Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4541

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-11-2017
Datum publicatie
29-11-2017
Zaaknummer
C/17157793/KGZA 17-284
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

opheffing executoriaal beslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/157793 / KG ZA 17-284

Vonnis in kort geding van 29 november 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THEBRANDSENSE BV,

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. [B],

wonende te [woonplaats],

eiseressen,

advocaat mr. H.A. Stein te Breda,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

en

2. [D]

wonende te [woonplaats]

gedaagden,

advocaat mr. J.H. van der Meulen te Joure.

Partijen zullen hierna theBRANDsense c.s. en [C] c.s. genoemd worden.

Afzonderlijk zullen eiseressen worden aangeduid als theBRANDsense, [A] en [B].

Gedaagden zullen afzonderlijk worden aangeduid als [C] en [D].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding;

  • -

    de producties van de zijde van [C] c.s.;

  • -

    de mondelinge behandeling;

  • -

    de pleitnota van theBRANDsense c.s.;

  • -

    de pleitnota van [C] c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[B] is bestuurder en enig aandeelhouder van theBRANDsense, die op haar beurt enig bestuurder en enig aandeelhouder is van [A].

2.2.

[D] is bestuurder en enig aandeelhouder van [C].

2.3.

[D] en [B] hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

2.4.

Op 29 januari 2015 is de vennootschap JBMG B.V. (hierna: JBMG) opgericht. JBMG heeft twee aandeelhouders, te weten [A] en [C], die ieder 50% van de stemgerechtigde aandelen (geen prioriteits- of preferente aandelen) houden. Deze beide 50%-aandeelhouders zijn tevens ieder zelfstandig bevoegde bestuurder van JBMG.

2.5.

Tussen [D] en [B] zijn verschillen van inzicht gerezen ter zake JBMG. In augustus 2017 heeft [B] zich voor rechtsbijstand gewend tot mr. A. Brink, advocaat te Heerenveen. Bij brief van 18 september 2017 heeft mr. Brink zich als advocaat van [B] kenbaar gemaakt aan de advocaat van [D], mr. Van der Meulen. Mr. Brink is curator (geweest) in het faillissement van [E] B.V., een dochtervennootschap van [C]. Dat faillissement is op 25 januari 2012 uitgesproken.

2.6.

Bij uitvoerbaar verklaard vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam d.d. 18 september 2017 (hierna: het vonnis) is theBRANDsense c.s. op vordering van [C] tot onder meer het volgende veroordeeld:

"5.1. veroordeelt The Brand Sense en [A] om binnen vijf werkdagen

na betekening van dit vonnis over te gaan tot het royeren van het recht van hypotheek

dat ten behoeve van The Brand Sense en [A] ten laste van JBMG B.V.

is gevestigd, welk hypotheekrecht op 29 maart 2017 is ingeschreven in deel 71325

onder nummer 37 in Nederland op het kadastraal perceel [gemeente] L 1940, plaatselijke

bekend als [adres] te ([postcode]) [woonplaats], en tot zodanig royement over te gaan

door middel van ondertekening (door middel van een gelegaliseerde handtekening)

van de bij de dagvaarding als productie 13 overgelegde volmacht,

5.2.

veroordeelt [A], in hoedanigheid van bestuurder van JBMG

B.V. onmiddellijk na het onder rechtsoverweging 5.1. opgenomen royement, door

JBMG B.V. een recht van tweede hypotheek te doen vestigen, gelijkelijk (in tweede

rang) ten behoeve van [C] B.V. en [A] ter zekerheid van

hetgeen [C] B.V. en [A] van JBMG B.V. te vorderen hebben

uit hoofde van de door hen aan JBMG B.V. verstrekte geldleningen, welk recht van

tweede hypotheek gevestigd zal worden op het kadastraal perceel [gemeente] L 1940,

plaatselijk bekend als [adres] te ([postcode]) [woonplaats], overeenkomstig de bij de

dagvaarding als productie 12 overgelegde concept-akte,

5.3.

veroordeelt The Brand Sense c.s. hoofdelijk tot betaling van een dwangsom

van € 10.000,00 voor iedere dag dat zij in gebreke blijft om aan de in 5.1. en 5.2.

opgenomen veroordelingen te voldoen, en bepaalt dat boven een bedrag van

€ 150.000,00 geen dwangsommen meer worden verbeurd,

5.4.

veroordeelt [B], in haar hoedanigheid van (middellijk) statutair bestuurder

en/of enig aandeelhouder van The Brand Sense en van [A], om alles te

doen wat nodig is voor nakoming van de hiervoor in 5.1 en 5.2 uitgesproken

veroordelingen, en om alles na te laten wat de nakoming daarvan kan hinderen,

5.5.

veroordeelt [B] tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere

gebeurtenis of dag dat zij in gebreke blijft om aan de in 5.1. en 5.2. opgenomen

veroordelingen te voldoen, en bepaalt dat boven een bedrag van € 150,000.00 geen

dwangsommen meer worden verbeurd,

(…)

5.8.

verbiedt [B] of een door haar beheerste vennootschap voor de duur van tien

jaren na betekening van dit vonnis uit eigen beweging aan derden mededelingen te

doen met betrekking tot de privérelatie die tussen haar en [D] heeft bestaan, met

inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.15. is overwogen,

5.9.

bepaalt, voor het geval The Brand Sense c.s. in strijd zouden handelen met

het in 5.8. omschreven verbod, dat zij hoofdelijk een dwangsom verbeuren van

€ 50.000,00 per overtreding,

(…)".

2.7.

In rechtsoverweging 4.15 van het vonnis is, voor zover van belang, het volgende overwogen:

"(…) Bovendien is de gevraagde voorziening te eenzijdig omdat zij ook zou gelden voor het contact tussen [B] en haar eigen vrienden en familieleden, binnen welke kring het haar echter - mits op gepaste wijze - in beginsel vrijstaat zich te uiten zoals zij wil. Voor het geval vrienden van [B] tevens vrienden of familieleden van [D] zijn, en [B] dit weet, prevaleert het belang van [D] en staat het [B] niet vrij hen te benaderen met mededelingen over de privérelatie die met [D] heeft bestaan. Hetzelfde geldt voor het benaderen van zakelijke partners van [C] B.V. en/of [D] alsmede publiciteitsmedia, waaronder begrepen sociale media.

Verder zou de voorziening naar de letter eveneens gelden voor het geval derden [B] of de met haar verbonden vennootschappen kritisch zouden aanspreken op de verbroken relatie met [D]. In voorkomend geval mag haar echter niet het recht worden ontzegd zich tegen aantijgingen van derden in dit verband op zakelijke wijze te verweren met inachtneming van de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. (…)".

2.8.

Op 25 september 2017 is het vonnis betekend aan theBRANDsense c.s.

2.9.

Van 27 september 2017 tot en met 29 september 2017 verbleef [B] in het Antoniusziekenhuis te Sneek in verband met een acute medische, operatieve ingreep.

2.10.

In opdracht van [C] c.s. heeft mr. P.H. Prummel, notaris te Emmeloord, aan [B] een royementsvolmacht toegezonden. Op 2 oktober 2017 heeft mr. H.H. Leerink, notaris te Leeuwarden, de door [B] ondertekende en door hem gelegaliseerde royementsvolmacht (r.o. 5.1. van het vonnis) per e-mail en per post aan notaris Prummel teruggezonden. In een begeleidend schrijven bij voormeld e-mailbericht heeft notaris Leerink aan notaris Prummel onder meer meegedeeld dat [B] zekerheid wenst dat het tweede hypotheekrecht ten behoeve van [C] en [A] wordt gevestigd en niet ten behoeve van een andere partij, en voorts:

"(…) Daartoe dient het te vestigen hypotheekrecht van [C] B.V. en van [A] B.V. als een recht van derde hypotheek te worden gevestigd en zodra dat recht van derde hypotheek is ingeschreven kan gebruik gemaakt worden van de royementsvolmacht. Door de doorhaling is dan een recht van tweede hypotheek gevestigd, zoals onder 5.2 is bepaald. (…)".

2.11.

Op 10 oktober 2017 heeft notaris Prummel een ontwerpakte aan notaris Leerink gezonden ten behoeve van de vestiging van een tweede hypotheek ten gunste van [C] en Berbers Building. Daarbij was tevens een volmacht gevoegd met de mededeling dat het passeren van de akte stond gepland voor 17 oktober 2017, zodat de gelegaliseerde volmacht uiterlijk 16 oktober 2017 in het bezit van notaris Prummel diende te zijn.

2.12.

Op of omstreeks 16 oktober 2017 heeft notaris Leerink de door [B] ondertekende en door hem gelegaliseerde volmacht per post en per e-mail verzonden aan notaris Prummel.

2.13.

Bij exploot van 16 oktober 2017 heeft theBRANDsense c.s. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam van 18 september 2017.

2.14.

Op 17 oktober 2017 heeft notaris Prummel de ten gunste van [A] gevestigde hypotheek doorgehaald en ten gunste van [A] en [C] een (tweede) recht van hypotheek gevestigd.

2.15.

Bij exploot van 17 oktober 2017 is op verzoek van [C] aan theBRANDsSense c.s. (vernieuwd) bevel gedaan om - samengevat - binnen twee dagen een bedrag aan dwangsommen te voldoen ad € 330.000,00, te vermeerderen met kosten. [C] heeft in voornoemd exploot het volgende ten grondslag gelegd aan haar (vernieuwd) bevel:

"dat rekwirante heeft moeten vaststellen, dat gerekwireerden NIET aan voormelde veroordeling(en) hebben voldaan, immers:

1. Gerekwireerden hebben tot heden niet voldaan aan de in alinea 5.1. van het dictum van het vonnis EN in alinea 5.2. van het dictum van het vonnis uitgesproken veroordeling(en);

2. Dat gerekwireerde daarom hoofdelijk (een) dwangsom(men) verbeuren aan rekwirante als

genoemd in alinea 5.3. van het dictum van het vonnis, zijnde berekend over de periode 3 oktober 2017 tot en met 16 oktober 2017 (14 dagen € 10.000,00. zijnde) € 140,000,00;

3. Gerekwireerde sub 3 heeft niet voldaan aan de in alinea 5.4. van het dictum van het vonnis uitgesproken veroordeling(en);

4. Dat gerekwireerde sub 3 daarom (een) dwangsom(men) verbeurt aan rekwirante als genoemd in alinea 5.5. van het dictum van het vonnis, zijnde berekend over de periode 3 oktober 2017 tot en met 16 oktober 2017 (14 dagen € 10.000,00, zijnde) € 140.000,00;

5. Gerekwireerden hebben gehandeld in strijd met het in alinea 5.8. van het dictum van het vonnis omschreven verbod, immers met name gerekwireerde sub 3 heeft uit eigen beweging aan mr. A.J. Brink (advocaat te Heerenveen) mededelingen gedaan met betrekking tot de privérelatie tussen haar (gerekwireerde sub 3) en [D] (directeur van rekwirante);

6. Dat gerekwireerden daarom hoofdelijk (een) dwangsom(men) verbeuren aan rekwirante als genoemd in alinea 5.9. van het vonnis, zijnde € 50.000,00;

2.16.

Op 20 oktober 2017 heeft [C] ten laste van theBRANDsense c.s. executoriaal (derden)beslag doen leggen tot verhaal van de bij exploot van 17 oktober 2017 aangezegde dwangsommen op de aandelen in JBMG, op het woonhuis, een Jeep, een Volvo en een motorboot van [B], en onder de vennootschap Van Huis Uit B.V.

2.17.

Bij e-mailbericht van 23 oktober 2017 heeft mr. Stein bij mr. Van der Meulen protest aangetekend tegen de invordering van de beweerdelijk verbeurde dwangsommen.

2.18.

Op 27 oktober 2017 heeft [C] executoriaal beslag doen leggen op roerende (inboedel)zaken ten laste van [B]. Op dezelfde datum heeft [C] de in beslag genomen Jeep en de motorboot van [B] in gerechtelijke bewaring doen nemen.

3 Het geschil

3.1.

The Brand Sense c.s. vordert bij vonnis:

I. De executoriale beslagen, gelegd op verzoek van [C] en ten laste van theBRANDsense c.s.

- onder de vennootschap Van Huis Uit BV, gevestigd te [vestigingsplaats] op al hetgeen aan theBRANDsense c.s. verschuldigd is of uit hoofde van een bestaande rechtsverhouding verschuldigd zal worden alsmede op roerende zaken;

- op de aandelen in JBMG;

- op het woonhuis van [B], plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente] [kadastraal nummer];

- op een auto, merk Jeep, kenteken LR-JB-75;

- op een auto, merk Volvo, type C30, kenteken 10-XJ-KN;

- op een motorboot, merk Rinker, genaamd Black Pearl, voorzien van nummer 38-85-YN;

- op roerende zaken, zoals gelegd op 27 oktober 2017;

op te heffen.

II. [C] c.s. hoofdelijk te bevelen binnen twee dagen na het te dezen te wijzen vonnis

- de opheffing van het beslag op het woonhuis te hebben doen inschrijven in de

openbare registers, alsmede

- de opheffing van het derdenbeslag te hebben meegedeeld aan Van Huis Uit BV

alsmede

- de opheffing van het beslag op de aandelen te hebben meegedeeld aan JBMG

en in het aandeelhoudersregister te hebben doen inschrijven alsmede

- te hebben zorggedragen dat alle in bewaring genomen roerende zaken volledig onbeschadigd wederom zijn afgeleverd op dezelfde plaats als waar zij in bewaring

zijn genomen en ter vrije beschikking van de rechthebbende zijn gesteld.

III. [C] c.s. hoofdelijk te veroordelen de executie van beweerdelijk verbeurde dwangsommen te staken en gestaakt te (doen) houden totdat bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak op die beweerdelijke aanspraken is beslist en daartoe [C] te bevelen binnen drie weken na het te dezen te wijzen vonnis een procedure

aanhangig te hebben gemaakt bij de rechtbank te Leeuwarden om de omvang van die

beweerdelijke aanspraken te doen vaststellen.

IV. [C] c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan theBRANDsense c.s. bij overtreding van het ad II en/of ad III te geven bevel bij wijze van eenmalige dwangsom een bedrag te voldoen van € 100.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, alsmede een dwangsom van € 10.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt;

V. [C] c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan theBRANDsense c.s. te betalen binnen twee weken na het te dezen te wijzen vonnis, bij wijze van voorschot op de door theBRANDsense c.s. geleden en te lijden schade, een bedrag in hoofdsom van

€ 25.000,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;

VI. [C] c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan theBRANDsense c.s. te betalen binnen twee weken na het te dezen te wijzen vonnis de volgens het gebruikelijke tarief te

begroten bijdrage in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de

ter zake van deze kosten toegewezen bedragen vanaf de 14e dag na de datum van het te

dezen te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

VII. [C] c.s. hoofdelijk te veroordelen om aan theBRANDsense c.s. te betalen binnen twee weken na het te dezen te wijzen vonnis een bedrag aan nasalaris van € 131,00

ingeval van niet-betekening van het vonnis en € 205,00 aan nasalaris ingeval van

betekening van het vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente over de ter zake van

deze kosten toegewezen bedragen vanaf de 14e dag na de datum van het ten dezen te

wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

VIII. Het vonnis uitvoerbaar hij voorraad te verklaren.

3.2.

[C] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen.

4.2.

De voorzieningenrechter overweegt dat het geschil tussen partijen een executiegeschil betreft in de zin van artikel 438 Rv. Aan de orde is de vraag of de ten laste van theBRANDsense c.s. gelegde executoriale (derden)beslagen moeten worden opgeheven. Opheffing van een executoriaal beslag kan onder andere aan de orde zijn als het beslag onrechtmatig is gelegd omdat geen dwangsommen zijn verbeurd.

4.3.

TheBRANDsense c.s. legt aan haar vorderingen ten grondslag dat het beslag onrechtmatig is gelegd en dat [C] c.s. door de beslaglegging onrechtmatig jegens haar handelt. Zij stelt daartoe dat een titel voor het beslag ontbreekt omdat geen dwangsommen zijn verbeurd aangezien theBRANDsense c.s. zich gehouden heeft aan de tegen haar uitgesproken veroordelingen in het vonnis van 18 september 2017.

[C] c.s. stelt daar tegenover dat dwangsommen zijn verbeurd omdat theBRANDsense c.s. het bepaalde in 5.1, 5.2, 5.4 en 5.8 van het vonnis niet of niet tijdig is nagekomen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een onrechtmatig gelegd beslag moet dus worden onderzocht of theBRANDsense c.s. heeft voldaan aan haar verplichtingen zoals bepaald in 5.1, 5.2, 5.4 en 5.8 van het vonnis.

Doorhaling hypotheek

4.4.

In 5.1. en 5.4 van het vonnis is bepaald dat theBRANDsense c.s. binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis over moet gaan tot royement van het hypotheekrecht in kwestie door ondertekening van een bij de dagvaarding overgelegde volmacht. Tussen partijen staat vast dat maandag 2 oktober 2017 de laatste werkdag was waarop theBRANDsense c.s. aan deze veroordeling moest voldoen.

4.5.

De vraag is waartoe de veroordeling theBRANDsense c.s. verplichtte.

Volgens theBRANDsense c.s. ging het erom dat zij tijdig de royementsvolmacht moest verlenen. [C] c.s. stelt kennelijk, naar de voorzieningenrechter begrijpt, dat theBRANDsense c.s. ervoor moest zorgen dat de hypotheek tijdig was doorgehaald.

4.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is beslissend wat concreet van theBRANDsense c.s. werd verlangd. De Amsterdamse voorzieningenrechter heeft concreet aangewezen wat theBRANDsense c.s. behoorde te doen, namelijk overgaan tot royement door ondertekening van de volmacht. Mede in aanmerking genomen dat [C] c.s. notaris Prummel had aangezocht om de doorhaling te bewerkstelligen en deze daartoe een volmacht aan theBRANDsense c.s. ter ondertekening had doen toekomen, moet worden aangenomen dat theBRANDsense c.s. aan de veroordeling heeft voldaan, als zij die volmacht tijdig heeft ondertekend.

4.7.

Niet in geschil is dat theBRANDsense c.s. de volmacht heeft ondertekend en dat notaris Leerink die heeft gelegaliseerd en op maandag 2 oktober 2017 aan notaris Prummel heeft toegezonden. Daarmee is voldaan aan de desbetreffende veroordeling. Op dit punt heeft theBRANDsense c.s. dus geen dwangsommen verbeurd.

Vestiging tweede hypotheek

4.8.

In 5.2. en 5.4 van het vonnis is bepaald dat [A] en [B] onmiddellijk na het hiervoor genoemde royement een recht van tweede hypotheek dienen te doen vestigen. De hypotheekakte is op 17 oktober 2017 gepasseerd.

4.9.

[C] c.s. heeft aangevoerd dat de vestiging van de tweede hypotheek een resultaatsverbintenis was, waaraan theBRANDsense c.s. niet binnen de in het dictum gestelde termijn heeft voldaan. TheBRANDsense c.s. heeft voor vertraging gezorgd door vragen op te werpen over de ontwerpakte. Uiteindelijk is de hypotheekakte 15 dagen te laat gepasseerd, zodat theBRANDsense c.s. niet aan het onmiddellijkheidsvereiste uit het dictum heeft voldaan, aldus [C] c.s. TheBRANDsense c.s. heeft hier tegenovergesteld dat zij wel degelijk aan haar verplichting uit het dictum heeft voldaan en dat voor zover er sprake is geweest van vertraging dit de door [C] c.s. aangezochte notaris valt aan te rekenen.

4.10.

Ook hier gaat het erom waartoe het vonnis [A] en [B] verplichtte. De nieuwe hypotheek behoorde onmiddellijk na het royement van de bestaande hypotheek te worden gevestigd. Dat is gebeurd, te weten op de dag die de notaris van [C] c.s. daarvoor had aangewezen. De eis dat de nieuwe hypotheek moest worden gevestigd binnen vijf werkdagen na betekening van het vonnis, valt in dat vonnis niet te lezen. Ook op dit punt heeft theBRANDsense c.s. dus aan het vonnis voldaan en zijn geen dwangsommen verbeurd. Dat notaris Leerink suggesties over de ontwerpakte aan zijn collega heeft gedaan, doet niet ter zake.

Mededelingenverbod

4.11.

Ingevolge onderdeel 5.8 van het vonnis was het [B] verboden om na 25 september 2017 uit eigen beweging aan derden mededelingen te doen met betrekking tot de privérelatie die tussen haar en [D] heeft bestaan. De Amsterdamse voorzieningenrechter heeft daarbij verwezen naar hetgeen hij heeft overwogen in onderdeel 4.15 van zijn vonnis.

4.12.

Volgens [C] c.s. is het mededelingenverbod overtreden doordat [B] de opdracht aan mr. Brink tot het verlenen van rechtsbijstand niet heeft beëindigd.

Mr. Brink kon als advocaat aan [B] immers alleen rechtsbijstand verlenen, indien [B] de vrijheid had om alles wat voor haar van belang was, met hem te bespreken, dus ook de relatie met [D], en die vrijheid had [B] op grond van het vonnis niet, aldus [C] c.s. Daar komt bij dat mr. Brink een zakelijke rechtsverhouding met [C] c.s. heeft, omdat hij curator is in het faillissement van [E] B.V.

Mr. Brink behoort daarmee tot de zakelijke partners van [C] c.s. als bedoeld in 4.15 van het vonnis. TheBRANDsense c.s. betwist dat sprake is van schending van het mededelingenverbod. Zij heeft erop gewezen dat [B] de vrijheid moet hebben om haar advocaten alles mee te delen wat zij dienstig en noodzakelijk acht voor de behartiging van haar belangen. Bovendien had zij zich al ruimschoots vóór het vonnis tot mr. Brink gewend.

4.13.

Ook hier gaat het om de uitleg van het vonnis. De Amsterdamse voorzieningenrechter heeft uitdrukkelijk verwezen naar onderdeel 4.15 van zijn vonnis.

Uit onderdeel 4.15 van het vonnis blijkt dat het verbod met name betrekking heeft op het benaderen door [B] van vrienden, familie en zakelijke partners van [C] c.s. en publiciteitsmedia, met mededelingen over de verbroken relatie. In geen enkel opzicht valt daaruit op te maken dat daaronder ook de advocaten zijn begrepen tot wie [B] zich voor rechtsbijstand wendt of heeft gewend. Een dergelijke vergaande strekking is in strijd met het fundamentele recht van [B] op rechtsbijstand en zou daarom afzonderlijke motivering vereisen. Dat mr. Brink tevens de curator van een dochtervennootschap van [C] is, maakt hem niet tot zakelijke partner van [C] c.s. en doet bovendien niet ter zake. Van een overtreding van het verbod is dus geen sprake.

Opheffing beslagen

4.14.

De conclusie is dat vooralsnog niet aannemelijk is dat theBRANDsense c.s. het vonnis niet heeft nageleefd en dwangsommen heeft verbeurd. Dat brengt mee dat vooralsnog moet worden aangenomen dat de executoriale beslagen onrechtmatig zijn gelegd en dat deze moeten worden opgeheven. De vordering onder I. is toewijsbaar.

[D]

4.15.

De vorderingen onder II tot en met VII zijn mede gericht tegen [D].

[C] c.s. heeft erop gewezen dat alleen [C] de beslagen heeft gelegd en dat van aansprakelijkheid van [D] als bestuurder geen sprake is.

4.16.

Blijkens de dagvaarding is [D] gedagvaard omdat hij bestuurder is van [C], via [C] zijn gram op theBRANDsense c.s. wil halen en het in zijn macht heeft om de nakoming door [C] van tegen [C] uit te spreken veroordelingen te bewerkstelligen. Het is niet in geschil dat [D] inderdaad als enig bestuurder van [C] kan verzekeren dat [C] de uit te spreken veroordelingen nakomt, net zoals [B] kan verzekeren dat theBRANDsense en [A] de tegen hen uitgesproken veroordelingen nakomt. Niet voor niets heeft de Amsterdamse voorzieningenrechter op vordering van [C] niet alleen theBRANDsense en [A], maar ook [B] in persoon veroordeeld om alles te doen en na te laten wat nodig is voor nakoming van de tegen haar vennootschappen uitgesproken veroordelingen. Gelet op de positie van [D] als enig bestuurder en de verwevenheid van vennootschappelijke met zijn privébelangen, valt niet in te zien dat theBRANDsense c.s. een minder groot belang heeft om [D] in persoon te betrekken bij de nakoming van verplichtingen door [C] dan [C] had om [B] in persoon te betrekken bij de nakoming van verplichtingen van theBRANDsense c.s.

Overige vorderingen

4.17.

Ook de onder II gevorderde uitvoeringshandelingen die aan de opheffing van de beslagen zijn verbonden, zijn passend om de gevolgen van de onrechtmatige beslagen ongedaan te maken en zullen daarom worden toegewezen zoals hierna te bepalen.

4.18.

TheBRANDsense c.s. heeft onder III gevorderd dat [C] c.s. de invordering van dwangsommen staakt, totdat bij in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak is beslist over de beweerdelijke aanspraken. In dit verband heeft theBRANDsense c.s. tevens gevorderd dat [C] c.s. een procedure aanhangig maakt om die aanspraken vast te stellen. [C] c.s. heeft hier tegenover gesteld dat artikel 438 Rv niet voorziet in een dergelijke voorziening terwijl hiermee bovendien het executiegeschil als een verkapt rechtsmiddel zou worden aangewend.

4.19.

Voor zover het gaat om dwangsommen die voortvloeien uit de onder 5.1, 5.2 en 5.4 uitgesproken veroordelingen, moet [C] c.s. de tenuitvoerlegging van het vonnis staken. In zoverre is de vordering toewijsbaar. Voor het overige gelden de uitsproken veroordelingen onverkort, totdat in hoger beroep anders wordt beslist. Voor een verplichting van [C] c.s. tot het aanhangig maken van een procedure is geen grondslag aan te wijzen.

4.20.

De onder IV gevorderde veroordeling tot betaling van dwangsommen zal worden toegewezen, in die zin dat deze verbeurd worden bij overtreding van hetgeen onder II is gevorderd als hierna in het dictum te bepalen. Daarbij zal de eenmalige dwangsom worden bepaald op € 50.000,00 en de hoogte van de per (gedeelte van een) dag verschuldigde dwangsom worden beperkt tot een maximum van € 150.000,00.

4.21.

TheBRANDsense c.s. heeft een voorschot gevorderd op de schade die zij ten gevolge van het onterecht gelegde beslag heeft geleden. De voorzieningenrechter overweegt dat uitgangspunt is dat een risicoaansprakelijkheid rust op [C] voor de gevolgen van het door haar ten onrechte gelegde beslag. Echter, theBRANDsense c.s. heeft te weinig gesteld om met voldoende zekerheid aan te nemen dat zij schade door het beslag heeft geleden, zodat toewijzing van een voorschot voorbarig zou zijn. De desbetreffende vordering zal worden afgewezen.

4.22.

[C] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van theBRANDsense c.s. worden tot op heden vastgesteld op:

- dagvaarding € 86,78

- griffierecht 618,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.520,78.

4.23.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot.

De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de door [C] ten laste van theBRANDsense c.s. gelegde executoriale beslagen:

- onder de besloten vennootschap Van Huis Uit BV, gevestigd te [vestigingsplaats] op al hetgeen aan [B] c.s. verschuldigd is of uit hoofde van een bestaande rechtsverhouding verschuldigd zal worden alsmede op roerende zaken;

- op de aandelen in JBMG

- op het woonhuis van [B], plaatselijk bekend [adres] te [woonplaats], kadastraal bekend gemeente [gemeente] [kadastraal nummer];

- op een auto, merk Jeep, kenteken LR-JB-75;

- op een auto, merk Volvo, type C30, kenteken 10-XJ-KN;

- op een motorboot, merk Rinker, genaamd Black Pearl, voorzien van nummer 38-85-YN;

- op roerende zaken, zoals gelegd op 27 oktober 2017;

5.2.

beveelt [C] c.s. hoofdelijk om binnen vijf werkdagen na dit vonnis:

- de opheffing van het beslag op het woonhuis te hebben doen inschrijven in de

openbare registers, alsmede

- de opheffing van het derdenbeslag te hebben meegedeeld aan Van Huis Uit BV

alsmede

- de opheffing van het beslag op de aandelen te hebben meegedeeld aan JBMG

en in het aandeelhoudersregister te hebben doen inschrijven alsmede

- te hebben zorggedragen dat alle in bewaring genomen roerende zaken volledig onbeschadigd wederom zijn afgeleverd op dezelfde plaats als waar zij in bewaring zijn genomen en ter vrije beschikking van de rechthebbende zijn gesteld;

5.3.

veroordeelt [C] c.s. hoofdelijk om de tenuitvoerlegging van het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 18 september 2017 te staken en gestaakt te houden, voor zover het betreft de invordering van dwangsommen die voortvloeien uit de in dat vonnis onder 5.1, 5.2 en 5.4 uitgesproken veroordelingen;

5.4.

veroordeelt [C] c.s. hoofdelijk om aan theBRANDsense c.s. bij het niet voldoen aan de hiervoor in 5.2 en 5.3 uitgesproken veroordelingen een eenmalige dwangsom te betalen van € 50.000,00 en voorts een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van € 150.000,00 is bereikt;

5.5.

veroordeelt [C] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van theBRANDsense c.s. tot op heden vastgesteld op € 1.520,78, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

5.6.

veroordeelt [C] c.s. hoofdelijk in de kosten die na dit vonnis ontstaan, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [C] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening;

5.7.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.J. Los en in het openbaar uitgesproken op 29 november 2017.1

1 type: 680. coll: