Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4509

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
27-11-2017
Zaaknummer
18/145069-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken aangezien niet is gebleken dat verdachte in persoonlijke dienstbetrekking was bij het bedrijf en evenmin kon worden vastgesteld dat zijn functioneren kan worden aangemerkt als het uitoefenen van een beroeps als bedoeld in artikel 322 Sr.

Verdachte is veroordeeld voor verduistering tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 321
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/145069-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] aan de [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

9 november 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.S. Dunant Maurits, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 13 november

2013 te [pleegplaats] , gemeente Ferwerderadiel opzettelijk € 119.387,17, in elk

geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke

dienstbetrekking van/als bestuurder en verantwoordelijke voor de financiën,

in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich

heeft toegeëigend;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks de periode van 1 augustus 2012 tot en met 13 november

2013 te [pleegplaats] , gemeente Ferwerderadiel opzettelijk € 119.387,17, in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als

bestuurder en verantwoordelijke voor de financiën, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde geconcludeerd. Uit het dossier blijkt dat verdachte geld van [bedrijf] (hierna te noemen: [bedrijf] ) heeft gebruikt voor privébetalingen en blijkt niet - zoals door verdachte ter terechtzitting is gesteld - dat hij privégelden heeft verrekend met gelden van [bedrijf] . Er blijkt niet dat verdachte geld heeft gestort op de rekening van [bedrijf] . Op grond van de inhoud van het dossier acht de officier van justitie bewezen dat verdachte zich uit hoofde van zijn functie (bestuurder van [bedrijf] ) schuldig heeft gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking van enig goed. Een exact bedrag is niet vast te stellen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het zowel primair als het subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte ter ondersteuning van zijn standpunt bewijsstukken aan het openbaar ministerie heeft toegezonden. Verdachte stelt dat hij de contante bedragen heeft opgenomen om salarissen uit te kunnen betalen. Uit de gedingstukken blijkt niet van eigen inbreng van gelden door verdachte. Deze zijn vooraf gemaakt en hoeven dus niet uit de financiële stukken van [bedrijf] te blijken, aangezien die eerst na de oprichting van [bedrijf] worden opgesteld.

Daarnaast heeft de raadsman gesteld dat verdachte niet in dienstbetrekking was bij [bedrijf] . Hij was bestuurder en er was geen sprake van een gezagsverhouding, arbeidsverhouding of salaris.

Oordeel van de rechtbank

ten aanzien van het onder primair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat verdachte in persoonlijke dienstbetrekking was bij [bedrijf] . Niet is gebleken dat verdachte binnen [bedrijf] functioneerde in een ondergeschikte rol. Hij ontving geen loon voor zijn werkzaamheden voor de coöperatie, zodat het functioneren van verdachte binnen [bedrijf] naar het oordeel van de rechtbank evenmin kan worden aangemerkt als het uitoefenen van een beroep als bedoeld in artikel 322 van het Wetboek van strafrecht. Op grond hiervan zal verdachte van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

ten aanzien van het onder subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 9 november 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb met mevrouw [getuige] een zakelijke overeenkomst gesloten. Ik was geen zakelijk directeur, maar manusje van alles en oprichter van de coöperatie.

Ik heb de seksclub, het schoolgeld van mijn dochter en geld aan mijn ex-vrouw betaald van rekeningen van [bedrijf] , omdat ik moest goochelen met geld en mijn privé betalingen ook draaiende moest houden. Wat ik mijn dochter en ex-vrouw heb betaald, heb ik niet volgens de regels gedaan. Dat klopt.

Ik had geen toestemming van een commissaris om voorschotten op te nemen van rekeningen van de coöperatie.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 november 2013, opgenomen pagina 20 e.v. van het dossier van de politie Noord-Nederland met nummer 2015032318 d.d. 8 maart 2015, inhoudende de verklaring van [getuige] :

Ik doe aangifte van verduistering gepleegd tussen 1 augustus 2012 en 13 november 2013 te [pleegplaats] door [verdachte] . Ik ben werkzaam bij het bedrijf [bedrijf] . Ik ben daar voorzitter van het dagelijks bestuur tevens ben ik ook artistiek leider. Ik ben namens het bedrijf bevoegd om aangifte te doen.

Sinds augustus 2012 werkt mijn collega [verdachte] als beheerder van de financiën. Tevens doet hij ook de renovatie. [verdachte] beheert al onze financiën binnen het bedrijf. Hij heeft toegang tot de rekeningen en is bevoegd om rekeningen te betalen.

Ik heb op 25 oktober 2013 contact gehad met de Triodos Bank om te controleren of de subsidie van de Gemeente Friesland (€ 4.000,-) al gestort was op de rekening van het bedrijf. Ik hoorde toen van een medewerker van de bank dat er geen geld op de rekening stond.

Op 2 november hebben ikzelf, [naam] en [verdachte] een gesprek gehad op het bedrijf. Ik hoorde dat [verdachte] toen zei dat hij dat geld, de € 4.000,00 (vierduizend euro) subsidie, nodig had voor de bouwvakkers die de renovatie doen.

Ik heb toen nogmaals contact gehad met de Triodos Bank. Ik hoorde van de medewerker dat er € 3.800,00 (achtendertighonderd euro) was overgeboekt op de dag dat de € 4.000,- was gestort. Dit rekeningnummer is gekoppeld aan de rekening van [verdachte] . Dit houdt dus in dat hij dit geld zo kan opnemen. [verdachte] heeft geen recht op dit geld.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 13 november 2013, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige] :

Ik heb voor u aanvullende bewijsmaterialen in de vorm onder andere bankafschriften.

Dit zijn de bankafschriften waaruit blijkt dat [verdachte] sinds hij ontslagen is geld heeft overgeboekt van [bedrijf] naar [stichting] , een stichting waar hij enig bestuurslid is. Het gaat om een bedrag van € 3.700,-. Het is gedaan met bankpas nummer [nummer] en die was in gebruik bij [verdachte] .

Op 22 oktober 2013 heeft de provincie Friesland € 1.000,00 euro overgemaakt naar het rekening van [bedrijf] . Op 23 oktober 2013 wordt er € 900,00 overgemaakt naar de stichting [stichting] . Dit is gedaan door [verdachte] . Dit is ook gedaan zonder toestemming van het bestuur en commissarissen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 8 maart 2015, opgenomen op pagina 4 e.v. van voornoemd dossier , inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 13 november 2013 deed [getuige] aangifte van verduistering bij de [bedrijf] UA, gepleegd door [verdachte] . De meegezonden bankafschriften van zakelijke bankrekening van [bedrijf] , [nummer] , besloegen de periode van 17 juni 2012 tot en met 24 oktober 2013. Voor genoemde rekening waren twee bankpassen afgegeven. De bankpas met het unieke nummer [nummer] stond op naam van [getuige] en de bankpas met het unieke nummer [nummer] stond op naam van Mooibroek.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2014, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Uit de bankafschriften bleek dat met de pas [nummer] ten name van [verdachte] , bij supermarkten, warenhuizen, bouwmarkten, café’ s, snackbars, broodjeshuizen, NS-reizen, kiosken, boekhandels en slijterijen pinbetalingen waren gedaan met een waarde van ten minste 26840 Euro. Dat met genoemde pas bij geldautomaten in totaal 37330,00 Euro was opgenomen en dat er betaalopdrachten waren aan familie en bekenden.

Telefonisch verklaarde aangeefster [getuige] mij:

Dat je van een penningmeester mag verwachten dat hij naar eer en geweten handelt en geen subsidiegeld voor privézaken uit geeft.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 februari 2015, opgenomen op pagina 174 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

V: Welke bankrekeningen waren er in gebruik bij de [bedrijf] UA?

A: Een rekening bij de Triodosbank en een rekening bij de ING-bank.

V: Wie hadden toegang tot de rekeningen en een bankpasje van die rekeningen?

A: Bij de Triodosbank hadden [getuige] en ik beiden een pasje. Bij de ING-bank had ik alleen toegang.

O: Samenvattend was u dus de enige die gebruik maakte van de op uw naam staande bankpas [nummer] van de bankrekening [nummer] en van de bankpas [nummer] van de bankrekening [nummer] .

V: Klopt dat?

A: Ja.

Op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat de subsidiair ten laste gelegde verduistering wettig en overtuigend kan worden bewezen. De precieze bedragen zijn onduidelijk zodat niet het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag, maar "enig goed" bewezen zal worden verklaard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op de periode van 1 augustus 2012 tot en met 13 november 2013 te [pleegplaats] opzettelijk enig goed, toebehorende aan [bedrijf] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1 subsidiair verduistering

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien de rechtbank tot bewezenverklaring van een feit komt, gepleit voor een lagere werkstraf dan door de officier van justitie is geëist gelet op de overschrijding van de redelijke termijn, het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is en verdachte reeds een EMDR-behandeling ondergaat in verband met zijn PTSS.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van in totaal een aanzienlijk geldbedrag dat toebehoorde aan de coöperatie waarbinnen hij bestuurder was gedurende een periode van ruim een jaar. Door zo te handelen heeft verdachte het vertrouwen dat door zijn medeoprichter van de coöperatie, maar ook de subsidieverstrekkers, in hem hadden gesteld ernstig beschaamd en heeft hij de coöperatie in aanzienlijke mate financieel benadeeld. Hij heeft meermalen en geldbedrag, dat toebehoorde aan de coöperatie en was bedoeld om kunstprojecten op te zetten, gebruikt voor privédoeleinden. Op grond van deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf geïndiceerd.

De rechtbank neemt aan de andere kant ook in aanmerking dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is geweest en dat tot de behandeling ter terechtzitting een onwenselijk lange termijn is verstreken.

Gelet op alle genoemde omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank een taakstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende hechtenis, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden.

De rechtbank zal daarnaast ook een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden opleggen met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank ziet hiertoe aanleiding, aangezien verdachte gedurende een langere periode grote bedragen heeft verduisterd en dat hij ter terechtzitting heeft aangegeven dat hij opnieuw in de kunstwereld actief is. Deze voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een dergelijk strafbaar feit te plegen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.A.A. van Capelle, voorzitter, H.H.A. Fransen en L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door M. Smit-Colnot, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 november 2017.