Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4605

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 202, 17 _ 443 t/m 445
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

In geschil is of aan eiser terecht navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekering zijn opgelegd. De navorderingsaanslagen zijn opgelegd naar aanleiding van een boekenonderzoek bij de BV waar eiser DGA van is. Bij dat onderzoek is geconcludeerd dat diverse uitgaven ten onrechte ten laste van de winst gebracht zijn. Verweerder heeft deze kosten aangemerkt als uitdelingen.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk gemaakt dat er - voor zover al aannemelijk is gemaakt dat er sprake is van een bevoordeling van eiser - ook sprake is van een bewustheid van die bevoordeling. Eiser heeft aangegeven de ten onrechte afgetrokken kosten alsnog te zullen corrigeren. De rechtbank acht het begrijpelijk dat eiser daarmee wacht op de uitkomst van de procedure over de vennootschapsbelasting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1335
Viditax (FutD), 25-06-2018
FutD 2018-1743 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/202, 17/443, 17/444 en 17/445

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: drs. F.J. van Dijk),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] ).

Procesverloop

Het beroep is gericht tegen de uitspraken op bezwaar van verweerder van 21 december 2016 respectievelijk 28 februari 2017, op de bezwaarschriften van eiser tegen de aan hem opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekering (IB/PVV) voor de jaren 2011, 2012 en 2013, respectievelijk 2010, en de daarbij gegeven heffingsrente- en belastingrentebeschikkingen.

De rechtbank heeft de zaken als volgt genummerd:

Zaaknr. Jaar Voorwerp van beroep

17/202 2010 Navorderingsaanslag en beschikking heffingsrente

17/443 2011 Navorderingsaanslag en beschikking heffingsrente

17/444 2012 Navorderingsaanslag en beschikking belastingrente

17/445 2013 Navorderingsaanslag en beschikking belastingrente

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Tegelijkertijd zijn behandeld de zaken met nummers LEE 17/225, 17/226, 17/227 en 17/228, waarin [BV X] eiseres is. Eiser is directeur-grootaandeelhouder van [BV X]

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten en onmiddellijk daarna de mondelinge

uitspraak verdaagd voor de duur van 35 minuten, onder aanzegging aan partijen van het tijdstip van de uitspraak. De rechtbank heeft na het verstrijken van de verdagingstermijn mondeling uitspraak gedaan in tegenwoordigheid van partijen.

Beslissing

Zaak 17/202

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 463,50.

Zaak 17/443

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- vernietigt de beschikking heffingsrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 463,50.

Zaak 17/444

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- vernietigt de beschikking belastingrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 463,50.

Zaak 17/445

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslag;

- vernietigt de beschikking belastingrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 463,50.

Gronden

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

Vooraf en ambtshalve: ontvankelijkheid van het beroep in zaak 17/202 (2010)

2. De rechtbank stelt vast dat het beroepschrift in zaak 17/202 door de rechtbank ontvangen is op 17 januari 2017, terwijl de uitspraak op bezwaar dateert van 28 februari 2017. Het beroep is daarom prematuur ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dat in dit geval echter niet tot niet-ontvankelijkheid omdat eiser, gelet op de brief van 7 december 2016 van verweerder (waarin de motivering van de uitspraak op bezwaar is opgenomen), redelijkerwijs kon menen dat er al op het bezwaar was beslist. Bovendien heeft eiser met dagtekening 1 maart 2017, ontvangen door de rechtbank op 2 maart 2017, nogmaals beroep aangetekend onder toezending van een afschrift van de uitspraak op bezwaar van 28 februari 2017. Ten aanzien van dat beroepschrift is in ieder geval duidelijk dat het tijdig en niet prematuur is ingediend. Het beroep is ontvankelijk.

Casus

3. Bij [BV X] is door verweerder in 2015 een boekenonderzoek ingesteld. In het rapport van dat boekenonderzoek wordt onder meer geconcludeerd dat door [BV X] diverse kosten zijn afgetrokken van de belastbare winst voor de vennootschapsbelasting, waarvan geen facturen zijn bewaard en/of die een gemengd karakter hebben, en ter zake waarvan [BV X] de zakelijkheid niet (volledig) aannemelijk heeft gemaakt. Ook wordt geconcludeerd dat [BV X] kosten heeft afgetrokken die alleen in bepaalde – zich niet voordoende – gevallen aftrekbaar zijn. Ten aanzien van deze in totaal zesentwintig kostenposten concludeerde verweerder dat er ten onrechte kosten in aftrek zijn gebracht (hierna ook: de correctieposten). Naar aanleiding van het rapport zijn voor de vennootschapsbelasting een drietal navorderingsaanslagen (2010, 2011 en 2013) en een herziene verliesvaststellingsbeschikking (2012) gevolgd. Verweerder heeft de naar zijn oordeel ten onrechte afgetrokken kosten vervolgens aangemerkt als winstuitdelingen aan eiser. Dat heeft geleid tot de onderhavige navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting, die alleen zien op belastbaar inkomen uit aanmerkelijke belang (box 2). In de bezwaarprocedure inzake de aanslagen en beschikking in de vennootschapsbelasting heeft verweerder alsnog een deel van de kosten als zakelijk geaccepteerd. Daardoor is bij uitspraken op bezwaar de grondslag voor de uitdeling dienovereenkomstig verminderd.

Geschil en standpunten

4. In geschil is het antwoord op de vraag of de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd. Eiser heeft gesteld dat de navorderingsaanslagen onterecht zijn opgelegd, omdat er geen sprake is van een winstuitdeling. Daartoe heeft eiser gesteld dat, voor zover de kostenaftrek achteraf bezien ten onrechte heeft plaatsgevonden, dit berust op een miscommunicatie tussen eiser en de accountant. In eerste instantie werden alle uitgaven vanaf de zakelijke bankrekening zakelijk geboekt. Er had jaarlijks een bespreking moeten plaatsvinden waarbij alle posten goed werden bekeken en zo nodig correcties werden aangebracht. Dit heeft echter niet plaatsgevonden. Nu dit door het boekenonderzoek aan het licht is gekomen, zal er echter alsnog een verrekening tussen de eiser en [BV X] plaatsvinden van de kosten, voor zover die vanwege een privé karakter onterecht in aftrek zijn gebracht als zakelijke kosten, aldus eiser. Verweerder heeft gesteld dat de navorderingsaanslagen terecht zijn opgelegd omdat er sprake is van een uitdeling. Daartoe heeft verweerder gesteld dat er geen verrekening heeft plaatsgevonden, het onder andere gaat om duidelijke privé kosten en niets is gebleken van een intentie tot verrekening. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat eiser in zijn beroepschrift met een aantal correcties (deels) akkoord is gegaan. Ten aanzien van die posten is dus in ieder geval niet in geschil dat het gaat om een uitdeling, aldus verweerder.

Bewijslastverdeling en toetsingskader

5. De rechtbank stelt voorop, dat de bewijslast ter zake van de door verweerder gestelde uitdelingen op verweerder rust. Dat betekent dat verweerder de feiten en omstandigheden dient te stellen en, bij betwisting, aannemelijk dient te maken die leiden tot de conclusie dat [BV X] de gestelde uitdelingen aan eiser heeft gedaan in zijn hoedanigheid als aandeelhouder.

6. Van een dergelijke uitdeling – die doorgaans als 'verkapte uitdeling' wordt aangeduid – is volgens vaste jurisprudentie sprake, wanneer de vennootschap de betrokkene in zijn hoedanigheid van aandeelhouder bewust heeft bevoordeeld, terwijl ook die aandeelhouder zich daarvan bewust is geweest of redelijkerwijs bewust had moeten zijn (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 15 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AW8273). In een geval als het onderhavige houdt het bewustheidsvereiste in dat partijen ten tijde van het doen van de uitgaven zich ervan bewust (moeten) zijn geweest dat de aandeelhouder werd bevoordeeld, omdat (1) de uitgaven geheel of gedeeltelijk zagen op privé-behoeften van de aandeelhouder, terwijl er (2) – reeds op dat moment – geen intentie was om het privédeel te verrekenen. Ook kan het bewustheidsvereiste in een geval als het onderhavige er naar het oordeel van de rechtbank in bestaan dat de intentie om te verrekenen aanvankelijk wel heeft bestaan, maar dat op een gegeven moment bewust is besloten om verrekening achterwege te laten.

7. Hieruit volgt dat verweerder in de eerste plaats aannemelijk moet maken dat er steeds (in objectieve zin) sprake is geweest van een bevoordeling. Indien hij daarin slaagt, dient hij vervolgens ook aannemelijk te maken dat die bevoordeling bewust heeft plaatsgevonden, zowel aan de kant van eiser als aan de kant van [BV X]

Omkering van de bewijslast

8. Verweerder heeft ter zitting een opstelling overgelegd waarin de door [BV X] (uiteindelijk) niet betwiste correcties in de vennootschapsbelasting worden opgeteld, en onder verwijzing daarnaar gesteld dat er redenen zijn voor toepassing van omkering van de bewijslast omdat de vereiste aangifte niet is gedaan. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

9. Artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalt – voor zover van belang – dat, indien eiser de vereiste aangifte niet heeft gedaan, het beroep van eiser ongegrond moet worden verklaard, tenzij eiser overtuigend kan aantonen dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

10. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is (vgl. Hoge Raad 9 november 2012, ECLI:NL:HR:2012: BY2665). Dergelijke inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven (vgl. Hoge Raad 11 april 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE3220 en Hoge Raad 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083). Ook dit laatste moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Dat betekent dat de inspecteur als eerste aan zet is om voldoende aanknopingspunten aan te dragen.

11. De rechtbank zal daarom eerst, naar de normale regels van bewijslastverdeling, nagaan of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat er ter zake van één of meerdere correctieposten sprake is geweest van een bewuste bevoordeling als aandeelhouder. Slechts indien en voor zover dat het geval is, komt de vraag aan de orde of de absolute en relatieve omvang van de aldus bewezen posten groot genoeg is om de omkering te rechtvaardigen.

12. De rechtbank overweegt dat de bewijsvoering van verweerder blijkens het verweerschrift in belangrijke mate steunt op de vaststelling dat en waarom bepaalde kosten niet in aftrek kunnen komen voor de vennootschapsbelasting. Het enkele feit dat in de sfeer van de vennootschapsbelasting de aftrek niet kan worden hard gemaakt, betekent naar het oordeel van de rechtbank echter nog niet dat de aandeelhouder bewust is bevoordeeld. De rechtbank is in het verlengde daarvan ook van oordeel dat – zoals gemachtigde van eiser ook ter zitting heeft gesteld – het feit dat [BV X] in haar beroepschrift bepaalde correcties in de vennootschapsbelastingsfeer niet (meer) betwist, dat nog niet betekent dat daarmee ook vast staat dat deze kosten kwalificeren als winstuitdeling voor de inkomstenbelasting. Uit eisers beroepschrift voor de inkomstenbelasting volgt ook geenszins dat eiser zich voor die correcties zou hebben neergelegd bij verweerders conclusie dat er tot die bedragen uitdelingen zijn geweest. Ook ten aanzien van die posten is dus wel degelijk in geschil of het gaat om een uitdeling.

13. Vervolgens is het volgende van belang. Ten eerste dient het accepteren van de kosten in de vennootschapsbelastingsfeer bezien te worden in het licht van de aldaar geldende verdeling van de bewijslast. In de vennootschapsbelastingsfeer rust de bewijslast om de zakelijkheid van de kosten aannemelijk te maken op [BV X] Gemachtigde van eiser heeft in dit licht gesteld dat het accepteren van bepaalde correcties te maken heeft met de bewijsnood waarin [BV X] verkeert, doordat bijvoorbeeld facturen in het ongerede zijn geraakt. In de inkomstenbelastingsfeer draagt verweerder juist de bewijslast ten aanzien van de gestelde uitdelingen. Ten tweede kwalificeert een eventuele bevoordeling van eiser door [BV X] alleen als een uitdeling indien zowel [BV X] (de vennootschap) als eiser (de aandeelhouder) zich ervan bewust waren dat er werd bevoordeeld. Verweerder dient daarom ook aannemelijk te maken dat er sprake is van dubbele bewustheid ten aanzien van de gestelde bevoordelingen. Bij het beoordelen van die bewustheid is zowel het moment van het doen van de uitgaven, als het nalaten van het verrekenen van belang.

14. De rechtbank stelt bij de beoordeling dus voorop dat zowel de bewijslastverdeling als het bewijsobject in de sfeer van de inkomstenbelasting anders is dan in de sfeer van de vennootschapsbelasting.

15.1

Ten aanzien van een deel van de correctieposten heeft de rechtbank voor wat betreft de vennootschapsbelasting geoordeeld dat er sprake is van bewijsproblemen die de aftrek verhinderen.

15.2

Voor wat betreft de posten Golden River, Muthert, Geert Teis, Azië, Leo Music, sponsoring (2x) en Golfpark Dueneberg is er (geheel of ten dele) sprake van ontbrekende facturen. Bovendien heeft eiser weliswaar steeds gemotiveerd gesteld dat de uitgaven zijn gedaan met het oog op de zakelijke belangen van [BV X] , maar tegenover de betwisting van verweerder heeft hij dat niet aannemelijk kunnen maken. Meer dan die betwisting heeft verweerder echter niet naar voren gebracht. Wel heeft verweerder in het verlengde daarvan gesteld dat er telkens privé-bevoordelingen hebben plaatsgevonden. Eiser heeft die stellingen van verweerder gemotiveerd betwist door de verklaringen die hij (in de sfeer van de vennootschapsbelasting) voor de gedane uitgaven heeft gegeven. Er is naar het oordeel van de rechtbank – vanuit het perspectief van de inkomstenbelasting – dus evenmin voldoende bewijs geleverd dat de betreffende uitgaven zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder.

15.3

Voor wat betreft de posten uitgaven credit card is er sprake van ontbrekende achterliggende facturen. De afrekening met daarop per post een korte toelichting van eiser is uiteindelijk voor een deel geaccepteerd door verweerder. Ten aanzien van het niet-geaccepteerde deel geldt hetzelfde als hiervoor onder 15.2 is overwogen.

16.1

Ten aanzien van een ander deel van de correctieposten heeft de rechtbank voor wat betreft de vennootschapsbelasting geoordeeld dat niet wordt voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor aftrek, of dat er een wettelijke aftrekbeperking geldt.

16.2

Voor wat betreft de correctieposten die zien op de werkruimte van eiser (Stiekema, De Vries, Kloeze, Brands) is [BV X] in de sfeer van de vennootschapsbelasting tegen de aftrekbeperking van art. 10, eerste lid, onderdeel i van de Wet op de vennootschapsbelasting aangelopen, nu niet aan alle (maar wel aan enkele) voorwaarden voor de aftrek werd voldaan. Dat enkele feit is evenwel onvoldoende bewijs dat de betreffende uitgaven (geheel) zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder.

16.3

Datzelfde geldt voor de post boetes Belastingdienst. Gesteld noch gebleken is dat het om boetes opgelegd aan de aandeelhouder gaat. In een correctie wegens de reguliere aftrekbeperking van boetes opgelegd aan [BV X] ligt geen bevoordeling van eiser besloten.

17.1

Ten aanzien van de overige posten, alsmede ten dele ten aanzien van de posten als bedoeld bij 16.2, geldt dat zij in ieder geval voor een deel zijn gedaan ter bevrediging van de persoonlijke behoeften van de aandeelhouder. Het gaat dan om de posten Makro, Het Jachthuis, alsmede om de uiteindelijk (in de sfeer van de vennootschapsbelasting) door [BV X] geaccepteerde correctieposten. In zoverre staat naar het oordeel van de rechtbank dus vast dat er – althans zolang geen verrekening heeft plaatsgevonden tussen eiser en [BV X] – sprake is (geweest) van bevoordelingen.

17.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter niet aannemelijk gemaakt dat er tevens sprake is geweest van een bewuste bevoordeling. Eiser heeft dat steeds weersproken en gezegd dat er een verrekening had moeten plaatsvinden, dat dit ook de bedoeling was, maar dat het door een miscommunicatie met de accountant niet gebeurd is. Dat die verrekening telkens niet heeft plaatsgevonden acht de rechtbank weliswaar bijzonder slordig, maar dat betekent nog niet dat er sprake is van een bewuste bevoordeling, zeker niet op het moment van het doen van de uitgaven. Van een bewuste bevoordeling kan in deze situatie evenwel alsnog sprake zijn, wanneer het daadwerkelijk verrekenen, ook na de ontdekking van de fout, zonder geldige reden nagelaten wordt. Eiser heeft in dit verband echter gesteld dat hij pas achter de omissies is gekomen door het boekenonderzoek, en dat de privé-uitgaven wel degelijk alsnog verrekend zullen worden. De rechtbank heeft geen reden om aan deze verklaring te twijfelen. De rechtbank heeft hierbij meegewogen dat over de exacte gang van zaken tussen eiser en zijn accountant alleen hetgeen eiser daarover verklaard heeft, bekend is geworden. Verweerder heeft geen concrete aanwijzingen voor het tegendeel aangedragen en onvoldoende aangevoerd om te kunnen concluderen dat eiser en [BV X] op een gegeven moment bewust hebben besloten om verrekening achterwege te laten. Ook de handelwijze van [BV X] als zodanig, door in eerste instantie alle uitgaven vanaf de zakelijke bankrekening als zakelijk te boeken, is daartoe onvoldoende. Aldus uitgaande van de lezing van eiser, acht de rechtbank het op zichzelf begrijpelijk dat eiser in deze situatie wacht met het verrekenen op de uitkomst van de procedure over de vennootschapsbelasting, omdat daaruit volgt wat het juiste bedrag voor die verrekening is.

18. Resumerend acht de rechtbank in deze zaken vooral van belang dat verweerder met de verwijzing naar de bewijspositie van [BV X] in de sfeer van de vennootschapsbelasting niet heeft bewezen dat de correctieposten ook daadwerkelijk steeds een bevoordeling van de aandeelhouder inhouden, terwijl daar waar hij dat bewijs wel heeft geleverd, nog niet heeft bewezen dat het uitblijven van verrekening een doelbewuste bevoordelingshandeling oplevert. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat verweerder ten aanzien van verschillende posten (uiteindelijk) het zakelijke of het gemengde karakter (geheel of ten dele) heeft geaccepteerd.

19.1

De rechtbank overweegt voorts nog het volgende over de door verweerder aangehaalde jurisprudentie.

19.2

Ten aanzien van de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 10 november 2011 (ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0064) waar verweerder in zijn verweerschrift op gewezen heeft, overweegt de rechtbank als volgt. In die zaak stond, voorafgaand aan de beoordeling van de gestelde uitdelingen, de omkering van de bewijslast reeds op andere gronden vast (omdat geen gebruikelijk loon was aangegeven terwijl die verplichting wel bestond). In de onderhavige zaken is echter niet reeds sprake van het niet doen van de vereiste aangifte vanwege andere inhoudelijke onjuistheden dan de gestelde uitdelingen..

19.3

Ten aanzien van de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 november 2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:8745), waar verweerder ter zitting op gewezen heeft en waarin hij een sterke gelijkenis met de onderhavige zaken ziet, overweegt de rechtbank als volgt. In deze zaak voor het Hof ging het om andersoortige uitgaven dan in de onderhavige zaken, waarvan was komen vast te staan dat deze voor een groot deel een onmiskenbaar privé-karakter hadden. Het ging onder meer om onverklaarbare harde geldopnames en overboekingen, betaling van de privé-hypotheek, vakanties, paardensport en online pokeren. Wat aard en omvang betreft verschillen deze posten naar het oordeel van de rechtbank van de hier in geschil zijnde correctieposten (zie de overwegingen hiervoor omtrent de bewijsnood en het gemengde karakter). Bovendien was een belangrijke stelling van de eiseres in de door het Hof berechte zaak, dat een aanzienlijk deel van de betwiste posten moest worden gezien als een beloning voor het werk dat haar partner voor de vennootschap had verricht. Het Hof heeft die stelling niet aannemelijk geacht en op grond van de ongeloofwaardigheid van die stelling de bewijslast omgekeerd. In de onderhavige zaken is van een dergelijke, ongeloofwaardig geachte alternatieve onderbouwing van de uitgaven echter geen sprake.

20. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank verweerder niet geslaagd in het van hem verlangde bewijs dat er uitdelingen hebben plaatsgevonden. Dat betekent dat er naar het oordeel van de rechtbank evenmin reden is om in de voorliggende zaken omkering van de bewijslast toe te passen.

Navorderingsaanslagen

21. Nu de rechtbank hiervoor in het kader van de beoordeling van de omkering van de bewijslast reeds heeft geoordeeld dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is geweest van bewuste bevoordelingen van eiser door [BV X] , zijn de navorderingsaanslagen ten onrechte opgelegd.

22. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond. De rechtbank heeft daarom de navorderingsaanslagen vernietigd.

Proceskostenvergoeding

23. Verweerder heeft ter zitting erkend dat in de uitspraken op bezwaar een bezwaarkostenvergoeding had moeten worden toegekend, maar dat dit niet gebeurd is. De rechtbank zal de bezwaarkostenvergoeding daarom alsnog vaststellen, nu vast is komen te staan dat eiser daar steeds tijdig om heeft verzocht. Daarbij gaat de rechtbank – zoals met partijen besproken ter zitting – voor de bezwaarfase uit van het bestaan van samenhang tussen zowel de belastingmiddelen (inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting) als tussen de jaren. De zaken waar deze uitspraak op ziet worden in de bezwaarfase dus als samenhangend beschouwd met de zaken met nummers 17/225, 17/226, 17/227 en 17/228, waarin eveneens vandaag uitspraak is gedaan.

24. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de bezwaarfase vast op € 738 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, vermenigvuldigd met een factor 1,5 vanwege de samenhang). De rechtbank zal per zaak 1/8e deel van dit bedrag (zijnde € 92,25) als proceskostenvergoeding toekennen.

25. De rechtbank veroordeelt verweerder eveneens in de door eiser gemaakte proceskosten in de beroepsfase. Naar het oordeel van de rechtbank is er in de beroepsfase sprake van samenhang tussen de jaren, en geen sprake van samenhang tussen de belastingmiddelen.

26. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495, vermenigvuldigd met een factor 1,5 vanwege de samenhang tussen de jaren). De rechtbank zal per zaak 1/4e deel van dit bedrag (zijnde € 371,25) als proceskostenvergoeding toekennen.

Heffings- en belastingrente

27. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de beschikkingen heffingsrente en belastingrente. Omdat de met de beschikkingen heffingsrente en belastingrente samenhangende navorderingsaanslagen zijn vernietigd, heeft de rechtbank ook de beschikkingen heffingsrente en belastingrente vernietigd.

Slotsom

28. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen gegrond verklaard.

29. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond heeft verklaard, heeft de rechtbank bepaald dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

30. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.

Deze uitspraak is op 23 november 2017 gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt. De beslissing is op voormelde datum in het openbaar uitgesproken, evenals de rechtsmiddelenverwijzing.

w,g, griffier w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van dit proces-verbaal hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.