Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4514

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
18/730253-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor een aantal diefstallen en een poging daartoe tot een ISD maatregel.

Ondanks verdachtes weigering tot meewerken is de rechtbank van oordeel dat de oplegging van de ISD maatregel noodzakelijk is ter bescherming van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730253-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 15/800282-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Flevoland - HvB Almere Binnen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 november 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.K. Bulthuis, advocaat te Drachten. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 29 juni 2017, te Drachten, althans in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een hotel aan de [straatnaam] heeft weggenomen

- een telefoon, merk: Samsung J3, kleur: zwart, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en/of

- een telefoon, merk: Samsung S5 Neo, kleur: zwart, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders en/of

waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen telefoon van genoemde [slachtoffer 2]

onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

2.

hij op of omstreeks 27 juli 2017, te Leeuwarden, althans in in de gemeente Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen

- uit een (kleed)ruimte van een sportcomplex aan de [straatnaam] een telefoon, merk: Huawei, type P10, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

- uit een (kleed)ruimte van een sportcomplex aan de [straatnaam] een fietssleutel en/of (vervolgens) een fiets, merk: Gazelle, staande nabij genoemde sportcomplex, welke sleutel en welke fiets toebehoorde aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

3.

hij op of omstreeks 29 juni 2017, te Drachten, althans in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een kleedkamer van een sportcomplex van atletiekvereniging [naam] aan de [straatnaam] heeft weggenomen

- een telefoon, merk: LG Nexus 5, kleur: zwart en/of een portemonnee en/of een bankpas en/of een creditcard en/of een OV-chipkaart en/of een studentenkaart en/of een ledenpas en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) en/of

- een telefoon, merk: Iphone 5S, kleur: wit/goud in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

4.

hij op of omstreeks 25 juli 2017, te Leeuwarden, althans in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit (een woning/ruimte in) een hotel aan het [straatnaam] weg te nemen geld en/of goederen die van zijn, verdachte's gading zouden blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goederen onder zijn bereik te brengen door middel van breek en/of verbreking en/of inklimming, heeft getracht (met een breekvoorwerp) een woning/ruimte in genoemde hotel open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het de feiten 1 en 2 heeft de raadsvrouw geen opmerkingen gemaakt.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de feiten 3 en 4, omdat verdachte deze feiten ontkent.

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde heeft de raadsvrouw voorts het volgende aangevoerd. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte niet de enige was die in en uit het hotel liep. En aangever heeft aangegeven dat hij niet zeker weet of verdachte de dader is, omdat dit lastig is te zien op de camerabeelden. Er is dan ook onvoldoende overtuigend bewijs voor dit feit, aldus de raadsvrouw.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 november 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 juli 2017, opgenomen op pagina 53 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017262896 d.d. 4 oktober 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 juli 2017, opgenomen op pagina 66 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 november 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 juli 2017, opgenomen op pagina 111 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017262896 d.d. 4 oktober 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 augustus 2017, opgenomen op pagina 129 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 4] .

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 10 november 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was op 29 juni 2017 met [naam] in Drachten.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juni 2017, opgenomen op pagina 84 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017262896 d.d. 4 oktober 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 6] :

Ik doe aangifte van de diefstal van mijn mobiele telefoon, een Apple Iphone 5s, witte voorkant, gouden achterkant, vanuit de kleedkamer van AV [naam] te Drachten.

Op 29 juni 2017, omstreeks 18.45 uur, heb ik mijn rugzak met inhoud achtergelaten in de dameskleedkamer van atletiek vereniging [naam] aan de [straatnaam] te Drachten. Ik heb mijn spullen in de kleedkamer achter gelaten. Mijn telefoon had ik in mijn rugzak gelaten. Omstreeks 21:15 uur was ik weer terug in de dameskleedkamer. Ik had toen net gehoord dat een vriend van mij, [slachtoffer 5] , zijn trainingsbroek met daarin zijn portemonnee en mobiele telefoon, uit de kleedkamer miste. Ik ging kijken of ik de broek kon vinden en ik ging kijken of mijn spullen nog wel waren waar ik ze had achtergelaten. Ik kwam er toen achter dat mijn mobiele telefoon niet meer in mijn rugtas zat.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juni 2017, opgenomen op pagina 89 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 5] :

Ik doe aangifte van diefstal vanuit de kleedkamer van atletiekvereniging [naam] op [straatnaam] te Drachten. Gisteravond ging ik sporten. Ik was daar omstreeks 19.00 uur. Ik ben gaan omkleden in de herenkleedkamer. Ik heb daar mijn tas en een sportbroek achtergelaten, de sportbroek betreft een lange Adidasbroek kleur zwart. In mijn sportbroek had ik mijn portemonnee en mobiele telefoon zitten. Omstreeks 21.15 uur merkte ik dat mijn sportbroek verdwenen was. Mijn tas is blijven staan. Ik ben mijn portemonnee en telefoon kwijt.

Mijn telefoon is een LG nexus 5 zwart van kleur. Het Imeinummer van de telefoon is [nummer] . In mijn portemonnee zat nog geld. Maar dit kan nooit meer zijn dan 20 euro. Ook mijn bankpas, creditcard, ov chipkaart, ledenpas atletiekunie, studentenkaart van de universiteit van Groningen, en zorgpas.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 8 augustus 2017, opgenomen op pagina 220 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :

V: vragen verbalisanten

A: antwoord verdachte

V: Op 29 juni 2017 zijn er diefstallen gepleegd bij de atletiekvereniging [naam] aan de Sportlaan te Drachten. Wat kun je daar over zeggen?

A: [verdachte] ging als eerste naar binnen en ik moest observeren. [verdachte] ging de kleedkamer binnen en later kwam ik. Ik zag hem die LG Nexus

pakken uit een jas en ik zag dat hij alle andere jassen ook bij langs is gegaan.

Ik heb een keer gevoeld bij een jasje maar verder niks. Ik moest van [verdachte] observeren om te kijken of er mensen binnen kwamen. Ik weet nog dat er een man binnen kwam.

Dit was op het moment dat hij die telefoon had gepakt. Ik schrok van die man omdat ik die boel in de gaten hield.

V: Waarom ben jij uiteindelijk wel naar binnen gegaan?

A: Omdat ik na drie minuten naar binnen moest van [verdachte] . Eerst ging [verdachte] naar binnen

en na drie minuten ik.

V: Welke kleedkamer kwam die telefoon uit?

A: Volgens mij uit die herenkleedkamer. Die man kwam naar binnen gelopen dus lijkt me

logisch dat het de herenkleedkamer is.

[verdachte] heeft daar ook nog een Adidas broek meegenomen.

V: Deze LG Nexus zat in een Adidas broek die hing in de herenkleedkamer van sportvereniging [naam] in Drachten, kan dit kloppen?

A: Ja dat klopt.

V: Er is bij de atletiekvereniging in Drachten nog meer gestolen, wat kun je daar over verklaren?

A: Ik heb wel gezien, maar ik weet niet of die van [verdachte] zelf was, maar ik heb een roze Iphone in zijn zak had. Dat zag ik bij het tankstation in een flits. Het was een Iphone 5 of 6.

V: Waarom schiet het je nu ineens naar binnen?

A: Omdat hij die telefoons uit zijn broekzak hield en stopte hem toen in de tas.

V: Er is aangifte gedaan van een diefstal Iphone Ss goudkleurig, wat kun je daarover zeggen?

A: Ja roze goud kleurig. Dat is die telefoon.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 juli 2017, opgenomen op pagina 96 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Op 29 juni 2017 was ik op de hardloopvereniging [naam] te Drachten. Rond 19:30 uur, 19:40 uur liep ik naar de herenkleedkamer. Ik zag in de kleedkamer twee jongens staan. Ze stonden bij de kleding in het midden van de kleedkamer. Ik groette ze en ik hoorde dat zij terug groetten. Ik dacht op dat moment dat het mogelijk leden van buitenaf konden zijn. Dit omdat ze wel allebei een rugtas bij zich hadden. Ik vermoedde verder niets. Later hoorde ik van de diefstallen die hebben plaatsgevonden in de kleedkamers, waardoor ik meteen door had dat deze twee jongens daar mee te maken hadden. Dit omdat wij zelden onbekenden op de club hebben.

Ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 10 november 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was op 25 juli 2017 omstreeks 06:40 uur in het [slachtoffer 7] in Leeuwarden. Ik ben daar in een gang aangesproken door een man. Ik heb toen gezegd 'wat moet je' of 'wat wou je dan' en ben toen weggegaan.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 juli 2017, opgenomen op pagina 137 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017262896 d.d. 4 oktober 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 8] :

Op 25 juli 2017 omstreeks 06:40 uur, werden mijn vriendin en ik wakker van breekgeluiden aan onze voordeur van de woning. Wij wonen in het [hotel] en huren daar een appartement. Ik ben uit mijn bed gestapt en naar de voordeur gelopen. Ik deed de deur open en zag daar een jongeman staan van rond de 25 jaar oud. De man had blond haar, middel kort haar, droeg een compacte rugzak en heeft een normaal postuur. Uit verbazing en geschrokken sprak ik de jongen aan en vroeg hem of hij nou aan het inbreken was. Ik hoorde de man hierop zeggen "wat moet je" of "wat wou je dan". Ik hoorde hierdoor dat de man goed Nederlands sprak zonder accent. Ik zie vervolgens dat de man weg rent in de richting van de trappenhal van het hotel.

Ik heb de voordeur van mijn woning bekeken en zie dat er schade zit op zowel het kozijn als de deur.

De rechtbank overweegt in het bijzonder ten aanzien van het onder 4. ten laste gelegde het volgende.

Ondanks dat verdachte ontkent dat hij heeft geprobeerd in te breken bij aangever, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat verdachte, die in de zeer vroege ochtend, onmiddellijk nadat aangever breekgeluiden bij zijn voordeur hoorde, zich voor die voordeur heeft bevonden, degene is geweest die de braaksporen heeft gemaakt.

Deze handeling kan worden aangemerkt als een begin van uitvoering van een woninginbraak, zodat het onder 4. ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 29 juni 2017, te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een hotel aan de [straatnaam] heeft weggenomen

- een telefoon, merk: Samsung J3, kleur: zwart, toebehorende aan [slachtoffer 1] en

- een telefoon, merk: Samsung S5 Neo, kleur: zwart, toebehorende aan [slachtoffer 2] ,

waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen telefoon van genoemde Van Houten

onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;

2.

hij op 27 juli 2017, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- uit een kleedruimte van een sportcomplex aan de [straatnaam] een telefoon, merk: Huawei, type P10, toebehorende aan [slachtoffer 3] , en

- uit een kleedruimte van een sportcomplex aan de [straatnaam] een fietssleutel en vervolgens een fiets, merk: Gazelle, staande nabij genoemde sportcomplex, welke sleutel en welke fiets toebehoorde aan [slachtoffer 4] ;

3.

hij op 29 juni 2017, te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kleedkamer van een sportcomplex van atletiekvereniging [naam] aan de [straatnaam] heeft weggenomen

- een telefoon, merk: LG Nexus 5, kleur: zwart en een portemonnee en een bankpas en een creditcard en een OV-chipkaart en een studentenkaart en een ledenpas en geld, toebehorende aan [slachtoffer 5] en

- een telefoon, merk: Iphone 5S, kleur: wit/goud toebehorende aan [slachtoffer 6] ;

4.

hij op 25 juli 2017, te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning in een hotel aan het [straatnaam] weg te nemen geld en/of goederen die van zijn, verdachte's gading zouden blijken te zijn, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] en/of [slachtoffer 8] , en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak, heeft getracht (met een breekvoorwerp) een woning in genoemde hotel open te breken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen

en

Diefstal, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2. Diefstal, meermalen gepleegd;

3. Diefstal, meermalen gepleegd;

4. Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2., 3. en 4. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot de maatregel van plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD maatregel) voor de duur van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gemotiveerd bepleit om niet een ISD maatregel aan verdachte op te leggen. Zij heeft hiertoe onder meer het volgende aangevoerd.

De ISD maatregel komt in de onderhavige zaak neer op een kale opsluiting, omdat verdachte heeft aangegeven niet mee te willen werken aan deze maatregel. Daarnaast zijn nog niet alle andere wegen bewandeld om verdachte de hulp te bieden die hij nodig heeft en kan dus niet de ISD maatregel - bedoeld als ultimum remedium - worden opgelegd.

De raadsvrouw heeft verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen en daarnaast aan een voorwaardelijke gevangenisstraf in het kader van bijzondere voorwaarden een klinische behandeling en/of ambulante behandeling op te leggen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht een voorwaardelijke ISD maatregel van één dan wel twee jaren op te leggen.

Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht de ISD maatregel voor de duur van maximaal één jaar op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verschillende diefstallen.

Hij heeft onder meer met een ander verschillende telefoons en een portemonnee met inhoud gestolen uit kluisjes van een sportvereniging en kluisjes van medewerkers van een hotel.

Daarnaast heeft hij nogmaals, dit maal alleen, uit een andere kleedkamer van een andere sportvereniging een telefoon en een fietssleutel gestolen. Met die fietssleutel heeft hij een fiets, die buiten gestald stond, weggenomen.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan een poging tot inbraak in een appartement in een hotel in Leeuwarden.

Dit zijn zeer hinderlijke feiten, die voor de slachtoffers niet alleen materiële schade meebrengen, maar ook veel overlast, ergernis en frustratie opleveren.

Uit het reclasseringsadvies van 9 november 2017 blijkt dat verdachte sinds zijn 12e jaar al in beeld is bij politie en justitie. Er kan gesproken worden over een delictpatroon aangaande vermogensdelicten.

Afgaande op huidige, maar ook eerdere onderzoeken, kan gesproken worden van een zeer hoog risico op recidive. Verdachte is uitermate berekenend aangaande zijn delictgedrag, hij denkt daarbij enkel aan zijn eigen gewin en belang en houdt op geen enkele wijze rekening met zijn slachtoffers.

Verdachte heeft in zijn verleden veel problemen gehad. Hij heeft in de loop van de jaren geen stabiliteit kunnen verkrijgen. Hij heeft geen structurele, zinvolle dagbesteding, geen stabiel inkomen, geen vaste huisvesting. Daarnaast is sprake van overmatig middelengebruik, een gebrekkige gewetensontwikkeling en heeft verdachte een IQ van 84 en mogelijk beperkte lees- en schrijfvaardigheden.

Verdachte heeft veelvuldig onder toezicht gestaan van de jeugd- en volwassenenreclassering en heeft in gesloten jeugdinrichtingen verbleven waar hij zich aan de voorwaarden heeft onttrokken. Daarnaast is verdachte meermalen gerecidiveerd gedurende zijn proeftijden en haakt hij af wanneer niet aan zijn voorwaarden wordt voldaan. Toezicht op bijzondere voorwaarden en interventies/behandelingen zijn derhalve niet geïndiceerd.

De reclassering is van mening dat verdachte gebaat is bij een stringent kader waarin hij een gestructureerd traject volgt, mede omdat hij op alle leefgebieden problemen heeft, waarbij behandelingen kunnen worden ingezet. De reclassering is er van doordrongen dat verdachte reeds heeft aangegeven niet te zullen meewerken aan een ISD maatregel en dientengevolge enkel de termijn zal uitzitten. De reclassering voorziet echter dat een voorwaardelijk kader geen soelaas bij verdachte zal bieden en daarmee ook de maatschappij niet zal kunnen beschermen, terwijl een ISD maatregel dit wel kan.

In een ISD maatregel zal eerst gewerkt worden aan een motiverende behandeling, om verdachte alsnog gemotiveerd te krijgen voor de behandelfase en nazorgfase.

Het uittreksel uit de justitiële documentatie van 13 oktober 2017 laat zien dat verdachte zich al jarenlang schuldig maakt aan het plegen van misdrijven. Recentelijk heeft dit onder meer geleid tot veroordelingen op 20 oktober 2016, 11 december 2015 en 10 september 2015, waarbij telkens vrijheidsbenemende straffen zijn opgelegd. Deze veroordelingen zijn onherroepelijk en de door verdachte thans begane feiten zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Voorts moet ernstig rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat verdachte wederom misdrijven zal begaan. De veiligheid van personen en goederen eist daarom het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders, waarbij wordt verwezen naar het feit dat de verdachte telkens nieuwe strafbare feiten pleegt en de frequente oplegging van vrijheidsstraffen en de hem geboden hulpverlening hem daarvan kennelijk niet weerhouden. Aldus is voldaan aan de wettelijke vereisten voor oplegging van de ISD-maatregel, zoals deze zijn opgenomen in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht.

Uit het voorgaande volgt dat verdachte diverse kansen heeft gekregen om zijn leven een positieve wending te geven. Niettemin blijft hij vervallen in crimineel gedrag. Gelet hierop deelt de rechtbank de visie van de officier van justitie en de reclassering dat de oplegging van de ISD maatregel geboden is ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De rechtbank zal deze maatregel dan ook aan verdachte opleggen.

Op grond van het reclasseringsadvies is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke ISD maatregel voor de duur van 2 jaren noodzakelijk zal zijn om de gewenste gedragsverandering ter voorkoming van recidive te bewerkstelligen.

Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding om een voorwaardelijke ISD maatregel op te leggen, dan wel de duur van de onvoorwaardelijke ISD maatregel te beperken tot één jaar.

De tijd die verdachte heeft doorgebracht in verzekering en voorlopige hechtenis zal, nu dit niet in overeenstemming is met de aard van de maatregel, niet in mindering worden gebracht op de duur van de maatregel.

Inbeslaggenomen goederen

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting verzocht om de teruggave van de inbeslaggenomen scooter. Alhoewel er al een beslissing ligt tot teruggave, heeft verdachte de scooter tot op heden niet ontvangen en/of informatie hierover ontvangen.

De rechtbank stelt, net als de raadsvrouw, vast dat er al een beslissing tot teruggave van de inbeslaggenomen bromfiets ligt. Daarmee is het beslag opgeheven en is de rechtbank niet bevoegd een beslissing te geven omtrent dit goed.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. Feit 1: [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 379,95 ter zake van materiële schade,

vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. Feit 2: [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 503,00 ter vergoeding van materiële

schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. Feit 3: [slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 210,00 ter vergoeding van materiële schade,

vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

4. Feit 3: [slachtoffer 6] , tot een bedrag van € 200,00 ter vergoeding van materiële

schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van [slachtoffer 2] wordt toegewezen tot een bedrag van € 320,00 en dat de vordering voor het overige niet ontvankelijk wordt verklaard.

De officier van justitie heeft daarbij aangevoerd dat alhoewel de vordering niet is onderbouwd met een factuur, uit openbare bronnen blijkt dat de telefoon nu voor € 320,00 gekocht kan worden. Omdat de telefoon nog geen jaar oud was, hoeft er geen rekening te houden met een afschrijvingspercentage.

De officier van justitie heeft gehele toewijzing van de vordering van [slachtoffer 3] , dus tot een bedrag van € 503,00, gevorderd.

De officier van justitie heeft voorts gehele toewijzing van de vordering van [slachtoffer 5] , dus tot een bedrag van € 210,00, gevorderd.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 6] heeft de officier van justitie, rekening houdend met en afschrijvingspercentage, toewijzing tot een bedrag van € 120,00 gevorderd. Het overige deel van de vordering dient niet ontvankelijk te worden verklaard.

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vier vordering tevens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] aangevoerd dat deze op geen enkele wijze is onderbouwd en om die reden niet ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel moet worden afgewezen.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen oorspronkelijk aankoopbewijs is bijgevoegd, dus dat niet duidelijk is of en sinds wanneer de benadeelde partij in het bezit was van die telefoon. De vordering dient om die reden niet ontvankelijk te worden verklaard, dan wel worden afgewezen.

De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] .

De vordering van [slachtoffer 6] kan tot een bedrag van € 100,00 tot € 120,00, conform de huidige vervangingswaarde van het toestel, worden toegewezen. Het overige deel van de vordering dient niet ontvankelijk te worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. bewezen verklaarde. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de schade wordt geschat op € 320,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2017. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en het meer gevorderde afwijzen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal dan ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2. bewezen verklaarde. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat verdachte de Huawei, type P10 van aangever heeft gestolen. Ter terechtzitting heeft de benadeelde partij toegelicht dat hij de telefoon in april 2017 had aangeschaft voor € 600,00 en dat hij bij zijn vordering rekening heeft gehouden met het feit dat de telefoon drie maanden oud was.

De vordering, waarvan de hoogte – mede gelet op de door de benadeelde partij gegeven toelichting – onvoldoende door de raadsvrouw is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 juli 2017.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3. bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de raadsvrouw is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 juni 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door de medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en vice versa.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op € 10,00, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 6]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3. bewezen verklaarde. Bij het vaststellen van de hoogte van de schade maakt de rechtbank gebruik van haar schattingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek. De hoogte van de schade wordt geschat op € 120,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en het meer gevorderde afwijzen.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 20 oktober 2016, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland te Haarlem, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 148 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 november 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 25 oktober 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij zijn schriftelijke vordering. Hij heeft daarbij opgemerkt dat bij toewijzing van deze vordering de gevangenisstraf voorafgaand aan de ISD maatregel ten uitvoer zal worden gelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gelet op de vordering tot het opleggen van de ISD maatregel en de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht, verzocht om de vordering af te wijzen.

Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om niet over te gaan tot tenuitvoerlegging, maar de voorwaarden te wijzigen.

Oordeel rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de hiervoor onder 1., 2., 3. en 4. bewezen verklaarde feiten door verdachte zijn begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 20 oktober 2016 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. De rechtbank ziet onvoldoende reden om hiervan af te wijken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 36f, 45, 57, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. ,2., 3. en 4. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Ten aanzien van feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 320,00 (zegge: driehonderdentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 320,00 (zegge: driehonderdentwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 503,00 (zegge: vijfhonderdendrie euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 503,00 (zegge: vijfhonderdendrie euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 10 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 200,00 (zegge: tweehonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd..

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 10,00 (zegge: tien euro).

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 200,00 (zegge: tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 4 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 120,00 (zegge: honderdtwintig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 6] voor het overige wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] te betalen een bedrag van € 120,00 (zegge: honderdtwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

15/800282-16:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem d.d. 20 oktober 2016, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. P.P.D. Mathey-Bal en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 november 2017.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.