Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4584

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
LEE 17-1749 en 17-3351
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Weigering omgevingsvergunning voor het vestigen van een supermarkt. Gelet op begripsomschrijving in het bestemmingsplan valt een supermarkt niet onder perifere detailhandel. Vestigingsbeleid niet in strijd met Dienstenrichtlijn en niet (kennelijk) onredelijk. Geen reden om af te wijken van het vestigingsbeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2017-0228
AR 2017/6393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/1749 en 17/3351

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2017 in de zaken tussen

1.a. [eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres sub 1.a.,

1.b. [eiseres], gevestigd te [plaats], eiseres sub 1.b.,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: W. Eilering),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Franekeradeel, verweerder,

(gemachtigde: mr. D. la Crois).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-belanghebbende], te [plaats], derde-belanghebbende,

(gemachtigde: mr. F. Postma).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eiseres sub 1.a. geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het vestigen van een supermarkt in de bestaande bebouwing op het perceel aan de [adres] in [plaats].

Bij besluit van 5 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres sub 1.a. ongegrond verklaard en het primaire besluit onder een aanvullende motivering gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op de zitting van 6 november 2017.

Eiseres sub 1.a. is vertegenwoordigd door haar gemachtigde.

Eiseres sub 1.b. is vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [betrokkene].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Derde-belanghebbende is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Kwint-Ocelikova, kantoorgenote van zijn gemachtigde.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres sub 1.a. heeft op 29 juli 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het vestigen van een supermarkt in het bestaande gebouw op het perceel aan de [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.

De aanvraag heeft betrekking op de volgende activiteit:

- handelen in strijd met regels van de ruimtelijke ordening.

1.2.

Verweerder heeft bij brief van 5 augustus 2016 aan eiseres sub 1.a. te kennen gegeven voornemens te zijn om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren wegens strijdigheid met het gemeentelijke detailhandelsbeleid.

Verder heeft verweerder met deze brief eiseres sub 1.a. in de gelegenheid gesteld om tot uiterlijk 23 augustus 2016 een zienswijze in te dienen.

1.3.

Eiseres sub 1.a. heeft bij brief van 22 augustus 2016 een zienswijze bij verweerder ingediend.

1.4.

Bij primair besluit van 26 september 2016 heeft verweerder aan eiseres sub 1.a. geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het vestigen van een supermarkt in de bestaande bebouwing op het perceel aan de [adres] in [plaats].

1.5.

Tegen dit besluit heeft eiseres sub 1.a. bij brief van 2 november 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

1.6.

Eiseres heeft het bezwaarschrift mondeling toegelicht op de hoorzitting van

18 januari 2017 van de Commissie voor de behandeling van de bezwaarschriften (hierna: de Commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

1.7.

De Commissie heeft verweerder bij ongedateerde brief van maart 2017 geadviseerd het bezwaarschrift van eiseres sub 1.a. ongegrond te verklaren en het primaire besluit van

26 september 2016 onder een aanvullende motivering te handhaven.

1.8.

Onder overneming van het advies van de Commissie heeft verweerder met het bestreden besluit het bezwaarschrift van eiseres sub 1.a. ongegrond verklaard en het primaire besluit van 26 september 2016 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Richtlijn 2006/123/EG van het Europees parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (hierna: de Dienstenrichtlijn) stelt deze richtlijn algemene bepalingen ter vergemakkelijking van de uitoefening van de vrijheid van vestiging van dienstverrichters en het vrije verkeer van diensten vast, met waarborging van een hoge kwaliteit van de diensten.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn wordt onder dienst verstaan: elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 50 van het EG-Verdrag (thans: artikel 57 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)).

Ingevolge artikel 4, achtste lid, van de Dienstenrichtlijn wordt onder dringende redenen van algemeen belang verstaan: redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid.

Ingevolge artikel 14, vijfde lid, van de Dienstenrichtlijn stellen de lidstaten de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de volgende eis: de toepassing per geval van economische criteria, waarbij de verlening van de vergunning afhankelijk wordt gesteld van het bewijs dat er een economische behoefte of marktvraag bestaat, van een beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van de activiteit of van een beoordeling van de geschiktheid van de activiteit in relatie tot de door de bevoegde instantie vastgestelde doelen van economische planning; dit verbod heeft geen betrekking op planningseisen waarmee geen economische doelen worden nagestreefd, maar die voortkomen uit dwingende redenen van algemeen belang.

2.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het, voor zover thans van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3. indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

2.2.

Ingevolge het bestemmingsplan “Franeker-Industrieterrein West’ is aan het perceel de bestemming “Bedrijventerrein”, met de functieaanduiding “bedrijf tot en met categorie 2” en de gebiedsaanduiding “wro-zone – ontheffingsgebied” toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 44, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan wordt onder perifere detailhandel verstaan: detailhandel volgens een formule die vanwege de aard en/of omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling, zoals de verkoop van auto’s, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, bouwmaterialen, keukens en sanitair, alsmede woning inrichtingsartikelen, waaronder meubelen.

Ingevolge artikel 4.1, onder a, ten eerste, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de voor “Bedrijventerrein” aangewezen gronden bestemd voor: gebouwen ten behoeve van bedrijven die zijn genoemd in bijlage 1 onder de categorieën 1 en 2, ter plaatse van de aanduiding “bedrijf tot en met categorie 2”.

Ingevolge artikel 4.1, onder a, ten zevende, van de planvoorschriften van dit bestemmings-plan zijn de voor “Bedrijventerrein” aangewezen gronden bestemd voor: gebouwen ten behoeve van perifere detailhandel, ter plaatse van de aanduiding “detailhandel perifeer”.

Ingevolge artikel 4.6, aanhef en onder a, van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan kunnen burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, ontheffing verlenen van: het bepaalde in 4.1, sub a en lid 4.5 sub a en toestaan dat gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de uitoefening van perifere detailhandel, mits:

- deze ontheffingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast ter plaatse van de aanduiding “Wro-zone – ontheffingsgebied” en geen duurzame ontwrichting van het winkelapparaat in Franeker optreedt;

- vestiging in de binnenstad en/of in de Wilhelminabuurt niet mogelijk is.

2.3.

In paragraaf 7.2 van de Structuurvisie Stad-Franeker 2015-2025 (hierna: de Structuurvisie) is met betrekking tot supermarkten aangegeven dat door de nieuwvestiging van een aantal supermarkten de stad momenteel is voorzien van een breed aanbod aan supermarkten. Mocht de vestiging van eventuele nieuwe supermarkten aan de orde komen, dan geldt dat sprake moet zijn van een goede bereikbaarheid, waarbij voldoende ruimte is voor bevoorrading en parkeergelegenheid. Mogelijke locaties moeten liggen binnen de bolwerken in de binnenstad of aan de Leeuwarderweg bij Bloemketerp.

2.4.

In paragraaf 4.4 van de Binnenstadsvisie Franeker (hierna: de Binnenstadsvisie) is aangegeven dat het voor het toekomstig functioneren van de binnenstad ten eerste van belang is dat er op perifere locaties elders in Franeker en de gemeente geen nieuwe publieksgerichte (winkel)voorzieningen worden toegestaan. Om de binnenstad in een krimpende (winkel) markt aantrekkelijk te houden, is het erg belangrijk om alle potenties die er zijn zoveel mogelijk te ‘trechteren’ naar de binnenstad. Voor een levendige binnenstad als ‘huiskamer van Franekeradeel’ en voldoende voorzieningen is consistent (detailhandels)beleid, gericht op concentratie in de gewenste deelgebieden, erg belangrijk.

2.5.

De raad van de gemeente Franekeradeel (hierna: de raad) heeft op 1 november 2007 het vestigingsbeleid (hierna: het beleid) voor supermarkten vastgesteld.

Het beleid is erop gericht om de recreatieve winkelfunctie van de Franeker binnenstad te behouden en waar mogelijk te versterken. Uit onderzoek is gebleken dat de recreatieve winkelfunctie sterk afhankelijk is van de nabije aanwezigheid van de boodschappenfunctie. Anders gezegd: om de binnenstad van Franeker vitaal en levendig te houden, is de aanwezigheid van supermarkten van doorslaggevend belang. Het toestaan van supermarkten in gebieden die geen directe koppeling hebben met de binnenstad (grotere afstand dan loopafstand), leidt er onvermijdelijk toe dat het bezoek aan de binnenstad afneemt. Daarmee verzwakt de recreatieve winkelfunctie van de binnenstad. Nieuwvestiging van supermarkten wordt daarom uitsluitend toegestaan in of in de directe nabijheid van het centrum. Er is sprake van ruimtelijk beleid dat tot doel heeft om leegstand in het centrum te voorkomen, zorgvuldig ruimtegebruik en de leefbaarheid te bevorderen alsmede Franeker aantrekkelijk te houden als toeristische kern.

Overwegingen

3. In procedureel opzicht overweegt de rechtbank als volgt.

3.1.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers naar voren gebracht dat de rechtbank [derde-belanghebbende] ten onrechte als partij in de zin van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangemerkt, aangezien hij geen belang heeft bij het besluit tot de weigering van een omgevingsvergunning.

3.2.

Ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Awb kan de bestuursrechter tot de sluiting van het onderzoek ter zitting ambtshalve, op verzoek van een partij of op hun eigen verzoek, belanghebbenden in de gelegenheid stellen als partij aan het geding deel te nemen.

3.3.1.

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2011:BT2816, volgt dat aan het geding kan worden deelgenomen door een derde-partij wiens belang tegengesteld is aan dat van eiser en die door gegrondverklaring van het beroep in een nadeliger positie zou komen te verkeren, zonder dat deze derde-partij eerst aan een bezwaarschriftprocedure of beroeps-procedure in eerste aanleg heeft deelgenomen.

3.3.2.

In hetgeen de gemachtigde van eisers ter zitting naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de in rechtsoverweging 3.3.1. genoemde vaste jurisprudentie van de AbRvS. De rechtbank overweegt dat artikel 8:26, eerste lid, van de Awb ertoe strekt om hen die een belang hebben dat tegengesteld is aan dat van eiser tot het geding toe te laten ter voorkoming van een verslechtering van hun positie. Gelet hierop betoogt de gemachtigde van eisers naar het oordeel van de rechtbank tevergeefs dat [derde-belanghebbende] in dit geval ten onrechte is toegelaten als partij in het geding. Zijn belang is tegengesteld aan dat van eisers. De in bezwaar gehandhaafde weigering van de omgevings-vergunning strookt immers met zijn wens. Hem kan dan ook niet worden tegengeworpen geen beroep bij de rechtbank te hebben ingesteld. Nu de door eisers bij de rechtbank ingestelde beroepen ertoe kunnen leiden dat de in bezwaar gehandhaafde weigering een omgevingsvergunning te verlenen, kan worden vernietigd en [derde-belanghebbende] daardoor in een nadeliger positie kan komen te verkeren, bestaat geen aanleiding om hem niet als partij ingevolge artikel 8:26, eerste lid, van de Awb aan het geding te laten deelnemen.

4. Verder overweegt de rechtbank in procedureel opzicht het volgende.

4.1.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Awb dient degene aan wie het recht is toegekend beroep bij een bestuursrechter in te stellen alvorens beroep in te stellen bezwaar te maken.

4.2.

De rechtbank stelt vast dat mede namens eiseres sub 1.b. beroep is ingesteld tegen het bestreden besluit zonder dat namens haar een bezwaarschrift, gericht tegen het primaire besluit van 26 september 2016, bij verweerder is ingediend. Nu niet is gebleken dat de gemachtigde gedurende de gehele bezwaartermijn niet in staat is geweest om mede namens eiseres sub 1.b. een bezwaarschrift bij verweerder in te dienen en overigens niet is gebleken dat het niet indienen van een bezwaarschrift namens eiseres sub 1.b. verschoonbaar moet worden geacht, is het beroep, voor zover het mede is ingediend namens eiseres sub 1.b., niet-ontvankelijk.

5. Inhoudelijk wordt als volgt overwogen.

5.1.

Tussen partijen is in geschil of verweerder in dit geval een omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren voor het vestigen van een supermarkt in de bestaande bebouwing op het perceel aan [adres] in [plaats]. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

5.2.

De rechtbank stelt voorop dat het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning door gebruikmaking van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid een bevoegdheid van verweerder is. Het discretionaire karakter van deze bevoegdheid brengt met zich dat het besluit in zoverre terughoudend moet worden getoetst (vgl. AbRvS, 5 februari 2014, ECLI: NL:RVS:2014:336).

5.3.

Eiseres sub 1.a. betoogt dat uit de begripsomschrijving van perifere detailhandel volgt dat dit alle vormen van detailhandel betreft volgens een formule die vanwege de aard en/of omvang van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig heeft voor de uitstalling. Aangezien in de voorschriften of in de toelichting niet is aangegeven welke branches niet onder de begripsomschrijving van perifere detailhandel vallen, is van een uitzondering in de visie van eiseres sub 1.a. geen sprake. Naar de mening van eiseres sub 1.a. is de motivering van verweerder in het primaire besluit dat een supermarkt, gelet op het gemeentelijke beleid en de bedoeling van de planwetgever, niet onder het begrip perifere detailhandel zou moeten worden begrepen, onvoldoende draagkrachtig.

5.4.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een supermarkt niet kan worden beschouwd als vorm van perifere detailhandel, als bedoeld in artikel 1, lid 44, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan. In dit verband wijst verweerder erop dat, gelet op de omschrijving van het begrip perifere detailhandel, een supermarkt niet binnen de reikwijdte van de afwijkingsbevoegdheid in het bestemmingsplan valt, aangezien als voorbeelden van perifere detailhandel uitsluitend non-foodartikelen worden genoemd, waarbij het ook nog eens gaat om niet-frequent benodigde/niet-dagelijkse goederen. Bij een supermarkt is volgens verweerder sprake van de verkoop van frequent benodigde/dagelijkse voedingsmiddelen. Daarnaast wijst verweerder erop dat het, gelet op het gemeentelijke vestigingsbeleid, niet logisch dan wel aannemelijk is dat de planwetgever heeft beoogd om verweerder de bevoegdheid te geven om op het Industrieterrein-West supermarkten toe te staan. Dit strookt volgens verweerder geenszins met de gemeentelijke doelstelling om supermarkten te concentreren in de Franeker binnenstad of op loopafstand van de binnenstad.

5.5.

Hoewel de in artikel 1, lid 44, van de planvoorschriften van voormeld bestemmings-plan opgenomen voorbeelden niet limitatief bedoeld zijn, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat een supermarkt niet onder de vorenbedoelde begripsomschrijving van perifere detailhandel kan worden begrepen. Daarbij heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat alle in de begripsomschrijving van perifere detailhandel genoemde voorbeelden niet dagelijkse non-food artikelen betreffen die naar hun aard voldoende ruimte nodig hebben om voor de verkoop presentabel te worden uitgestald. Verder heeft verweerder daarbij in aanmerking kunnen nemen dat het tegenstrijdig zou zijn als de raad bij het bestemmingsplan een afwijking voor supermarkten mogelijk zou maken, terwijl dat op zichzelf in afwijking is van het eerder door de raad vastgestelde vestigingsbeleid voor supermarkten. In zoverre heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat noch uit de voorbeelden in artikel 1, lid 44, van de planvoorschriften van voormeld bestemmingsplan noch uit de bedoeling van de planwetgever blijkt dat een supermarkt onder de begripsomschrijving van perifere detailhandel valt (vgl. AbRvS, 6 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW7619). Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het niet bevoegd was om met toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid medewerking te verlenen aan de vestiging van een supermarkt in een bestaand gebouw op voormeld perceel. Deze grond van eiseres sub 1.a. slaagt niet.

6. De rechtbank overweegt dat het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning door gebruikmaking van een afwijkingsbevoegdheid ingevolge het Besluit omgevingsrecht (Bor) een bevoegdheid van verweerder is. Het discretionaire karakter van deze bevoegdheid brengt met zich dat het besluit in zoverre terughoudend moet worden getoetst.

6.1.

Eiseres sub 1.a. betoogt dat als de brancheringsregels tot doel hebben om de concurrentie in bepaalde winkelgebieden te beschermen en de impact van nieuwe winkels op de bestaande structuur te beperken, die regels hoogstwaarschijnlijk zonder meer zijn verboden wegens strijdigheid met de Dienstenrichtlijn. Daarbij wijst eiseres sub 1.a. op een conclusie van 18 mei 2017 van de advocaat-generaal van het Hof van Justitie (HvJ) in de zaak C-31/16. Volgens eiseres sub 1.a. is evident dat het vestigingsbeleid tot doel heeft om supermarkten bij voorkeur te situeren in het centrum van Franeker, maar dat daarmee geenszins is gerechtvaardigd wegens dwingende redenen van algemeen belang dat supermarkten zich op geen enkele andere locatie in Franeker zouden mogen vestigen. In de visie van eiseres sub 1.a. ontbreekt een nauwkeurige noodzakelijkheidsanalyse om de beperking te rechtvaardigen. Nu de vestiging van een supermarkt in de binnenstad van Franeker of in de Wilhelminabuurt niet mogelijk is, is het beleid dat stelt dat een supermarkt uitsluitend in de binnenstad mag worden gesitueerd naar de mening van eiseres sub 1.a. onredelijk en niet in het belang van een goede ruimtelijke ordening, als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de conclusie van 18 mei 2017 van de advocaat-generaal van het HvJ blijkt dat het uitsluiten van bepaalde soorten detailhandel in een bestemmingsplan gerechtvaardigd is, als daarmee op evenredige wijze de bescherming van het stedelijk milieu wordt nagestreefd. Daarbij verwijst verweerder naar overweging 147 en 148 van voormelde conclusie. Verder wijst verweerder erop dat de in het beleid genoemde belangen de beperking van de vestigingsmogelijkheden rechtvaardigt. Dit te meer, gelet op het feit dat het gemeentelijke beleid het niet onmogelijk maakt voor supermarkten om zich binnen de stad Franeker te vestigen. Naar de mening van verweerder is het bestreden besluit niet in strijd met de Dienstenrichtlijn. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat het gemeentelijke beleid voor supermarkten in Franeker consistent gevoerd beleid is, dat een goede ruimtelijke ordening tot doel heeft. Ook is er sprake van actueel beleid, nu dit beleid onderdeel is van de recent vastgestelde Structuurvisie (2015) en de Binnenstadsvisie (2013). Het beleid is gestoeld op een onderzoek van adviesbureau DTNP. Gelet hierop is er naar de mening van verweerder geen sprake van (kennelijk) onredelijk ruimtelijk beleid.

6.3.

In voormelde conclusie heeft de advocaat-generaal van het HvJ onder meer het volgende overwogen:

‘147. De bescherming van het stedelijk milieu, die wordt aangevoerd als dwingende reden van algemeen belang, is erkend in artikel 4, punt 8, van richtlijn 2006/123 (132,), dat op dit punt eerdere rechtspraak over artikel 56 VWEU codificeert (133). Een gemeente kan er belang bij hebben om via een bestemmingsplan te bevorderen dat de binnenstad haar dynamiek en oorspronkelijke karakter behoudt. Regulering van de vestigingsmogelijkheden voor winkels kan in algemene zin onderdeel zijn van een dergelijk beleid. Bovendien is het mogelijk dat een gemeente ook de hoeveelheid en doorstroming van het verkeer binnen en buiten de stad wil beïnvloeden. Daaraan moet worden toegevoegd dat de betrokken maatregel niet economisch is in de zin dat het doel en het gevolg ervan is dat bepaalde detailhandelaars gunstiger worden behandeld dan andere. Veeleer gaat het om een manier van leven in een stad en daarmee bijna om cultuurbeleid, dat ook als een dwingende reden van algemeen belang is erkend in artikel 4, punt 8, van richtlijn 2006/123. (134)

148. De maatregel lijkt evenredig en niet verder te gaan dan wat nodig is om het doel ervan

te bereiken. Winkelcentra buiten de binnenstad hebben een zichzelf versterkend effect.

Wanneer bepaalde winkels zich eenmaal buiten de stadskern bevinden en de inwoners

daar met de auto heen gaan, wordt die locatie ook aantrekkelijker voor andere winkels die tot dusverre in de binnenstad waren gevestigd. De enige manier om de negatieve

gevolgen van een verkeerstoename en een lege binnenstad te vermijden is dus om de

mogelijkheden voor dienstverrichters om zich buiten de binnenstad te vestigen, te

beperken.’

6.4.1.

Voor zover eiseres sub 1.a. betoogt dat de weigering van de omgevingsvergunning vanwege het vestigingsbeleid in strijd is met de Dienstenrichtlijn, overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de in rechtsoverweging 6.3. geciteerde overwegingen van de conclusie van de advocaat-generaal van het HvJ niet worden afgeleid dat het vestigingsbeleid in dit geval in strijd komt met de Dienstenrichtlijn. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het vestigingsbeleid is gericht op het verbinden van de supermarktfunctie aan de binnenstad om de binnenstad vitaal en aantrekkelijk te houden (het voorkomen van leegstand en het behoud van voldoende voorzieningen). Door eiseres sub 1.a. is niet aannemelijk gemaakt dat de doelstelling van het vestigingsbeleid, gelet op voormelde conclusie van de advocaat-generaal van het HvJ, niet kan worden aangemerkt als de bescherming van het stedelijk milieu en in die zin een dwingende reden van algemeen belang. De enkele, ter zitting naar voren gebrachte, stelling dat het uiteindelijke arrest van het HvJ zal uitgaan van een striktere interpretatie van het begrip dwingende reden van algemeen belang is daartoe onvoldoende. In zoverre slaagt deze grond van eiseres sub 1.a. niet.

6.4.2.

Voor zover eiseres sub 1.a. betoogt dat het vestigingsbeleid in dit geval (kennelijk) onredelijk is, overweegt de rechtbank als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het vestigingsbeleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling niet te buiten. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat niet is komen vast te staan dat de vestiging van een supermarkt in het toegestane gebied binnen [plaats] onmogelijk is of op grond van het vestigingsbeleid de facto is uitgesloten. Dat eiseres sub 1.a. om haar moverende redenen een andere, niet specifiek in het vestigingsbeleid aangegeven locatie op het oog heeft voor de vestiging van een supermarkt, brengt niet met zich dat voormeld beleid om die reden (kennelijk) onredelijk is. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de vestiging van een supermarkt in een bestaand gebouw op voormeld perceel in strijd komt met het vestigingsbeleid en om die reden niet past binnen een goede ruimtelijke ordening, zodat er geen medewerking kon worden verleend aan het afwijken van het bestemmingsplan op grond van het Bor. Deze grond van eiser sub 1.a. slaagt niet.

Conclusie

7. Gelet op rechtsoverweging 4.2. is het beroep, voor zover het mede is ingediend namens eiseres sub 1.b., niet-ontvankelijk. Gelet op de overige overwegingen is het beroep van eiseres sub 1.a. ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover het is ingediend mede namens eiseres sub 1.b., niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van eiseres sub 1.a. ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 november 2017.

De griffier De rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op: