Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4625

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-12-2017
Datum publicatie
11-12-2017
Zaaknummer
6148806 CV EXPL 17-6878
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Meerjarigenbewind;

dagvaarden bewindvoerder als formele procespartij.

Raadpleging door deurwaarder van het Centraal Curatele en Bewindregister

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 6148806 CV EXPL 17-6878

vonnis van de kantonrechter d.d. 5 december 2017

inzake

de naamloze vennootschap DE FRIESLAND ZORGVERZEKERAAR N.V.,

gevestigd te Leeuwarden,

eiseres,

gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders,

tegen

de stichting STICHTING DE SCHULDENCOACH,

gevestigd te Leeuwarden,

in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende [X] , geboren [geboortedatum] , wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

procederende bij [dhr. Y.] .

Partijen zullen hierna De Friesland en De Schuldencoach worden genoemd. De rechthebbende zal met [X] worden aangeduid.

Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding,

  • -

    de conclusie van antwoord,

  • -

    de conclusie van repliek,

  • -

    de conclusie van dupliek,

  • -

    de akte zijdens De Friesland houdende uitlating producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

Motivering

De feiten

2. In dit geding kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan.

[X] is door middel van een zogeheten basisverzekering bij De Friesland overeenkomstig de bepalingen van de Zorgverzekeringswet tegen ziektekosten verzekerd. Uit hoofde van deze verzekering is [X] jegens De Friesland premieplichtig.

Op 31 december 2013 is in het Centraal Curatele- en Bewindsregister (verder: CCBR) het bij beschikking van deze rechtbank op 23 december 2013 ten aanzien van [X] uitgesproken beschermingsbewind meerderjarigen gepubliceerd. Dit bewind is ingesteld "wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden". Stichting De Schuldencoach is tot bewindvoerder benoemd.

[X] is in 2015 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (verder: Wsnp-regeling). De Friesland heeft op 19 juli 2016 een e-mailbericht gezonden aan de (toenmalige) bewindvoerder in de Wsnp-regeling met daarin onder meer de volgende mededeling:

"Uit onze informatie blijkt dat u bewindvoerder inzake de WSNP van [X] bent (…)".

Door of namens [X] is over de maanden januari, februari en maart 2017 steeds een bedrag ad € 8,45 te weinig aan nominale premie betaald.

Nadat De Friesland [X] op 20 juni 2017 in rechte had betrokken heeft de bewindvoerder alsnog zorg gedragen voor betaling van vorenbedoelde achterstallige premie vermeerderd met verschenen rente en buitengerechtelijke kosten overeenkomstig hetgeen De Friesland in haar dagvaardingsexploot had vermeld. In totaal heeft de bewindvoerder – op 31 juli 2017 – een bedrag ad € 73,94 aan de gemachtigde van De Friesland voldaan.

Het standpunt van De Friesland

3.1.

De Friesland vordert in dit geding, na vermindering van haar vordering, nog de veroordeling van [X] tot betaling van de proceskosten. Daartoe heeft zij bij conclusie van repliek het volgende gesteld. De deurwaarder had geen kennis van het bewind noch behoorde hij dit te kennen. Blijkens een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2016 (ECLI:NL:RBAMS:2016:2020) bestaat er geen verplichting voor de deurwaarder tot kennisname van het CCBR. De Friesland heeft [X] daarom op juiste gronden in rechte betrokken. Hij dient dan ook de kosten van de procedure te voldoen.

Bij haar akte houdende uitlating producties heeft De Friesland nog gesteld, dat uit de door [X] bij conclusie van dupliek overgelegde producties niet kan volgen dat De Friesland ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding op de hoogte was van het bewind. Evenmin blijkt uit die producties dat er een verplichting bestaat tot het raadplegen van het CCBR voorafgaand aan dagvaarding. De Friesland noch haar gemachtigde heeft een automatische koppeling met het CCBR. Het had op de weg van [X] gelegen om de aanmaningen te overhandigen aan zijn bewindvoerder. [X] is de proceskosten dus nog verschuldigd. Het feit dat [X] en niet zijn bewindvoerder in hoedanigheid is gedagvaard, maakt dit niet anders, zo stelt De Friesland.

Het standpunt van De Schuldencoach

3.2.

De Schuldencoach heeft zich tegen de vordering verweerd. Voor zover nodig zal hieronder op dat verweer worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

4.1.

In dit geding gaat het thans slechts nog om de beantwoording van de vraag of [X] vergoeding van proceskosten aan De Friesland is verschuldigd. De bij dagvaarding ingestelde vorderingen tot betaling van hoofdsom, rente en buitengerechtelijke kosten behoeven dan ook geen bespreking (meer).

4.2.

De Friesland heeft zich blijkens haar stellingen beroepen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2016. In deze uitspraak heeft de rechtbank Amsterdam overwogen, dat er geen wettelijke verplichting bestaat die de deurwaarder (of diens opdrachtgever) verplicht tot kennisname van het CCBR voorafgaand aan iedere executiehandeling. Het geval dat thans aan de orde is, heeft echter geen betrekking op een executiehandeling, maar op het betekenen van een dagvaardingsexploot, zodat De Friesland reeds daarom niet één-op-één een succesvol beroep op die uitspraak kan doen. Wel is juist, en dus door de rechtbank Amsterdam terecht overwogen, dat de wet geen verplichting voor een gerechtsdeurwaarder bevat tot het raadplegen van het CCBR voordat hij een dagvaardingsexploot aan een schuldenaar betekent.

4.3.

Artikel 1:439, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt:

"Indien een rechtshandeling ongeldig is, omdat zij ondanks het bewind werd verricht door of gericht tot de rechthebbende, kan deze ongeldigheid aan de wederpartij slechts worden tegengeworpen, zo deze het bewind kende of behoorde te kennen."

4.4.

Aantekening 2 bij vorenbedoeld artikel (Kluwer Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek 12e druk) vermeldt, dat het kennen of het behoren te kennen dient te worden gemeten naar objectieve maatstaf. Voorts vermeldt de betreffende aantekening, voorzover relevant:

"Of een derde het bewind behoorde te kennen, hangt af van de al dan niet publicatie van het bewind en de feitelijke omstandigheden (waarbij wordt verwezen naar Asser/De Boer I, 2010/1164)."

4.5.

Met De Schuldencoach is de kantonrechter van oordeel, dat De Friesland in ieder geval blijkens haar hiervoor bij de feiten bedoelde e-mailbericht van 19 juli 2016 bekend was met het bestaan van de op [X] toepasselijke Wsnp-regeling. Dit feit had voor De Friesland reden moeten vormen om, toen zij haar onderwerpelijke vordering ter incasso uit handen gaf, haar (incasso)gemachtigde omtrent het bestaan van de Wsnp-regeling ten aanzien van [X] op de hoogte te stellen.

4.6.

In het verlengde daarvan had het, naar het oordeel van de kantonrechter, op de weg van (de gemachtigde van) De Friesland gelegen om (de mogelijkheid van) het (nog) bestaan van enige vorm van bewind ten aanzien van [X] in de juist daarvoor bestaande registers te verifiëren, te meer omdat zijdens De Friesland kennelijk op enig moment tot dagvaarden is besloten. Omdat de kantonrechter voorts van oordeel is dat zowel De Friesland als haar gemachtigde als een professionele partij mag worden beschouwd, bij wie kennis van het bestaan en het doel van deze registers mag worden verondersteld, had het raadplegen daarvan door De Friesland of haar gemachtigde in het onderwerpelijke geval in de rede gelegen.

4.7.

Dat daartoe geen (formele) wettelijke verplichting bestaat maakt dat niet anders, te minder nu De Friesland met het niet raadplegen van de registers het risico liep dat zij ondanks haar vaststaande kennis van een op 19 juli 2016 bestaand bewind, de verkeerde procespartij in rechte zou betrekken. Immers, artikel 1:441, eerste lid, BW bepaalt dat de bewindvoerder de rechthebbende tijdens het bewind in en buiten rechte vertegenwoordigt. De door De Friesland bij akte houdende uitlating producties nog opgeworpen stelling dat [X] de aanmaningen aan de bewindvoerder had moeten overhandigen maakt dat niet anders. Blijkens de in het CCBR vermelde grondslag voor het instellen van het bewind is dit juist ingesteld om de rechthebbende tegen de gevolgen van het hem door De Friesland gemaakte verwijt te beschermen.

4.8.

Nu sprake is van zowel publicatie als objectiveerbare kennis zijdens De Friesland van het bestaan van enige vorm van bewind in 2016 kan het De Friesland – en in haar verlengde haar gemachtigde – worden verweten dat zij niet aanstonds De Schuldencoach, maar (ten onrechte) [X] en dus de verkeerde (proces)partij in rechte heeft betrokken.

Echter, enerzijds gelet op de uitkomst van dit geding en anderzijds op de omstandigheid dat De Schuldencoach als bewindvoerder van [X] van meet af verweer heeft gevoerd, zal de kantonrechter ervan uitgaan dat De Schuldencoach als formele procespartij "in hoedanigheid" geldt.

4.9.

Uit hetgeen hierboven is overwogen vloeit verder voort, dat het verweer van De Schuldencoach dat er in essentie op neerkomt, dat deze procedure en de daarmee samenhangende kosten voorkomen hadden kunnen worden indien De Friesland aanstonds De Schuldencoach – en niet [X] – op het bestaan van de vordering had gewezen, doel treft.

4.10.

Een en ander leidt tot het oordeel, dat in het onderwerpelijke geval De Friesland in de proceskosten moet worden veroordeeld. Deze zullen aan zijde van De Schuldencoach evenwel worden begroot op nihil, nu De Schuldencoach feitelijk – zij het in hoedanigheid – in persoon heeft geprocedeerd en geen gebruik heeft gemaakt van de diensten van een professioneel rechtshulpverlener, terwijl overigens niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 238 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

Beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt De Friesland in de kosten van het geding, tot op heden aan zijde van De Schuldencoach vastgesteld op nihil.

Aldus gewezen door mr R. Giltay, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 december 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 633