Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:463

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
01-03-2017
Zaaknummer
18/830157-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Met betrekking tot het ontvankelijkheidsverweer:

De rechtbank stelt voorop dat in art. 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. In uitzonderlijke situaties is de niet-ontvankelijkheid als rechtsgevolg op overheidsoptreden ook mogelijk wanneer het gaat om handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk stelsel in de kern wordt geraakt.

Op basis van de voorliggende stukken is de rechtbank niet gebleken dat in onderhavige zaak sprake is van willekeur of misbruik van procesrecht. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Met betrekking tot het bewijs:

De rechtbank overweegt dat uit artikel 27 Sv volgt dat, voordat de vervolging is aangevangen, als 'verdachte' kan worden aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een 'redelijk vermoeden van schuld' aan een strafbaar feit voortvloeit. De rechtbank dient thans te beoordelen of in casu ten aanzien van verdachte sprake kon zijn geweest van een 'redelijk vermoeden van schuld' aan een strafbaar feit.

Uit de geschetste gang van zaken blijkt dat de politie het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte, zonder enige toetsing of nader onderzoek naar de betrouwbaarheid, heeft gebaseerd op een niet ondertekend conceptrapport van een door aangever ingeschakeld bedrijfsrecherchebureau. De officier van justitie heeft ter terechtzitting in dit verband desgevraagd nog verklaard dat er tijdens het door het bedrijfsrecherchebureau uitgevoerde onderzoek door politie en/of justitie geen onderzoekshandelingen zijn gepleegd. Hoewel de vraag of opsporingsfunctionarissen een 'redelijk vermoeden' mochten koesteren door de rechter slechts marginaal kan worden getoetst, kan naar het oordeel van de rechtbank hetgeen in de onderhavige zaak ten grondslag heeft gelegen aan de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 126n Sv, die toets niet doorstaan. Dit leidt ertoe dat al hetgeen naar aanleiding hiervan is verkregen van het bewijs dient te worden uitgesloten. Hetgeen resteert is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 350
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafrecht 322
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2017/83
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/830157-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.
31 januari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1959 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgehad op 17 januari 2017.

Verdachte is niet verschenen; wel is verschenen mr. P.Th. van Jaarsveld, advocaat te Groningen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Wildeman.

De tenlastelegging

Verdachte is bij dagvaarding tenlastegelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 17 november 2014 tot en met 13 januari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Oldambt, opzettelijk medische dossiers en/of röntgenfoto's, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan het [ziekenhuis] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) door of vanwege het [ziekenhuis] ter vernietiging/sortering waren aangeboden aan [bedrijf 1] , en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als voorman afdeling magazijn bij [bedrijf 1] , in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 322 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 17 november 2014 tot en met 13 januari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Oldambt, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen medische dossiers en/of röntgenfoto's, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het [ziekenhuis] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 17 november 2014 tot en met 13 januari 2015 te [pleegplaats] , gemeente Oldambt, opzettelijk en wederrechtelijk medische dossiers en/of röntgenfoto's, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan het [ziekenhuis] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft weggemaakt door genoemde medische dossiers en/of röntgenfoto's aan hun bestemming, te weten vernietiging, te onttrekken en/of genoemde medische dossiers en/of röntgenfoto's voor het [ziekenhuis] onbekende plaats achter te laten.

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Namens verdachte is betoogd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de door hem ingestelde vervolging. De raadsman heeft daartoe, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de keuze van het Openbaar Ministerie om [bedrijf 2] , althans dhr. [journalist] , niet te vervolgen, maar uitsluitend verdachte als de veronderstelde wegnemer van de dossiers, onbegrijpelijk is.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met de vervolging van verdachte enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn wanneer men welbewust tegen deze medeverdachten geen vervolging instelt en daar dus kennelijk geen door strafrechtelijke handhaving beschermd belang mee gediend ziet. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur.

Gelet hierop dient het Openbaar Ministerie in de zaak tegen verdachte [verdachte] niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de beslissing om [bedrijf 2] en [journalist] niet te vervolgen een keuze is die aan het Openbaar Ministerie is voorbehouden en dat dit geen grond is om het Openbaar Ministerie in de vervolging tegen verdachte niet-ontvankelijk te verklaren.

De rechtbank stelt voorop dat in art. 167, eerste lid, Wetboek van Strafvordering (Sv), aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak. In uitzonderlijke situaties is de niet-ontvankelijkheid als rechtsgevolg op overheidsoptreden ook mogelijk wanneer het gaat om handelen in strijd met de grondslagen van het strafproces, waardoor het wettelijk stelsel in de kern wordt geraakt.

Op basis van de voorliggende stukken is de rechtbank niet gebleken dat in onderhavige zaak sprake is van willekeur of misbruik van procesrecht. Het verweer van de verdediging wordt derhalve verworpen.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft daartoe verwezen naar de aangifte van [aangever] , namens [bedrijf 1] , naar de verklaring van de getuige [getuige 1] en naar de verklaring van de getuige [getuige 2] . Uit het proces-verbaal van bevindingen inhoudende de historische gegevens van zowel het mobiele nummer van verdachte [verdachte] als de vaste telefoonaansluiting van [verdachte] blijkt dat verdachte [verdachte] zowel telefonisch als middels sms-berichten 36 keer contact heeft gehad met [journalist] , verslaggever van [bedrijf 2] .

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 april 2015 blijkt voorts dat toen verbalisanten op 3 april 2015 de computer terug kwamen brengen bij verdachte [verdachte] , verdachte spontaan

vertelde dat hij was geschorst en dat er een procedure liep. [verdachte] vertelde dat hij "dit" had gedaan maar dat hij het niet uit winstbejag had gedaan. [verdachte] vertelde dat hij was "verneukt" door de journalist van [bedrijf 2] .

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het rapport van Hoffmann bedrijfsrecherche rechtmatig is verkregen en ter onderbouwing aan het dossier is toegevoegd.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, en heeft daartoe, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Het Openbaar Ministerie is vervolgingsdaden gaan verrichten op basis van een rapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche. Dit rapport staat bol van de aannames die het Openbaar Ministerie, naar mening van de verdediging, eerst had moeten onderzoeken alvorens er vervolgonderzoek zou plaatsvinden. Dit is niet gebeurd.

De verdenking van Hoffmann Bedrijfsrecherche is erop gebaseerd dat [bedrijf 2] , althans [journalist] , zou hebben geweten van een levering van 18 bakken met medische dossiers halverwege november aan [bedrijf 1] , een voorval op de werkvloer waarbij commotie ontstond over een röntgenfoto met hagelletsel, en het feit dat verdachte contacten had met [bedrijf 2] . Voornoemde omstandigheden zijn echter onvoldoende voor een redelijke verdenking tegen [verdachte] . Vanwege dit gebrek aan een redelijke verdenking tegen [verdachte] had op 4 maart 2015 geen vordering verstrekking gebruikersgegevens ex artikel 126na, lid 1 Sv mogen uitgaan en op 6 maart 2015 geen aanvraag vordering verstrekking verkeersgegevens vaste en mobiele telefonie ex artikel 126n Sv. De verkregen gegevens dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten. Alle daarop volgende onderzoeksresultaten dienen te worden aangemerkt als zogenaamde fruits of the poisonous tree. Alle onderzoeksresultaten die zijn gebaseerd op of verkregen naar aanleiding van deze onrechtmatig verkregen gegevens dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten. Zonder deze gegevens is er evident te weinig bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Reeds om deze reden wordt verzocht om vrijspraak.

Mocht de rechtbank niet reeds op basis van het voorgaande tot vrijspraak komen, dan is nog van belang dat verdachte geen toestemming heeft gegeven voor het onderzoeken van zijn mobiele telefoon. De verdachte komt ten aanzien van de inhoud van zijn smartphone een beroep op artikel 8 van het EVRM (en artikel 10 van de Grondwet) toe. De inbeslagname, het onderzoek aan de smartphone en het lichten van gegevens van die smartphone door de politie op grond van artikel 94 Sv vormen een inbreuk op de door artikel 8 EVRM verleende bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Er is daarmee sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. Ook hier geldt dat bewijsuitsluiting het enige juiste gevolg is dat verbonden kan worden aan dit onrechtmatige handelen door de politie.

Met betrekking tot de uitlating van verdachte gedaan ten tijde van het terugbrengen van zijn computer, geldt dat hem voorafgaande aan deze uitlatingen niet de cautie was gegeven. Ook hiermee is een strafvorderlijk voorschrift geschonden en ook hierop kan volgens vaste rechtspraak geen andere consequentie volgen dan dat deze mededelingen van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Mocht de rechtbank de verdediging hierin niet volgen dan verzoekt de verdediging de rechtbank deze verbalisanten nader als getuigen te mogen horen.

Samenvattend concludeert de verdediging tot een vrijspraak als gevolg van bewijsuitsluitingen of het gat in het bewijs waar het gaat om de herkomst van de dossiers, die in samenhang of afzonderlijk beschouwt steeds tot datzelfde resultaat zouden leiden.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Op 14 januari 2015 is door [aangever] namens [bedrijf 1] aangifte gedaan van verduistering in dienstbetrekking. Uit deze aangifte blijkt onder meer dat [bedrijf 1] op 17 november 2014 een levering dossiers had ontvangen van [bedrijf 3] . [bedrijf 3] had [bedrijf 1] een opdracht gegeven om dossiers te sorteren. De dossiers waren afkomstig van het [ziekenhuis] en bestonden uit enveloppen met röntgenfoto's. De foto's moesten gescheiden worden van het papier. Op 13 januari 2015 werd [aangever] benaderd door [getuige 2] van [bedrijf 3] . Deze was op zijn beurt benaderd door [journalist] , een verslaggever van [bedrijf 2] . [journalist] had een iPad bij zich en toonde [getuige 2] foto's van een aantal dossiers. [bedrijf 2] heeft op 13 januari 2015 een uitzending gewijd aan de dossiers. Uit de aangifte volgt dat er vanuit [bedrijf 1] kennelijk vertrouwelijke dossiers gelekt zijn naar [bedrijf 2] .

Naar aanleiding van de aangifte is op 14 januari 2015 [getuige 2] , commercieel directeur bij [bedrijf 3] door de politie als getuige gehoord. Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat een journalist van [bedrijf 2] , [journalist] , op 13 januari 2015 contact met hem heeft gezocht. [journalist] vertelde dat hij in het bezit was van dossiers en röntgenfoto’s afkomstig van [bedrijf 1] . De verslaggever wilde zijn bron niet noemen.

Uit het conceptrapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche d.d. 18 februari 2015 blijkt dat Hoffmann in de periode 16 januari 2015 tot en met 11 februari 2015 in opdracht van [bedrijf 1] onderzoek heeft gedaan naar diefstal of verduistering van medische dossiers.

In het onderzoek van Hoffman kwam onder meer aan de orde dat [bedrijf 2] beschikte over specifieke informatie met betrekking tot 1) de levering half november door [bedrijf 3] aan [bedrijf 1] van 18 karren met medische dossiers, 2) een voorval waarbij op de werkvloer commotie ontstond over een röntgenfoto met het hagelletsel en 3) het fysiek beschikken over (in ieder geval) twee medische dossiers.

Uit het onderzoek van Hoffman blijkt dat de 18 karren met medische dossiers bij [bedrijf 1] in ontvangst zijn genomen door [verdachte] in zijn functie als voorman van het magazijn. Voor zover bekend waren geen andere medewerkers van [bedrijf 1] op de hoogte van deze specifieke informatie over de aflevering van het aantal van 18 karren.

Bij de verwerking van de dossiers bij [bedrijf 1] , in de tweede helft van november 2014,

ontstond commotie op de inpakafdeling over de röntgenfoto met hagelletsel. Een en ander is

als een ‘lopend vuurtje’ op de werkvloer rondgegaan. De kwestie werd dus bij een ruime

kring van personen bekend.

Uit het onderzoek van Hoffman blijkt voorts dat de heer [verdachte] contacten had met personen binnen [bedrijf 2] , onder meer als gevolg van het organiseren van krachtsportevenementen en zijn medewerking aan een nieuwsitem over een verzamelhobby. Er kwamen geen andere personen naar voren die directe contacten hadden met [bedrijf 2] .

Hoffmann schetst vervolgens het scenario dat [verdachte] de informatie kan hebben doorgespeeld naar [bedrijf 2] omdat [verdachte] op de hoogte was van het feit dat er half november 18 karren met medische dossiers waren geleverd, wetenschap had van de wijze van verwerking van de medische dossiers en wist van de commotie die over de röntgenfoto met hagelletsel was ontstaan. Bovendien, zo schetst Hoffman, had [verdachte] connecties binnen [bedrijf 2] en kon hij als voorman van het magazijn eenvoudig over de dossiers beschikken.

Door Hoffmann is uitvoerig met [verdachte] gesproken. In dat gesprek ontkende [verdachte] dat hij de persoon was die de informatie had doorgespeeld naar [bedrijf 2]

De conclusie van Hoffmann is dat tijdens het onderzoek niet bekend is geworden wie de informatie heeft doorgespeeld naar [bedrijf 2] .

Bovengenoemde onderzoeksresultaten, neergelegd in een niet ondertekend conceptrapport van Hoffmann Bedrijfsrecherche, waren voor het Openbaar Ministerie aanleiding om [verdachte] als verdachte aan te merken. Op grond van deze verdenking zijn op 6 maart 2015 bijzondere opsporingsbevoegdheden ingezet door de officier van justitie en is verdachte op grond van de aldus verkregen onderzoeksresultaten op 24 maart 2015 buiten heterdaad aangehouden en diezelfde dag in verzekering gesteld. Op diezelfde dag zijn de telefoon en de computer van verdachte in beslag genomen en onderzocht.

De rechtbank overweegt dat uit artikel 27 Sv volgt dat, voordat de vervolging is aangevangen, als 'verdachte' kan worden aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een 'redelijk vermoeden van schuld' aan een strafbaar feit voortvloeit. De rechtbank dient thans te beoordelen of in casu ten aanzien van verdachte sprake kon zijn geweest van een 'redelijk vermoeden van schuld' aan een strafbaar feit.

Uit de geschetste gang van zaken blijkt dat de politie het redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van verdachte, zonder enige toetsing of nader onderzoek naar de betrouwbaarheid, heeft gebaseerd op voornoemd conceptrapport van Hoffmann. De officier van justitie heeft ter terechtzitting in dit verband desgevraagd nog verklaard dat er tijdens het door Hoffmann uitgevoerde onderzoek door politie en/of justitie geen onderzoekshandelingen zijn gepleegd Hoewel de vraag of opsporingsfunctionarissen een 'redelijk vermoeden' mochten koesteren door de rechter slechts marginaal kan worden getoetst, kan naar het oordeel van de rechtbank hetgeen in de onderhavige zaak ten grondslag heeft gelegen aan de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 126n Sv, die toets niet doorstaan. Dit leidt ertoe dat al hetgeen naar aanleiding hiervan is verkregen van het bewijs dient te worden uitgesloten. Hetgeen resteert is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Benadeelde partij

Mr. G.N. Paanakker heeft zich als gemachtigde namens [bedrijf 1] voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door [bedrijf 1] geleden schade ten gevolge van het aan verdachte ten laste gelegde feit alsmede de gronden waarop deze berust. De benadeelde partij vordert een bedrag van

€ 41.403,84 ter zake van geleden materiële schade (gederfde inkomsten).

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen tot een bedrag van € 18.505,21. De benadeelde partij dient voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het feit waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal derhalve niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf 1] niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. De benadeelde partij en verdachte dragen de eigen kosten.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, en mrs. E. Läkamp en S. Zwarts, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.D. Vermeer, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de rechtbank op 31 januari 2017.