Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4602

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
30-11-2017
Zaaknummer
18/750013-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan het exploiteren van hennepkwekerijen en de deelneming aan een criminele organisatie. Verdachte heeft een tweetal bedrijfspanden gehuurd, waarin vervolgens hennepkwekerijen werden geëxploiteerd. Hoewel verdachte ervan op de hoogte was dat er in die loodsen hennepkwekerijen werden opgebouwd, heeft hij verder niet ingegrepen, mede vanwege het feit dat hem zwijggeld werd betaald.

De organisatie waartoe verdachte behoorde hield zich op grote schaal bezig met de teelt van hennep. Verdachte hield zich als onderdeel daarvan bezig met het huren van bedrijfspanden en knippen van de hennep. Verdachte had geen leidende rol in de organisatie, maar heeft wel zijn steentje bijgedragen en financieel meegeprofiteerd. Verdachte heeft voor het overige geen inzicht willen geven in wiens opdracht hij één en ander uitvoerde.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750013-16

ter berechting gevoegd parketnummer 18/164609-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 oktober 2017 .

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 20 november 2015 te Franeker, gemeente Franekeradeel, met elkaar, althans één van hen, in het kader van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [straatnaam] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 550 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 550 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan), tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 20 november 2015 te Franeker, gemeente Franekeradeel, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.

2.

hij op of omstreeks 11 februari 2014 te Drachten, gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in het kader van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [straatnaam] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1201 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 1201 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 11 februari 2014 te

Drachten, gemeente Smallingerland, met elkaar, althans één van hen, in het kader van een beroep of bedrijf, opzettelijk hebben/heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig hebben/heeft gehad (in een pand aan [straatnaam] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1201 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel (te weten 1201 hennepplanten, althans meer dan 200 hennepplanten en/of delen daarvan), tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of omstreeks 11 februari 2014 te Drachten, gemeente Smallingerland, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen en/of ter beschikking te blijven

stellen

3.

hij op of omstreeks 11 februari 2014 te Drachten, gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid/heden stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [energiebedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

een of meer onbekend gebleven perso(o)n(en) op of omstreeks 11 februari 2014 te Drachten, gemeente Smallingerland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid/heden stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [energiebedrijf] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of

omstreeks 11 februari 2014, te Drachten, gemeente Smallingerland, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven perso(o)n(en), zijn, verdachtes, pand en/of (de daarin aanwezige) meterkast voor die diefstal ter beschikking te stellen en/of te blijven stellen;

4.

hij in of omstreeks de periode van 21 augustus 2012 tot en met 9 februari 2016 te Leeuwarden, althans in Friesland, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke werd gevormd door verdachte en/of een of meer medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het overtreden van - artikel 11 lid 2 en/of lid 3 en/of lid 5 Opiumwet, te weten het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of vervoeren en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben van een grote hoeveelheid hennep en/of een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan en/of meerdere zakken hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van het onder 2 primair en 3 primair ten laste gelegde vrijspraak gevorderd en veroordeling voor het 1, 2 subsidiair, 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2 primair, 3 primair en 3 subsidiair en 4 ten laste gelegde.

De raadsvrouw is van mening dat verdachte van het onder 4 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, nu niet kan worden bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij een criminele organisatie. Uit het dossier volgt niet dat verdachte heeft samengewerkt met één of meerdere personen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen niet bewezen worden dat verdachte, buiten het ter beschikking stellen van de loods, een significante bijdrage aan dit feit heeft geleverd. De rechtbank acht het onder 2 subsidiair ten laste gelegde wel bewezen, nu verdachte heeft erkend dat hij de loods aan [straatnaam] te Drachten ter beschikking heeft gesteld voor het kweken van hennep.

De rechtbank is daarbij van oordeel dat tevens sprake is bij verdachte van handelen in kader van beroep of bedrijf. Verdachte is samen met zijn medeverdachten professioneel te werk gegaan. Het betreft professionele kwekerijen die door dezelfde organisatie zijn opgezet. Zo was in beide ruimten een geheel geautomatiseerd en regelbaar binnenklimaat aangelegd.

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat het onder 3 primair en 3 subsidiair niet bewezen is.

Weliswaar heeft verdachte verklaard dat hij regelmatig in de loods aan [straatnaam] kwam, maar dat hem daarbij niets was opgevallen omtrent de elektriciteitsvoorziening. Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan ook niet worden vastgesteld dat verdachte heeft geholpen met de opbouw van de kwekerij of andere uitvoeringshandelingen daaromtrent heeft verricht. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte behulpzaam is geweest bij de diefstal van stroom. De rechtbank acht dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden, zodat vrijspraak dient te volgen.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde, de deelneming aan een criminele organisatie, overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 11b van de Opiumwet is deelname aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een aantal misdrijven uit de Opiumwet strafbaar gesteld. Dit artikel is een specialis van de generalis uit artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht. De jurisprudentie betreffende artikel 140 Wetboek van Strafrecht is ook van betekenis voor de bestanddelen van artikel 11b van de Opiumwet.

De vragen die de rechtbank dient te beantwoorden zijn:

Is er sprake van een organisatie? Is het oogmerk gericht op het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid of 11, derde, en vijfde lid, of 11a van de Opiumwet. En tenslotte: heeft verdachte deelgenomen aan deze organisatie?

Artikel 11b (voordien 11a) van de Opiumwet is een implementatie als gevolg van het kaderbesluit 2004/575/JBZ. In artikel 4 lid 4 van dit kaderbesluit wordt ten aanzien van de criminele organisatie verwezen naar het kaderbesluit 98/733/JBZ. Uit artikel 1 van dit besluit blijkt dat onder een criminele organisatie wordt verstaan een gestructureerde vereniging die duurt in de tijd van meer dan twee personen.

De rechtbank overweegt voorts dat uit de jurisprudentie volgt dat een organisatie een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband is van meer personen met een bepaalde organisatiegraad. Hierbij is niet vereist dat de verdachte heeft samengewerkt of bekend was met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.

Van deelneming aan het samenwerkingsverband is sprake indien de verdachte daartoe behoort en een aandeel heeft in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Daarbij dient de verdachte in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie onder meer tot oogmerk heeft het plegen van de misdrijven van de Opiumwet.

Aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte heeft samen met medeverdachte [medeverdachte 1] op 21 augustus 2012 een bedrijfsloods gehuurd aan De [straatnaam] in Drachten. Verdachte wist dat in deze loods een hennepkwekerij zou worden ingericht.

Nadat deze kwekerij was ontmanteld heeft verdachte een bedrijfsloods gehuurd aan de [straatnaam] in Franeker. Verdachte wist dat ook in deze loods een hennepkwekerij zou worden ingericht.

Uit onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van de hennepkwekerij in de loods aan de [straatnaam] in Franeker is gebleken dat naast verdachte nog een aantal medeverdachten betrokken zijn bij het inrichten en exploiteren van hennepkwekerijen, verspreid door heel Friesland.

Dit betreffen onder meer medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] ,

[medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] .

Medeverdachte [medeverdachte 6] heeft onder meer verklaard over de hiërarchische structuur en de rolverdeling binnen de organisatie. Blijkens voornoemde verklaring vervullen de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] een leidende rol in de organisatie. Daarnaast zijn er nog een aantal personen die een ondergeschikte rol vervullen. Dit betreffen onder meer de medeverdachten [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , en verdachte. Zij houden zich bezig met de inrichting en het onderhoud van de kwekerijen.

[medeverdachte 6] heeft daarnaast ook verklaard dat verdachte zich, naast het huren en ter beschikking stellen van de loodsen, ook bezighield met het knippen van hennep ten behoeve van de organisatie.

De verklaring van [medeverdachte 6] wordt, voor wat betreft de opbouw van de organisatie en de rol van verdachte in de organisatie, ook ondersteund door de verklaring van [getuige 1] .

Daarnaast kwam verdachte, zoals blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 6] , regelmatig in de loods aan de [straatnaam] , welke eigendom is van medeverdachte [medeverdachte 3] , zijnde het adres waar veelal de organisatieleden bijeenkwamen.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een organisatie, bestaande uit meer dan twee personen, die als oogmerk had het inrichten en exploiteren van hennepkwekerijen om het feitelijke en gewenste doel, het verdienen van geld met de handel in hennep, te bereiken. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte heeft behoord tot het samenwerkingsverband en dat hij gedragingen heeft ondersteund die mede strekten tot de verwezenlijking van het binnen die organisatie bestaande oogmerk.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven van de Opiumwet.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat tevens is ten laste gelegd overtreding van artikel 11 tweede lid van de Opiumwet. Artikel 11b van de Opiumwet ziet echter niet op overtreding van het tweede lid van artikel 11 van de Opiumwet. De rechtbank zal hier verder geen consequenties aan verbinden, nu dit onderdeel niet redengevend kan zijn voor de kwalificatie.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal nummer NNNTAG15008-AH-023-01, d.d. 10 december 2015, opgenomen op pagina 122 - 129, zaakdossier 1 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer BVH 2015009187, d.d. 3 januari 2017, inhoudende als verklaring van verbalisanten:

Op 20 november 2015 werd een onderzoek ingesteld in een loods op het adres [straatnaam] te Franeker, gemeente Franekeradeel.

In de loods stonden zoals wij zagen kartonnen dozen opgesteld, die door de wijze van opstelling een afscheiding vormden. Wij zagen dat in de loods een unit met drie koelcellen waren geplaatst. Twee koelcellen waren als kweekruimten ingericht en de middelste koelcelruimte diende als opslag en werkruimte. In ruimte C bevond zoals wij zagen een in werking zijnde hennepkwekerij. In totaal stonden er in kweekruimte C 550 hennepplanten. De gemiddelde hoogte van de hennepplanten was ongeveer 50 centimeter. Per m2 stonden er 16 planten. De kweekpotten waren gevuld met kweekaarde / potgrond.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal, nummer PL0100-2015009187-10, d.d. 26 november 2015, opgenomen op pagina 206 - 209 van voornoemd zaakdossier 1, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

V: Bent u eigenaar of huurder van de locatie [straatnaam] ,waar de hennepkwekerij werd aangetroffen?

A: Ik ben de huurder van dit pand.

V: Wat betaalt of ontvangt u aan huur per maand voor deze locatie?

A: 1500 euro betaalde ik per maand, dit kreeg ik weer van de mensen die de hennepkwekerij daar hadden.

V: Hoe bent u aan dit geld gekomen of wat heeft u met het ontvangen geld gedaan?

A: Ik kreeg dit van de mensen.

V: Wie heeft de hennepkwekerij ingericht c.q. aangelegd?

A: Ik zal u zeggen hoe het is gegaan. Ik heb een schuld bij mensen. Ik heb deze proberen in te lossen, maar dat is mislukt. Daarmee bedoel ik de hennepkwekerij die op [straatnaam] in Drachten is aangetroffen. Ik zou daarmee een schuld inlossen, maar deze werd voortijdig door de politie ontmanteld, zodat ik mijn schuld niet in kon lossen.

Ik heb toen met hun afgesproken dat ik een locatie op mijn naam zou zetten, waar ze hun gang konden gaan. Daarmee bedoel ik dat ze dit dan in konden richten als hennepkwekerij. Ik heb ze in januari 2015 ook de sleutels gegeven. Ik ben er zelf nog wel geweest. Ik kwam dan gewoon in kantoor en ook heb ik de post wel gehaald. Ik heb daar een kantoor ingericht, maar dit was gewoon nep. Ik wist dat er een hennepkwekerij in de loods gebouwd zou worden en dat er hennep zou worden geteeld.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal, nummer 120, d.d. 10 februari 2016, opgenomen op pagina 345 - 356 van voornoemd zaakdossier 1, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 6] :

0: Verbalisanten schetsen de loodsen aan de [straatnaam] te Leeuwarden en verdachte [medeverdachte 6] geeft aan welke loods van wie is.

V: Wat zit er in de 2 loods?

A: Daar zit die hennep, daar ben ik afgelopen maandag nog geweest.

V: Wat is [medeverdachte 1] van je?

A: Dat is niks van mij, ik heb hem een paar keer geholpen in Franeker, in de hennepkwekerij. Ik ben een paar keer met hem meegegaan. Verder gaat [medeverdachte 1] veel met [medeverdachte 3] om maar wat ze bespreken weet ik niks. Ik zie hem als een directeur.

V: Wat is [verdachte] van je?

A: Die naam zegt mij niets. Wacht even, is dat die met dat grijze kapsel?

V: Ja

A: Okay dan weet ik wie het is, die had die loods in Franeker op naam. [verdachte] kwam wel op de [straatnaam] .

V: Wat is [medeverdachte 2] van je?

A: Die is altijd bij [medeverdachte 1] , die zijn altijd samen die twee. Dat is ook zo’n directeurs typ.

Die was met [medeverdachte 1] mee naar Franeker naar de hennepkwekerij, die man heeft altijd de leiding, dat is de baas. Zij gaven beide aan wat ik moest doen, ik moest de hennepkwekerij opruimen in Franeker.

V: Wie horen nog meer bij deze groep?

A: Bij deze organisatie? Volgens mij is dit het wel.

V: Hoe zie jij deze organisatie?

A: [medeverdachte 2] is de leider van de groep. Hij deelt de lakens uit maar mede met [medeverdachte 1] . Daaronder komt [medeverdachte 3] en helemaal onderaan wij.

A: Ja dat denk ik wel anders kom je niet bij de loods aan de [straatnaam] , dat is echt een verzamelpunt van iedereen die ermee te maken heeft.

V: En wie is er nog meer zoals jij, zeg maar een hulpje?

A: Nou ik meestal maar ook wel [medeverdachte 4] . [medeverdachte 1] die plantte de nieuwe planten, die had zeg maar het mooiere werk. Wij konden alles opruimen.

V: En zegt de naam [naam] jou ook iets?

A: Ja dat is de Roemeen van de winkel in Heerenveen. Daar moest ik wel eens spullen halen, dit ging in opdracht van [medeverdachte 3] .

V: Wat bedoel je met de winkel?

A: Dat is die growshop [bedrijf 1] . Maar daar ging [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] zelf ook wel eens heen. V: Het onderzoek richt zich op de teelt van hennep en wij hebben concrete aanwijzingen dat jij je daar mee bezig hebt gehouden, wat kun je daarover verklaren?

A: Nou ik heb al wat verklaard maar ik ben betrokken geweest bij de een hennepkwekerij Sneek, maar deze is door anderen leeg geroofd. V: [medeverdachte 6] , er is meerdere malen geconstateerd dat jij op de [straatnaam] te Franeker bent

geweest, waar een hennepkwekerij is aangetroffen, wat kun je daarover verklaren?

A: Volgens mij zit die hennepkwekerij er net na de winter van 2014. Ik heb daar de opticlimate omhooggeduwd want die konden [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] niet tillen. Ik heb ook geholpen met sjouwen van de spullen.

V: Wie waren betrokken bij de opbouw van deze kwekerij?

A: Dat waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en ik.

V: Wie deed wat?

A: [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] hebben de kwekerij neergezet waarbij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de lakens uitdeelde. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] kunnen best netjes timmeren. [medeverdachte 3] hielp hierbij en ik deed het sjouw werk.

V: Hoe zag deze ruimte eruit?

A: Het was een grote loods met 3 diepvriezen geloof ik. Je had een kleine deur waardoor je naar binnen moest en dan moest je op een knop drukken waarbij de roldeur omhoog ging. Dan had je een grote ruimte met die diepvriezen en in het begin stond er niks maar later stonden er lege dozen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zeiden dat [verdachte] daar dan moest zitten, als een soort bedrijfsleider. Zodat het leek alsof er wat gebeurde. Maar volgens mij was hij er nooit. Volgens mij duurde de opbouw iets van twee weken. Die loods werd gehuurd door [verdachte] .

V: Hoe vaak is daar geoogst?

A: 3 keer. Eerst ging de ene ruimte en dan een paar dagen later de andere ruimte. Maar ik was niet overal bij, het kan best vaker zijn geweest. V: Is het altijd een verschillende samenstelling van de groep?

A: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] doen alles samen, die zij er echt altijd bij. [medeverdachte 3] niet altijd want die heeft zijn eigen werk ook.

V: Is [medeverdachte 4] ook bij Franeker geweest?

A: Volgens mij 1 keer, toen was ik ook mee. [medeverdachte 4] gaf de tonnen aan. 2 waren aan het snoeien, 1 gaf de tonnen aan en 1 deed het in de tonnen.

V: Waar gaan die tonnen met hennep heen?

A: Die gaan naar de 2 loods, aan de [straatnaam] . Bij onze loods heb ik het dan over he.

V: Hielp jij met de tonnen uit de bus te sjouwen?

A: Ja ik hielp dan mee. Wij reden in de bus met de tonnen met hennep van de locatie direct naar de loods, loods twee.

V: Wat deden jullie met jullie telefoons als jullie naar een hennepkwekerij gingen?

A: Ja die moesten op de [straatnaam] blijven van [medeverdachte 3] . Die telefoons lieten we dan in een bus bij de [straatnaam] of in de werkplaats waar we altijd koffie drinken.

V: En eerdere hennepkwekerijen?

A: Ik weet dat ze een hennepkwekerij in Drachten hebben gehad. Ik heb hier [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] over horen praten, volgens mij is [medeverdachte 1] zelfs over die hennepkwekerij gehoord, maar dat weet ik niet zeker. Ik weet alleen dat [verdachte] die loods op naam had.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, nummer 2014015402, d.d. 5 juni 2014, opgenomen op pagina 45 - 52, zaaksdossier 2, van het dossier van de Politie Noord Nerland, nummer BVH2015009187, d.d. 5 januari 2017, inhoudende als verklaring van verbalisanten, dan wel één hunner:

Op 19 februari 2014 werd in een bedrijfspand aan [straatnaam] te Drachten een hennepkwekerij aangetroffen en ontmanteld.

Wij, verbalisanten, zagen onder meer dat:

• in dit bedrijfspand een professionele in werking zijnde hennepkwekerij was ingericht; deze hennepkwekerij op de begane grond werd aangetroffen;

• deze hennepkwekerij bestond uit twee kweekruimte(n);

• deze hennepkwekerij bestond uit in totaal 1201 hennepplanten;

• in deze kweekruimten 16 getelde hennepplanten per m2 stonden;

• deze hennepplanten in potten werden gekweekt.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal nummer V-019-01 d.d. 6 juni 2016, opgenomen op pagina 54 - 60, zaaksdossier 10 van het dossier van de Politie Noord-Nederland met nummer BVH 2015009187, d.d. 5 januari 2017, inhoudende de verklaring van [getuige 1] :

V: Wat kun je ons vertellen over de hennepkwekerij aan de [straatnaam] te Leeuwarden? Wie heeft deze kwekerij ingericht c.q. aangelegd?

A: Ik heb de groepenkast, waterleiding en stroom aangesloten. Ook heb ik daar timmerwerk gedaan met betrekking tot de wanden. De binnenkant is door [medeverdachte 1] geregeld. [naam] deed de verzorging van de planten. [naam] en [verdachte] knipten de hennep. [naam] bracht de hennep dan wel weg. [medeverdachte 1] regelde ook wel dat de geknipte hennep werd weggebracht.

V: In wiens opdracht heeft dit plaatsgevonden?

A: De bedenker van de hennepkwekerij op de Oostergoweg is [medeverdachte 1] .

V: Wie knipte(n) de hennepplanten als ze oogstrijp waren?

A: [naam] en [verdachte] knipten de planten. [medeverdachte 1] knipte de planten bij de steel af en deed ze in de blauwe ton. Dan gingen ze naar de knipruimte en daar waren [naam] en [verdachte] die de planten knipten.

V: Ben jij wel eens geweest in de kwekerij op [straatnaam] in Drachten?

A: Nee.

V: Hoe weet je dan hoeveel hennepplanten daar per ruimte stonden?

A: Dat heeft [medeverdachte 1] mij verteld. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren daar nog op de dag van het oprollen.

V: Wie verdeelt het geld?

A: Dit ging via [medeverdachte 2] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] heeft zich later ingekocht bij deze mannen. [medeverdachte 1] heeft zich denk ik in 2011 bij deze club ingekocht en is zo ook groter geworden.

V: Weet jij of de mensen welke betrokken waren bij deze hennepkwekerij, verantwoordelijk waren voor hennepkwekerijen op andere locaties?

A: Op de [straatnaam] te Leeuwarden zat een hennepkwekerij van [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] . Toen [straatnaam] in Drachten werd ontmanteld door de politie, hebben ze deze stilgelegd. Dit was omdat ze bang waren dat hier ook een inval zou komen. [straatnaam] in Drachten was van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 7] . Jullie waren net te laat met de inval op [straatnaam] in Drachten. Ze waren net weg toen jullie binnenvielen, volgens mij was er toen net geoogst. Er was ook een kwekerij in de buurt van Drachten. Deze kwekerij was van [medeverdachte 3] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [naam] en [medeverdachte 2] , volgens mij had [medeverdachte 7] niet geïnvesteerd in deze kwekerij.

Op [straatnaam] te Drachten wilden ze beginnen en daar hadden ze ook pallets met verhuisdozen staan. Dit was [medeverdachte 1] zijn idee. De Klim hadden ze wel ingericht, sowieso 1 ruimte, maar volgens mij heeft die niet gedraaid. Met de dozen wilden ze maskeren dat er een hennepkwekerij zat.

V: Hoelang ken jij [medeverdachte 1] ?

A: Ik ken [medeverdachte 1] sinds halverwege 2008 a 2009.

V: Wat voor werk doet [medeverdachte 1] ?

A: [medeverdachte 1] heeft geen normaal werk, die zit alleen in de hennep en plof bv’s.

V: Zoals jij praat over [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] etc, dat klinkt ons alsof je het over een bedrijf of organisatie hebt. Klopt dit?

A: Ja, ik zie het wel als een organisatie.

V: Wat kun je verder vertellen over de organisatie?

A: Er zijn vier grote jongens die een vast team zijn en lopers hebben. Dit zijn [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] .

V: Wie behoren allemaal nog meer bij de organisatie?

A: [medeverdachte 5] en [naam] doen wel dingen met hun, maar die doen ook wel dingen voor hun zelf. [medeverdachte 5] is vanaf 2008 al bij [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] heeft mij wel verteld dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] meerdere dingen samen hadden lopen.

V: Wat bedoel je daarmee?

A: Hennepkwekerijen.

V: Werd er weleens vergaderd? En wie riep deze vergadering dan bij één?

A: Er werd niet echt vergaderd, maar ze kwamen wel eens bij [medeverdachte 1] thuis.

V: Zat er ook een frequentie in?

A: Ze kwamen altijd vlak voor een oogst bij elkaar. En ze hadden wel goeie afspraken gemaakt wie welke kwekerij onderhield. [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deden dat voornamelijk.

V: Wie regelt henneplocaties?

A: Het aansluiten enzo van de elektriciteit doet [medeverdachte 3] altijd. Ook de opticlimates worden door [medeverdachte 3] aangesloten en geregeld. De box bouwen ze met zijn allen. Ze spreken onderling af wie wat doet. [medeverdachte 2] doet ook wel de verzorging van de planten. [medeverdachte 2] was volgens [medeverdachte 1] een goochelaar met het geven van de voeding, zodat er een grote opbrengst was van de planten.

V: Hoe communiceerde ze onderling?

A: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] communiceerden via sms of whatsapp op de Iphone. Volgens mij hadden ze geen speciale Blackberry ofzo. [medeverdachte 1] had thuis nog wel twee oude Nokia’s liggen.

V: Hadden ze aparte telefoons voor hennepzaken?

A: Ja.

V: Hoe zie je [verdachte] ?

A: [verdachte] is echt een loopjongen van [medeverdachte 1] .

6. Een schriftelijk stuk, te weten een afschrift van een huurovereenkomst d.d. 21 augustus 2012 overeengekomen tussen verhuurder [bedrijf 2] ten deze vertegenwoordigt door huurders [medeverdachte 1] en [verdachte] , als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal van Politie Noord Nederland, nummer BVH2015009187, d.d. 5 januari 2017, op pagina 104 -107, zaakdossier 2, onder meer inhoudende:

Verhuurder verhuurt aan huurders het bedrijfspand, [straatnaam] te Drachten.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 subsidiair en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

meer personen op 20 november 2015 te Franeker, gemeente Franekeradeel, met elkaar, in het kader van een beroep of bedrijf, opzettelijk hebben geteeld in een pand aan de [straatnaam] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 550 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 550 hennepplanten, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 20 november 2015 te Franeker, gemeente Franekeradeel, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door aan die personen voornoemd pand voor de teelt van hennepplanten ter beschikking te stellen.

2. Subsidiair

meer personen op 11 februari 2014 te Drachten, gemeente Smallingerland, met elkaar, in het kader van een beroep of bedrijf, opzettelijk hebben geteeld in een pand aan [straatnaam] een hoeveelheid van in totaal ongeveer 1201 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, terwijl dit gepleegde feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel, te weten 1201 hennepplanten, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 11 februari 2014 te Drachten, gemeente Smallingerland, opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door aan die personen voornoemd pand voor de teelt van hennepplanten ter beschikking te stellen.

4.

hij in de periode van 21 augustus 2012 tot en met 9 februari 2016 in Friesland, heeft deelgenomen aan een organisatie, welke werd gevormd door verdachte en meer medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het overtreden van artikel 11 lid 2, lid 3 en lid 5 Opiumwet, te weten het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen van een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Medeplichtigheid aan in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.

2. Subsidiair. Medeplichtigheid aan in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.

4. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11 lid 3 en lid 5 van de Opiumwet.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 subsidiair,

3 subsidiair en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 240 uur werkstraf subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis en 1 maand gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf. Mocht de rechtbank wel een werkstraf willen opleggen, dan is de raadsvrouw van mening dat mede vanwege de ouderdom van het onder 2 ten laste gelegde, kan worden volstaan met een lager aantal uren werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte wordt schuldig bevonden aan medeplichtigheid aan het exploiteren van hennepkwekerijen en de deelneming aan een criminele organisatie. Verdachte heeft een tweetal bedrijfspanden gehuurd, waarin vervolgens hennepkwekerijen werden geëxploiteerd. Verdachte was daarvan ook op de hoogte. Nadat een hennepkwekerij in Drachten was opgerold, werd verdachte naar eigen zeggen aangesproken voor het mislukken van die kwekerij en werd hem opdragen een nieuwe locatie te huren. Hoewel verdachte ervan op de hoogte was dat er in die loodsen hennepkwekerijen werden opgebouwd, heeft hij verder niet ingegrepen, mede vanwege het feit dat hem zwijggeld werd betaald.

Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep een strafbaar feit is en dat dit feit overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Verdachte heeft zich echter kennelijk om al deze nadelige gevolgen niet voldoende bekommerd en toegestaan dat er een kwekerij in de door hem gehuurde loodsen werd geëxploiteerd.

De organisatie waartoe verdachte behoorde hield zich op grote schaal bezig met de teelt van hennep. Verdachte hield zich als onderdeel daarvan bezig met het huren van bedrijfspanden en knippen van de hennep. Verdachte had geen leidende rol in de organisatie, maar heeft wel zijn steentje bijgedragen en financieel meegeprofiteerd. Verdachte heeft voor het overige geen inzicht willen geven in wiens opdracht hij één en ander uitvoerde.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Alle feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geformuleerde eis, ondanks de vrijspraak van een feit, onvoldoende recht doen aan hetgeen bewezen is verklaard. Met name de grote hoeveelheid aangetroffen hennepplanten en de deelname aan een criminele organisatie voor een periode van vier jaar, wegen voor de rechtbank zwaar.

De rechtbank acht alles overwegende een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. De rechtbank zal van deze gevangenisstraf een gedeelte voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van 2 jaar, dit om te voorkomen dat verdachte zich wederom zal schuldig maken aan strafbare feiten.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een Nokia telefoon en een computer, moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Benadeelde partij

[energiebedrijf] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 11.915,-- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid vanaf welk moment de hennepkwekerij in werking is geweest. Derhalve kan ook niet worden bepaald vanaf welk moment sprake is geweest van diefstal van stroom.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu de vordering betrekking heeft op een periode van 2 jaar, terwijl één specifieke datum ten laste is gelegd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 48, 49 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3, 11 en 11b van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 2 primair, 3 primair en 3 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 subsidiair en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot zes maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast de teruggave aan veroordeelde [verdachte] van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten 1 mobiele telefoon, merk Nokia, kleur grijs (G 155184) en 1 computer, merk Hp, type rp5000 (G1559237).

Bepaalt dat de benadeelde partij [energiebedrijf] in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en

mr. G.C. Koelman, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 november 2017.