Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4663

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
18/920229-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren is aan verdachte opgelegd ter zake van vernieling.

Verdachte maakt zich keer op keer schuldig aan vernieling dan wel beschadiging van ruiten. Verdachte aanvaart op geen enkel manier hulp en verblijft, vanwege de door hem gepleegde delicten, vrijwel continu in detentie.

Eerdere veroordelingen, waaronder oplegging van de ISD-maatregel, hebben verdachte er niet van weerhouden om thans opnieuw een strafbaar feit te plegen.

Verdachte krijgt binnen de ISD-maatregel de kans te komen tot een duurzame oplossing van zijn problematiek. Indien verdachte wederom weigert mee te werken aan de behandeling van zijn problematiek komt de tweede doelstelling van de ISD-maatregel in beeld, het beschermen van de maatschappij gedurende een langere periode

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/920229-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 5 december 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],

wonende [woonplaats],

thans gedetineerd te HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 november 2017.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E. Heus.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 augustus 2017 te Assen opzettelijk en wederrechtelijk enig gebouw (te weten een politiebureau), althans een raam en/of een kozijn, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Politie Noord-Nederland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken, waaronder de bekennende verklaring van verdachte, gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde kan worden bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 17 augustus 2017, opgenomen op pagina 16 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2017219424 d.d. 18 augustus 2017, inhoudende de verklaring [getuige],

namens politie Noord-Nederland.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 18 augustus 2017, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van verdachte.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 17 augustus 2017 te Assen opzettelijk en wederrechtelijk, een raam en een kozijn toebehorende aan Politie Noord-Nederland heeft beschadigd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

- opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat aan een ander toebehoort beschadigen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft conform het advies van de reclassering d.d. 16 november 2017 gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot de maatregel plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. Gelet op de justitiële documentatie van verdachte is aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de ISD-maatregel voldaan. Tevens eist de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel. De officier van justitie vordert voorts een tussentijdse toetsing van de maatregel die binnen een half jaar na het ingaan van de ISD-maatregel dient plaats te vinden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet verzet tegen de eis van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf/maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is een 41-jarige man die zich reeds vier jaar lang, keer op keer schuldig maakt aan vernieling dan wel beschadiging van ruiten. Verdachte geeft aan niet met zijn acties te stoppen totdat de overheid hem voorziet van deugdelijke huisvesting en een aanzienlijke som geld. Verdachte aanvaart op geen enkel manier hulp en verblijft, vanwege de door hem gepleegde delicten, vrijwel continu in detentie.

Bij vonnis van 24 mei 2017 van deze rechtbank is een vordering tot oplegging van de ISD-maatregel afgewezen en is aan verdachte door de rechtbank de kans geboden te laten zien dat hij zich kan redden in de maatschappij. Verdachte zou, om een en ander te kunnen bewerkstelligen, hulp en bijstand (kunnen) verkrijgen van zijn advocaat. Verdachte heeft echter deze kans niet gegrepen. Integendeel, verdachte is 1 dag na zijn vrijlating, na afloop van de bij voormeld vonnis opgelegde 5 maanden detentie, naar het politiebureau te Assen gegaan en heeft aldaar wederom een steen tegen het raam gegooid.

Eerdere veroordelingen, waaronder oplegging van de ISD-maatregel, hebben verdachte er niet van weerhouden om thans opnieuw een strafbaar feit te plegen.

De rechtbank ziet geen reden verdachte nogmaals de kans te bieden om binnen een ander drangkader dan de ISD-maatregel aan zijn problematiek te werken. De rechtbank heeft daarbij mede acht geslagen op de inhoud en het advies van de reclassering zoals opgenomen in haar rapport van 16 november 2017 en dat van 3 mei 2017, welk advies ter zitting door een medewerker van de reclassering is bevestigd.

Verdachte krijgt binnen de ISD-maatregel de kans te komen tot een duurzame oplossing van zijn problematiek. Indien verdachte wederom weigert mee te werken aan de behandeling van zijn problematiek komt de tweede doelstelling van de ISD-maatregel in beeld, het beschermen van de maatschappij gedurende een langere periode

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van belang dat voldoende tijd wordt genomen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen.

De rechtbank zal, overeenkomstig de vordering van de officier van justitie, aan verdachte de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren opleggen. Het bewezen en strafbaar verklaarde betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er moet voorts ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan en de veiligheid van goederen eist het opleggen van de maatregel. De rechtbank overweegt dat derhalve is voldaan aan de formele voorwaarden die artikel 38m lid 1 Wetboek van Strafrecht stelt aan het opleggen van de ISD-maatregel.

Gelet op het ontbreken op dit moment van een concreet plan van aanpak, is het nodig dat er relatief vroeg een tussentijdse toetsing plaatsvindt, opdat de rechtbank alsdan geïnformeerd wordt over het voor verdachte vastgestelde traject met daarin verwerkt (één of meer van) de behandelmogelijkheden. De rechtbank is van oordeel dat deze tussentijdse toets binnen een half jaar na het ingaan van de ISD-maatregel dient plaats te vinden en draagt de officier van justitie op daarvoor te zorgen.

Benadeelde partij

Politie Noord-Nederland (afdeling juridische zaken), heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1561,97 ter vergoeding van materiële schade vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat er sprake is van eigen schuld. De vordering dient daarom te worden afgewezen. Verdachte was het politiebureau binnen gelopen met een hulpvraag en is vervolgens door de dienstdoende agenten weggestuurd. Vervolgens heeft verdachte uit frustratie een steen tegen het raam gegooid.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 augustus 2017.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. Het aantal dagen vervangende hechtenis wordt door de rechtbank op 1 (zegge: één) dag bepaald.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 38m, 38s en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Bepaalt dat zes maanden na aanvang van de ISD-maatregel een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient plaats te vinden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, Politie Noord-Nederland, toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1561,97 (zegge: duizend vijfhonderd en eenenzestig euro en zevenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partij

Politie Noord-Nederland, te betalen een bedrag van € 1561,97 (zegge: duizend vijfhonderd en eenenzestig euro en zevenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 augustus 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij Politie Noord-Nederland, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A. van Capelle, voorzitter, mr. B.I. Klaassens en

mr. R. Depping, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 december 2017.