Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4756

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
13-12-2017
Zaaknummer
LEE 17/3712
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de vraag of de cliëntenraad van de organisatie Meesterwerk (hierna: eiseres) een belanghebbende is bij het bestreden besluit, bevestigend beantwoord. Voor dat oordeel is van belang geacht dat de behartiging door eiseres van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten van zorginstelling Meesterwerk dient te worden geplaatst binnen het kader van de doelstellingen van de instelling, als neergelegd in de statuten van Meesterwerk. In bezwaar heeft verweerder geen beletsel gezien om eiseres aan te merken als belanghebbende. Dit betekent dat eiseres in haar beroep kan worden ontvangen.

Vervolgens heeft de rechtbank de vraag beantwoord of de brieven van

28 juni 2017, waarbij aan cliënten is meegedeeld dat zij tot en met

31 december 2017 nog ondersteuning en zorg kunnen inkopen bij Meesterwerk, besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord en daartoe overwogen dat die brieven, gelet op aard en strekking daarvan, een wezenlijke wijziging teweegbrengen in de rechtspositie van cliënten omdat er iets verandert in hun situatie, zodat de brieven op zelfstandig rechtsgevolg zijn gericht. Het directe gevolg van die brieven is dat cliënten vanaf 1 januari 2018 gehouden zijn op zoek te gaan naar een andere zorgaanbieder, waardoor zij in hun vrijheid voor wat betreft de keuze van een zorgaanbieder worden beperkt. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de memorie van toelichting bij de Wmo 2015 (TK, 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 36). De rechtbank heeft verweerder niet gevolgd in zijn standpunt dat de inhoud van de brieven slechts een mededeling van informatieve aard is. Nu de brieven op rechtsgevolg gerichte besluiten zijn, heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen deze besluiten ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is gegrond verklaard en het bestreden besluit is vernietigd. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder de gronden van bezwaar nog inhoudelijk dient te beoordelen. De rechtbank heeft ook geen aanleiding gezien tot het ambtshalve treffen van een voorlopige voorziening voor eiseres, omdat het beroep alleen namens haar is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/3712

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 december 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [vestigingsplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. G.J.W. Pulles),

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle, verweerder

(gemachtigde: mr. V.A. Textor).

Procesverloop

Bij brieven van 28 juni 2017 heeft verweerder aan cliënten meegedeeld dat zij tot en met

31 december 2017 ondersteuning kunnen inkopen bij zorgaanbieder Meesterwerk.

Hiertegen heeft eiseres bij brief van 26 juli 2017 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Daarbij heeft eiseres aan verweerder verzocht om dit bezwaar ingevolge artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door te sturen naar de rechtbank om dit bezwaar als rechtstreeks beroep af te doen.

Verweerder heeft bij brief van 30 augustus 2017 ingestemd met dit verzoek en het bezwaarschrift van eiseres als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken LEE 17/3711, LEE 17/3760 en

LEE 17/3762, plaatsgevonden op 8 november 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Tevens waren aanwezig [clienten]

. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en een aantal beleidsadviseurs in dienst van verweerder. De rechtbank heeft besloten om in deze zaken afzonderlijk uitspraak te doen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij afzonderlijke beschikkingen heeft verweerder in het verleden aan de cliënten die door eiseres worden vertegenwoordigd, een maatwerkwerkvoorziening Beschermd wonen dan wel begeleiding op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) toegekend in de vorm van zorg in natura dan wel in de vorm van een pgb. Aan een aantal andere cliënten is een indicatie ‘diensten in en aan huis’ of ‘dagbesteding’ toegekend om ondersteuning te ontvangen in de thuissituatie. Meesterwerk, onderdeel van de Coöperatie Boer en Zorg, was een door verweerder gecontracteerde zorgaanbieder. De cliënten kregen ondersteuning en hulp van zorgaanbieder Meesterwerk via zorg in natura (zin) of via een pgb. Verweerder heeft de subsidie aan de Coöperatie Boer en Zorg met ingang van het jaar 2017 echter gedeeltelijk geweigerd omdat er volgens verweerder door Meesterwerk kwalitatief onvoldoende zorg wordt geleverd. Er is een plan van aanpak gemaakt om de cliënten van Meesterwerk naar andere aanbieders beschermd wonen toe te leiden.

1.2.

Verweerder heeft bij afzonderlijke brieven van 28 juni 2017 aan de cliënten meegedeeld dat zij nog tot 31 december 2017 ondersteuning kunnen inkopen bij Meesterwerk. Verweerder geeft hierbij aan dat indien de cliënten ondersteuning bij Meesterwerk wensen in te kopen, zij hierover zelf afspraken dienen te maken met de aanbieder Meesterwerk en in elk geval de zorgovereenkomst wat betreft de einddatum niet langer te laten lopen dan tot en met 31 december 2017. Verweerder heeft de cliënten verzocht om ervoor zorg te dragen dat zij zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vóór

10 oktober 2017, een zorgovereenkomst dienen af te sluiten met een andere aanbieder, die zo spoedig mogelijk in gaat, maar uiterlijk op 1 januari 2018. Gelijktijdig met de ingangsdatum van de die zorgovereenkomst dienen de cliënten er voor zorg te dragen dat zij hun huidige zorgovereenkomst met Meesterwerk tijdig opzeggen. De Centrale Toegang van de GGD IJsselland (die voor verweerder opvang en beschermd wonen in het kader van de Wmo 2015 uitvoert) zal contact opnemen met deze cliënten om te bespreken welke ondersteuningsbehoefte er is en naar welke aanbieder de cliënten willen en kunnen overstappen, zodat de cliënten uiterlijk per 1 januari 2018 de ondersteuning en hulp krijgen van deze andere zorgaanbieder.

2. Eiseres kan zich niet verenigen met de brieven van 28 juni 2017. Op de gronden die eiseres daartoe aanvoert, zal hierna worden ingegaan.

3. Verweerder handhaaft in het verweerschrift zijn in de brieven van 28 juni 2017 neergelegde standpunt.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank zal eerst de vraag beantwoorden of eiseres kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb bij de brieven van 28 juni 2017.

4.2.

Eiseres voert aan dat zij een rechtstreeks belang heeft bij de brieven van 28 juni 2017 en als belanghebbende dient te worden aangemerkt als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Daartoe stelt eiseres dat in de Werkwijze cliëntenraad Meesterwerk is opgenomen dat tot haar taakbeschrijving onder meer behoren het behartigen en bewaken van belangen en de toelating van cliënten en de beëindiging van de zorgverlening aan cliënten. De door de gemeente genomen besluiten hebben – indien zij hun beslag zouden krijgen – tot gevolg dat Meesterwerk zijn activiteiten in het kader van de Wmo 2015 geheel zal moeten staken en ook de zorgverlening aan alle Wmo-cliënten zal moeten staken. Voorts wijst eiseres erop dat de wettelijke taak van de cliëntenraad is neergelegd in de artikelen 2 tot en met 4 van de Wet Medezeggenschap Cliënten Zorginstellingen (WMCZ). Uit die artikelen volgt dat eiseres haar wettelijke taken alleen kan uitvoeren indien zij de mogelijkheid heeft om zelfstandig in rechte tegen besluiten op te treden. In dat verband verwijst eiseres naar uitspraken van de rechtbank Overijssel van 14 juni 2013 (ECLI:NL:RBOVE:2013:1176) en de rechtbank Alkmaar van 14 april 2008 (ECLI:NL:RBALK:2008:BD2801). Daarbij speelt volgens eiseres ook mee dat het bij haar optreden gaat om de kerndoelstellingen van Meesterwerk, te weten de zorgverlening aan cliënten als bedoeld in artikel 2 van de statuten van Meesterwerk.

4.3.

Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat eiseres niet als belanghebbende bij de brieven van 28 juni 2017 kan worden aangemerkt. De WMCZ geeft daarvoor niet de wettelijke bevoegdheid aan eiseres, althans niet het juridisch fundament, om namens de cliënten in rechte te procederen tegen door de gemeente genomen besluiten. Verweerder acht daarbij van belang dat er geen regeling door eiseres is opgesteld als bedoeld in artikel 2, derde lid, van de WMCZ, zodat het zelfs de vraag is of eiseres wel kan worden aangemerkt als cliëntenraad in de zin van de WMCZ. De in beroep ingezonden “Werkwijze cliëntenraad Meesterwerk” is volgens verweerder niet gelijk te stellen aan een regeling als bedoeld in de WMCZ. Het beroep van eiseres dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, aldus verweerder ter zitting.

4.4.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

4.5.

Ingevolge hoofdstuk 12, getiteld ‘Cliëntenmedezeggenschap’, onder 1, neemt de vennootschap Meesterwerk B.V. de WMCZ in acht.

4.6.

In artikel 2, eerste lid, van de WMCZ is bepaald dat de zorgaanbieder voor elke door hem in stand gehouden instelling een cliëntenraad instelt, die binnen het kader van de doelstellingen van de instelling in het bijzonder de gemeenschappelijke belangen van de cliënten behartigt. Ingevolge het vierde lid van dit artikel regelt de cliëntenraad schriftelijk zijn werkwijze met inbegrip van zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte.

4.7.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres als belanghebbende bij het bestreden besluit aan te merken. De rechtbank volgt eiseres in haar onder 4.2 naar voren gebrachte gemotiveerde argumenten en de door haar in dat verband aangehaalde jurisprudentie. Zij ziet, mede gelet op de ter zitting door de gemachtigde van eiseres gegeven toelichting, geen reden om daar anders over te oordelen. Daaraan wordt toegevoegd dat eiseres is ingesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de WMCZ, dat aldus dient te worden uitgelegd dat de behartiging door eiseres van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten van de zorginstelling – in dit geval Meesterwerk – dient te worden geplaatst binnen het kader van de doelstellingen, zoals neergelegd in artikel 2.2 van de statuten van Meesterwerk, van de instelling. Daarbij dient te worden aangetekend dat ook uit de considerans van de WMCZ naar voren komt dat deze wet strekt ter bevordering van de medezeggenschap van de cliënten van uit de collectieve middelen gefinancierde instellingen op het terrein van de maatschappelijke zorg en gezondheidszorg en dat het derhalve gaat om aangelegenheden die spelen in de relatie tussen zorginstelling en cliënten. Blijkens haar werkwijze, gelezen in samenhang met de statuten van Meesterwerk, is het doel van eiseres op te komen voor de behartiging van de belangen van haar cliënten, zijnde natuurlijke personen. Nu de cliënten van eiseres er een groot belang bij hebben dat het inkopen van zorg bij Meesterwerk ook ná 1 januari 2018 kan worden voortgezet, moet het ervoor worden gehouden dat eiseres de mogelijkheid dient te hebben voor dit belang van haar cliënten in rechte op te komen. Hieruit volgt dat het voeren van een procedure van eiseres tegen de brieven van verweerder van 28 juni 2017 waarbij is meegedeeld dat het inkopen van ondersteuning en hulp bij Meesterwerk vanaf 1 januari 2018 niet meer mogelijk is, tot vorenbedoelde doelstellingen kan worden gerekend omdat het belang van het verkrijgen van de benodigde ondersteuning en hulp in het geding is. Dat, zoals verweerder ter zitting heeft betoogd, in de WMCZ niet de (wettelijke) bevoegdheid aan eiseres is gegeven om namens cliënten procedures te voeren tegen besluiten van de gemeente, leidt er niet toe dat eiseres niet als belanghebbende is aan te merken. Verweerder wordt verder niet gevolgd in het standpunt dat eiseres geen cliëntenraad is in de zin van de WMCZ omdat er geen regeling is opgesteld. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit de WMCZ geenszins volgt dat het opstellen van een regeling bepalend is voor de vraag of sprake is van een cliëntenraad als bedoeld in de WMCZ.

4.8.

Uit rechtsoverweging 4.7 volgt dat, nu eiseres belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zij in haar beroep kan worden ontvangen.

5. Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of de onder 1.2 genoemde brieven van 28 juni 2017 besluiten zijn als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In dat verband dient te worden beoordeeld wat het karakter is van de inhoud van de brieven van 28 juni 2017.

5.1.

Eiseres voert aan dat de brieven van 28 juni 2017 zijn aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, nu de inhoud van die brieven gericht is op zelfstandig rechtsgevolg. Daartoe stelt eiseres dat de brieven tot gevolg hebben dat voor alle cliënten zowel de aanspraak op de voor hen passende maatwerkvoorziening als het realiseren daarvan ingrijpend wijzigt, dan wel dat die voorziening geheel wordt beëindigd. Als gevolg van de brieven van 28 juni 2017 kunnen cliënten vanaf 1 januari 2018 niet langer passende zorg van Meesterwerk ontvangen en dat komt in strijd met artikel 2.3.5 van de Wmo 2015. Voort blijkt uit het handelen van verweerder na het versturen van de brieven van 28 juni 2017 dat door deze brieven de aanspraak en rechtspositie van cliënten worden gewijzigd. De Centrale Toegang zal contact opnemen met alle cliënten om, conform de plichten die op de gemeente rusten in het kader van de Wmo 2015, een oplossing te vinden voor het wegvallen van de maatwerkvoorzieningen van de cliënten. De brieven van 28 juni 2017 zijn daarmee voor bezwaar en beroep vatbare besluiten.

5.2.

Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat de brieven van 28 juni 2017 een informerend karakter hebben, niet gericht zijn op enig (zelfstandig) rechtsgevolg en om die reden niet zijn aan te merken als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daartoe stelt verweerder dat de brieven geen wijziging teweegbrengen in de bestaande aanspraken en rechtspositie van cliënten, omdat zij hun recht blijven behouden op dezelfde zorg, hulp of ondersteuning voor wat betreft aard, duur en omvang op grond van de Wmo 2015, die aan hen bij individuele beschikkingen is bekendgemaakt. Voorts is geen sprake van ‘afgekeurde’ verantwoordingen van de kosten van Meesterwerk. Er is met de brieven van 28 juni 2017 alleen beoogd informatie te verstrekken dat het inkopen van hulp en ondersteuning vanaf 1 januari 2018 bij Meesterwerk niet meer mogelijk is. De eventuele rechtsgevolgen van het mogelijk niet goedkeuren van verantwoordingen van bestede pgb’en doen zich momenteel nog niet voor. De gemeente voldoet nog steeds aan haar compensatieplicht op grond van de Wmo 2015, omdat cliënten voor het verkrijgen van zorg terecht kunnen bij verschillende met de gemeente gecontracteerde aanbieders. De aan cliënten in het verleden toegekende maatwerkvoorziening wordt niet aangepast en zij kunnen de zorg blijven afnemen bij een gecontracteerde zorgaanbieder in de centrumgemeente Zwolle. Van verlies van aanspraken voor cliënten is geen sprake.

5.3.

Van een ontvankelijk bezwaar kan eerst sprake zijn als het bezwaar is gericht tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daarin is bepaald dat onder een besluit wordt verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling, dat wil zeggen een handeling gericht op rechtsgevolg.

Een beslissing heeft rechtsgevolg indien zij er op gericht is een bevoegdheid, recht of verplichting voor één of meer anderen te doen ontstaan of teniet te doen, dan wel de juridische status van een persoon of een zaak vast te stellen.

5.4.

Op grond van artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 verleent het college een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie voor zover de cliënt dit naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met behulp van andere personen uit het sociale netwerk dan wel met gebruik van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

5.5.

In artikel 2.3.6, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat – indien de cliënt dit wenst – het college hem een pgb verstrekt dat de cliënt in staat stelt de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken.

5.6.

De rechtbank begrijpt het door eiseres in beroep aangevoerde aldus dat zij beoogt te betogen dat de brieven van 28 juni 2017 op zelfstandig rechtsgevolg zijn gericht en om die reden besluiten behelzen in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Met eiseres – daarbij in aanmerking genomen de door de gemachtigde van eiseres ter zitting gegeven toelichting – is de rechtbank van oordeel dat de brieven van 28 juni 2017, gelet op de aard en strekking daarvan, zijn aan te merken als besluiten als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Daartoe overweegt de rechtbank dat de mededeling in die brieven voor cliënten betekent dat zij vanaf 1 januari 2018 geen ondersteuning en hulp meer kunnen krijgen van dan wel inkopen bij zorgaanbieder Meesterwerk. Dit betekent dat de brieven van 28 juni 2017 een wezenlijke wijziging teweegbrengen in de rechtspositie van cliënten, omdat er iets verandert in hun situatie, zodat de brieven daarmee op zelfstandig rechtsgevolg zijn gericht. Of cliënten kunnen de zorg niet (via zin) van Meesterwerk betrekken of (via een pgb) niet bij Meesterwerk inkopen. Daargelaten of de door Meesterwerk geleverde zorg aan de daarvoor gestelde eisen voldoet, is het directe rechtsgevolg van de inhoud van de mededeling in die brieven dat de cliënten vanaf 1 januari 2018 gehouden zijn op zoek te gaan naar een andere met de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder. De Wmo 2015 beoogt maatwerk te bieden. Naar het oordeel van de rechtbank maakt de door de cliënten gewenste vorm van de zorg daarvan deel uit. Daargelaten de vraag of verweerder gehouden is om de door een cliënt gewenste vorm van zorg te accepteren, vooraf via goedkeuring van een zorgovereenkomst of achteraf na een verantwoording van het bestede budget, maakt de vraag welke vorm van zorg voor een belanghebbende het meest toegesneden is op de zorgvraag, onderdeel uit van een beoordeling op grond van de Wmo 2015 en heeft daarmee dus rechtsgevolg. De rechtbank tekent bij het voorgaande aan dat uit het eerste lid van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 voortvloeit dat het pgb dat aan de desbetreffende cliënten is verstrekt, hen in staat moet stellen de diensten die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken. Het uitgangspunt bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening is, zo staat op pagina 36 van de memorie van toelichting op de Wmo 2015 (TK, 2013-2014, 33 841, nr. 3) de keuzevrijheid van de betrokkene. Cliënten krijgen met het aan hen toegekende budget zelf de mogelijkheid te bepalen bij wie zij de diensten en andere maatregelen willen inkopen die tot de maatwerkvoorziening behoren. Nu cliënten door de mededeling in de brieven van 28 juni 2017 gehouden zijn vanaf 1 januari 2018 over te stappen op een andere zorgaanbieder, worden zij daardoor in hun vrijheid voor wat betreft de keuze van een zorgaanbieder beperkt.

5.7.

Anders dan verweerder meent, is de rechtbank van oordeel dat de inhoud van de brieven van 28 juni 2017 niet slechts een mededeling van informatieve aard is. Dat, zoals verweerder stelt, cliënten aanspraak blijven behouden op de aan hen eerder toegekende maatwerkvoorziening, maakt niet dat de mededeling in de brieven van 28 juni 2017 enkel een informerende karakter heeft. Hoewel het te prijzen valt dat de Centrale Toegang GGD IJsselland zich inzet om cliënten zo goed mogelijk te ondersteunen bij het vinden van een andere zorgaanbieder, doet dat niet aan af aan het intreden van het rechtsgevolg voor cliënten en evenmin aan het besluitkarakter van de brieven van 28 juni 2017. Dit brengt mee dat eiseres, als zij het niet eens is met de inhoud van de brieven, hiertegen bezwaar kan maken, wat zij ook heeft gedaan.

5.8.

Uit wat onder rechtsoverwegingen 5.6 en 5.7 is overwogen volgt dat de brieven van

28 juni 2017 dienen te worden aangemerkt als besluiten die op rechtsgevolg zijn gericht.

6. De rechtbank overweegt ten aanzien van de inhoud van de besluiten van 28 juni 2017 als volgt.

6.1.

Artikel 3:2 van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

6.2.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de besluiten van 28 juni 2017 niet heeft gemotiveerd waarom de cliënten vanaf 1 januari 2018 geen ondersteuning en hulp meer kunnen inkopen bij Meesterwerk en waarom dat per die datum stopt. Het standpunt dat verweerder in de eerdere brieven van 7 maart 2017, die door de rechtbank eveneens als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zijn aangemerkt, inneemt dat uit de resultaten van het onderzoek naar de door Meesterwerk geboden ondersteuning naar voren is gekomen dat de kwaliteit en de omvang van de ondersteuning die Meesterwerk biedt niet voldoen aan de eisen die de gemeente Zwolle daaraan stelt, is daarvoor ontoereikend. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat verweerder de resultaten van het onderzoek niet heeft ingebracht, zodat ook niet kan worden beoordeeld of de ondersteuning en hulp die Meesterwerk aan de cliënten biedt, naar verweerder stelt, niet voldoet aan de daaraan door de gemeente Zwolle te stellen eisen.

6.3.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de besluiten van 28 juni 2017 onzorgvuldig zijn voorbereid en niet toereikend zijn gemotiveerd, waardoor die besluiten geen stand kunnen houden vanwege strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb.

7. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond zal worden verklaard en dat de rechtbank de besluiten van 28 juni 2017 zal vernietigen. Aansluitend dient te worden bezien welk vervolg aan deze uitkomst moet worden gegeven. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, omdat verweerder in de nieuw te nemen besluiten op deugdelijke wijze zal moeten motiveren waarom de ondersteuning en hulp bij Meesterwerk per 1 januari 2018 voor de cliënten stopt. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken na datum van verzending van deze uitspraak.

8. De rechtbank ziet geen aanleiding om ambtshalve op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening voor eiseres te treffen. Dat verhoudt zich niet met haar positie als cliëntenraad. Daartoe is van belang dat het beroep alleen namens eiseres en niet namens afzonderlijke cliënten is ingediend.

9. Nu het beroep gegrond is, bestaat er aanleiding om verweerder met toepassing

van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank heeft de kosten met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in verband met juridische bijstand begroot op € 990,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en

1. punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

10. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, bepaalt de rechtbank dat verweerder

het door eiseres betaalde griffierecht van € 333,- aan haar dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. K. Wentholt en

mr. D.M. Schuiling, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.