Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4691

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
18/820393-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820393-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 05/096905-15

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/820335-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 december 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en

zonder bekende feitelijke woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd te Leeuwarden, in de PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

23 november 2017. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 19 augustus 2017 te Groningen

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (aan/nabij

de [straatnaam]) heeft weggenomen

een afstandsbediening en/of een kabel en/of een televisie en/of een rubberen

hamer en/of sleutels, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen

goederen onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van

braak en/of verbreking en/of inklimming.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het dossier weliswaar alle schijn ademt dat verdachte bij de inbraak betrokken is geweest, maar dat dit onvoldoende is voor wettig en overtuigend bewijs van het strafrechtelijk verwijt dat verdachte wordt gemaakt. Verdachte moet dan ook van het hem ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 augustus 2017, opgenomen op pagina 59 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017220784 d.d. 20 augustus 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Ik doe aangifte van inbraak op 19 augustus 2017 in mijn woning aan de [straatnaam] te Groningen. Ik werd omstreeks 03.08 uur ‘s nachts wakker van glasgerinkel en breekgeluiden. Nadat ik de politie had gebeld, ben ik boven gebleven. Tegen de ter plaatste gekomen politie heb ik via het raam gezegd dat er een achterom was, te bereiken via het [straatnaam]. De politie is vervolgens achterom gelopen.

Er is weggenomen:

- een afstandsbediening, merk Telfort,

- een zwarte televisiekabel,

- een televisie, merk Samsung, en

- een rubberen hamer.

Een ruit was ingegooid en er waren meerdere kozijnen vernield om binnen te komen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van verdachte d.d.19 augustus 2017 opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Na een melding van een mogelijke inbraak in een woning aan de [straatnaam] te Groningen, zag ik op 19 augustus 2017 omstreeks 03.15 uur op een pleintje aan het einde van een brandgang tussen perceel 15 en 19 van het [straatnaam] een man gehurkt zitten, die ik ambtshalve herkende als [medeverdachte]. [medeverdachte] staat bekend als veelpleger inzake onder andere gekwalificeerde inbraken. Onder de brandtrap zat een andere man gehurkt. Deze bleek later [verdachte] te zijn. In de hoek van het pleintje stond een flatscreen televisie, die deels bedekt was door een doek/laken. Naast [verdachte] lag een rubberen hamer.

Tijdens de insluitingfouillering trof ik in de rechterjaszak van [verdachte] een afstandsbediening van het merk Telfort aan.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding van verdachte [medeverdachte] d.d.19 augustus 2017 opgenomen op pagina 48 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Tijdens het onderzoek aan de kleding van verdachte [medeverdachte] werd in de rechterzak van zijn jack een elektriciteitssnoer bedoeld voor het aansluiten van huishoudelijke apparaten aangetroffen. Verder is in zijn fouillering nog een bos sleutels aangetroffen waarvan na onderzoek is gebleken dat één van deze sleutels past op het slot van de deur van de woning aan de [straatnaam] te Groningen.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 augustus 2017 van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017220635-38, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 22 augustus 2017 werd [verdachte] tijdelijk opgehouden in cel 4 van het cellencomplex van de rechtbank te Groningen en [medeverdachte] in cel 7. Tijdens het overbrengen van [verdachte] naar de bus van DV&O hoorden wij [verdachte] in de richting van de cel van [medeverdachte] roepen: “Die kerel lag gewoon boven te slapen. Wij hadden gewoon naar boven moeten stormen om zijn telefoon af te pakken. Wij hadden die man moeten overmeesteren. Hij zat gewoon boven te bellen.”

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank als vaststaand af dat verdachte zeer kort na de melding van de inbraak aan de achterzijde van de woning en dus vlakbij de plaats delict in gezelschap van medeverdachte [medeverdachte] is aangetroffen. Na verdachtes aanhouding is in zijn jaszak de volgens de aangifte weggenomen afstandsbediening, merk Telfort, aangetroffen. In zijn buurt lag de weggenomen rubberen hamer en iets verderop de flatscreen televisie. Bij de medeverdachte is de zwarte televisiekabel en een huissleutel van de woning van aangever aangetroffen. Gelet op deze feiten en omstandigheden en nu verdachte, die ter terechtzitting heeft volhard in zijn ontkenning iets met de inbraak te maken te hebben , geen plausibele verklaring heeft gegeven, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de ten laste gelegde inbraak.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 19 augustus 2017 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [straatnaam] heeft weggenomen een afstandsbediening en een kabel en een televisie en een rubberen hamer en sleutels, toebehorende aan [slachtoffer], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van straf of maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) wordt geplaatst voor de duur van twee jaar. Zij heeft aangevoerd dat daarmee in eerste plaats tegemoet wordt gekomen aan het primaire doel van deze maatregel, te weten beveiliging van de maatschappij. Immers, door stelselmatige daders c.q. veelplegers, tot welke categorie ook verdachte wordt gerekend, gedurende twee jaren uit de samenleving te halen, wordt deze gedurende langere periode gevrijwaard van hun problematische gedrag. Daarnaast is er ook nog steeds enige ruimte om te werken aan het subsidiaire doel van de ISD-maatregel, te weten het bereiken van gedragsverandering door middel van behandeling, zo blijkt uit het reclasseringsrapport. Om hieraan zoveel mogelijk toe te kunnen komen, is het van belang dat de maatregel voor de duur van twee jaar wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de gevorderde ISD-maatregel moet worden afgewezen. Uit de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de maatregel volgt dat de rechtvaardiging voor de disbalans die een dergelijke maatregel meebrengt, namelijk dat iemand voor een betrekkelijk gering feit twee jaar vast gezet wordt, zit in het bewerkstelligen van gedragsverandering zodat een dader na ommekomst van de maatregel zonder recidive terugkeert in de maatschappij. Bij een verdachte bij wie sprake is van verslavings-, dan wel andere specifieke (psychische) problematiek, kan gedragsverandering worden bewerkstelligd door middel van behandeling. Verdachte, bij wie het plegen van strafbare feiten samenhangt met dergelijke problematiek, heeft al twee keer eerder een ISD-maatregel opgelegd gekregen. Beide keren heeft de maatregel echter niet tot gedragsverandering geleid. Dat lag echter niet aan verdachte, zo blijkt uit het reclasseringsrapport en het ter terechtzitting door de deskundige aangevoerde. Hij was steeds gemotiveerd om een behandeling te ondergaan. Het was te wijten aan de instellingen, die of verdachte geen kans wilden geven, of een behandeling specifiek gericht op verdachtes verslavingsproblematiek niet van de grond wisten te krijgen. Het is dus maar zeer de vraag of dit nu wel gaat lukken en of dit dan enig effect zal sorteren. Zo niet, dan komt de maatregel voor verdachte neer op twee jaar kale detentie, hetgeen volstrekt disproportioneel is.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de eerder opgelegde ISD-maatregelen waarvan de laatste op 15 juni 2016 is geëindigd, meebrengen dat een volgende ISD-maatregel thans nog niet aan de orde kan zijn, gelet op het ultimum remedium-karakter van deze maatregel. Eerst moeten alle andere minder verstrekkende drang- en dwangmodaliteiten zijn benut.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de ISD-maatregel in duur wordt beperkt tot één jaar, meer subsidiair dat er bij oplegging van een ISD-maatregel tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel wordt beslist.

Ten slotte heeft de raadsman aftrek van de reeds ondergane voorlopige hechtenis bepleit.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een inbraak gedurende de nacht in een woning, terwijl het slachtoffer zelf in de woning aanwezig was. Nadat door hen een raam was kapot gemaakt is de woning, een plek waar iemand zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen, betreden, waarna spullen zijn ontvreemd. Met dit handelen heeft verdachte ergernis, overlast en gevoelens van onveiligheid veroorzaakt bij de gedupeerde, die ten gevolge van dit feit ook financiële schade heeft geleden. Het plegen van woninginbraken verhoogt daarnaast ook de algemene gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank rekent dit verdachte aan, temeer nu uit een hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie van 27 oktober 2017 – dat 31 pagina’s en een periode van 27 jaar beslaat – blijkt dat verdachte zeer vaak is veroordeeld ter zake strafbare feiten, waarbij meermalen vrijheidsbenemende straffen zijn opgelegd. Daar komt bij dat verdachte ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit nog in twee proeftijden liep van hem eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraffen. Het mag duidelijk zijn dat de overlast die de verdachte de samenleving bezorgt, groot is.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat thans geen andere beslissing rest dan het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaar voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel veroordeeld en het onderhavige feit is begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.

Voorts moet er, onder meer gelet op de rapportage die met betrekking tot verdachte door de reclassering is opgemaakt, ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom misdrijven zal begaan. De veiligheid van goederen eist derhalve het opleggen van de maatregel.

Blijkens genoemd reclasseringsrapport d.d. 17 november 2017 en de aanvulling daarop door de deskundige ter terechtzitting, adviseert de reclassering opnieuw tot oplegging van de ISD-maatregel, ondanks dat er al twee keer eerder ten aanzien van verdachte sprake is geweest van deze maatregel waarbij er ogenschijnlijk te weinig effect werd gesorteerd. Het is redelijk zeker dat het recidiverisico met andere gangbare strafmodaliteiten niet verlaagd zal worden. Ondanks deze onverminderd hoge kans op recidive, is er bij verdachte wel een voorzichtige trend waarneembaar die tot verandering in het patroon – het als gevolg van onrust zich impulsief strafbaar gedragen – zou kunnen leiden en die binnen het kader van een ISD-maatregel het meeste kans van slagen heeft. Bij de reclassering bestaat de indruk dat zijn lijdensdruk van detentie en van de gevolgen van zijn middelengebruik aan het toenemen is. Omdat ruimschoots is gebleken dat detentie niet leidt tot een wijziging in zijn delictgedrag, is de uitdrukkelijke opzet van het plan van aanpak van de ISD-maatregel voor deze verdachte dat hij zo snel mogelijk deel zal nemen aan de extramurale fase. Voortzetting van de ingezette lijn ten aanzien van het wonen in een beschermde woonvorm met passende – over voldoende forensische expertise beschikkende – begeleiding en behandeling waardoor wordt gezorgd voor een bepaalde mate van rust en regelmaat en voortdurende aandacht voor eigen regie en keuzes, waardoor verdachte op termijn zelf zijn impulsieve gedrag weet te temperen, kan binnen het kader van de ISD-maatregel het beste worden gewaarborgd. Daarbij is mede gelet op het feit dat er binnen dit traject time-out mogelijkheden zijn, inhoudende directe terugplaatsing in intramurale setting waarmee recidive kan worden voorkomen, maar ook dat verdachte weer helemaal afglijdt.

Gelet op het voorgaande, in het bijzonder op de hardnekkige recidive van verdachte, het feit dat eerdere veroordelingen hem er kennelijk niet van hebben weerhouden om opnieuw een strafbaar feit te plegen en eerdere behandelingen te weinig verandering van zijn gedrag hebben bewerkstelligd, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Gelet hierop acht de rechtbank de ISD-maatregel niet alleen aangewezen, maar ook passend en geboden.

De stelling dat het ultimum remedium-karakter van de ISD-maatregel meebrengt dat na (een) eerder opgelegde en ondergane ISD-maatregel(en) wederom eerst andere minder verstrekkende drang- en dwangmodaliteiten moeten worden toegepast om het recidiverisico te verminderen, vindt geen steun in de wet en het recht. Dit staat dan ook niet aan het opleggen van de maatregel in de weg, evenmin als het feit dat verdachte niet gemotiveerd is aan de maatregel zijn medewerking te verlenen.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek een kans te geven en voorts ter bescherming van de maatschappij, acht de rechtbank het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen voor de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel. De rechtbank zal deze maatregel derhalve voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en voorts bepalen dat de tijd die de verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht van de duur van de maatregel zal worden afgetrokken.

De rechtbank ziet geen aanleiding om tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voorzetting van de ISD maatregel als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht te beslissen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.657,29 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft integrale toewijzing van de vordering van de benadeelde partij gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte aangevoerd dat slechts een bedrag van € 250,-- toewijsbaar is. De benadeelde partij heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting aangegeven dat hij een claim heeft ingediend bij zijn woonhuisverzekering. Aangezien het onaannemelijk is dat deze niet tot uitkering van de schade zal overgaan, is slechts het eigen risico van de benadeelde partij dat in de regel een bedrag van € 250,-- bedraagt, voor toewijzing vatbaar.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Het feit dat de benadeelde partij zijn schade eveneens heeft geclaimd bij zijn schadeverzekering, die nog niet tot uitkering daarvan is overgegaan, staat – anders dan de raadsman heeft aangevoerd – niet aan toewijzing van de vordering in de weg.

Gelet hierop en nu de (hoogte van de) vordering voor het overige door verdachte niet is betwist, zal deze worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 19 augustus 2017, zijnde de datum waarop het strafbare feit is gepleegd.

De rechtbank stelt verder vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat verdachte en de medeverdachte naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal dan ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Ten slotte zal de rechtbank, om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, de schadevergoedingsmaatregel opleggen, omdat vaststaat dat verdachte aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummers 05/096905-15 en 18/820335-16

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering d.d. 15 november 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Nederland d.d. 19 februari 2016 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf waarvan de proeftijd van 2 jaren is ingegaan op 5 maart 2016. Daarnaast heeft zij bij schriftelijke vordering van 17 november 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de resterende bij onherroepelijk geworden vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 2 januari 2017 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf waarvan de proeftijd van 3 jaren is gaan lopen op 17 januari 2017.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat beide vorderingen door de rechtbank worden afgewezen.

Aangezien de rechtbank zal overgaan tot oplegging van de ISD-maatregel en enige meerwaarde voor toewijzing thans ontbreekt, zal de rechtbank beide vorderingen afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n, 47, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde maatregel geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.657,29 (zegge: duizendzeshonderdzevenenvijftig euro en negenentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 augustus 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 1.657,29 (zegge: duizendzeshonderdzevenenvijftig euro en negenentwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 26 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit deel van het toegewezen bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte – al dan niet samen met zijn mededader – aan de benadeelde partij een bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen. Dit bedrag bestaat uit € 1.657,26 aan materiële schade.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

05/096905-15:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in het arrondissement Oost-Nederland, locatie Arnhem d.d. 19 februari 2016.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/820335-16:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter in het arrondissement Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 2 januari 2017.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Tapper-Wessels, voorzitter, mr. O.J. Bosker en

mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. K.A. de Groot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 december 2017.