verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of door een andere kunstgreep. Aanprijzingen in algemene bewoordingen, ook al zijn ze onwaar, leveren op zichzelf geen bedrog op (artikel 3:44 lid 3 BW).

4.14.

Beentjes c.s. heeft naar het oordeel van de rechtbank geen concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat [gedaagde] ten tijde van het aangaan van de overeenkomst willens en wetens enige onjuiste mededeling heeft gedaan dan wel enig feit opzettelijk heeft verzwegen om Beentjes c.s. te bewegen tot het sluiten van eerdergenoemde overeenkomst. Het beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens bedrog kan om die reden niet slagen.

4.15.

Ten aanzien van het beroep op dwaling geldt op grond van artikel 6:228 BW in beginsel dat een overeenkomst die tot stand is gekomen onder invloed dwaling en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, vernietigbaar is indien de dwaling te wijten is aan een inlichting van de wederpartij dan wel het zwijgen van de wederpartij waar deze had behoren in te lichten.

4.16.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser sub 3] onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat hij door een inlichting van [gedaagde] dan wel door het zwijgen van [gedaagde] bij de totstandkoming van de overeenkomst heeft gedwaald.

De enkele stelling van Beentjes c.s. dat hij heeft gedwaald acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Het beroep op dwaling faalt daarom.

4.17.

Subsidiair vordert Beentjes c.s. om de overeenkomst te ontbinden wegens een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Daartoe stelt Beentjes c.s. dat [gedaagde] niet datgene met het geld heeft gedaan wat hij had moeten doen, namelijk het geld voor Beentjes c.s. beleggen in Amerikaanse verzekeringspolissen. Vast staat dat [gedaagde] zijn beleggingsverplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. Voorts gaat de rechtbank ervan uit dat nakoming door [gedaagde] blijvend onmogelijk is, omdat [gedaagde] tot zijn verweer heeft aangevoerd dat niet hij als investeerder heeft te gelden, maar [naam] , zodat, naar de rechtbank begrijpt, [gedaagde] ook niet in staat is om het geld van Beentjes c.s. te beleggen. [gedaagde] is dan ook jegens Beentjes c.s. in verzuim komen te verkeren. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst, die ontbinding van de overeenkomst rechtvaardigt. De door Beentjes c.s. gevorderde ontbinding van de overeenkomst zal daarom worden toegewezen. Die ontbinding van de overeenkomst leidt tot de gehoudenheid van partijen om de verrichte prestaties ongedaan te maken. Dit betekent dat [gedaagde] het geldbedrag dat Beentjes c.s. aan hem heeft betaald moet terugbetalen. Het verweer van [gedaagde] dat hij niet kan volgen dat [eiser sub 3] (in privé) voor het gehele bedrag een vordering op [gedaagde] heeft, maakt het vorenstaande niet anders. De vordering voor het gehele bedrag is immers ingesteld door Beentjes c.s. en niet alleen door [eiser sub 3] in privé. Ten overvloede merkt de rechtbank in dit verband nog op dat uit punt 1.1 van de dagvaarding van Beentjes c.s. volgt dat Beentjes c.s. in de dagvaarding wordt aangeduid als " [eiser sub 3] " in mannelijk enkelvoud, hetgeen bij [gedaagde] mogelijkerwijs voor verwarring heeft gezorgd.

4.18.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de rechtbank de mondelinge overeenkomst tussen Beentjes c.s. en [gedaagde] zal ontbinden en [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van € 143.500,- vermeerderd met de bijkomend gevorderde en niet (zelfstandig) weersproken vergoeding van wettelijke rente over dit bedrag, met ingang van de verschillende data van de door Beentjes c.s. aan [gedaagde] gedane deelbetalingen tot aan de dag der algehele voldoening.

4.19.

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. [gedaagde] heeft betwist dat er buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht en gesteld noch gebleken is dat er werkzaamheden zijn verricht, anders dan ter voorbereiding van de procedure.

4.20.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Beentjes c.s. worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 80,54

- griffierecht 3.903,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 6.825,54.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum bepaald.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

ontbindt de mondelinge overeenkomst tussen Beentjes c.s. en [gedaagde] wegens een toerekenbare tekortkoming van [gedaagde] ;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om aan Beentjes c.s. te betalen een bedrag van € 143.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover met ingang van de verschillende data van de deelbetalingen van Beentjes c.s. aan [gedaagde] tot de dag der algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Beentjes c.s. tot op heden vastgesteld op € 6.825,54;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak;

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en in tegenwoordigheid van

mr. A. Hut, griffier, in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2017.1

1 type: 698/ah coll: