Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4800

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-12-2017
Datum publicatie
14-12-2017
Zaaknummer
18/730021-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730021-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 december 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 november 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.M. Bakx, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.T.D. Stoffels.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2016 tot en met 31 juli 2016 te [pleegplaats] , gemeente het Bildt, althans in Nederland, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2003), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, terwijl voornoemde [slachtoffer 1] zijn kind is, buiten echt, één of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , hebbende verdachte zijn vinger in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 26 december 2015 tot en met 31 juli 2016 te [pleegplaats] , gemeente het Bildt, althans in Nederland, meermalen, althans éénmaal, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarige kind [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2003), hebbende verdachte (meermalen)

-de billen van die [slachtoffer 1] aangeraakt/betast en/of;

-de borsten van die [slachtoffer 1] aangeraakt/betast;

3.

hij in of omstreeks de periode van [geboortedatum] 2006 tot en met 31 juli 2016 te Joure en/of Vaals, althans in Nederland, meermalen, althans éénmaal, (telkens) zijn kind, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2003), opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet meermalen, althans éénmaal, die [slachtoffer 1] onder meer

-(met kracht) tegen het hoofd geslagen en/of gestompt;

-(met kracht) tegen het lichaam geschopt en/of getrapt;

waardoor die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

4.

hij in of omstreeks de periode van 13 juli 2002 tot en met 13 juli 2004 te Joure, gemeente De Friese Meren, althans in Nederland, met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1988), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, terwijl voornoemde [slachtoffer 2] een minderjarige was die aan zijn, verdachtes, zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd, buiten echt, één of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , hebbende verdachte (meermalen)

-met die [slachtoffer 2] ge(tong)zoend en/of;

-de borsten van die [slachtoffer 2] aangeraakt/betast en/of;

-zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 13 juli 2002 tot en met 13 juli 2004 te Joure, gemeente De Friese Meren, althans in Nederland, meermalen, althans éénmaal, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 1988), hebbende verdachte (meermalen)

-met die [slachtoffer 2] ge(tong)zoend en/of;

-de borsten van die [slachtoffer 2] aangeraakt/betast en/of;

-zijn penis in de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1. ten laste gelegde omdat voor een veroordeling voor dit feit onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 2., 3. en 4. primair ten laste gelegde gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft eveneens betoogd dat voor een veroordeling voor feit 1 onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat voor een bewezenverklaring onvoldoende wettig bewijs voorhanden is omdat de aangifte van [slachtoffer 1] niet wordt ondersteund door een ander wettig bewijsmiddel.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat er sprake is van verjaring. Zij heeft daartoe gesteld dat de maximale straf op de ten laste gelegde mishandeling een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren is en dat de strafverhoging ex artikel 304 van het Wetboek van Strafrecht niet meetelt.

Dit leidt er volgens de raadsvrouw toe dat het openbaar ministerie voor wat betreft een deel van de ten laste gelegde periode niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde heeft de raadsvrouw betoogd dat een bewezenverklaring kan volgen, met uitzondering van het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster [slachtoffer 2] .

De raadsvrouw acht ter zake het seksueel binnendringen onvoldoende wettig bewijs voorhanden omdat de aangifte niet wordt ondersteund door een ander wettig bewijsmiddel.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 :

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat het onder 1. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.

Feit 2:

De rechtbank is van oordeel dat het bewijs telkens is te herleiden tot één bron. Dit leidt ertoe dat er voor een bewezenverklaring onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. Verdachte zal dan ook van het onder 2. ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Feit 3 :

Ingevolge artikel 70, eerste lid, aanhef en onder 2 en 3, Wetboek van Strafrecht vervalt het recht op strafvordering door verjaring respectievelijk in 6 jaren voor de misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan 3 jaren is gesteld en in 12 jaren voor de misdrijven waarop een gevangenisstraf van meer dan 3 jaren is gesteld.

Artikel 304, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht -voor zover hier van belang- bepaalt dat de in artikel 300 bepaalde gevangenisstraf met een derde kan worden verhoogd ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn kind. Aangeefster is de dochter van verdachte.

In casu betekent dit dat -anders dan de raadsvrouw heeft bepleit- het rechtbank van oordeel is dat de verjaringstermijn 12 jaren bedraagt, aangezien de strafverzwarende omstandigheid van artikel 304, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht zich voordoet.1

De rechtbank acht het openbaar ministerie dan ook ontvankelijk in de strafvervolging.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 3. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 november 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangeefster [getuige] , d.d. 27 september 2016, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016241114, d.d. 10 januari 2017, inhoudende de verklaring van [getuige] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 januari 2017, opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016241114, d.d. 10 januari 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

Feit 4 :

Met de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat voor het seksueel binnendringen van het lichaam van [slachtoffer 2] onvoldoende wettig bewijs voorhanden is. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij het onder 4. primair ten laste gelegde.

De rechtbank acht het onder 4. subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster.

De rechtbank past ten aanzien van het onder 4. subsidiair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De inhoud van het zaaksdossier, nummer 2016241114, gesloten op 10 januari 2017, bestaande uit diverse processen-verbaal en stukken, waaronder:

1.1.

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verhoor van de aangeefster [slachtoffer 2] , d.d. 14 oktober 2016, opgemaakt in wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, pagina 76 e.v. van het onder 1. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

Ik doe aangifte van seksueel misbruik, gepleegd door mijn stiefvader [verdachte] . Dit seksueel misbruik begon toen ik 14 jaar oud was en heeft enkele weken geduurd. Hij heeft mij gezoend en heeft mijn blote borsten aangeraakt.

1.2.

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van verhoor van de verdachte, d.d. 1 november 2016, opgemaakt in wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, pagina 101 e.v. van het onder 1. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

V: [slachtoffer 2] heeft ook aangifte tegen jou gedaan. Wat is je reactie hierop?

A: [slachtoffer 2] en ik een hebben kortdurende relatie gehad. We hebben alleen veel met elkaar gekust en ik heb haar gestreeld. Ik heb haar borsten misschien aangeraakt.

V: Hoe oud was [slachtoffer 2] toen? [slachtoffer 2] zegt 14 of 15 jaar?

A: Dat zou kunnen. Ik denk het wel dan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 3. en 4. subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

3.

hij in de periode van 17 december 2006 tot en met 31 juli 2016 te Joure en Vaals meermalen zijn kind, te weten [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 2003, opzettelijk heeft mishandeld, immers heeft hij, verdachte, met dat opzet meermalen die [slachtoffer 1]

- met kracht tegen het hoofd geslagen;

- met kracht tegen het lichaam geschopt;

waardoor die [slachtoffer 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

4. subsidiair

hij in de periode van 13 juli 2002 tot en met 13 juli 2004 te Joure meermalen ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum] 1988, hebbende verdachte meermalen

- met die [slachtoffer 2] gezoend en

- de borsten van die [slachtoffer 2] aangeraakt/betast.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

3. Mishandeling, begaan tegen zijn kind, meermalen gepleegd.

4. subsidiair Ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 2., 3. en 4. primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, zulks met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden van reclasseringstoezicht met een meldplicht bij de afdeling reclassering van de Verslavingszorg Noord-Nederland, een ambulante behandeling bij de Polikliniek Forensische Psychiatrie van de GGZ gedurende de proeftijd en een algeheel drugs- en alcoholverbod, waarbij verdachte wordt verplicht om mee te werken aan urinecontroles.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen mishandelen van zijn dochter vanaf het moment van haar prille jeugd tot aan haar 13e levensjaar. Op momenten dat het slachtoffer zich veilig mocht voelen in haar eigen woning, is zij door verdachte stelselmatig met kracht geslagen en geschopt. Verdachte heeft haar hierdoor langdurig de zekerheid van een veilige thuissituatie ontnomen. Dat deze vorm van geweld, met de (fysieke) gevolgen waarmee het slachtoffer haar verdere leven geconfronteerd zal blijven, grote impact heeft, behoeft geen nadere toelichting. Kinderen moeten erop kunnen vertrouwen dat hun vader hen geen kwaad zal berokkenen.

Daarnaast heeft verdachte ontuchtige handelingen gepleegd met zijn destijds minderjarige stiefdochter. De rechtbank is van oordeel dat dit eveneens een ernstig feit is. Het plegen van een dergelijk feit bij een jong slachtoffer kan ernstige schade toebrengen aan de geestelijke gezondheid van dat slachtoffer. Een normale en gezonde seksuele ontwikkeling waar een kind recht op heeft, kan daardoor immers worden doorkruist. Verdachte heeft bij dit alles kennelijk niet stilgestaan en heeft enkel oog gehad voor zijn eigen bevrediging.

De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij het vertrouwen dat zijn dochter en stiefdochter in hem hadden, ernstig heeft geschaad.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 25 september 2017, niet eerder wegens soortgelijke delicten met politie en justitie in aanraking is geweest.

Gelet op de ernst van de feiten dient naar het oordeel van de rechtbank oplegging van een langdurige gevangenisstraf te volgen. De reclassering heeft in haar rapport van 14 november 2017 geadviseerd om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een drugs- en alcoholverbod.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf, ondanks het feit dat de rechtbank een minder aantal strafbare feiten bewezen acht dan door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden is. De rechtbank heeft hierbij mede in aanmerking genomen de langdurige periode waarin verdachte zijn minderjarige dochter meermalen ernstig heeft mishandeld.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 526,68 ter vergoeding van materiële schade en € 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heft gevorderd dat de benadeelde partij met betrekking tot de gevorderde materiële schade in dit deel van haar vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu er geen sprake is van rechtstreekse schade.

Voorts heeft de officier van justitie de toewijzing van de immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid gevorderd tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de benadeelde partij in het resterende deel van deze vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade heeft de raadsvrouw het standpunt van de officier van justitie hierover gedeeld. De benadeelde partij dient daarom met betrekking tot dit gedeelte van de vordering in haar vordering niet ontvankelijk verklaard te worden.

De raadsvrouw heeft bepleit om bij toewijzing van de gevorderde immateriële schade de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen, nu verdachte geen werk heeft en geen draagkracht heeft om een opgelegde schadevergoeding te betalen. In dat geval zal oplegging van de schadevergoedingsmaatregel neerkomen op het uitzitten van de vervangende hechtenis.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de gevorderde materiële schade acht de rechtbank dit gedeelte van de vordering te ingewikkeld om thans te kunnen beslissen. Schorsing van het onderzoek zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van de gevorderde materiële schade in dit deel van haar vordering niet ontvankelijk verklaren.

Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de gevorderde immateriële schade voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3. bewezen verklaarde. Deze immateriële staat in zodanig verband met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 10.000,00 te hoog is, te meer nu de rechtbank verdachte vrij zal spreken van het onder 1. en 2. ten laste gelegde en de gehele immateriële schadevergoeding ziet op het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde.

De rechtbank schat de geleden immateriële schade van de benadeelde partij naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 5.000,00.

Ten aanzien van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel overweegt de rechtbank als volgt.

Het gebrek aan draagkracht kan onder omstandigheden voor de rechter reden zijn om af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Daarvan kan slechts in uitzonderlijke gevallen sprake zijn, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan gevallen waarin op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis.2

De rechtbank ziet in de door de raadsvrouw aangevoerde omstandigheden geen aanleiding om af te zien van oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Verdachte is woonachtig in een sociaal pension, ontvangt een uitkering en heeft vanwege zijn psychische kwetsbaarheid een vrijstelling van de sollicitatieplicht. In het verleden heeft hij jarenlang betaalde arbeid verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet uitgesloten worden dat de problemen waarmee verdachte lijkt te kampen op enig moment dusdanig worden omgebogen dat hij inkomen op basis van betaalde arbeid zal kunnen verwerven.

Het voert in deze zaak dan ook te ver om te concluderen dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3. bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 249, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1., 2. en 4. primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 3. en 4. subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 8 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 5 dagen na het eindigen van zijn detentie meldt bij de afdeling Reclassering van de Verslavingszorg Noord-Nederland, Oostergoweg 6 te Leeuwarden;

2. dat veroordeelde wordt verplicht om zich te laten behandelen bij de Polikliniek Forensische Psychiatrie van de GGZ of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de afdeling Reclassering van de Verslavingszorg Noord-Nederland;

3. dat veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling zullen worden gegeven;

4. dat veroordeelde daarnaast wordt verplicht om, indien de afdeling Reclassering van de Verslavingszorg Noord-Nederland dit noodzakelijk acht, een ambulante behandeling te ondergaan bij de Verslavingszorg Noord-Nederland of soortgelijke instantie, zulks ter beoordeling van de afdeling Reclassering van de Verslavingszorg Noord-Nederland;

5. dat veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan urinecontroles gedurende de proeftijd indien de afdeling Reclassering van de Verslavingszorg Noord-Nederland dat noodzakelijk acht.

Draagt de afdeling Reclassering van de Verslavingszorg Noord-Nederland op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van 18/730021-17, feit 3.:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 december 2006.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. K. Bunk en mr. A.W. Wassink, rechters, bijgestaan door L. Palstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 december 2017.

1 vgl Gerechtshof Leeuwarden, 29 april 2008, ECLI:NL:GHLEE:2008:BD0810

2 vgl HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3694