Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:442

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
15-02-2017
Zaaknummer
18/730387-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor overtreding van artikel 11a Opiumwet tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank heeft het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsman op grond van het volgende verworpen.

Uit het dossier is de rechtbank gebleken dat de officier van justitie op de dag dat alle op de tenlastelegging opgenomen goederen in beslag zijn genomen, een bevel tot vernietiging van deze goederen heeft gegeven.

Gelet op de aard van de verdenking, zijnde overtreding van artikel 11a van de Opiumwet, waarbij strafbaar is gesteld het voorhanden hebben en/of te koop aanbieden van goederen die bestemd zijn voor de grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt, is de rechtbank van oordeel dat hier sprake was van beslag dat kon dienen voor de waarheidsvinding en aldus bewaard had moeten worden. Zeker nu er sprake was van nieuwe wetgeving, waarover nog veel onduidelijkheid bestond, had het op de weg van de officier van justitie gelegen om tenminste de verdediging in de gelegenheid te stellen onderzoekswensen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen in te dienen. De rechtbank stelt op grond hiervan vast dat de officier van justitie onzorgvuldig heeft gehandeld door het voorschrift zoals is neergelegd in de Aanwijzing inbeslagneming, niet te volgen en er aldus sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

De rechtbank is van oordeel dat er niet sprake is geweest van een dusdanige ernstig vormverzuim dat dit moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, omdat de verdediging niet zodanig in haar belangen is geschaad, dat er sprake is van een schending van een eerlijk proces.

Verdachte heeft samen met een ander op 26 mei 2015 een grote hoeveelheid voorwerpen en stoffen die bestemd zijn voor de grootschalige en beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt in zijn winkel voorhanden gehad en te koop aangeboden. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van het op 1 maart 2015 ingevoerde artikel 11a van de Opiumwet. Met artikel 11a van de Opiumwet wil de wetgever optreden tegen activiteiten van ondersteunende aard rond de illegale hennepteelt, in het bijzonder de activiteiten die strekken ter voorbereiding of bevordering van die teelt.

De rechtbank acht in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend, maar zal hiervan afwijken gelet op het volgende.

Alhoewel het bedrijf niet stond ingeschreven als een growshop, was het bedrijf bij politie en justitie wel in beeld in het kader van de handhaving van artikel 11a van de Opiumwet. Daarom weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat het bedrijf niet, zoals aangekondigd door de minister van Veiligheid en Justitie, een brief met de gevolgen van de genoemde wetswijziging heeft ontvangen. Evenmin is het bedrijf naar aanleiding van een 'landelijke actiedag controle growshop' in de gelegenheid gesteld om de bedrijfsvoering aan te passen, maar is een groot deel van de handelsvoorraad die in beslaggenomen was direct vernietigd. Dit terwijl er veel onduidelijk was over de reikwijdte van deze nieuwe wetgeving, een situatie die zorgvuldig optreden van de overheid vereist.

Ten gevolge van de vernietiging van alle inbeslaggenomen goederen is het bedrijf gesloten. De rechtbank begrijpt dat dit grote gevolgen voor verdachte heeft gehad.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat het gaat om een zaak van bijna twee jaar oud. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft.

De rechtbank acht, alles overwegende en vanuit een oogpunt van normhandhaving, een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank die gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van 2 jaren, mede om verdachte ervan te weerhouden in de toekomt opnieuw soortgelijke feiten te begaan.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 11a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730387-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17 januari 2017 en 31 januari 2017. De verdachte is ter terechtzitting van 17 januari 2017 verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden. Zij zijn ter terechtzitting van 31 januari 2017 niet verschenen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting van 17 januari 2017 vertegenwoordigd door mr. C.V. van Overbeeke en ter terechtzitting van 31 januari 2017 door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 mei 2015 te Leeuwarden (in een winkelpand aan de [pleegadres] ) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens, te weten:

- 2.035 hennepzaden en/of

- 21.000 gripzakjes en/of

- 63 armaturen voor assimilatielampen en/of

- 297 assimilatielampen (400-600 en 1000 watt) en/of

- 3 TL buizen en/of

- 9 verlichting Cool Tube en/of

- 6 aircleaners/luchtreinigers en/of

- 3 zwavelboxen Hotbox/Sirocco en/of

- 2 cannacutters en/of

- 148 knipscharen en/of

- 100 sealbags en/of

- 22 droognetten en/of

- 1 kweektent en/of

- 47 koolstoffilters en/of

- 46 transformatoren en/of

- 33 weegschalen en/of

- 625 jerrycans/flacons voedingstoffen/gewasbeschermers en/of

- 26 schakelborden/relais en/of

- 8 luchtafzuigers en/of

- 34 zwenk ventilatoren en/of

- 65 slakkenhuizen/luchtafzuigers/kistventilatoren en/of

- 4 Co2 boosters en/of

- 55 snelheidregelaars/controllers en/of

- 37 condersators en/of

- 115 Hygro-PH/ec thermometers en/of

- 3 sealapparatuur en/of

- 8 verwarmingselementen en/of

- 4 camera's en/of

- 35 schakelaars en/of

- 28 dompelpompen en/of

- 5 circulatiepompen en/of

- 1 condenswaterpomp en/of

- 1 automatic pompcontroler en/of

- 1 voedingscomputer en/of

- 11 luchtbevochtigers en/of

- 10 kachels en/of

- 111 koppelstukken/flenzen (voor aan- en afzuiging) en/of

- een grote hoeveelheid tijdschriften (waaronder: "Highlife", "Essensie") en/of boeken (waaronder: "Je eigen stekken maken", "Kweken met CO2") en/of folders (waaronder: "Durban Afghani hennepzaad") en/of handleidingen betreffende hennepteelt,

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet, te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van 3a van die wet,

heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

de rechtspersoon [bedrijf 1] op of omstreeks 26 mei 2015 te Leeuwarden (in een winkelpand aan de [pleegadres] tezamen en in vereniging met één of meer andere (rechts)personen, althans alleen, stoffen en/of voorwerpen en/of gegevens, te weten:

- 2.035 hennepzaden en/of

- 21.000 gripzakjes en/of

- 63 armaturen voor assimilatielampen en/of

- 297 assimilatielampen (400-600 en 1000 watt) en/of

- 3 TL buizen en/of

- 9 verlichting Cool Tube en/of

- 6 aircleaners/luchtreinigers en/of

- 3 zwavelboxen Hotbox/Sirocco en/of

- 2 cannacutters en/of

- 148 knipscharen en/of

- 100 sealbags en/of

- 22 droognetten en/of

- 1 kweektent en/of

- 47 koolstoffilters en/of

- 46 transformatoren en/of

- 33 weegschalen en/of

- 625 jerrycans/flacons voedingstoffen/gewasbeschermers en/of

- 26 schakelborden/relais en/of

- 8 luchtafzuigers en/of

- 34 zwenk ventilatoren en/of

- 65 slakkenhuizen/luchtafzuigers/kistventilatoren en/of

- 4 Co2 boosters en/of

- 55 snelheidregelaars/controllers en/of

- 37 condersators en/of

- 115 Hygro-PH/ec thermometers en/of

- 3 sealapparatuur en/of

- 8 verwarmingselementen en/of

- 4 camera's en/of

- 35 schakelaars en/of

- 28 dompelpompen en/of

- 5 circulatiepompen en/of

- 1 condenswaterpomp en/of

- 1 automatic pompcontroler en/of

- 1 voedingscomputer en/of

- 11 luchtbevochtigers en/of

- 10 kachels en/of

- 111 koppelstukken/flenzen (voor aan- en afzuiging) en/of

- een grote hoeveelheid tijdschriften (waaronder: "Highlife", "Essensie") en/of boeken (waaronder: "Je eigen stekken maken", "Kweken met CO2") en/of folders (waaronder: "Durban Afghani hennepzaad") en/of handleidingen betreffende hennepteelt,

bestemd tot het plegen van een of meer feit(en) strafbaar gesteld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet, te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en/of

- het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen en/of telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van 3a van die wet,

heeft bereid, bewerkt, verwerkt, te koop aangeboden, verkocht, afgeleverd, verstrekt, vervoerd, vervaardigd of voorhanden gehad, waarvan die rechtspersoon wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten,

tot welk(e) (strafbare) feit(en) hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een of meer andere (rechts)personen, althans alleen, opdracht heeft gegeven en/of aan welke verboden gedraging(en) hij, verdachte, feitelijk leiding heeft gegeven.

Ontvankelijkheid officier van justitie

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Het openbaar ministerie heeft voordat de verdediging een klaagschrift tegen de inbeslagname heeft kunnen indienen alle inbeslaggenomen goederen van het bedrijf [bedrijf 1] en [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ) vernietigd. De raadsman heeft benadrukt dat het ging om vrijwel de gehele handelsvoorraad, met een geschatte waarde van rond de € 100.000,- en dat de onderneming daardoor niet meer kon worden voortgezet.

Door het vernietigen van alle inbeslaggenomen voorwerpen was er op dat moment geen mogelijkheid meer om de rechtmatigheid van de inbeslagname aan te vechten en een last tot teruggave te verkrijgen, om vervolgens de onderneming weer te kunnen voortzetten. Aldus is verdachte hierdoor volgens de raadsman 'rechteloos' gemaakt. Dat klemt te meer nu gehandeld is op basis van nieuwe wetgeving waarvan de contouren en de gevolgen zich nog moesten uitkristalliseren. 'Wachten op een onafhankelijke rechterlijke uitspraak in een klaagschriftprocedure, was het enige dat een weldenkende officier van justitie zou hebben kunnen doen', aldus de raadsman. Door voorgaande wijze van handelen heeft het openbaar ministerie het beginsel van een behoorlijke procesorde geschonden.

Daar komt bij dat gekozen is voor vernietiging en niet voor opslag of verkoop, terwijl de spullen bij uitstek geschikt waren voor opslag. Gelet op de genoemde waarde van de goederen kan tevens niet worden aangevoerd dat de kosten van bewaring niet in redelijke verhouding staan tot hun waarde.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de vernietiging van de inbeslaggenomen goederen de waarheidsvinding frustreert. De zaden kunnen niet meer worden onderzocht om na te gaan wat voor zaden dit waren en of ze überhaupt de illegale hennepteelt zouden hebben kunnen faciliteren. Daarnaast kan niet worden beoordeeld of de inbeslaggenomen armaturen en lampen, lampen zijn met verschillende wattages, kleuren en aansluitingen zoals de verdachte stelt. Hierbij heeft het openbaar ministerie gehandeld in strijd met de Aanwijzing inbeslagneming (2014A006), waarin is geregeld dat voorwerpen die kunnen dienen voor de waarheidsvinding worden bewaard.

Niet alleen kon geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie tot vernietiging van de in beslag genomen zaken beslissen, maar de vervolging is tevens in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op in het voorbereidend onderzoek.

Gelet op het belang van de geschonden voorschriften, de ernst van het verzuim en het nadeel dat hierdoor is veroorzaakt heeft de raadsman bepleit dat een en ander dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gemotiveerd verzet tegen het verweer van de raadsman.

Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de waarheidsvinding niet wordt gefrustreerd door de vernietiging van het beslag, omdat de inbeslaggenomen goederen duidelijk zijn omschreven door de verbalisanten en in het dossier bovendien veel foto's van de inbeslaggenomen goederen zijn gevoegd.

Wellicht is het ‘niet handig’ geweest van de betreffende officier van justitie om de goederen meteen te vernietigen, maar er is geen sprake van een zodanige schending van het beginsel van een behoorlijke procesorde dat dit moet leiden tot de conclusie dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Oordeel van de rechtbank

Uit het dossier is de rechtbank gebleken dat de officier van justitie op de dag dat alle op de tenlastelegging opgenomen goederen in beslag zijn genomen, een bevel tot vernietiging van deze goederen heeft gegeven.

Ingevolge artikel 117 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kunnen inbeslaggenomen voorwerpen worden vernietigd na een machtiging daartoe van het openbaar ministerie. Een dergelijke machtiging kan onder meer worden verleend ten aanzien van voorwerpen die niet geschikt zijn voor opslag of waarvan de kosten van de bewaring niet in een redelijke verhouding staan tot hun waarde. Ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt slechts machtiging tot vernietiging gegeven.

Uit de Aanwijzing inbeslagneming (2014A006) blijkt dat het openbaar ministerie beslag dat kan dienen voor de waarheidsvinding dient te bewaren:

- zolang nog onderzoek aan het voorwerp wordt gedaan of niet uitgesloten kan worden dat nog onderzoek aan het voorwerp moet worden gedaan;

- indien het voorwerp op zitting als stuk van overtuiging getoond moet kunnen worden of

- indien het voorwerp nodig is of kan zijn voor contra-expertise.

Gelet op de aard van de verdenking, zijnde overtreding van artikel 11a van de Opiumwet, waarbij strafbaar is gesteld het voorhanden hebben en/of te koop aanbieden van goederen die bestemd zijn voor de grootschalige en/of bedrijfs- of beroepsmatige hennepteelt, is de rechtbank van oordeel dat hier sprake was van beslag dat kon dienen voor de waarheidsvinding en aldus bewaard had moeten worden. Zeker nu er sprake was van nieuwe wetgeving, waarover nog veel onduidelijkheid bestond, had het op de weg van de officier van justitie gelegen om tenminste de verdediging in de gelegenheid te stellen onderzoekswensen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen in te dienen.

De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de officier van justitie onzorgvuldig heeft gehandeld door het voorschrift zoals is neergelegd in de Aanwijzing inbeslagneming, niet te volgen en er aldus sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv.

Dit wordt naar het oordeel van de rechtbank niet anders nu het beslag niet onder verdachte, maar onder de medeverdachte [medeverdachte] in beslag is genomen, omdat verdachte hierin dezelfde belangen had.

Voorop dient te worden gesteld dat niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging als in artikel 359a Sv voorzien rechtsgevolg, slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt.

Een zo vergaande sanctie kan slechts volgen indien de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstige inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (HR 19 december 1995, NJ 1996, 249).

De rechtbank is in deze zaak niet gebleken van een dergelijk ernstig vormverzuim.

Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat voorafgaand aan de vernietiging van de inbeslaggenomen goederen, deze goederen gedocumenteerd en gefotografeerd zijn en de resultaten daarvan zich in het dossier bevinden.

Voorts is de verdediging ter terechtzitting, net als bij de politie, in de gelegenheid geweest een verklaring over deze inbeslaggenomen goederen zoals de assimilatielampen af te leggen en ondersteuning ten aanzien van haar stellingen, zoals bijvoorbeeld voorraadlijsten en aankoopnota’s, te overleggen.

Ten aanzien van de hennepzaden overweegt de rechtbank dat deze voorwerpen slechts een ondergeschikt deel van de tenlastelegging uitmaken en (dat ook) om die reden dit vormverzuim niet kan leiden tot het oordeel dat er sprake is van een oneerlijk proces.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdediging niet zodanig in haar belangen is geschaad, dat er sprake is van schending van een eerlijk proces.

Nu het beslag niet onder verdachte is gelegd, behoeft het verweer van de raadsman met betrekking tot het niet kunnen starten van een raadkamerprocedure geen bespreking.

Dat de officier van justitie, zoals door de rechtbank is vastgesteld onzorgvuldig is geweest met betrekking tot de vernietiging van het beslag, betekent niet dat geen redelijk handelend lid van het openbaar ministerie tot vervolging over had kunnen gaan.

Op grond van het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer van de raadsman en verklaart zij de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De inbeslaggenomen goederen zijn vanwege hun aard en/of functie bestemd voor grootschalige hennepteelt en/of bedrijfsmatig gebruik onder professionele omstandigheden ter bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van de hennepkwekerij.

Gelet op de aangetroffen grote hoeveelheid van deze voorwerpen, de aangetroffen hennepresten op het binnenterrein van het bedrijf en het gegeven dat een aantal verdachten in andere strafzaken hebben aangegeven dat het bedrijf, in elk geval voor 1 maart 2015, een leverancier is geweest van materialen voor het opzetten van een hennepkwekerij, acht de officier van justitie niet aannemelijk dat de inbeslaggenomen voorwerpen en stoffen werden verkocht voor de teelt van tomaten, komkommers of fruit en evenmin voor kleinschalige, niet professioneel ingerichte hennepkwekerijen die gericht zijn op teelt van enkele planten voor eigen gebruik.

Dat een aantal aangetroffen voorwerpen ook bestemd kan zijn voor kleinschalige hennepteelt of de teelt van fruit, tomaten of komkommers, doet hieraan niet af.

De officier van justitie heeft voorts aangevoerd dat bewezen kan worden dat verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] wisten van deze bestemming of ernstige reden hadden deze bestemming te vermoeden, omdat zij al vele jaren een growshop exploiteerden. Dit maakt dat het voorhanden hebben van de inbeslaggenomen voorwerpen kan worden aangemerkt als bestemd voor het plegen van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt.

Omdat er sprake was van functioneel daderschap bij de medeverdachte, kan bewezen worden dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] deze voorwerpen tezamen en in vereniging voorhanden hebben gehad, aldus de officier van justitie.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde. De raadsman heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Er is geen verkoop van de inbeslaggenomen goederen op de ten laste gelegde datum vastgesteld.

Voorts is de voorraad niet onmiskenbaar bestemd voor de professionele en bedrijfsmatige hennepteelt. De raadsman heeft daarbij aangevoerd dat de aangetroffen zaden legaal zijn.

Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat de aangetroffen tijdschriften, boeken en folders niet te koop waren, ongevraagd werden toegezonden, vaak van voor de wetswijziging waren en bovendien grotendeels onder de toonbank lagen. Bovendien bestond de voorraad van de winkel niet alleen uit de spullen die in beslag zijn genomen, maar ook uit goederen die niets met hennepteelt hebben te maken.

De raadsman heeft er voorts op gewezen dat als al zou worden vastgesteld dat de inbeslaggenomen goederen bestemd zijn voor de bedrijfsmatige hennepteelt, dat dan het bewijs ontbreekt dat verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden dat de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen bestemd waren voor de professionele of bedrijfsmatige hennepteelt.

Verdachte heeft aangegeven dat de handel zich richtte op de kweek van diverse gewassen zoals groentes, fruit en chili’s en dat stadstuiniers ook een belangrijke doelgroep waren. Volgens verdachte had hun handel niets te maken met (grootschalige) hennepteelt.

Verdachte en de medeverdachte hebben juist hun bedrijfsvoering aangepast met het oog op de wijziging van de Opiumwet. Zo zijn de huisregels veranderd. Expliciet is verwoord dat verkoop van goederen wordt geweigerd indien ‘wij weten of ernstige reden hebben om te vermoeden dat deze bestemd zijn voor’ de grootschalige hennepteelt. Deze huisregels stonden op de contantbonnen en waren aangeplakt bij de voordeur en zichtbaar voor alle klanten.

Gelet op al deze aspecten kan niet vastgesteld worden dat voorwerpen zijn aangeboden of verkocht die bestemd waren voor bedrijfsmatige hennepteelt en dient verdachte vrijgesproken te worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank

Op 1 maart 2015 is de Wet van 12 november 2014 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt, in werking getreden.1 De bestrijding van hennepteelt is een prioriteit van de Nederlandse regering. Volgens het kabinet levert de illegale hennepteelt door haar omvang en professionaliteit een reëel veiligheidsrisico op 'waartegen doortastend en effectief moet worden opgetreden'.2 Het ten laste gelegde artikel 11a van de Opiumwet is onderdeel van deze wetswijziging. Met dit artikel wil de wetgever optreden tegen activiteiten van ondersteunende aard rond de illegale hennepteelt, in het bijzonder de activiteiten die strekken ter voorbereiding of bevordering van die teelt.3 Voor de redactie van het nieuwe artikel 11a Opiumwet is aansluiting gezocht bij bestaande strafbaarstellingen van voorbereidingshandelingen. Daarbij is onder meer artikel 46 van het Wetboek van Strafrecht genoemd.

Artikel 11a Opiumwet stelt - voor zover hier van belang - iemand strafbaar die stoffen, voorwerpen of gegevens, waarvan hij weet of ernstige redenen heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (als bedoeld in art.11 lid 3 Opiumwet) en/of tot het plegen van grootschalige hennepteelt (als bedoeld in art. 11 lid 5 Opiumwet) (onder meer) te koop aanbiedt of voorhanden heeft.

Artikel 11a Opiumwet ziet op alle stoffen en voorwerpen die bestemd zijn om gebruikt te worden bij professionele of grootschalige hennepteelt. Niet de afzonderlijke goederen zijn strafbaar - die zijn en blijven legaal - maar het gaat om de criminele intentie waarmee de persoon deze voorhanden heeft, aanbiedt, vervoert of verkoopt.4

De criminele intentie omvat de wetenschap of de ernstige reden te vermoeden dat de voorwerpen bestemd zijn voor de illegale hennepteelt. Het type en samenstel van de aangetroffen goederen kan daarbij van belang zijn.

De rechtbank zal op grond van het voorgaande moeten onderzoeken of de bij het bedrijf van verdachte in beslaggenomen goederen afzonderlijk, dan wel gezamenlijk naar uiterlijke verschijningsvorm dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachte voor ogen stond.

In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.

Op 26 mei 2015 is er bij het bedrijf [bedrijf 2] in het kader van de 'landelijke actiedag controle growshop' een controle uitgevoerd door de politie. Medeverdachte [medeverdachte] is de eigenaar van dit bedrijf en verdachte is de bedrijfsleider bij de Leeuwarder vestiging van dit bedrijf. Bij deze genoemde controle zijn er in het pand verschillende stoffen en voorwerpen in beslag genomen. Deze goederen zijn alle op de tenlastelegging opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat de in de tenlastelegging genoemde stoffen en voorwerpen gezamenlijk naar uiterlijke verschijningsvorm dienstig kunnen zijn voor de grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en dat verdachte wist van die bestemming.

Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de inbeslaggenomen voorwerpen vanwege hun aard en functie die bestemming kunnen hebben. De rechtbank wijst daarbij met name op de aangetroffen droognetten, koolstoffilters, weegschalen, jerrycans/flacons voedingsstoffen/gewasbeschermers, luchtafzuigers, slakkenhuizen/luchtafzuigers/kistventilatoren, dompelpompen, een automatic pompcontroler en een voedingscomputer. Deze goederen zijn naar het oordeel van de rechtbank naar hun aard en/of functie geschikt voor de bevordering van een optimale oogst en een optimale financiële opbrengst van een hennepkwekerij en aldus bevorderen zij een professionele op winst gerichte hennepteelt.

Daar komt bij dat een aantal van deze voorwerpen in relatief grote aantallen in voorraad werd gehouden.

De rechtbank stelt vast dat verdachte sinds 2009 bedrijfsleider is bij het bedrijf [bedrijf 2] . Verdachte heeft verklaard dat het bedrijf voorafgaand aan de genoemde wetswijziging een klassieke growshop was. In afwachting van de wetswijziging heeft hij met de medeverdachte de bedrijfsvoering hierop aangepast, onder meer door de huisregels aan te passen en 'grote boxen, afzuiginstallaties en koolstoffilters af te schrijven'. Daaruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte wetenschap heeft van wat er nodig is voor de inrichting van op winst gerichte hennepkwekerijen.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de in het bedrijfspand aangetroffen boeken, tijdschriften, folders en handleidingen die in verband kunnen worden gebracht met de hennepteelt. Deze lagen ondanks een aanpassing van de bedrijfsvoering en een verhuizing van het bedrijf in 2013 achter de balie, binnen handbereik van de verkopers. Gelet op de hoeveelheid aangetroffen materiaal, deels van recente datum, kan dat niet als louter slordigheid worden afgedaan. Dat het materiaal ongevraagd was toegezonden en niet te koop was, doet daar evenmin aan af. Ook de aanwezigheid van hennepzaad – in de koelkast en achter de balie – sterkt de rechtbank in de overtuiging dat verdachte weet had van de bestemming van de door hem ter verkoop in voorraad gehouden stoffen en voorwerpen.

Dat oordeel wordt niet anders als het (deels) mannelijk en/of overjarig zaad betrof, zoals de verdediging heeft gesteld.

Ten aanzien van de door de verdediging aangevoerde argumenten dat de eerdergenoemde bestemming van de goederen én de wetenschap daarvan bij verdachte ontbreken, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte de inbeslaggenomen voorwerpen en stoffen voorhanden had en dat deze bestemd waren voor de verkoop ten behoeve van de kweek van diverse andere gewassen dan hennep, zoals groentes, fruit en chili’s, aan stadstuiniers en voor de inrichting van kleinschalige, niet professioneel ingerichte hennepkwekerijen, gericht op teelt van enkele hennepplanten voor eigen gebruik. Evenmin vindt de rechtbank het aannemelijk dat de koolstoffilters in grote hoeveelheden verkocht werden aan horecaondernemingen.

Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het onderzoek ter terechtzitting van 17 januari 2017 is gebleken dat in het winkelgedeelte van het bedrijf voornamelijk goederen uitgestald waren die gebruikt kunnen worden door thuiskwekers van groenten en fruit. Het betreft onder meer tuingereedschap, diverse chili-, groenten- en fruitzaden, wenskaarten met ontkiembare zaden, decoratieve buitenpotten en potgrond.

De rechtbank heeft echter geconstateerd dat deze in de winkel uitgestalde artikelen een groot contrast vormen met de voorraad die in het magazijn is aangetroffen, te weten de in beslaggenomen goederen. Het is moeilijk voorstelbaar dat de bedrijfsvoering zich vrijwel volledig richtte op stadstuiniers, terwijl de gehele bedrijfsvoorraad in het magazijn uit andere, als hennep gerelateerd aan te merken, artikelen bestond. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een situatie waarin een groot deel van de voor de verkoop bestemde hennep gerelateerde stoffen en voorwerpen uit het zicht werd gehouden.

Dat zich in het winkelgedeelte een vitrinekast bevond waarin exemplaren van de in het magazijn aangetroffen voorwerpen werden tentoongesteld, maakt het oordeel van de rechtbank niet anders.

Ten aanzien van de koolstoffilters overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft verklaard dat deze werden verkocht aan horecaondernemingen, zoals cafés. De rechtbank acht dit niet aannemelijk gelet op de aard van verdachtes bedrijf. [bedrijf 2] staat immers in het register van de Kamer van Koophandel ingeschreven als - kort gezegd - een groothandel in akkerbouwproducten en winkel in bloemen, planten, zaden en tuinbenodigdheden. Deze stelling is bovendien door de verdediging niet onderbouwd.

Maar ook al zou er een aantal koolstoffilters zijn verkocht aan horecaondernemingen, dan doet dit niet af aan het oordeel van de rechtbank dat koolstoffilters vanwege hun aard en functie bestemd zijn voor grootschalige en/of beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en dat verdachte dat wist. Gelet op de gezamenlijkheid van goederen die ter verkoop in voorraad werden gehouden en waartoe deze koolstoffilters behoorden, acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de koolstoffilters enkel ter verkoop aan horecaondernemingen in voorraad werden gehouden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de vraag of sprake is van medeplegen het volgende.

Medeverdachte [medeverdachte] was de eigenaar van de [bedrijf 2] en had verdachte aangesteld als bedrijfsleider. Verdachte was verantwoordelijk voor de inkoop en verkoop van goederen, maar ook de medeverdachte was tenminste een dag per week aanwezig in het bedrijf en beoordeelde de door verdachte gedane bestellingen en deed de boekhouding. Op grond van deze wijze van samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] is de rechtbank van oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking zodat medeplegen bewezen kan worden.

Op grond van het voorgaande en de hierna te noemen bewijsmiddelen acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en zal zij verdachte hiervoor veroordelen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 17 januari 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 26 mei 2015 was ik de bedrijfsleider van het bedrijf [bedrijf 2] , ingeschreven onder de namen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , gevestigd aan de [pleegadres] te Leeuwarden. [medeverdachte] was de eigenaar van dit bedrijf.

Wij waren op de hoogte van de invoering van de op 1 maart 2015 in werking getreden wet tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt.

Voor deze wetswijziging was [bedrijf 2] een klassieke growshop. [bedrijf 2] heeft voor en na deze wetswijziging goederen verkocht voor hennepteelt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 27 mei 2015, opgenomen op pagina 265 e.v. van het dossier met nummer 2015 148 779 d.d. 18 september 2015, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik werk sinds 1999 bij het bedrijf [bedrijf 2] . Ik ben sinds 2009 bedrijfsleider. Ik leg verantwoordelijkheid af aan [medeverdachte] , de eigenaar van de [bedrijf 2] Dinsdag is de vaste dag dat hij langs komt. Hij doet de boekhouding. Ik ben verantwoordelijk voor de inkoop van goederen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 28 mei 2015, opgenomen op pagina 250 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

In 1998 ben ik in dienst gekomen van [bedrijf 2] in Groningen. In 2006 heb ik

het bedrijf overgenomen. Ik ben sinds 2008 eigenaar van [bedrijf 2] in Leeuwarden.

[verdachte] werkt bij [bedrijf 2] Leeuwarden. Bart Boersma is een soort van bedrijfsleider van [bedrijf 2] Leeuwarden. [verdachte] doet de inkoop. Hij leidt de boel daar zo'n beetje. Daarnaast heeft [verdachte] ook verantwoordelijkheid voor het bedrijf als ik er niet ben. Als eigenaar ben ik eindverantwoordelijke. Ik ben er eenmaal per week op dinsdag. Ik kijk of het schoon is, ga in werkoverleg, wat er besteld is, hoe het gaat. Als er een detailhandel klant is en die wil een grotere marge, dan brengen ze de klant met mij in contact. Er is een bestellijst op de computer. Ik zeg wel eens tegen [verdachte] dat hij minder van bepaalde producten moet bestellen, omdat de omloopsnelheid wat te laag is. [verdachte] werkt daar volgens mij ook sinds 1999 bij het bedrijf.

In juli 2013 zijn wij verhuisd van de [straat] naar de [pleegadres] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 28 augustus 2015, opgenomen op pagina 101 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 26 mei 2016, tussen 10:30 uur en 11:30 uur, hebben wij, in het kader van de landelijke actiedag controle growshops, een controle uitgevoerd in growshop [bedrijf 2] ( [bedrijf 2] ).

Voorafgaand aan de controle werd het handelsregister van de KvK geraadpleegd. Blijkens deze gegevens wordt met [bedrijf 2] bedoeld de rechtspersoon [bedrijf 1] , statutair gevestigd te Leeuwarden, onder de handelsnamen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , gevestigd aan de [pleegadres] te Leeuwarden, met enig aandeelhouder/bestuurder de rechtspersoon [bedrijf 3] , onder vermelding van de volgende activiteiten:

Groothandel in:

  • -

    akkerbouwproducten en veevoeder algemeen assortiment

  • -

    overige akkerbouwproducten en

  • -

    winkels in bloemen en planten, zaden en tuinbenodigdheden.

Wij hebben de growshop betreden. Wij zagen op de winkelvloer een vitrinekast staan. In deze vitrinekast zagen wij hennep gerelateerde goederen uitgestald liggen, zoals een luchtbevochtiger, meerdere Ph-meters, een relais kast, trafo’s, tijdschakelaars, assimilatielampen en weegschalen.

Op het gedeelte boven de verkoopbalie zagen wij een deel van een canna cutter/knipmachine en een trafo met geïntegreerde assimilatielamp uitgestald staan. Onder de verkoopbalie zagen wij dozen met assimilatielampen en folders voor de teelt van hennep liggen. Ook zagen wij op de balie folders over climatecontrollers liggen.

In de kantine stond en koelkast. In deze koelkast lagen een aantal zakjes met hennepzaad.

In het magazijn zagen wij meerdere stellingen staan. Wij zagen op en naast deze stellingen professionele hennep gerelateerde kweekgoederen staan of liggen. Er werden van deze goederen meer dan geringe hoeveelheden aangetroffen. Het betrof hier de volgende kweekgoederen: koolstoffilters, ventilatoren, kistventilatoren, assimilatielampen, armaturen, schakelborden, schakelkasten, controlers, transformatoren, koppelstukken, dozen met kweekblokjes steenwol, dozen met luchtslangen, dozen met coco slips, droognetten, kweektenten, zwavelboxen, irrigatiebenodigdheden, druppelaars, dompelpompen, luchtpompen, verwarmingselementen, Ph-meters, tijdschakelaars, thermo/hygrometers, Deense bodems, kweekpoten, jerrycans en flacons met voedingsstoffen/plantstimulatoren, vervoerstassen, luchtreinigers, sealzakken, sealapparatuur, weegschalen, plafond brandblussers, zakken met potgrond en substraat, waterbakken, rollen plastic/vijverfolie, alsmede twee ingerichte kweek carrousels en een kweekkast. Wij herkende deze carrousels en kweekkast voor het telen van hennep.

Wij zagen op de tientallen pallets tientallen zakken met potgrond en substraat liggen. Het betrof verschillende soorten potgrond en substraat waaronder: Canna Terra Potgrond, Canna Coco, Hydro Coco, Cocos substrate, Special Mix, Special Mix Light, Plagron Bat Mix, Coco single hydroponic substrate, en Substraat Perlite. Ook zagen wij op pallets al dan niet in dozen tientallen Canna coco slips liggen.

Het is ons ambtshalve bekend dat deze soorten potgrond worden gebruikt voor het telen van hennep.

Ook zagen wij in het magazijn pallets liggen en stellingen staan met daarop tientallen jerrycans en flacons met voedingstoffen- en plantstimulatoren voor de hennepteelt. Het is ons ambtshalve bekend dat deze voedingstoffen en plantenstimulatoren worden gebruikt voor het telen van hennep.

Op de zolder/bovenverdieping zagen wij dozen vol met kweekgoederen liggen, alsmede een grote en kleine kweek carrousel voor de teelt van hennep. Ook zagen wij daar drie grote blauw plastic vaten, te gebruiken voor de opslag en het vervoer van hennep.

In de werkplaats zag ik, verbalisant [verbalisant] , twee kistventilatoren en een kweektent met bijbehorende tas liggen.

Op 26 mei 2015, omstreeks 16:30 uur, werd ter opsporing en inbeslagneming binnengetreden in voornoemd perceel.

Onder toonbank van de verkoopbalie zag ik, [verbalisant] , een doos met gripzakjes en verpakkingsmateriaal met hennepzaden liggen. Het betrof zaden van verschillende henneprassen. In totaal werden er 2035 hennepzaden in beslag genomen. We zagen op een stelling in het magazijn en onder de toonbank van de verkoopbalie in totaal 297 assimilatielampen van 400, 600 en 1000 Watt liggen.

We zagen in de kantine en onder en op de toonbank van de verkoopbalie diverse folders, kweekschema's, magazines en boeken over het telen van hennep liggen. Het betrof onder andere het magazine 'Highlife' een opinie en lifestyle magazine voor growers en blowers, het magazine 'Essensie' geestverruimend & tuinbewust, (..) een boek met de titel 'je eigen stekken maken' met afbeeldingen van hennepplanten en hennepstekken, (…), een boek met de titel 'Kweken met CO2', (…) een handleiding over de Dimlux maxi controller Evo1, (…) een handleiding over 'Ico 0 Maker', (…) een folder over 'Durban Afghani' hennepzaad, (…).

De volgende kweekgoederen en hennepzaken werden bij de doorzoeking in beslag genomen:

  • -

    2035 stuks hennepzaden

  • -

    63 stuks armaturen voor assimilatielampen

  • -

    297 stuks assimilatielampen (400 - 600 en 1000 watt)

  • -

    3 stuks TL buizen

  • -

    9 stuks verlichting Cool Tube

  • -

    6 stuks aircleaners/luchtreinigers

  • -

    3 stuks zwavelboxen Hotbox/Sirocco

  • -

    2 stuks cannacutters

  • -

    148 stuks knipscharen

  • -

    100 stuks sealbags

  • -

    22 stuks droognetten

  • -

    1 stuks kweektent

  • -

    47 stuks koolstoffilters

  • -

    46 stuks transformatoren

  • -

    33 stuks weegschalen

  • -

    625 stuks jerrycans/flacons voedingstoffen/gewasbeschermers

  • -

    26 stuks schakelborden/relais

  • -

    8 stuks luchtafzuigers

  • -

    34 stuks zwenk ventilatoren

  • -

    65 stuks slakkenhuizen/luchtafzuigers/kistventilatoren

  • -

    4 stuks Co2 boosters

  • -

    55 stuks snelheidregelaars/controllers

  • -

    37 stuks condensators

  • -

    115 stuks Hygro-PH/ec thermometers

  • -

    3 stuks sealapparatuur,

  • -

    8 stuks verwarmingselementen

  • -

    4 stuks camera's

  • -

    35 stuks schakelaars

  • -

    28 stuks dompelpompen

  • -

    5 stuks circulatiepompen

  • -

    1 stuks condenswaterpomp

  • -

    1 stuks automatic pompcontroler

  • -

    1 stuks voedingscomputer

  • -

    11 stuks luchtbevochtigers

  • -

    22 stuks droognetten

  • -

    10 stuks kachels

  • -

    111 stuks koppelstukken/flenzen voor aan- en afzuiging

  • -

    21.000 stuks gripzakjes.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 26 mei 2015 te Leeuwarden in een winkelpand aan de [pleegadres] tezamen en in vereniging met een ander, stoffen en voorwerpen, te weten:

- 2.035 hennepzaden en

- 21.000 gripzakjes en

- 63 armaturen voor assimilatielampen en

- 297 assimilatielampen (400-600 en 1000 watt) en

- 3 TL buizen en

- 9 verlichting Cool Tube en

- 6 aircleaners/luchtreinigers en

- 3 zwavelboxen Hotbox/Sirocco en

- 2 cannacutters en

- 148 knipscharen en

- 100 sealbags en

- 22 droognetten en

- 1 kweektent en

- 47 koolstoffilters en

- 46 transformatoren en

- 33 weegschalen en

- 625 jerrycans/flacons voedingstoffen/gewasbeschermers en

- 26 schakelborden/relais en

- 8 luchtafzuigers en

- 34 zwenk ventilatoren en

- 65 slakkenhuizen/luchtafzuigers/kistventilatoren en

- 4 Co2 boosters en

- 55 snelheidregelaars/controllers en

- 37 condersators en

- 115 Hygro-PH/ec thermometers en

- 3 sealapparatuur en

- 8 verwarmingselementen en

- 4 camera's en

- 35 schakelaars en

- 28 dompelpompen en

- 5 circulatiepompen en

- 1 condenswaterpomp en

- 1 automatic pompcontroler en

- 1 voedingscomputer en

- 11 luchtbevochtigers en

- 10 kachels en

- 111 koppelstukken/flenzen (voor aan- en afzuiging) en

bestemd tot het plegen van een of meer feiten strafbaar gesteld in artikel 11, derde en vijfde

lid, van de Opiumwet, te weten:

- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II en

- het opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of aanwezig hebben en/of vervaardigen van een grote hoeveelheid van een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II,

te koop aangeboden en voorhanden gehad, waarvan hij wist dat zij bestemd waren tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair: Medeplegen van stoffen, voorwerpen en gegevens te koop aanbieden en voorhanden hebben, waarvan hij weet dat deze bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis.

Zij heeft hierbij niet alleen de ernst van het feit meegewogen, maar ook het feit dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft, de inhoudelijke behandeling van de zaak lang op zich heeft laten wachten en er weinig vergelijkbare uitspraken zijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de gehele tenlastelegging en heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2017 en de over hem opgemaakte rapportage van Reclassering Nederland d.d. 26 februari 2016, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met een ander op 26 mei 2015 een grote hoeveelheid

voorwerpen en stoffen die bestemd zijn voor de grootschalige en beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt in een winkel voorhanden gehad en te koop aangeboden. Hiermee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan overtreding van het op 1 maart 2015 ingevoerde artikel 11a van de Opiumwet. Dit artikel is onderdeel van een wetswijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt.

De bestrijding van hennepteelt is een prioriteit van de Nederlandse overheid, aldus de wetgever. Volgens het kabinet levert de illegale hennepteelt door haar omvang en professionaliteit een reëel veiligheidsrisico op 'waartegen doortastend en effectief moet worden opgetreden'.

Met artikel 11a van de Opiumwet wil de wetgever optreden tegen activiteiten van ondersteunende aard rond de illegale hennepteelt, in het bijzonder de activiteiten die strekken ter voorbereiding of bevordering van die teelt.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij goederen voorhanden heeft gehad en te koop heeft aangeboden die bijdragen aan het in stand houden van de illegale hennepteelt. Hennep bevat de voor de volksgezondheid schadelijke stof THC en is daarom door de wetgever op de bij de Opiumwet lijst II geplaatst. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit, waardoor de samenleving schade wordt berokkend.

Daarom acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend.

De rechtbank houdt echter ook in het voordeel van verdachte rekening met de volgende omstandigheden.

Alhoewel [bedrijf 2] niet stond ingeschreven als een growshop, was het bedrijf bij politie en justitie wel in beeld in het kader van de handhaving van artikel 11a van de Opiumwet. Daarom weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee dat [bedrijf 2] niet, zoals aangekondigd door de minister van Veiligheid en Justitie5, een brief met de gevolgen van de genoemde wetswijziging heeft ontvangen. Evenmin is [bedrijf 2] naar aanleiding van een 'landelijke actiedag controle growshop' in de gelegenheid gesteld om de bedrijfsvoering aan te passen, maar is een groot deel van de handelsvoorraad die in beslaggenomen was direct vernietigd. Dit terwijl er veel onduidelijk was over de reikwijdte van deze nieuwe wetgeving, een situatie die zorgvuldig optreden van de overheid vereist.

Ten gevolge van de vernietiging van alle inbeslaggenomen goederen, heeft verdachte zijn werk als bedrijfsleider bij het bedrijf niet kunnen voortzetten, omdat de medeverdachte het bedrijf ten gevolge van deze vernietiging heeft moeten sluiten. De rechtbank begrijpt dat dit grote gevolgen voor verdachte heeft gehad.

De rechtbank houdt er voorts rekening mee dat het gaat om een zaak van bijna twee jaar oud. Het tijdsverloop sinds het plegen van het feit is niet te wijten aan verdachte. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft.

De rechtbank acht, alles overwegende en vanuit een oogpunt van normhandhaving, een gevangenisstraf voor de duur van één maand passend en geboden. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank die gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm opleggen met een proeftijd van 2 jaren, mede om verdachte ervan te weerhouden in de toekomt opnieuw soortgelijke feiten te begaan.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11a van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Dölle, voorzitter, mr. N.A. Vlietstra en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 februari 2017.

1 Wet van 12 november 2014, Stb. 2014, 444, i.w.tr. 1 maart 2015

2 Kamerstukken II 2010/11, 32842, nr. 3, p. 1 (MvT)

3 Kamerstukken II 2010/11, 32842, nr. 3, p. 2 (MvT)

4 Kamerstukken II 2012/13, 32 842, nr. 13, p. 6 (Brief van de Minister van Justitie)

5 Handelingen EK 2014-2015 (32842), nr. 6