Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4467

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-11-2017
Datum publicatie
23-11-2017
Zaaknummer
18/730126-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730126-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 23 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye, advocaat te Burgum. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 december 2016 in de gemeente Kollumerland c.a. als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende over de weg, (de Foarwei), gaande in de richting van Zwaagwesteinde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, -terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcoholische drank- bij de nadering van een voetganger, welke voetganger, gezien verdachtes rijrichting, op de (uiterste) rechterzijde van de rijbaan in dezelfde richting als verdachte liep en door verdachte van achteren werd genaderd, in plaats van genoemde voetganger tijdig op te merken en/of tijdig en/of voldoende uit te wijken voor en/of voldoende snelheid te verminderen en/of voldoende afstand te bewaren tot en/of voldoende rekening te houden met die voetganger met het door verdachte bestuurde motorrijtuig aan te rijden en/of te botsen tegen die voetganger, waardoor die fietser (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een gecompliceerde (onder)beenfractuur en/of schedelhersenletsel, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of

tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

A.

hij op of omstreeks 17 december 2016 in de gemeente Kollumerland c.a. als bestuurder van een motorrijtuig, (bromfiets), dit motorrijtuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994,

0,79 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn;

B.

hij op of omstreeks 17 december 2016 in de gemeente Kollumerland c.a. als bestuurder van een motorrijtuig (bromfiets), daarmede rijdende op de weg, de Foarwei, gaande in de richting van Zwaagwesteinde, -terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcoholische drank-

bij de nadering van een voetganger, welke voetganger, gezien verdachtes rijrichting, op de (uiterste) rechterzijde van de rijbaan in dezelfde richting als verdachte liep en door verdachte van achteren werd genaderd, in plaats van genoemde voetganger tijdig op te merken en/of tijdig en/of voldoende uit te wijken voor en/of voldoende snelheid te verminderen en/of

voldoende afstand te bewaren tot en/of voldoende rekening te houden met die voetganger met het door verdachte bestuurde motorrijtuig is aangereden en/of gebotst tegen die voetganger, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het de omgevingsafhankelijke factoren zijn geweest die de oorzaak zijn van de aanrijding en dat niet het gedrag van verdachte daarin van doorslaggevend belang is geweest. Dit leidt er volgens de raadsman toe dat niet bewezen kan worden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend is geweest. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat het bestanddeel "zwaar lichamelijk letsel" of "ziekte of tijdelijke verhindering in de uitoefening van normale bezigheden" niet kan worden bewezen, nu er onvoldoende concrete informatie is over de toenmalige en huidige medische situatie van het slachtoffer.

Het oordeel van de rechtbank

Schuld:

Aan de hand van de zich in het dossier bevindende verklaringen en stukken en het onderzoek ter terechtzitting stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte reed op 17 december 2016 omstreeks 18.30 uur op zijn snorscooter op de Foarwei te Kollumerzwaag. Hij had op die dag 4 à 5 flessen bier gedronken. Gaandeweg zijn rit van Kollumerzwaag naar De Westereen verslechterden de weersomstandigheden in die zin dat het begon te motregenen, waardoor -nu de snorscooter niet was voorzien van een windscherm- het zicht van verdachte werd belemmerd. Achter de door verdachte bestuurde snorscooter reed een personenauto die werd bestuurd door de getuige [verbalisant 3]. Bij de aanrijding reed de door verdachte bestuurde snorscooter het voor hem op de weg lopende slachtoffer van achteren aan. Ten gevolge van deze aanrijding liepen zowel het slachtoffer als verdachte verwondingen op. Verdachte heeft op straat meegewerkt aan een voorlopig ademonderzoek. Hij heeft naar aanleiding van de bevindingen van dat voorlopig onderzoek toestemming gegeven voor een bloedonderzoek.

Op 17 december 2016 om 20.35 uur is in het ziekenhuis door een arts bloed van verdachte afgenomen en voor onderzoek verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut. Uit de uitslag van het bloedonderzoek is gebleken dat het bloed van verdachte ten tijde van dat bloedonderzoek 0,79 milligram alcohol per milliliter bloed betrof.

Uit de zich in het dossier bevindende stukken en verklaringen, met name uit de verklaring van de getuige [verbalisant 3], leidt de rechtbank af dat het slachtoffer onder de gegeven

(weers-)omstandigheden voorafgaand aan de aanrijding voor verdachte zichtbaar had moeten zijn. De getuige [verbalisant 3] reed kort voor de aanrijding met zijn personenauto achter de door verdachte bestuurde snorscooter en had daarbij zijn verlichting ontstoken. [verbalisant 3] heeft verklaard dat hij heeft gezien dat er voor de snorscooter een voetganger aan de rechterzijde van de weg liep. Nu verdachte op dat moment tussen [verbalisant 3] en het slachtoffer reed, moet het slachtoffer ook voor verdachte zichtbaar zijn geweest. Dat verdachte het slachtoffer niet heeft waargenomen en hem heeft aangereden is naar het oordeel van de rechtbank aan verdachte te verwijten en maken dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend is geweest.

Dat verdachte voorafgaand aan de aanrijding meer dan de toegestane hoeveelheid alcoholhoudende drank had gedronken, staat naar het oordeel van de rechtbank vast. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat alcohol een negatieve invloed heeft op de rijvaardigheid, waardoor een bestuurder onvoldoende in staat moet worden geacht om aan het verkeer deel te nemen. Verdachte heeft, door een te grote hoeveelheid alcoholhoudende drank te drinken en vervolgens te gaan rijden, zichzelf in een situatie gebracht waarin hij zijn bromscooter bestuurde zonder dat hij daartoe voldoende in staat was. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de hoeveelheid aangetroffen alcohol in het bloed van verdachte, het reactievermogen van verdachte moet zijn verminderd. Hierdoor was verdachte onvoldoende in staat om tijdig te remmen en/of uit te wijken voor het slachtoffer.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het alcoholgebruik door verdachte zonder meer bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.

Het letsel van het slachtoffer:

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het letsel kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht vermeld welk letsel onder andere als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt.

In de onderhavige zaak blijkt uit de zich in het dossier bevindende letselverklaring dat het slachtoffer als gevolg van het ongeval onder meer een gecompliceerde onderbeenfractuur en hersenletsel in de vorm van een hersenschudding, waarbij gedeeltelijk geheugenverlies is opgetreden, heeft opgelopen. Dit letsel is naar het oordeel van de rechtbank aan te duiden als zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht. Hierbij weegt de rechtbank mee dat verdachte een aantal operaties aan zijn onderbeen heeft moeten ondergaan, waarna een periode van verder herstel in een revalidatiecentrum volgde. Voorts heeft het slachtoffer gesteld dat hij als gevolg van het hem overkomen hersenletsel geruime tijd last heeft gehad van een stijve linkerkant van zijn gezicht, concentratiestoornissen en drukpijn op zijn oog.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat het verkeersongeval te wijten is aan de schuld van verdachte door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend te rijden, ten gevolge waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 9 november 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 17 december 2016 reed ik als bestuurder van een snorscooter over de Foarwei nabij Kollumerzwaag in de gemeente Kollumerzwaag ca. Ik had daarvoor bier gedronken. Op de Foarwei ben ik achterop een voor mij lopende voetganger gebotst. Ik heb toestemming gegeven voor een bloedonderzoek en heb aan dat bloedonderzoek meegewerkt. Uit de uitslag van dat bloedonderzoek bleek dat ik ten tijde van het bloedonderzoek een hogere concentratie alcohol in mijn bloed had dan wettelijk was toegestaan.

2. De inhoud van het zaaksdossier, nummer PL0100-2016355178, gesloten op 2 februari 2017, bestaande uit diverse processen-verbaal en stukken, waaronder:

2.1.

Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0100-2016355178-1, d.d. 2 februari 2017, opgemaakt in wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen in het onder 2. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 17 december 2016 te 18.36 uur kreeg ik, verbalisant [verbalisant 1], kennis van een verkeersongeval.

Locatie ongeval

Datum : 17 december 2016

Adres : [straatnaam]

Plaats : Kollumerzwaag

Vermoedelijke toedracht

[slachtoffer] liep langs de Foarwei richting Zwaagwesteinde. Toen [slachtoffer] ter hoogte van 204 liep, werd hij van achter aangereden door bestuurder [verdachte], van de snorscooter. Deze kwam ten val op zijn gezicht. [slachtoffer] werd naar alle waarschijnlijkheid geraakt op zijn linkerbeen. Dit was zichtbaar gebroken.

Verdachte

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum] 1959

Betrokken persoon

Achternaam : [slachtoffer]

Voornamen : [slachtoffer]

2.2.

Een ambtsedig proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0100-2016355178-11, d.d. 14 januari 2017, opgemaakt in wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgenomen in het onder 2. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

Wij, verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], verklaren het volgende. Op 17 december 2016 te 18.25 uur kreeg ik, [verbalisant 1], kennis van een verkeersongeval op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Foarwei te Kollumerzwaag. Omstreeks 18.40 uur kwamen wij ter plaatse. Ter controle op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorschriften werd een onderzoek ingesteld.

Daaruit bleek dat de hierna genoemde verdachte als bestuurder van een voertuig, type snorfiets, merk Peugeot, type Vivacity, bij dit ongeval betrokken was. Ik, [verbalisant 1], heb op 17 december 2016 te 18.50 uur van deze bestuurder gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht (voorlopig ademonderzoek). Met medewerking van de bestuurder heb ik, [verbalisant 2], hem dit voorlopig ademonderzoek afgenomen met behulp van een door de Minister aangewezen en goedgekeurd ademtestapparaat. Als resultaat van deze tekst zag ik, [verbalisant 2], dat het ademtestapparaat een alcoholindicatie aangaf van A (235 tot 570 ug/l). In verband met zijn gezondheidstoestand/mogelijk opgelopen letsel van de verdachte is deze overgebracht naar het MCL. Daar is hij opgenomen. In verband met zijn medische toestand kon hij niet worden geleid voor een hulpofficier van justitie. De verdachte gaf mij op te zijn genaamd: [verdachte], geboren op [geboortedatum] 1959. Ik, [verbalisant 1], heb de verdachte gevraagd zijn toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daartoe toestemming. Op 17 december 2016 te 20.35 uur heeft de arts, M. Landheer, in aanwezigheid van mij, [verbalisant 3], de verdachte door middel van een venapunctie bloed afgenomen. Ik, [verbalisant 3], heb het bloedmonster overeenkomstig het bepaalde in de Regeling bloed- en urineonderzoek gewaarmerkt, direct verpakt en verzegeld, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en op naam gestelde analysesticker met het nummer TAAO5313NL. De corresponderende analysesticker is op dit proces-verbaal aangebracht. Ik, [verbalisant 3], heb mij ervan vergewist dat het bloedmonster overeenkomstig het bepaalde in de Regeling bloed- en urineonderzoek is verzonden naar het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag. Uit het hierbij gevoegde rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag blijkt dat het alcoholgehalte van het bloed van de verdachte ten tijde van het bloedonderzoek 0,79 milligram alcohol per milliliter bloed bedroeg.

2.3.

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer], nummer PL0100-2016355178-10, d.d. 3 januari 2017, opgemaakt in wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen in het onder 2. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 17 december 2016 omstreeks 18.15 uur liep ik met mijn hond langs de Foarwei in Kollumerzwaag. Ik liep buiten de bebouwde kom aan de rechterzijde van de weg. Ik liep dus met het verkeer mee. Ik liep in de richting van Kollumerzwaag naar De Westereen. Ik liep over de fietsstrook stijf tegen de berm aan omdat dit veiliger is. Ik had mijn hond aangelijnd en die liep in de berm. Het was donker buiten, maar ondanks de omstandigheden was het zicht goed. De straatverlichting brandde en ik kon naar schatting verder dan honderd meter kijken. Ik had de hond aangelijnd met een reflecterende lijn en ook het handvat van de lijn was van reflecterend materiaal. Ik liep ter hoogte van perceelnummer 204. Hier ben ik aangereden. Vanaf dat moment ben ik alles kwijt. Ik weet niets meer van het vervoer met de ambulance of de opname in het ziekenhuis. Pas de dag erna kan ik mij weer iets herinneren. Mijn letsel naar aanleiding van de aanrijding bestaat uit:

- Een hersenschudding. Hier heb ik nog steeds last van. Ik heb in het verleden een herseninfarct gehad en de hersenschudding zorgt ervoor dat de klachten van dit infarct verergeren. Ik heb moeite met lezen en mijn geheugen is verslechterd. Het zich is verslechterd en mijn motoriek aan de linkerkant is achteruit gegaan.

Ik ben nog steeds voor mijn zicht in behandeling bij de Koninklijke Visio in Leeuwarden om mijn zicht te verbeteren. Ik kan mij ook moeilijk concentreren en ik moet op advies van de artsen rustig aan doen om het herstel te bespoedigen.

- Zowel mijn kuit- als mijn scheenbeen is gebroken van mijn linkerbeen. De breuk aan mijn scheenbeen betreft een gecompliceerde beenbreuk en het bot is vastgezet met een stalen pen.

2.4.

Een ambtsedig proces-verbaal van verhoor van de getuige [verbalisant 3], nummer PL0100-2016355178-2, d.d. 17 december 2016, opgemaakt in wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, opgenomen in het onder 2. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

Op 17 december 2016 omstreeks 18.45 uur reed ik op de Foarwei ter hoogte van perceelnummer 229 te Kollumerzwaag richting De Westereen. Op dat moment zag ik een voetganger aan de rechterzijde van de weg lopen. Hij liep rechts van de strepen op de weg. De witte strepen geven het fietspad aan. Achter de voetganger reed een scooter. Op het moment dat ik de scooter wilde inhalen, zag ik dat de bestuurder van de scooter de voetganger van achteren aanreed. De bestuurder van de scooter had een snelheid van niet meer dan 60 kilometer per uur. Ik zag dat de voetganger in de lucht vloog en weer op de grond landde in het gras van de berm. Op het moment dat het gebeurde, was het donker en het regende.

2.5.

Een geneeskundige verklaring, op 6 februari 2017 opgemaakt en ondertekend door B. Diesveld, forensisch arts FMG, opgenomen in het onder 2. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

Medische informatie betreffende: [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1961.

Datum incident:

17 december 2016

Omschrijving van de toedracht

Tijdens uitlaten van de hond is betrokkene van achteren aangereden en heeft hierbij letsel opgelopen. Betrokkene is van achter aangereden door een scooter.

Aanvullende informatie met betrekking tot het incident

Na aanrijding was betrokkene buiten bewustzijn en kan zich niets van het ongeval herinneren. Gealarmeerde ambulance heeft patiënt naar ziekenhuis MCL vervoerd. Hier is meneer verder onderzocht en is meneer geopereerd aan het linker onderbeen.

Subjectieve klachten

Hoofdpijn, concentratiestoornissen, vergeetachtigheid. Betrokkene heeft in 2015 een CVA doorgemaakt en had hierdoor beperkingen. Deze beperkingen zijn na het ongeval toegenomen.

Letselbeschrijving

Bij uitwendig onderzoek zijn geen letsels van het ongeval te duiden. Op grond van de beschikbare medische gegevens kan wel de volgende inventarisatie worden opgemaakt:

  • -

    Gecompliceerde onderbeenfractuur links,

  • -

    Scheurwond bij rechteroor,

  • -

    Schedelhersenletsel geduid als "hersenschudding", waarbij gedeeltelijk geheugenverlies optrad.

Conclusie

Ontstaan : letsel is aansluitend aan ongeval ontstaan op vermelde datum.

Herstel : Volledig herstel is te verwachten, waarbij aangetekend moet worden dat mogelijk restklachten van de fractuur altijd kunnen optreden. Daarnaast is het op dit moment nog niet duidelijk in hoeverre het schedelhersenletsel volledig herstelt. Een oordeel hierover kan in beginsel na 2 tot 3 maanden worden gegeven.

Blijvend letsel : Kan met name door het schedelhersenletsel op dit moment niet worden uitgesloten, mede door een eerder doorgemaakt CVA.

Letsel past bij : Opgegeven toedracht volgens pv.

2.6.

Een deskundigenrapport, afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.12.21.080, d.d. 28 december 2016 opgemaakt door de deskundige K.S. Kruseman, opgenomen in het onder 2. genoemde dossier, zakelijk weergegeven inhoudende:

Naam bloedgever [verdachte], geboortedatum: [geboortedatum] 1959

Te ontvangen materiaal

Ontvangen van Politie Eenheid Noord-Nederland

Via per post

Datum ontvangst 20 december 2016

SIN Omschrijving

TAAO5313NL Bloed

Uitgevoerd onderzoek

De ethanolconcentratie (bloedalcoholgehalte) in het bloed TAAO5313NL van [verdachte] werd bepaald door gaschromatografie met vlamionisatiedetectie.

Resultaat onderzoek

In het bloed TAAO5313NL van [verdachte] is een ethanolconcentratie gemeten van 0,79 mg/ml.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

primair:

hij op 17 december 2016 in de gemeente Kollumerland c.a. als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Foarwei, gaande in de richting van Zwaagwesteinde, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, -terwijl verdachte onder invloed verkeerde van alcoholische drank- bij de nadering van een voetganger, welke voetganger, gezien verdachtes rijrichting, op de uiterste rechterzijde van de rijbaan in dezelfde richting als verdachte liep en door verdachte van achteren werd genaderd, in plaats van genoemde voetganger tijdig op te merken en tijdig en voldoende uit te wijken voor en voldoende snelheid te verminderen en voldoende afstand te bewaren tot en voldoende rekening te houden met die voetganger met het door verdachte bestuurde motorrijtuig aan te rijden tegen die voetganger, waardoor die voetganger, genaamd [slachtoffer], zwaar lichamelijk letsel, te weten een gecompliceerde onderbeenfractuur en schedelhersenletsel heeft bekomen, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren, zulks met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte reeds is ingehouden geweest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om -in het geval van een veroordeling- verdachte te veroordelen tot een geheel voorwaardelijke taakstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een ernstige verkeersfout door onder invloed van alcohol te gaan rijden. Deelname aan het verkeer na het gebruik van meer alcoholhoudende drank dan de toegestane hoeveelheid is over het algemeen onverenigbaar met de concentratie die in het verkeer is vereist. Verdachte is met zijn snorscooter achterop een voetganger gereden, die als gevolg van de aanrijding door de lucht vloog en terechtkwam in het gras van de naast de weg gelegen berm. De gevolgen van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag, waarbij verdachte ook nog eens onder invloed van alcohol verkeerde, kunnen zeer ernstig zijn zoals ook in dit geval blijkt. Zowel het slachtoffer als ook verdachte zelf hebben als gevolg van de aanrijding ernstige verwondingen opgelopen.

Het door het slachtoffer ten gevolge van de aanrijding opgelopen letsel bestaat uit een gecompliceerde onderbeenbreuk en schedelhersenletsel in de vorm van een hersenschudding. Verdachte heeft het slachtoffer door zijn handelen veel leed aangedaan.

Uit de door het slachtoffer opgemaakte en ter terechtzitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaring komt op indringende wijze naar voren wat de gevolgen van de aanrijding voor het slachtoffer zijn geweest. Het slachtoffer heeft een aantal operaties aan zijn linker onderbeen moeten ondergaan. Vervolgens heeft hij zeven maanden in een revalidatiecentrum verbleven om weer te kunnen leren lopen. Waar het slachtoffer voorheen ongeveer 15 kilometer kon wandelen, is momenteel traplopen voor hem al een hele opgave. Daarnaast heeft ook het opgelopen hersenletsel grote gevolgen voor het slachtoffer gehad. Naar eigen zeggen functioneert hij ongeveer een jaar na het ongeval weer op het niveau waarop hij functioneerde voorafgaand aan het ongeval.

De opstelling van verdachte als gevolg van het ongeval baart de rechtbank zorgen. Hij zoekt niet of nauwelijks de fout bij zichzelf en een begin van schuldbesef lijkt afwezig. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in zijn ogen niets verkeerd heeft gedaan, dat de hoeveelheid alcohol die hij voorafgaand aan de aanrijding had gedronken niets voorstelde en dat de aanrijding ook had plaatsgevonden als verdachte daaraan voorafgaand geen alcohol had gedronken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het verdachte betreffend Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2017.

De rechtbank heeft acht geslagen op het opgemaakte reclasseringsrapport. Hieruit blijkt dat verdachte een bijstandsuitkering ontvangt, dat hij in een WSNP-traject zit en als gevolg daarvan € 70,00 leefgeld per week ontvangt. Als gevolg van het ongeval moet verdachte een bedrag van € 12.000,00 aan zijn verzekeringsmaatschappij terugbetalen, omdat deze de schade heeft vergoed aan het slachtoffer. Als gevolg van zwaar lichamelijk werk in het verleden heeft verdachte naar eigen zeggen een versleten schouder opgelopen. Door de reclassering wordt geadviseerd aan verdachte een voorwaardelijke straf op te leggen. Opgemerkt wordt dat verdachte vanwege zijn lichamelijke gesteldheid niet in staat lijkt te zijn een taakstraf uit te voeren.

Ten aanzien van de strafoplegging heeft de rechtbank tevens acht geslagen op de oriëntatiepunten ter zake van het Landelijk Overleg van Strafsectorvoorzitters (LOVS). Deze geven als uitgangspunt voor een delict als door verdachte gepleegd, waarbij sprake is van strafbaar alcoholgebruik, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid van aanmerkelijke duur.

De rechtbank zal verdachte echter gezien zijn persoonlijke omstandigheden niet veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, maar zal aan verdachte een taakstraf opleggen.

De opmerking van de reclassering dat verdachte vanwege zijn lichamelijke gesteldheid niet in staat lijkt om een taakstraf uit te voeren, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke rijontzegging oplegging, mede ter voorkoming van recidive.

Alles overwegende acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden en zal zij verdachte veroordelen tot een taakstraf van 80 uren en een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van de tijd dat het rijbewijs van verdachte al is ingehouden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van het primair bewezenverklaarde voorts:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 12 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. C.H. Beuker en mr. H.G. Punt, rechters, bijgestaan door L. Palstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 november 2017.

Mr. Punt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.