Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4484

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
28-11-2017
Datum publicatie
04-12-2017
Zaaknummer
K L 6131265 \ CV EXPL 17-6449 (E)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht: Stalling zeilboot op de wal in jachthaven. Geen prijs afgesproken. Redelijk tarief verschuldigd.

Retentierecht. Vergoeding verschuldigd tijdens uitoefening retentierecht verminderd omdat jachthavenexploitant betaling van bovenmatige vergoeding eiste.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rolnummer: 6131265 \ CV EXPL 17-6449

vonnis van de kantonrechter van 28 november 2017

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WATERLAND MONNICKENDAM B.V.,

gevestigd te Monnickendam,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: C.W.M. Stam,

tegen

[gedaagde] ,

wonend te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

gemachtigde: mr. F. van der Hoef.

Partijen zullen hierna Waterland Monnickendam en [gedaagde] worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 29 juni 2017,

- het herstelexploot van 30 juni 2017,

- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie

- de conclusie van antwoord in reconventie

- de zitting van 21 november 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Feiten

2.1.

Waterland Monnickendam exploiteert een jachthaven. Een deel van haar bedrijfsterrein had zij verhuurd aan [zoon van gedaagde] , de zoon van [gedaagde] , die daar een bedrijf uitoefende. [gedaagde] heeft op enig moment op dat deel van het terrein zijn zeilboot, een Dehler 34, gestald.

2.2.

De huurovereenkomst tussen Waterland Monnickendam en [zoon van gedaagde] is per

1 januari 2016 beëindigd. De boot van [gedaagde] is toen blijven staan op het voormalige bedrijfsterrein van [zoon van gedaagde] .

2.3.

Bij brief van 31 maart 2016 heeft Waterland Monnickendam aan [gedaagde] meegedeeld:

Bij ons staat nog in opslag uw Dehler 34, de kosten van stalling hiervoor bedragen € 17,17 per dag + toeslag voor stalling op de wal (€ 62,84 p/mnd).

Middels dit schrijven informeren wij u over de verschuldigde kosten voor de stalling op de wal tot op heden (1.11.2015-31.03.2016) zonder kraan- en verdere kosten: € 3.074,29

Bij het ophalen van uw schip zullen wij u een rekening sturen, die u voor de tewaterlating of voor het laden op een transportwagen dient te voldoen.

[gedaagde] heeft niet op de brief gereageerd.

2.4.

Op 3 augustus 2016 heeft [gedaagde] via Whatsapp aan [naam directeur] , directeur van Waterland Monnickendam, meegedeeld:

Ik wil volgende week mijn Dehler ophalen, maar er zal nog wel stalling betaald moeten worden en uiteraard kraankosten. Kun je mij opgeven hoeveel

Op 8 augustus 2016 heeft [gedaagde] aan [naam directeur] geappt:

Stuur jij nog een mail met de stalling-en kraankosten?

2.5.

Waterland Monnickendam heeft vervolgens per e-mail een factuur aan [gedaagde] toegezonden, gedateerd op 5 augustus 2016. De factuur luidt:

Wij brengen u hierbij in rekening:

Stalling buiten, € 17,17 per dag

4876,28

Toeslag stalling op de wal , 10,1O x 3,40m, 62,84 per mnd

581,27

Bokhuur, € 150,00 per half jaar

225,00

Mastenberging, binnen

278,00

Mast uit hal halen en transportklaar maken

40,00

Mastenkraan: mast afhalen en opzetten per half uur

99,00

Transport met de bokkenwagen

120,00

Kranen schip

144,43

Totaal: (incl.21% BTW€ 1104,50)

6.363,98

Betaling:

Te betalen voor 09-08-2016

6363,98

2.6.

[gedaagde] heeft daarop het volgende bericht aan Waterland Monnickendam geappt:

Deze rekening kan je toch niet menen.

Gaan we hier nu ook de advokaat aan laten verdienen?

2.7.

Partijen zijn vervolgens niet tot overeenstemming gekomen over de betaling van een vergoeding voor de stalling van de boot.

3 Geschil

In conventie

3.1.

Waterland Monnickendam vordert, na wijziging van eis, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] zal veroordelen om aan haar te betalen:

- € 11.722,92 voor stallingskosten over de periode van 1 april 2016 tot en met november 2017,

- € 863,19 voor buitengerechtelijke kosten,

met rente en proceskosten.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

In reconventie

3.3.

[gedaagde] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de hoogte van het bewaarloon te bepalen dat [gedaagde] aan Waterland Monnickendam verschuldigd is,

2. Waterland Monnickendam zal veroordelen tot afgifte van de boot na betaling van het

door de kantonrechter vastgestelde bewaarloon en wel binnen vier weken na betekening

van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00

per dag, met een maximum van € 25.000,00,

met kosten.

3.4.

Waterland Monnickendam voert verweer.

Verder in conventie en reconventie

3.5.

De kantonrechter zal de stellingen van partijen hierna bespreken, voor zover die van belang zijn voor de beslissing in deze zaak.

4 Beoordeling

In conventie en reconventie

4.1.

Het gaat in dit geding om de vraag welke vergoeding [gedaagde] aan Waterland Monnickendam moet betalen voor de stalling van zijn boot op het terrein van Waterland Monnickendam.

4.2.

De boot van [gedaagde] lag er al, toen Waterland Monnickendam op 1 januari 2016 weer de beschikking kreeg over het deel van het terrein waar de boot van [gedaagde] stond. Waterland Monnickendam heeft aanvaard dat de boot daar bleef staan en [gedaagde] heeft de boot op dat moment niet weggehaald. Er is geen vergoeding voor de voortdurende stalling afgesproken. Waterland Monnickendam heeft wel in haar brief van 31 maart 2016 een tarief genoemd, maar [gedaagde] heeft dat niet aanvaard. Evenmin zijn feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die de conclusie rechtvaardigen dat Waterland Monnickendam redelijkerwijs heeft mogen begrijpen dat [gedaagde] dat tarief aanvaardde.

4.3.

Naar analogie van in de wet geregelde gevallen (zoals art. 7:4 BW voor koop, art. 7:405 voor opdracht en art. 7:601 lid 2 BW voor bewaarneming) moet worden aangenomen dat [gedaagde] bij gebreke van een prijsafspraak een gebruikelijke of redelijke vergoeding voor de stalling is verschuldigd. Naar het oordeel van de kantonrechter is het in dit geval redelijk om aansluiting te zoeken bij de tarieven die Waterland Monnickendam in de regel aan haar klanten in rekening brengt voor het stallen van een boot op de wal. Met die tarieven heeft [gedaagde] ook redelijkerwijs rekening kunnen en moeten houden.

4.4.

Tot die tarieven behoort niet het (hoge) passantentarief, want [gedaagde] was geen passant in de betekenis die daaraan in de watersport gebruikelijk wordt gegeven. Het passantentarief is bedoeld voor recreanten die een of enkele dagen met hun boot in de jachthaven liggen. Het gaat in dit geval om de tarieven voor de vaste ligplaatsen.

4.5.

De tarieven van Waterland Monnickendam voor vaste ligplaatsen in het zomerseizoen 2016 waren:

- zomerligplaats € 1.637,23

- toeslag stalling op de kant € 377,05

- bokhuur € 150,00

- mastenberging € 145,00

€ 2.309,28

Van dit bedrag heeft Waterland Monnickendam van [gedaagde] de betaling mogen verlangen, toen [gedaagde] de boot in augustus 2016 wilde ophalen.

4.6.

Waterland Monnickendam heeft, zoals ter zitting is bevestigd, een beroep gedaan op een retentierecht dat volgens haar is neergelegd in Hiswa-voorwaarden, en de afgifte van de boot geweigerd totdat [gedaagde] haar vordering zou hebben betaald. De Hiswa-voorwaarden kunnen echter niet van toepassing worden geacht, omdat niet is gebleken dat [gedaagde] de toepasselijkheid daarvan heeft aanvaard. Wel kan Waterland Monnickendam een retentierecht toekomen op grond van art. 3:290 BW.

4.7.

Zo lang [gedaagde] geen redelijke vergoeding voor de stalling van de boot had betaald, had Waterland Monnickendam de bevoegdheid om de nakoming van haar verplichting tot afgifte van de boot op te schorten. Waterland Monnickendam verlangde echter niet een redelijke vergoeding, maar een bovenmatige vergoeding, namelijk bijna driemaal het redelijke (€ 6.363,98). Het bovenmatige behoefde [gedaagde] niet te voldoen, wel het redelijke. [gedaagde] heeft echter niets betaald. Ook al overvroeg Waterland Monnickendam, het had op de weg van [gedaagde] gelegen om het redelijke te betalen. Ook voor [gedaagde] geldt dat het voor de hand had gelegen om aansluiting te zoeken bij de tarieven die Waterland Monnickendam hanteerde voor vaste ligplaatsen. Had [gedaagde] het redelijke betaald, dan zou hij daarmee aan Waterland Monnickendam de bevoegdheid tot opschorting van de nakoming van haar verplichting tot afgifte van de boot, hebben ontnomen. Dat is niet gebeurd, dus het retentierecht van Waterland Monnickendam is in stand gebleven.

4.8.

Vraag is nu welke vergoeding [gedaagde] is verschuldigd over de periode dat Waterland Monnickendam het retentierecht heeft uitgeoefend. De situatie is anders dan in de periode vóór de uitoefening van het retentierecht. Het gaat immers niet meer om de vrijwillige stalling van de boot, maar om het vasthouden van de boot zo lang Waterland Monnickendam daartoe de bevoegdheid had. Dat brengt mee dat in beginsel een dagprijs geldt. De dagprijs is verschuldigd vanaf het moment dat het zomerseizoen eindigde, omdat het onder 4.5 genoemde tarief de prijs is voor het hele zomerseizoen.

4.9.

Ook voor de dagprijs zoekt de kantonrechter aansluiting bij het tarief dat Waterland Monnickendam in rekening brengt voor vaste ligplaatsen. De dagprijs is gelijk aan de jaarprijs, gedeeld door 365 dagen. De dagprijs kan dan als volgt worden vastgesteld:

- jaarligplaats (incl. milieuheffing) € 1.838,63

- toeslag stalling op de kant € 754,10

- bokhuur € 300,00

- mastenberging € 290,00

€ 3.182,73/365 is € 8,72 per dag.

4.10.

De omstandigheid dat het retentierecht is uitgeoefend en de boot dus in de stalling is gebleven, is echter niet alleen het gevolg van het feit dat [gedaagde] geen redelijke vergoeding heeft betaald. Ook het feit dat Waterland Monnickendam de betaling van een bovenmatig bedrag eiste, heeft aanmerkelijk ertoe bijgedragen dat boot er is blijven staan. Aannemelijk is immers, gelet op de Whatsappberichten van [gedaagde] , dat als Waterland Monnickendam in augustus 2016 een redelijke vergoeding had gevraagd, [gedaagde] die zou hebben betaald.

Dit beïnvloedt de redelijkheid van de vergoeding die Waterland Monnickendam kan vragen voor de stalling gedurende de periode dat het retentierecht is uitgeoefend. Naar het oordeel van de kantonrechter moet de volle dagprijs worden verminderd naar de mate waarin Waterland Monnickendam de redelijkheid heeft overschreden. Haar komt dus toe:

€ 2.309,28/€ 6.363,98 x € 8,72 is € 3,16 per dag.

4.11.

Het voorgaande leidt tot het volgende:

Over de periode tot 1 november 2016 moet [gedaagde] € 2.309,28 aan Waterland Monnickendam betalen.

Over de periode vanaf 1 november 2016 moet [gedaagde] € 3,16 per dag aan Waterland Monnickendam betalen.

De vordering van Waterland Monnickendam tot betaling en de tegenvordering van [gedaagde] tot vaststelling van een redelijke vergoeding, zijn in zoverre toewijsbaar.

4.12.

Na betaling van het verschuldigde moet Waterland Monnickendam de boot aan [gedaagde] afgeven. De vordering van [gedaagde] tot afgifte van de boot is in zoverre toewijsbaar.

4.13.

Een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is in dit geval niet redelijk want Waterland Monnickendam heeft door het vragen van een bovenmatige vergoeding zelf in de hand gewerkt dat in augustus 2016 geen redelijke vergoeding is verkregen voor het stallen van de boot en dat vervolgens incassowerkzaamheden zijn verricht.

4.14.

Partijen zijn over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. Zij moeten daarom hun eigen proceskosten dragen.

5 Beslissing

De kantonrechter

in conventie:

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan Waterland Monnickendam tegen bewijs van kwijting te betalen:

- € 2.309,28 voor stalling van zijn boot over de periode tot 1 november 2016, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 29 juni 2017 tot de dag van volledige betaling,

- € 3,16 per dag voor stalling van zijn boot over de periode van 1 november 2016 tot de dag waarop [gedaagde] de verschuldigde stallingskosten aan Waterland Monnickendam betaalt;

in reconventie:

5.2.

bepaalt de vergoeding die [gedaagde] aan Waterland Monnickendam moet betalen voor de stalling van zijn boot op de onder 5.1 genoemde bedragen;

5.3.

veroordeelt Waterland Monnickendam tot afgifte aan [gedaagde] van diens boot binnen vier weken na betekening van dit vonnis, welke betekening behoort plaats te vinden nadat [gedaagde] de onder 5.1 genoemde stallingskosten aan Waterland Monnickendam heeft betaald, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag voor elke dag dat Waterland Monnickendam daarmee in gebreke is, met een maximum van € 25.000,00;

verder in conventie en in reconventie:

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

compenseert de proceskosten in die zin dat partijen hun eigen kosten dragen;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. W.J.J. Los, kantonrechter, en uitgesproken in het openbaar op

28 november 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 780