Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4448

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
22-11-2017
Zaaknummer
17/885316-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Schuldig aan oplichting dmv listige kunstgrepen en samenweefsel van verdichtsels van een goede vriend voor een bedrag van € 452.046,- tbv een appartementencomplex in Turkije die niet gebouwd is. Gevangenisstraf 12 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 17/885316-12

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 november 2017.

Verdachte is niet verschenen. Wel zijn verschenen mr. H. Langenberg en mr. D. Gürses, advocaten te Utrecht, die verklaard hebben uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 10 april 2007 te [pleegplaats] , (althans) in de gemeente Littenseradiel en/of te Amsterdam en/of (elders) in Nederland en/of te Turkije, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 452.046,- euro (te weten een aanbetaling

voor de investering in een appartementencomplex betreffende het bouwproject [naam] ), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid aan die [slachtoffer] verteld en/of die [slachtoffer] doen geloven dat:

- zijn bedrijf " [bedrijf 1] " eigenaar was van een stuk grond (gelegen te Turkije, nabij de badplaats Alanya), waarop (7) appartementencomplexen gebouwd zouden worden en/of

- er reeds een investeerder was (genaamd [naam] ) voor 6, althans een aantal, van de te bouwen appartementencomplexen en/of

- voornoemde investeerder reeds een bedrag van 250.000,- euro had gestort en/of

- het (7e) appartementencomplex tegen kostprijs aan die [slachtoffer] geleverd kon worden, waarna hij het met (behoorlijk) rendement weer kon verkopen en/of

- een (aantal) bouwtekeningen aan die [slachtoffer] laten zien met daarop stempels van lokale autoriteiten en/of tegen die [slachtoffer] gezegd dat voornoemde stempels (een) vergunning(en) tot bouwen inhield(en) en/of

- het pand omstreeks maart 2007 opgeleverd zal worden,

waardoor voornoemde [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Subsidiair zo het vorenstaande niet mocht leiden tot schuldigverklaring van en

strafoplegging aan verdachte:

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2006 tot en met 31 juni 2006 te [pleegplaats] , (althans) gemeente Littenseradiel en/of te Amsterdam en/of (elders) in Nederland en/of te Turkije, een overeenkomst betreffende "deelname project " [naam] " - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte valselijk in voornoemde overeenkomst vermeld dat zijn, verdachtes bedrijf (te weten [bedrijf 1] ) eigenaar is van een stuk grond [perceel]

, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken en/of dat er een pand zal worden gebouwd op voornoemd stuk grond dat zal worden afgeleverd omstreeks maart 2007 en/of (vervolgens) voornoemde overeenkomst ondertekend als zijnde de waarheid.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Standpunt van de verdediging

Namens verdachte is betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ingestelde vervolging, omdat het handelen van het Openbaar Ministerie in strijd is met beginselen van een goede procesorde. Er is hier namelijk enkel sprake van een civielrechtelijk geschil en niet van een strafbaar feit.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat deze zaak wel degelijk een strafzaak betreft en is van oordeel dat zij ontvankelijk is in de vervolging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur (dat in de strafrechtspraak in dit verband ook wel wordt omschreven als het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging).

De rechtbank is van oordeel dat die situatie zich hier geenszins voordoet en verwerpt het verweer.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd. Op grond van het proces-verbaal van de politie, alsmede het onderzoek van de rechter-commissaris kan wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) heeft opgelicht voor een bedrag van € 452.046,- door [slachtoffer] te bewegen dit bedrag te betalen door aan hem bewust een op onjuistheden gebaseerd beeld te schetsen van een lucratieve investering.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadslieden hebben daartoe aangevoerd dat er geen overtuigend bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte opzettelijk onjuiste informatie heeft verstrekt aan [slachtoffer] waardoor hij tot investering is overgegaan. Daartoe is onder meer aangevoerd dat hetgeen aangever [slachtoffer] heeft verklaard over het gesprek met verdachte op 31 mei 2006 volledig wordt betwist en dat de grond waarop het appartementencomplex zou worden gebouwd op het moment van het aangaan van de overeenkomst wel degelijk al in eigendom was van (het bedrijf van) verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt aan de hand van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte hem heeft opgelicht door hem door middel van onjuiste mededelingen te bewegen een bedrag van € 452.046,- te investeren in de bouw van een appartementencomplex in Turkije. Hij heeft verklaard dat verdachte op 31 mei 2006 bij hem thuis was en hem heeft verteld over het project “ [naam] ”. Het project betrof nog te bouwen appartementencomplexen in Alanya, Turkije. Het bouwbedrijf van verdachte, [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), was – zo vertelde verdachte aan [slachtoffer] – eigenaar van de bouwgrond waar de appartementencomplexen gebouwd zouden worden. [slachtoffer] heeft verklaard dat er volgens verdachte al een investeerder voor zes van de zeven te bouwen appartementencomplexen zou zijn, te weten de heer [naam] . De heer [naam] zou volgens verdachte reeds een bedrag van € 250.000,- hebben geïnvesteerd. Volgens [slachtoffer] heeft verdachte hem aangeboden om tegen kostprijs te investeren in het zevende te bouwen appartementencomplex, waarna hij dit met een behoorlijk rendement weer zou kunnen verkopen. De benodigde vergunningen waren al verleend en er zou direct met de bouw gestart kunnen worden. [slachtoffer] heeft voorts aangegeven dat verdachte hem bouwtekeningen met daarop meerdere stempels van de lokale autoriteiten heeft getoond. Deze stempels zouden de goedkeuring van deze autoriteiten inhouden. Gelet op de van verdachte verkregen informatie, hebben [slachtoffer] en zijn vrouw in juli 2006 besloten om te investeren in het project “ [naam] ”. [slachtoffer] en verdachte hebben daartoe op 30 juni 2006 een overeenkomst getekend, waarin onder meer de eigendomssituatie van de bouwgrond beschreven staat, alsook dat de geschatte aflevertijd van het gebouw maart 2007 is. [slachtoffer] heeft op 6 juli 2006 € 452.046,- overgemaaakt naar de bankrekening van [bedrijf 1] te Turkije.

Hoewel door de verdediging de verklaring van [slachtoffer] uitdrukkelijk is betwist, ziet de rechtbank geen reden om aan die verklaring te twijfelen. Met name niet omdat de verklaring van aangever [slachtoffer] op een aantal essentiële onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Daarbij wijst de rechtbank allereerst op de verklaring van getuige [naam] . Deze heeft aangegeven dat hij niet heeft geïnvesteerd in het project " [naam] ". Getuigen [naam] en [naam] hebben verklaard dat [naam] aanvankelijk wel in het project geïnteresseerd was, maar dat hij uiteindelijk van investering daarin heeft afgezien. [naam] heeft verklaard dat verdachte hem heeft willen doen geloven dat [slachtoffer] al wel had geïnvesteerd in het project. Dit verhaal is, zo constateert de rechtbank, wat dit betreft dus spiegelbeeldig aan het verhaal dat [slachtoffer] van verdachte te horen zou hebben gekregen, te weten dat juist [naam] al in het project geïnvesteerd zou hebben, terwijl dat niet het geval is. Daarmee ondersteunt deze verklaring de verklaring van aangever [slachtoffer] voor wat betreft de onjuistheid van de mededeling dat er reeds door [naam] zou zijn geïnvesteerd voor een bedrag van € 250.000,-.

Voorts wijst de rechtbank op de verklaring van getuige [naam] die heeft verklaard dat verdachte aan hem heeft verteld dat de bouwvergunningen voor het project al waren afgegeven, maar dat [naam] (de assistente van verdachte) hem later desgevraagd heeft verteld dat zij wist dat er geen vergunning was, maar dat zij dit van verdachte niet mocht vertellen.

Uit een schrijven van de burgemeester van de gemeente Kestel d.d. 5 januari 2011 blijkt dat er voor de kavels 19 en 22 (tezamen de grond waarop " [naam] " gebouwd zou gaan worden) geen bouwvergunning van welke aard dan ook is afgegeven. Nu uit het deskundigenrapport van [naam] blijkt dat een bouwvergunning vijf jaren geldig blijft, kan er in mei 2006 derhalve geen sprake zijn geweest van een verleende bouwvergunning.

Ten aanzien van de eigendom van de betreffende percelen overweegt de rechtbank dat zowel op 31 mei 2006, de dag waarop verdachte [slachtoffer] heeft geïnformeerd over het project, als op 30 juni 2006, de dag waarop door verdachte en [slachtoffer] de overeenkomst is getekend, perceel 19 (zijnde één van de twee percelen waarop het project gebouwd zou gaan worden) niet in eigendom van het bedrijf [bedrijf 1] was. Dit blijkt onder meer uit de verklaring van verdachte zelf en uit het eigendomsbewijs, dat onder meer inhoudt dat perceel 19 pas op 17 juli 2006 in eigendom van [bedrijf 1] is gekomen. Daarbij overweegt de rechtbank dat daaraan niet kan afdoen dat wellicht eerder een overeenkomst tot koop was getekend. Zoals deskundige [naam] heeft verklaard is de datum van inschrijving in de openbare registers namelijk doorslaggevend voor de vraag bij wie het recht van eigendom van het registergoed berust.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aangever [slachtoffer] heeft opgelicht door hem verschillende onwaarheden voor te spiegelen. Bij dat oordeel heeft de rechtbank tevens in aanmerking genomen dat verdachte misbruik heeft gemaakt van de vertrouwensrelatie tussen hem en [slachtoffer] , hierin bestaande dat zij reeds vele jaren vrienden waren.

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte heeft gehandeld met het oogmerk om zichzelf en/of zijn ondernemingen te bevoordelen. Daarbij heeft de rechtbank in het bijzonder daarop gelet dat er binnen enkele dagen nadat [slachtoffer] het eerder genoemde geldbedrag had gestort op de rekening van [bedrijf 1] , in welke onderneming verdachte een aanzienlijk belang had, een bedrag van € 150.000,- op de rekening van het restaurant [bedrijf 2] te Leeuwarden, een (voormalige) onderneming van verdachte, is gestort. Verdachte heeft erkend dat hij deze storting heeft gedaan en heeft verklaard dat hij op deze wijze de door [bedrijf 2] betaalde kosten voor " [naam] " heeft terugbetaald. Verdachte heeft tevens verklaard dat er geld naar [bedrijf 3] , een andere onderneming van verdachte, is gegaan.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juni 2009, opgenomen als bijlage 2.01 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 01042012.TFE (20082006182 X-pol Friesland) d.d. 1 mei 2012, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik woon in het plaatsje [pleegplaats] . Op het huwelijk van [verdachte] en [naam] zijn wij getuige geweest en ik stel dat wij elkaar beste vrienden waren. Op 31 mei 2006, een dag nadat [verdachte] van een bezoek in Turkije terug in Nederland was gekomen, kwam hij bij ons thuis. [verdachte] vertelde ons dat hij bezig was met de ontwikkeling van 7 appartement-gebouwen, genaamd " [naam] ", die nabij de badplaats Alanya te Turkije door hem zouden worden gerealiseerd. [verdachte] heeft in Turkije een bouwbedrijf genaamd " [bedrijf 1] ". [verdachte] stelde ons voor om in de bouw van een project te investeren. Na oplevering en verkoop van de appartementen zouden wij onze investering met daarop een behoorlijk rendement terug krijgen. [verdachte] deelde ons het volgende mede:

1. de grond waarop gebouwd ging worden, was reeds eigendom van [bedrijf 1] ;

2. hij reeds een investeerder voor 6 van de te bouwen complexen had. Deze persoon was genaamd [naam] en afkomstig uit Nederland. [naam] had reeds een bedrag van € 250.000 gestort om juridische zaken betreffende deze nieuwbouw in Turkije te kunnen afhandelen;

3. de benodigde vergunningen waren reeds door de lokale autoriteiten te Turkije verleend

zodat er direct met de bouw gestart kon worden. Er moest alleen nog een stempel van de brandweer geplaatst worden doch dat was volgens [verdachte] geen probleem;

5. het 7e te bouwen appartementencomplex, tegen kostprijs aan ons geleverd kon worden, waarna wij deze met een behoorlijk rendement weer zouden kunnen verkopen. In Turkije werd ik door [verdachte] voorgesteld aan zijn zakenpartners van de te bouwen appartementencomplexen. [verdachte] liet ons bouwtekeningen zien met daarop meerdere stempels ter goedkeuring van de lokale autoriteiten. [verdachte] liet ons een aantal bouwtekeningen zien, die voorzien waren van een aantal stempels. Deze stempels waren volgens [verdachte] geplaatst door de lokale autoriteiten en hielden een vergunning tot bouwen in.

Het exacte bedrag wat ik overmaakte was € 452.046,00 op d.d. 6/7/2006 naar de Deniz Bank te Alanya te Turkije op rekeningnummer [nummer] ten gunste van het bedrijf van [verdachte] , aan " [bedrijf 1] ." Op 6 juli 2006 werd dit geld vanaf mijn bankrekening bij de ABN-AMRO, rekeningnummer [nummer] overgemaakt.

Ik heb [naam] , een makelaar uit Alanya, gevraagd onderzoek voor mij te doen naar het bouwproject [naam] . [naam] mailde mij later, dat er op het tijdstip van overeenkomst tussen [verdachte] en mijzelf en ook het moment van zijn onderzoek, geen bestemmingsplan voor bouwgrond op de geplande locatie was en dat daar dus niet gebouwd mocht worden. Als wij van de juiste feiten op de hoogte waren gesteld door [verdachte] , hadden wij nooit een overeenkomst met [verdachte] gesloten en geld geïnvesteerd in de bouw van een appartementencomplex te Turkije.

2.

Een schriftelijk bescheid, te weten een overeenkomst tussen [bedrijf 1] en fam. [slachtoffer] , opgenomen als bijlage 4.05 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:

Hierbij verklaren volgende partijen:

  1. [bedrijf 1] ; (…) Rechtsgeldig vertegenwoordigd door één van haar directeuren [verdachte] ,

  2. Fam. [slachtoffer] , [straatnaam] , [pleegplaats] .

Partij 1 verklaart conform de bijlagen eigenaar te zijn van een stuk grond perceel [perceel] en hiervan 1/7 te verkopen aan partij 2 voor de som van 314.286 euro.

(…)

d. De geschatte aflevertijd van het gebouw is maart 2007

Getekend in 2-fout op 30 juni 2006,

[bedrijf 1] , dhr. [verdachte] Fam. [slachtoffer] , dhr. [slachtoffer]

3.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 september 2009, opgenomen als bijlage 2.03 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :
Via mijn bureau ben ik in contact gekomen met dhr. [naam] . Dit zal in de maand mei c.q. juni 2006 zijn geweest. Dhr. [naam] was met name geïnteresseerd om eventueel te investeren in het project " [naam] " te Alanya. Dit project betrof de bouw van een 6 of 7 appartementencomplexen. Het bedrijf " [bedrijf 3] " was op zoek naar investeerders voor dit project. Enig directeur van " [bedrijf 3] " was [verdachte] . In Turkije werden we opgewacht door [verdachte] en [naam] . Mijn opdracht was om te bekijken of de tekeningen van het project bouwkundig in orde waren, de locatie van het project te bekijken en in het algemeen bekijken of het project plausibel was. Wij hebben daar de omgeving verkend en natuurlijk de lokatie van het project " [naam] " bekeken. Al de 2e of de 3e dag dat ik daar was kreeg ik in het hotel van [naam] de bouwtekeningen van het project te zien. De stempels op die tekeningen waren van het architectenbureau. Door [verdachte] is verteld dat de vergunningen voor de bouw door gemeente afgegeven waren en dat er feitelijk niets meer in de weg stond om een aanvang te maken met de bouw. De bouw zou in ongeveer 8 maanden gerealiseerd zijn. In maart/april 2007 was de streefdatum van het realiseren van het project “ [naam] ”.

Na oktober 2006 kwam ik er via [slachtoffer] achter dat er geen vergunning was om op de locatie van het project [naam] te mogen bouwen. Ik heb daarop gebeld met [naam] en haar hiernaar gevraagd. Zij vertelde mij dat zij het wel wist maar zij mocht dit met bepaalde pressie niet van [verdachte] vertellen.

Voor zover ik het kan overzien heeft [slachtoffer] en zijn echtgenote op valse informatie in het project geïnvesteerd. Toen zij het geld investeerden was er geen bestemmingsplan voor die locatie; geen vergunning om te mogen bouwen; dhr. [naam] heeft naar mijn weten niet betaald in relatie met het project.

4.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 juni 2010, opgenomen als bijlage 2.04 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :
In 2006 was ik aanwezig op een onroerend goed beurs. Dit was volgens mij in april 2006. Ik heb daar mijn interesse in het project “ [naam] ” getoond. Ook werd mij, op 9 mei 2006, verteld dat [slachtoffer] investeerder was in 1 appartementencomplex van het project “ [naam] ”. Wat mij verteld werd was dat hij reeds geld geïnvesteerd had en dat dit niet teruggedraaid kon worden omdat [slachtoffer] een goede vriend van [verdachte] was. Ik zou eventueel de investering van de andere 6 appartementencomplexen op mij nemen. Ik ben niet mondeling of schriftelijk een overeenkomst aangegaan om appartementencomplexen in dat project “ [naam] ” te kopen. Ik heb ook geen enkele aanbetaling in deze gedaan in welke vorm dan ook.

5.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 30 november 2009, opgenomen als bijlage 2.05 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] :
In oktober 2006 is [naam] in Alanya geweest. Bij de grond waar het project “ [naam] ” zou komen stond een machine, een klein kantoortje en waren twee grote gaten gegraven. Die gaten moesten de toekomstige funderingen van twee appartementencomplexen voorstellen. Het moest lijken of er gebouwd werd terwijl dat helemaal niet kon want er was geen bestemmingsplan.

Omstreeks november 2006 is er een gesprek geweest tussen [naam] , de grondeigenaar [naam] , [naam] , [naam] en ik. Hierbij werd mij duidelijk dat er geen bestemmingsplan was voor het terrein waar het appartementenproject" [naam] " gebouwd zou worden. (…) In dat gesprek werd er zelfs nog onderhandeld over het project. Ik bedoel hiermee dat bleek dat de grond ook nog niet door [bedrijf 1] betaald was. (…) In ieder geval bleek mij wel dat [slachtoffer] geld voor het project had betaald terwijl er geen officieel bestemmingsplan en dus ook geen vergunning om te mogen bouwen was afgegeven.

6.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 28 februari 2012, opgenomen als bijlage 2.07 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Vraag: Wat kunt u vertellen over uw relatie met de familie [slachtoffer] ? Antwoord: Ik ben heel lang met hen bevriend geweest. Wij kwamen dagelijks bij elkaar over de vloer.

Later heb ik samen met een aantal andere personen een BV opgericht met het doel om bouw- en project ontwikkeling in de toekomst te gaan verrichten. Deze onderneming heet " [bedrijf 1] ". Ik was aandeelhouder en bestuurder van deze onderneming.

De onderneming [bedrijf 1] en mijn onderneming “ [bedrijf 3] ” gevestigd te Amsterdam wilden samen onroerend goed projecten realiseren. Van [perceel] is op 17 juli 2006 de overdracht geweest. Dat hield in dat [bedrijf 1] de eigenaar van de grond werd.

Officieel werd [bedrijf 1] op 17 juli 2006 eigenaar van de grond.

Wij hadden eerst perceel 22 gekocht en perceel 19 zou ook gekocht worden.

(…)

Wij, verbalisanten, toonden [verdachte] de bouwtekeningen met daarop een stempel. Zie bijlage: 9. Vraag: Wat kunt u hierover verklaren? Antwoord: Ik zie aan deze tekeningen dat dit inderdaad de bouwtekeningen van het project " [naam] " zijn. Ik herken de stempel als zijnde een stempel van de "Kamers van Architekten en Ingenieurs". Als zo'n stempel niet aanwezig is kun je geen bouwvergunning aanvragen. Deze stempel houdt niet in dat er gebouwd mag worden.

(…) Uiteindelijk is er geen bouwvergunning afgegeven omdat er door [bedrijf 1] niet betaald is.

(…)

Ik heb de onderneming [bedrijf 3] opgericht. [bedrijf 3] is de handelsnaam van [bedrijf 4] . (…)

Ik, verbalisant, toonde [verdachte] , een kopie van de bouwovereenkomst

gedateerd 31 juni 2006 (opm. verbalisant moet zijn 30 juni 2006) getekend door [verdachte] en [slachtoffer] .

Deze overeenkomst is door [slachtoffer] opgesteld. [bedrijf 1] was toen in het bezit van de grond. Toen deze overeenkomst getekend werd was er geen bouwvergunning. Ik heb namens de bouwonderneming [bedrijf 1] deze overeenkomst getekend.

(…)

Wij verbalisanten toonden [verdachte] een kopiebankafschrift van rekeningnummer [nummer] t.n.v. [slachtoffer] [pleegplaats] bij de ABN-AMRO bank. Een bedrag van € 450.046,- wordt gestort naar een bankrekening van [bedrijf 1] in Turkije:

Antwoord:

Ik constateer dat de familie [slachtoffer] in privé betaald heeft en dat bevestigt dat het een privérekening was. Ik constateer dat het geld op rekening van [bedrijf 1] is gekomen.

(…)

Wij, verbalisanten, toonden [verdachte] een kopie van een internationaal betalingsformulier, waarop vermeld staat dat € 150.000,- op 12-7-2006 werd overgemaakt naar bankrekeningnummer [nummer] t.n.v. [bedrijf 2] [verdachte] bij de ABN-AMRO bank. De opdracht voor deze overboeking werd gedaan door [bedrijf 1] .

Antwoord:

Dit geld is op rekening van de BV [bedrijf 2] gekomen. Dit geld was onder beheer van mij en mijn toenmalige echtgenote [naam] . De BV [bedrijf 2] had ook geld betaald voor kosten van het project “ [naam] ”. Nu kreeg [bedrijf 2] geld terug voor betaalde kosten die t.b.v. het project door [bedrijf 2] waren betaald. Ook is er geld naar [bedrijf 3] gegaan om e.e.a. te betalen m.b.t. het project.

7.

Een schriftelijk bescheid, te weten een schrijven van A.M. Yücel, burgemeester gemeente Kestel, d.d. 5-1-2011, opgenomen als bijlage 4.07 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende:

De in uw schrijven genoemde kavels [nummer] en [nummer] (….) Voor de betreffende kavels is geen bouwvergunning van welke aard ook afgegeven.

8.

Een schriftelijk bescheid, te weten een eigendomsbewijs, opgenomen als bijlage 4.11 van voornoemd dossier, onder meer inhoudende:

Kavel nr. [nummer] . Eigenaar [bedrijf 1] .

Datum 17-07-2006.

9.

Een deskundigenrapport Turks Onroerend Goedrecht, afkomstig van het advocatenkantoor [naam] , rc-nummer 14/2587, parketnummer 17/885316-12, d.d. 8 januari 2016 opgemaakt door mr. [naam] , als deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:

Zodra de bouwvergunning is verstrekt is de eigenaar van de grond verplicht een aannemingsovereenkomst te sluiten. Een bouwvergunning is geldig voor een termijn van 5 jaar. Nadat deze vergunning is verstrekt dient binnen 2 jaar een begin te worden gemaakt met de bouwwerkzaamheden, bij gebreke hiervan, dan wel wanneer de bouw niet binnen 5 jaar wordt voltooid, verliest de bouwvergunning haar geldigheid, waardoor opnieuw een bouwvergunning zal moeten worden aangevraagd. Indien met de bouwwerkzaamheden reeds was begonnen, dan worden de rechten die reeds waren verworven, behouden.(…) de inschrijving in het openbaar register is doorslaggevend voor de vraag bij wie het recht van eigendom van het registergoed berust. Na de inschrijving van de leveringsakte ontvangt de nieuwe eigenaar een bewijs van eigendom. Hieruit blijkt op welke datum de nieuwe eigenaar het recht van eigendom heeft verworven.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 mei 2006 tot en met 6 juli 2006 te [pleegplaats] , in de gemeente Littenseradiel en te Turkije, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 452.046,- euro (te weten een aanbetaling voor de investering in een appartementencomplex betreffende het bouwproject [naam] ), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - of listiglijk en in strijd met de waarheid aan die [slachtoffer] verteld en die [slachtoffer] doen geloven dat:

- zijn bedrijf " [bedrijf 1] " eigenaar was van een stuk grond (gelegen te Turkije, nabij de badplaats Alanya), waarop (7) appartementencomplexen gebouwd zouden worden en

- er reeds een investeerder was (genaamd [naam] ) voor 6 van de te bouwen appartementencomplexen en

- voornoemde investeerder reeds een bedrag van 250.000,- euro had gestort en

- het (7e) appartementencomplex tegen kostprijs aan die [slachtoffer] geleverd kon worden, waarna hij het met (behoorlijk) rendement weer kon verkopen en

- een (aantal) bouwtekeningen aan die [slachtoffer] laten zien met daarop stempels van lokale autoriteiten en tegen die [slachtoffer] gezegd dat voornoemde stempels een vergunning tot bouwen inhielden en

- het pand omstreeks maart 2007 opgeleverd zal worden,

waardoor voornoemde [slachtoffer] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair: oplichting

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 oktober 2017, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van het slachtoffer [slachtoffer] voor een geldbedrag van € 452.046,-. Hij heeft hem bewogen dit geld over te maken ten behoeve van de bouw van een appartementencomplex in Turkije door aan hem meerdere leugenachtige mededelingen te doen. Verdachte en [slachtoffer] waren hiervoor al ruim 16 jaar zeer goede vrienden. [slachtoffer] had hierdoor vertrouwen in verdachte en mocht dit ook hebben. Verdachte heeft dit vertrouwen op grove wijze geschaad. Daarbij komt dat verdachte er, vanwege de hechte vriendschap, van op de hoogte was dat [slachtoffer] op het moment van de oplichting net zijn bedrijf had verkocht en daardoor over een grote som geld beschikte. Verdachte heeft slechts aan zijn eigen financiële gewin gedacht. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft de rechtbank gelet op de Oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken. Bij een benadelingsbedrag van tussen de € 250.000,- en € 500.000,- geldt in een zaak als deze, waarin het handelen van verdachte in een frauduleuze context heeft plaatsgevonden, als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf tot achttien maanden. Ten nadele van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte handelde in de uitoefening van zijn bedrijf, terwijl de investering voor [slachtoffer] een privéaangelegenheid betrof, dat verdachte geen pogingen heeft gedaan om [slachtoffer] schadeloos te stellen en dat verdachte [slachtoffer] ook nadat [slachtoffer] het genoemde bedrag had gestort nog lange tijd aan het lijntje heeft gehouden door ook toen aan hem onjuiste mededelingen te doen over de voortgang van het project. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

De rechtbank houdt er rekening mee dat het hier om een oud feit gaat, waarbij aangetekend wordt dat de lange duur van de procedure ook deels zijn oorzaak vindt in door de verdediging gedane verzoeken om (nadere) onderzoekshandelingen te verrichten.

Ondanks het tijdsverloop is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat enkel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht doet aan de ernst van het bewezenverklaarde feit.

Alles afwegende komt de rechtbank tot de conclusie dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden passend en geboden is.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 452.000,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering tot het benadelingsbedrag van

€ 452.046,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2006 en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het verschuldigde bedrag reeds heeft voldaan aan [slachtoffer] . Verdachte heeft immers verschillende geldbedragen aan ondernemingen van [slachtoffer] overgemaakt en [slachtoffer] heeft een geldbedrag ontvangen uit het beslag op onroerend goed van verdachte. De verdediging heeft geconcludeerd tot afwijzing dan wel niet-ontvankelijkheid van de vordering.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat [slachtoffer] heeft gesteld dat zijn investering in het project " [naam] " een privé-investering was en dat de overige geldstromen tussen (de ondernemingen van) [slachtoffer] en verdachte zakelijke aangelegenheden betroffen. Dit is door verdachte niet weersproken, zodat dit is komen vast te staan. Gelet hierop, kunnen de door verdachte aan de ondernemingen van [slachtoffer] overgemaakte geldbedragen niet worden aangemerkt als terugbetaling van het door [slachtoffer] aan verdachte ten behoeve van " [naam] " betaalde bedrag. Verder heeft [slachtoffer] gemotiveerd betwist dat het uit het door verdachte genoemde beslag ontvangen geldbedrag diende ter terugbetaling van zijn investering in " [naam] ". Verdachte heeft zijn stelling hierover niet (nader) onderbouwd, zodat de rechtbank hem daarin niet volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 juli 2006.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 452.000,- (zegge: vierhonderdtweeënvijftigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 juli 2006.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 452.000,- (zegge: vierhonderdtweeënvijftigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 365 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Sikkema, voorzitter, mrs. C.H. Beuker en P.P.D. Mathey-Bal, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 november 2017.

Mr. Beuker voornoemd is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.