Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4634

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-11-2017
Datum publicatie
15-12-2017
Zaaknummer
C/17/157445 / KG ZA 17-264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

opheffing beslag

summierlijk blijken van vordering

niet anticiperen op uitkomst hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/157445 / KG ZA 17-264

Vonnis in kort geding van 22 november 2017

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. R. Verdonk, kantoorhoudende te Heerenveen,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.A.M. Kroon-Jongbloed, kantoorhoudende te Groningen.

Partijen zullen hierna [de vrouw] en [de man] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de akte eiswijziging;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de mondelinge behandeling die gelijktijdig heeft plaatsgevonden met de mondelinge behandeling van het kort geding, aangespannen door [de vrouw] tegen [de man] , bij deze rechtbank bekend onder zaaknummer / rolnummer: C/17/157734 / KG ZA 17-279;

  • -

    de pleitnota van de zijde van [de man] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 9 september 1982 met elkaar gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. Blijkens de akte van huwelijkse voorwaarden van 6 september 1982 zijn partijen gehuwd met uitsluiting van iedere huwelijksgoederengemeenschap. In deze akte van huwelijkse voorwaarden zijn - voor zover van belang - de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 2.

De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, zowel de gewone als de buitengewone, alzo met inbegrip van alle kosten van geneeskundige behandeling en verpleging van de echtgenoten, alsmede alle kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren en eventueel door de echtgenoten geadopteerde kinderen, zullen door de echtgenoten ieder voor de helft worden gedragen, behoudens dat, indien de ten laste van een hunner komende helft van die kosten in enig jaar het totaal van zijn in dat jaar genoten inkomsten mocht overschrijden, het meerdere zal worden voldaan door de andere echtgenoot uit de voor deze in dat jaar genoten inkomsten, zonder dat dienaangaande enige verrekening zal plaats hebben, ook niet met een eventueel overschot van inkomsten in vroegere of latere jaren.

Indien, na toepassing van het in het vorige lid bepaalde, mocht blijken dat de bedoelde kosten in enig jaar het totale bedrag van de door beide echtgenoten in dat jaar genoten inkomsten overschrijden, zal het meerdere door de echtgenoten worden voldaan en gedragen uit- en naar evenredigheid van beider zuiver vermogen.

Verrekeningen tussen de beide echtgenoten, die terzake van het vorenstaande nodig mochten zijn, zullen geschieden na afloop van elk kalenderjaar in het eerste kwartaal van het daarop aansluitende volgende jaar.

Onder de bovenbedoelde inkomsten van de echtgenoten zal worden verstaan datgene, wat voor Rijksinkomstenbelasting als inkomen wordt aangemerkt.

Onder de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zijn mede begrepen:

a. de Rijks- en andere belastingen, die uit inkomsten plegen te worden betaald en niet het karakter hebben van vermogensheffing.

(…)

b. de premies van schadeverzekeringen en werknemerspensioenen alsmede die van de door een der echtgenoten of door beiden afgesloten normale spaar- en studieverzekeringen voor de kinderen.

(…)

Artikel 3.

De echtgenoten zijn verplicht aan het eind van ieder kalenderjaar, telkens wanneer een hunner dit verlangt, of na de ontbinding van het huwelijk, het na toepassing van het vorige artikel ontstane overschot, aan inkomsten bijeen te voegen en bij helfte te verdelen.

(…)

Reserveringen van winst in een onderneming van een echtgenoot, voorzover in overeenstemming met daarvoor in het maatschappelijk verkeer algemeen aanvaarde normen geschied, kan niet in de jaarlijkse verdeling en verrekening worden betrokken.

2.2.

Partijen hebben tijdens hun huwelijk geen uitvoering gegeven aan dit in de huwelijkse voorwaarden opgenomen periodiek verrekenbeding.

2.3.

Bij beschikking van de voormalige rechtbank Leeuwarden van 21 december 2011 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

2.4.

[de vrouw] is eigenaar van een woonark genaamd ‘ [naam] ’, gelegen in [adres] en tevens eigenaar van de daarbij behorende percelen. Op 9 respectievelijk 10 februari 2012 heeft [de man] met verlof van de voorzieningenrechter van de voormalige rechtbank Leeuwarden ter verzekering van zijn rechten uit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ten laste van [de vrouw] conservatoir beslag gelegd op deze woonark respectievelijk conservatoir (derden)beslag gelegd op alle ten name van [de vrouw] staande rekeningen en een aandelenportefeuille bij de ABN AMRO-bank, nrs. [X] , [Y] en [Z] .

2.5.

Op 13 februari 2012 heeft [de man] met verlof van de voorzieningenrechter van de voormalige rechtbank Leeuwarden ter verzekering van zijn rechten uit de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ten laste van [de vrouw] conservatoir gelegd op de percelen behorende bij voormelde woonark van [de vrouw] .

2.6.

Bij vonnis van 6 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter van de voormalige rechtbank Leeuwarden op vordering van [de vrouw] voormelde door [de man] gelegde conservatoire beslagen op de bankrekeningen van [de vrouw] met nrs. [X] , [Y] en [Z] opgeheven.

2.7.

Bij eindbeschikking van 1 april 2015 heeft deze rechtbank in de procedure tussen partijen omtrent de door [de man] aan [de vrouw] te betalen partneralimentatie en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden - voor zover van belang - [de man] veroordeeld wegens overbedeling een bedrag van € 48.465,49 aan [de vrouw] te betalen en tevens bepaald dat [de man] gehouden is zorg te dragen voor afstorting van € 160.000,- bij een externe pensioenverzekeraar, ter zake het aan [de vrouw] toekomende deel van de pensioenaanspraken, zoals die door [de man] in eigen beheer zijn opgebouwd.

2.8.

[de man] heeft principaal hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking en [de vrouw] incidenteel hoger beroep.

2.9.

Bij arrest van 29 november 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op vordering van [de vrouw] een dwangsom verbonden aan de in voormelde beschikking van 1 april 2015 uitgesproken veroordeling van [de man] tot afstorting van € 160.000,- bij een externe pensioenverzekeraar.

2.10.

Op 9 maart 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een tussenbeschikking gewezen in de hoger beroepsprocedure tegen voormelde beschikking van 1 april 2015. In deze tussenbeschikking heeft het hof - voor zover van belang - het volgende overwogen:

DE PARTNERALIMENTATIE

(…)

7.31

Het hof zal - in afwachting van het onder rechtsoverweging 7.32 overwogene - bij een nader te geven beschikking de door de man [ [de man] ; toevoeging voorzieningenrechter] aan de vrouw [ [de vrouw] ; toevoeging voorzieningenrechter] te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud over de periode van 23 maart 2012 tot 1 januari 2013 op een bedrag van € 3.614,- per maand, over de periode van 1 januari 2013 tot 1 januari 2014 op een bedrag van € 3.653,- per maand, over de periode van 1 januari 2014 tot 1 januari 2015 op een bedrag van € 3.864,- per maand, over de periode van 1 januari 2015 tot 20 april 2015 op een bedrag van € 3.843,- per maand, over de periode van 20 april 2015 tot 1 januari 2016 op een bedrag van € 4.510,- per maand en over de periode vanaf 1 januari 2016 op een bedrag van € 4.502,- per maand bepalen.

(…)

AFWIKKELING VAN DE HUWELIJKSE VOORWAARDEN EN DE VERDELING VAN DE EENVOUDIGE GEMEENSCHAPPEN TUSSEN PARTIJEN

(…)

de rekening-courant schuld bij IBM

7.43 (…)

Derhalve is het hof - evenals de rechtbank - van oordeel dat de rekening-courantschuld voor rekening van de man dient te blijven.

7.44

De grieven 3, 4, 5 en 6 van de man falen.

de verkoopopbrengst van de woning aan de [adres] te [woonplaats]

(…)

7.50

Het hof volgt de man (…) niet. Immers, het staat naar het oordeel van het hof vast dat de man met het bedrag van € 202.000,-, dat tot het te verrekenen vermogen van partijen behoorde, een privéschuld heeft afgelost. Dit maakt dat de vrouw nog een vordering op hem had (en nog steeds heeft) ter hoogte van € 101.000,-.

7.51

Het vorenstaande brengt met zich dat de grieven 1 en 2 van de man falen.

de afstorting van het aan de vrouw toekomende deel van het in eigen beheer opgebouwde pensioen

(…)

7.53

De grieven 7 en 8 van de man en grief 1 in incidenteel hoger beroep van de vrouw zien op de afstorting van het aan de vrouw toekomende deel van het in eigen beheer opgebouwde pensioen. Het hof ziet aanleiding om deze grieven gezamenlijk te bespreken.

(…)

7.56

Daar beide partijen uitgaan van een hogere pensioenaanspraak van de vrouw dan het in eerste aanleg tot uitgangspunt genomen bedrag van € 160.000,-, maar zij verdeeld zijn over de exacte hoogte van deze pensioenaanspraak, is het hof voornemens om ter zake van de bepaling van de hoogte van de pensioenaanspraak van de vrouw een deskundige te benoemen. Echter, nu dit opnieuw (hoge) kosten met zich zal brengen (en de onderhavige procedure reeds tot hoge kosten bij partijen heeft geleid), ziet het hof aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen om in gezamenlijk overleg tot overeenstemming te komen over de hoogte van de pensioenaanspraak van de vrouw. Daarbij zij opgemerkt dat de pensioenaanspraak van de vrouw ten minste € 226.366,50 (het door de man genoemde bedrag) en ten hoogste € 300.757,- (het door de vrouw genoemde bedrag) zal bedragen.

7.57

Vervolgens zal beoordeeld dienen te worden of, en in hoeverre, de man in staat is om zorg te dragen voor afstorting van de pensioenaanspraak van de vrouw bij een externe pensioenverzekeraar.

7.58

In dit kader stelt het hof onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad van 9 februari 2007 (ECLI:NL:HR:AZ2658) het volgende voorop.

In zijn algemeenheid brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich dat de tot verevening verplichte echtgenoot die als directeur enig aandeelhouder de rechtspersoon beheerst waarin de te verevenen pensioenaanspraak is ondergebracht, dient zorg te dragen voor afstorting bij een externe pensioenverzekeraar van het kapitaal dat nodig is voor het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak. Van de vereveningsgerechtigde echtgenoot kan immers in beginsel niet worden gevergd dat deze bij voortduring afhankelijk blijft van het beleid dat de andere echtgenoot ten aanzien van de betrokken rechtspersoon (en de onderneming waaraan deze verbonden is) voert en het risico moet blijven dragen dat het in eigen beheer opgebouwde pensioen te zijner tijd niet kan worden betaald.

Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval aanspraak kan worden gemaakt op afstorting van het aan de andere echtgenoot toekomende deel van de pensioenaanspraak, dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

Daarbij zal de omstandigheid dat onvoldoende liquide middelen aanwezig zijn om de afstorting te effectueren slechts dan tot ontkennende beantwoording van die vraag kunnen leiden indien de vereveningsplichtige echtgenoot stelt en bij betwisting aannemelijk maakt dat de benodigde liquide middelen ook niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de onderneming waaraan deze verbonden is in gevaar te brengen.

(…)

7.61

Het hof ziet in hetgeen partijen hebben aangevoerd aanleiding om een deskundige te benoemen ter beantwoording van de vraag of, en in hoeverre, de man in staat is - met inachtneming van de normen die de Hoge Raad in de in overweging 7.58 hierboven genoemde uitspraak heeft omschreven - om zorg te dragen voor afstorting van de pensioenaanspraak van de vrouw bij een externe pensioenverzekeraar, waarbij - anders dan de man heeft betoogd - niet alleen rekening dient te worden gehouden met de mogelijkheden binnen IBM , maar onder meer ook de reserves van de man in privé en de resultaten uit SIB dienen te worden betrokken. Zoals hiervoor onder rechtsoverweging 3.6 overwogen houdt de man niet alleen 100% van de aandelen in [A] B.V. ( IBM ), maar daarnaast ook 75,12% van de aandelen in [B] B.V. Daarbij betrekt het hof tevens in zijn overweging dat IBM in 2014 in staat is geweest een bruto dividend van € 250.000,- aan de man uit te keren zonder dat dit kennelijk voor financiële problemen bij IBM heeft gezorgd en waardoor de liquiditeit van IBM is verkleind.

(…)

7.63

Aangezien de benoeming van een deskundige wederom (hoge) kosten met zich zal brengen en het hof partijen in rechtsoverweging 7.56 in de gelegenheid stelt om in gezamenlijk overleg te komen te overeenstemming omtrent de hoogte van de pensioenaanspraak van de vrouw, wenst het hof partijen in overweging te geven om ook op dit punt met elkaar in overleg te treden.

de opname door de vrouw

7.64

Het hof is van oordeel dat de negende grief van de man strandt, nu de door de man genoemde opname van € 2.400,- op 15 februari 2012 na de peildatum (te weten: 29 juli 2011) heeft plaatsgevonden en derhalve geen onderdeel uitmaakt van het onderhavige geschil.

de roerende goederen die zich bevinden bij de woonark

(…)

7.67 (…)

Nu de man op dit punt niet aan zijn stelplicht heeft voldaan, zal zijn primaire verzoek om de vrouw te veroordelen een bedrag van € 10.000,- aan de man te vergoeden, alsmede zijn subsidiaire verzoek om 50% van de roerende goederen bij de woonark te ontvangen, dienen te worden afgewezen. Grief 10 faalt derhalve.

de inboedel van de voormalige echtelijke woning

7.68

In grief 11 stelt de man dat de vrouw de woning aan de [adres] te [woonplaats] vrijwel volledig heeft leeggehaald. Door haar is de inboedel ter waarde van circa € 40.000,- meegenomen. De man verzoekt het hof om de vrouw te veroordelen om aan de man de helft van deze waarde, derhalve € 20.000,-, te vergoeden.

7.69 (…)

Dit brengt met zich dat grief 11 eveneens faalt.

7.70

Het hof zal, gelet op hetgeen omtrent de afstortingsverplichting van de man is overwogen, iedere verdere beslissing ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de verdeling van de eenvoudige gemeenschappen van partijen, alsmede de beslissing ten aanzien van dwangsom en de proceskosten, aanhouden.

2.11.

Bij beschikking van 30 maart 2017 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opnieuw een tussenbeschikking gewezen in de hoger beroepsprocedure tegen voormelde beschikking van 1 april 2015. In deze beschikking heeft hij het in de beschikking van 9 maart 2017 aangekondigde deskundigenonderzoek gelast.

3 Het geschil

3.1.

[de vrouw] vordert na - wijziging van eis - dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

a. opheft de door [de man] gelegde beslagen op de woonark en op de percelen met

kadastrale aanduiding [C] ;

b. [de man] veroordeelt om binnen drie werkdagen na betekening van het in deze te

wijzen vonnis de inschrijving van de beslagen op de percelen met kadastrale

aanduiding [C] in de daartoe bestemde registers

laat doorhalen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [de man]

in gebreke blijft hieraan te voldoen;

c. [de man] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2.

[de man] voert verweer met conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van [de vrouw] in haar vordering c.q. afwijzing van de vordering met veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vordering tot opheffing van de beslagen is gebaseerd op artikel 705 Rv, welk artikel de voorzieningenrechter die het verlof tot het beslag heeft gegeven, de bevoegdheid geeft dit beslag, desgevorderd, in kort geding op te heffen. Dit artikel vereist geen spoedeisend belang aan de zijde van de partij die opheffing van het beslag vordert.

4.2.

De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, indien op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd, summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid is gesteld.

4.3.

Volgens artikel 705 lid 2 Rv dient het beslag te worden opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht blijkt. Dit brengt mee dat het in de eerste plaats op de weg ligt van degene die de opheffing vordert om met inachtneming van de beperkingen van de voorzieningenprocedure aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (zie HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105). Voorts heeft te gelden dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan dat beslag is gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, in het geval tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, niet zonder meer moet worden toegewezen, ook niet onder het voorbehoud van kennelijke misslagen in de uitspraak van de bodemrechter. Ook in een zodanig geval dienen de wederzijdse belangen van partijen te worden afgewogen. De omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient daarbij wél te worden meegewogen. Van de voorzieningenrechter kan niet worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis in eerste aanleg ingestelde hoger beroep (zie HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1559).

4.4.

[de man] heeft in zijn beslagrekesten aan zijn verzoek tot verlof voor beslaglegging ten grondslag gelegd dat hij verwachtte dat de rechtbank in de procedure tussen partijen omtrent de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden de omvang van het verrekenplichtig vermogen zou vaststellen op € 308.135,-, inclusief de waarde van de woonark met erf, tuin en terrein van [de vrouw] met een onderhandse verkoopwaarde van € 252.000,- en de bankrekeningen bij de ABN AMRO ten name van [de vrouw] . Uit dien hoofde heeft hij volgens hem een vordering op [de vrouw] van € 150.000,-.

In het kader van onderhavig kort geding heeft [de man] aangevoerd dat het beslag daarnaast strekt tot zekerheid van de vordering die hij op [de vrouw] stelt te hebben op grond van onverschuldigde betaling. Uit hoofde van het vonnis van de rechtbank van 1 april 2015 heeft [de man] een bedrag van € 160.000,- bij een externe pensioenverzekeraar afgestort, ter zake het volgens de rechtbank aan [de vrouw] toekomende deel van de pensioenaanspraken, zoals die door [de man] in eigen beheer zijn opgebouwd. Volgens [de man] is het door de rechtbank vastgestelde bedrag onjuist en zal in hoger beroep het door hem af te storten bedrag op een lager bedrag worden vastgesteld, zodat (een deel van) het bedrag van € 160.000,- onverschuldigd door hem is voldaan.

4.5.

Ten aanzien van de grondslag van het beslag, zoals die in de beslagrekesten is aangevoerd, overweegt de voorzieningenrechter dat uit het vonnis van de rechtbank van 1 april 2015 volgt dat [de man] uit hoofde van de verrekenplicht van partijen op grond van de huwelijkse voorwaarden geen vordering op [de vrouw] heeft, maar dat juist [de vrouw] uit dien hoofde een vordering op [de man] heeft. Voorts blijkt uit de tussenbeschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 maart 2017 dat het hof bindende eindbeslissingen heeft genomen ten aanzien van de grieven van [de man] die zich richten tegen dit oordeel van de rechtbank, welke eindbeslissingen inhouden dat deze grieven falen. Gelet hierop is voldoende aannemelijk gemaakt dat de door [de man] aan het beslag ten grondslag gelegde vordering op [de vrouw] uit hoofde van de verrekenplicht van partijen op grond van de huwelijkse voorwaarden niet bestaat. Nu, zoals hierna zal worden overwogen, ook een belangenafweging niet in het voordeel van [de man] uitvalt is in zoverre summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [de man] ingeroepen recht.

4.6.

Ten aanzien van de grondslag van het beslag, zoals die in onderhavige kort geding procedure is aangevoerd (zie r.o. 4.4, tweede alinea), stelt de voorzieningenrechter voorop dat deze rechtbank in de bodemprocedure [de man] bij beschikking van 1 april 2015 heeft veroordeeld om een bedrag van € 160.000,- bij een externe pensioenverzekeraar af te storten, ter zake het volgens de rechtbank aan [de vrouw] toekomende deel van de pensioenaanspraken, zoals die door [de man] in eigen beheer zijn opgebouwd. [de man] heeft weliswaar in hoger beroep dit oordeel bestreden, maar uit de tussenbeschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 maart 2017 blijkt dat het hof op dit punt nog geen bindende eindbeslissing heeft genomen. Nu van de voorzieningenrechter niet kan worden gevergd dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het hoger beroep, kent de voorzieningenrechter bij de beoordeling van de vraag of summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [de man] ingeroepen recht zwaar gewicht toe aan het oordeel van de rechtbank in het vonnis van 1 april 2015. Dit oordeel biedt steun aan het standpunt van [de vrouw] dat van de door [de man] gestelde vordering uit hoofde van onverschuldigde betaling geen sprake is.

4.7.

In het kader van de beantwoording van voormelde vraag dient voorts een belangenafweging plaats te vinden. Aan [de man] kan worden toegegeven dat het door [de vrouw] gestelde belang bij opheffing van de beslagen, te weten dat de conservatoire beslagen een negatief effect op de verkoop van de woonark zouden kunnen hebben, niet zwaar weegt, te minder nu [de man] heeft aangegeven bereid te zijn medewerking te verlenen aan opheffing van de beslagen ingeval van verkoop van de woonark, mits [de vrouw] vervolgens haar medewerking verleent aan conservatoir beslag op de verkoopopbrengst. Hier staat echter tegenover dat het belang van [de man] bij handhaving van de beslagen evenmin zwaar weegt. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.8.

[de vrouw] heeft onbestreden gesteld dat zij recht heeft op partneralimentatie van € 4.959,00 bruto per maand, dat zij beschikt over een woning in [woonplaats] met een aankoopwaarde van € 168.500,- waarop slechts een hypotheek van € 85.000,- rust, dat zij beschikt over een woonark met daarbij behorende percelen met een totale waarde van € 252.000,- en dat zij recht heeft op een aandeel in de erfenis van haar overleden vader. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk dat [de vrouw] onvoldoende verhaal biedt voor de door [de man] aan het beslag ten grondslag gelegde vorderingen.

4.9.

Voor zover [de man] aanvoert dat hij gegronde vrees heeft dat [de vrouw] haar vermogen zodanig zal verminderen dat zij geen verhaal meer zal bieden voor deze vorderingen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat hij de gegrondheid van die vrees onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Ook indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van zijn standpunt dat bepaalde vermogensbestanddelen van [de vrouw] niet of onjuist zouden zijn verantwoord in haar IB-aangiftes en dat het totaalsaldo van de bankrekeningen van [de vrouw] blijkens haar IB aangiftes over 2011-2014 sterk is gedaald, zonder dat hiervoor een plausibele verklaring is geboden, rechtvaardigt dit niet de conclusie dat [de vrouw] geen verhaal zal bieden. Daar staat namelijk tegenover dat zij ook een groot vermogensbestanddeel, de woning in [woonplaats] , heeft verkregen, zodat niet gezegd kan worden dat zij doende is haar vermogen zodanig te verminderen dat [de man] daarop geen verhaal kan nemen. Bovendien heeft [de vrouw] recht op partneralimentatie van € 4.959,00 bruto per maand en is niet aannemelijk geworden dat en waarom [de man] ter zake van zijn gestelde vorderingen geen verhaal zou kunnen nemen op deze door haar van hem te ontvangen partneralimentatie.

4.10.

Al met al is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [de man] bij beslag tot zekerheid van verhaal van de aan de beslagen ten grondslag gelegde vorderingen is, mede gelet op hetgeen hiervoor in r.o. 4.5 en 4.6. omtrent de aannemelijkheid van deze vorderingen is overwogen, zo gering dat de belangenafweging niet ten voordele van hem uitvalt.

4.11.

De slotsom is derhalve dat de beslagen dienen te worden opgeheven, nu summierlijk is gebleken van de ondeugdelijkheid van het door [de man] ingeroepen recht. De vorderingen zullen daarom worden toegewezen, met dien verstande dat aan de gevorderde dwangsommen een maximum van € 10.000,- zal worden verbonden. Ook zal de voorzieningenrechter ter voorkoming van executieproblemen in het dictum tot uitdrukking brengen dat de beslagen die worden opgeheven de beslagen zijn die in 2012 zijn gelegd.

4.12.

De voorzieningenrechter ziet in het door [de vrouw] met betrekking tot de proceskosten gestelde vooralsnog geen aanleiding af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt. Derhalve zullen, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de door [de man] gelegde beslagen op de woonark ‘ [naam] ’ en op de percelen met kadastrale aanduiding [C] ;

5.2.

veroordeelt [de man] om binnen drie werkdagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de inschrijving van de beslagen op de percelen met kadastrale aanduiding [C] in de daartoe bestemde registers te laten doorhalen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag dat [de man] in gebreke blijft hieraan te voldoen, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.R. Tjallema en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2017.

fn: 445