Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4686

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-12-2017
Datum publicatie
07-12-2017
Zaaknummer
18/830288-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van poging zware mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830288-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 december 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 november 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. U. van Ophoven, advocaat te Leek.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 10 april 2016 in Groningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te

beroven, met dat opzet die [slachtoffer], zulks terwijl deze (weerloos) op de

grond lag, met kracht en met geschoeide voet (zeer) hard in/op het

gezicht/hoofd heeft geschopt/gestampt, terwijl de uitvoering van dat

voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 10 april 2016 in Groningen aan een persoon genaamd [slachtoffer]

, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een schedelfractuur en/of een

neusfractuur en/of een hersenschudding en/of een gezwollen oog, in ieder

geval zwaar (breuk)letsel in het gezicht) heeft toegebracht, door opzettelijk

die [slachtoffer], zulks terwijl deze (weerloos) op de grond lag, met kracht en

met geschoeide voet (zeer) hard in/op het gezicht/hoofd te schoppen/stampen;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 10 april 2016 in Groningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

, zulks terwijl deze (weerloos) op de grond lag, met kracht en met

geschoeide voet (zeer) hard in/op het gezicht/hoofd heeft geschopt/gestampt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair en het subsidiair ten laste gelegde.

De officier van justitie heeft veroordeling voor het meer subsidiair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder primair en subsidiair ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder meer subsidiair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 november 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 april 2016 opgenomen op pagina 26 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016101480 d.d. 19 april 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 10 april 2016 in Groningen ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

, zulks terwijl deze (weerloos) op de grond lag, met kracht en met

geschoeide voet hard in het gezicht heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Poging zware mishandeling

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder meer subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren te vervangen door 90 dagen voorlopige hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een geheel voorwaardelijke straf. De gebeurtenissen hebben een behoorlijke impact gehad op het leven van verdachte. Door deze veroordeling zal hij voorlopig geen Verklaring Omtrent het Gedrag kunnen krijgen. Dit gegeven heeft invloed op de carrière van verdachte. Zonder een Verklaring Omtrent het Gedrag zal hij geen opleiding bij de politie kunnen volgen, iets wat verdachte altijd heeft geambieerd. Ook ten aanzien van het vervolgen van zijn huidige opleiding kan dit tot problemen leiden. De raadsman heeft verzocht om in de uitspraak tot uitdrukking te brengen dat de rechtbank van oordeel is dat deze veroordeling niet aan het verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag in de weg hoeft te staan. De raadsman heeft hiertoe betoogd dat verdachte een first offender is en zich door de gebeurtenissen en emoties heeft laten meeslepen. Eén enkele misdraging zou niet leidend moeten zijn voor verdachtes verdere carrière.

Mocht de rechtbank tot het opleggen van een onvoorwaardelijke straf komen, dan heeft de raadsman verzocht een taakstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het reclasseringsrapport d.d. 13 juli 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft het slachtoffer, [slachtoffer], in het gezicht geschopt. Verdachte heeft naar zijn zeggen willen ingrijpen om verdere escalatie tussen twee ruziënde groepen te voorkomen. De rechtbank is hiervan in het geheel niet gebleken, nu het slachtoffer reeds weerloos op de grond lag toen verdachte hem met kracht in het gezicht schopte. Daarbij heeft verdachte de grenzen van het toelaatbare ver overschreden, als gevolg waarvan hij het slachtoffer ernstig nadeel heeft berokkend. Het feit werd gepleegd in het uitgaansleven op een tijdstip waarop nog veel mensen op straat zijn. Zijn gedrag heeft de omstanders, onder wie zijn eigen vrienden, ernstig geschokt. In beginsel rechtvaardigt een dergelijk feit het opleggen van een gevangenisstraf.

Verdachte is een first offender. Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte een normaal begaafde jongeman is. Er zijn geen aanwijzingen voor problemen op de verschillende leefgebieden. Verdachte functioneert in een anticrimineel milieu en beschikt over voldoende handeling- en copingsvaardigheden om zijn leven zelfstandig te kunnen inrichten. Ten aanzien van het delict en de mogelijke consequenties geeft hij blijk van inzicht, geweten en reëel denken. De reclassering is van mening dat verdachte voldoende lering heeft getrokken uit de tot dusver ontstane consequenties (onder andere voor zijn wensen op opleidings- en werkgebied). De reclassering acht de kans op recidive laag en ziet geen meerwaarde in het opleggen van op gedragsverandering gerichte reclasseringsinterventies. De reclassering adviseert een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, en indien de rechtbank een onvoorwaardelijke straf oplegt, dit te doen in de vorm van een taakstraf.

Ter terechtzitting heeft verdachte inzicht getoond in zijn handelen en oprecht spijt betuigd aan het slachtoffer.

De rechtbank ziet geen aanleiding om, zoals verzocht, te treden in de beoordeling omtrent een in de toekomst mogelijk aan te vragen Verklaring Omtrent het Gedrag.

Alles overwegende acht de rechtbank de straf zoals gevorderd door de officier van justitie passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.824,80 ter vergoeding van materiële schade en € 1.700,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gedeeltelijke toewijzing van de vordering van benadeelde partij verzocht. Voor wat betreft de kosten van mantelzorg en de schade die is opgelopen door verlies aan arbeidsvermogen acht de officier van justitie de vordering onvoldoende onderbouwd. De officier van justitie verzoekt de vordering toe te wijzen voor een bedrag van minimaal € 2800,77 en deze vordering voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren. Voor wat betreft het toewijzen van een bedrag voor geleden immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat de benadeelde partij een hoge mate van eigen schuld aan het gebeurde heeft. De bepaling van dit aandeel is te complex om binnen het strafrecht af te kunnen doen. Er kan bewezen worden dat benadeelde partij zich vrijwillig heeft begeven in en bijgedragen heeft aan een situatie waar geweld dreigde.

Mocht de rechtbank de vordering benadeelde partij ontvankelijk verklaren dan heeft de raadsman betoogd dat deze gedeeltelijk niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, daar bepaalde opgevoerde kosten onvoldoende onderbouwd zijn. Dit betreft de kosten voor de mantelzorg, nu niet is vast komen te staan waar deze zorg uit heeft bestaan. Voor wat betreft het verlies aan arbeidsvermogen ontbreekt eveneens nadere onderbouwing. Hierbij ontbreken voorts gegevens van het UWV. Voor wat betreft de contributie heeft de raadsman betoogd dat deze niet gevorderd kan worden. Er bestaat onvoldoende causaal verband tussen het feit en de geleden schade. Voor wat betreft de opgevoerde kosten voor rechtsbijstand verwijst de raadsman naar jurisprudentie: alleen die schade die rechtstreeks geleden is door het strafbare feit komt in aanmerking voor een vordering als bedoeld in artikel 51f Wetboek van Strafvordering. Kosten van rechtsbijstand zijn niet als rechtstreekse schade aan te merken. Voor wat betreft het toewijzen van het bedrag voor de geleden immateriële schade verzoekt de raadsman het gevorderde bedrag te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank overweegt ten aanzien van de eigen bijdrage en schuld van verdachte aan het ontstane geweld het volgende. Slachtoffer heeft weliswaar bijgedragen aan de aanleiding voor de vechtpartij en heeft hier ook aan deelgenomen, maar dit vormt geen enkele rechtvaardiging voor het geven van een schop in zijn gezicht terwijl hij al weerloos op de grond lag. Van enige mate van eigen schuld ten aanzien van de schop is de rechtbank dan ook niet gebleken. De vordering, waarvan de hoogte door verdachte is betwist, zal gedeeltelijk worden toegewezen.

Voor wat betreft de gevorderde kosten voor mantelzorg en verlies van arbeidsvermogen oordeelt de rechtbank dat deze kosten onvoldoende onderbouwd zijn. De gevorderde contributiekosten kunnen niet aangemerkt worden als rechtstreeks geleden schade. Voor wat betreft de gevorderde kosten voor mantelzorg, de contributiekosten en verlies van arbeidsvermogen verklaart de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering.

De rechtbank ziet aanleiding om de gevorderde vergoeding voor geleden immateriële schade naar redelijkheid en billijkheid te begroten op € 1.200,00

De vordering zal derhalve gedeeltelijk worden toegewezen, te weten voor een bedrag van

€ 920,43 materiële schadevergoeding en een bedrag van € 1.200,00 voor wat betreft de immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 april 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Voor wat betreft de gevorderde kosten voor rechtsbijstand overweegt de rechtbank het volgende. Voor toewijzing van een vordering tot schadevergoeding als bedoeld in art. 51f, eerste lid, Wetboek van Strafvordering komt alleen die schade in aanmerking die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. De kosten van rechtsbijstand zijn niet als zodanige rechtstreekse schade aan te merken.1

Kosten van rechtsbijstand vallen derhalve niet onder het begrip ‘rechtstreekse schade’ als bedoeld in art. 51f (https://www.navigator.nl/document/openCitation/%20id4a1e0501a5abab619302e49fe6c83dd0) Wetboek van Strafvordering maar kunnen wel gerekend worden tot de proceskosten in de zin van artikel 592a Wetboek van Strafvordering.

Ten aanzien van de gevorderde kosten voor rechtsbijstand sluit de rechtbank aan bij het in civiele procedures gehanteerde liquidatietarief. De rechtbank acht het liquidatietarief kantonzaken in deze zaak van toepassing. De rechtbank waardeert de inspanningen van de advocaat met twee punten en wijst de vordering toe tot een bedrag van € 768,00.2

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f, 45, 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Ten aanzien van 18/830288-16:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.120,43 (zegge: tweeduizend honderdtwintig euro en 43 eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 2.120,43 (zegge: tweeduizend honderdtwintig euro en 43 eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 april 2016,

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 31 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 920,43 aan materiële schade en € 1.200,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor wat betreft de kosten voor rechtsbijstand toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 768,00

(zegge: zevenhonderdenachtenzestig euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. P.H.M. Tapper-Wessels en

mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. M.A. Reese-Knigge, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 december 2017.

1 ECLI: NL: HR:2017: 890, Hoge Raad, 16-05-2017, 15/02973.

2 ECLI: NL: HR:2017: 653, Hoge Raad, 11 april 2017, 15/02955