Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4409

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
24-11-2017
Zaaknummer
17/1056
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Toetsingskader beoordeling arbeidsvermogen in het kader van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Sprake van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Toepassing van artikel 1a Schattingsbesluit en gebruikmaking van methodiek SMBA is juist. Uitgangspunt dat een aanvraag Indicatie banenafspraak arbeidsvermogen veronderstelt is onjuist. Inhoudelijke beoordeling is onvoldoende inzichtelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Assen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/1056

Uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres] te [woonplaats] eiseres

(gemachtigde: mr. E.P.W.A. Bink),

en

Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV),

verweerder

(gemachtigde: E. van den Brink).

Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij in aanmerking komt voor een Indicatie banenafspraak en dat zij in het doelgroepenregister wordt opgenomen.

Bij besluit van 27 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juli 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verwezen naar behandeling door een meervoudige kamer. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek wederom gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres ontvangt een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw) van de gemeente Meppel en heeft al lange tijd medische klachten. Uit een rapport van de Afdeling klantcontacten van 13 juni 2016 blijkt dat eiseres in verband met haar medische problemen is ontheven van de sollicitatieplicht. Uit dit rapport blijkt ook dat haar klantbehandelaar in het kader van de bijstandsverlening vindt dat werk niet meer in beeld komt en wil laten onderzoeken of eiseres “onder de doelgroep valt”. Na een beslissing over haar arbeidsvermogen, zal het vervolg worden bepaald. Op 29 juli 2016 heeft eiseres op verzoek van de gemeente Meppel een aanvraag voor een beoordeling arbeidsvermogen bij verweerder ingediend. Zij heeft bij deze aanvraag aangekruist de vakjes “ik weet niet wat mijn mogelijkheden zijn. Ik vraag een Beoordeling arbeidsvermogen aan”, en “Ja, ik kan eventueel met hulp werken. Ik vraag een Indicatie banenafspraak aan”. Hier heeft zij handmatig bijgeschreven “wellicht in de toekomst”. Eiseres heeft veel medische informatie bij deze aanvraag gedaan, waaruit onder meer blijkt dat er onderzoek is gedaan naar de toepasselijkheid van de diagnoses Lyme, CVS/ME en POTS.

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts van verweerder onderzoek verricht. Uit het rapport van de verzekeringsarts van 2 september 2016 blijkt dat de beoordeling plaatsvindt in het kader van de Indicatie banenafspraak en dat daarbij afspraak is dat bij een expliciete vraag om een Indicatie banenafspraak arbeidsvermogen wordt verondersteld. Alleen als uit het onderzoek blijkt dat daar ernstige twijfels over bestaan, wordt dit nader onderzocht. Uit het dossieronderzoek noch uit het door de verzekeringsarts verrichte onderzoek, is de verzekeringsarts gebleken van deze ernstige twijfels, zodat arbeidsvermogen aanwezig wordt geacht. Overwogen is dat uit de aangeleverde stukken een consistent beeld naar voren komt en dat sprake is van stoornissen als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. De diagnose is niet helemaal duidelijk, maar wel duidelijk is dat sprake is van een energetische beperking, waardoor eiseres nu niet voltijds kan werken. Gelet op haar opleidingsniveau zal zij daardoor niet het minimumloon kunnen verdienen, is de veronderstelling van de verzekeringsarts, voor welke vaststelling zij het dossier overdraagt aan de arbeidsdeskundige.

1.3.

Blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige van 8 september 2016 heeft deze overleg gehad met de verzekeringsarts over de vraag of arbeidsvermogen aanwezig is en of er een vertraging is in het werktempo gezien de fysieke klachten. De verzekeringsarts heeft toegelicht dat er medisch geen onderbouwing is waarom er geen arbeidsvermogen zou zijn, dat eiseres is aangewezen op fysiek licht werk waarbij zij niet lang hoeft te staan/lopen en dat zij niet vier uur achtereen belastbaar is, maar wel verdeeld over de dag. Gelet hierop heeft de arbeidsdeskundige een aantal voor eiseres geschikte werksoorten geselecteerd. De arbeidsdeskundige heeft evenwel vastgesteld dat eiseres geen van de drempelfuncties uit kan oefenen, nu zij gelet op haar energetische beperking niet voltijds kan werken en zij daardoor, mede gelet op haar opleidingsniveau, niet in staat is het wettelijk minimumloon te verdienen. Eiseres wordt daarom opgenomen in het landelijk doelgroepenregister met een Indicatie banenafspraak.

1.4.

Bij het primaire besluit heeft verweerder eiseres in aanmerking gebracht voor een Indicatie banenafspraak en haar opgenomen in het doelgroepenregister. Eiseres heeft, onder overlegging van onder meer medische stukken over ‘bloedpooling’ veroorzaakt door POTS, bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat zij vindt dat géén sprake is van arbeidsvermogen. Op 13 januari 2017 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam vabb] dossierstudie gedaan en de hoorzitting, alwaar eiseres ook aanwezig was, bijgewoond. In het rapport van 20 januari 2017 heeft deze verzekeringsarts overwogen dat de primaire verzekeringsarts het medische feitencomplex duidelijk heeft beschreven en dat voldaan wordt aan normen van transparantie, inzichtelijkheid en reproduceerbaarheid. Opgemerkt wordt dat de primaire verzekeringsarts er op adequate gronden van is uitgegaan dat arbeidsvermogen mocht worden verondersteld, anders had eiseres de aanvraag niet ingediend. Verder is de conclusie dat hierover geen twijfels zijn, goed navolgbaar. Een gebrek aan arbeidsvermogen volgt niet uit de medische informatie. Er is, zo overweegt de verzekeringsarts bezwaar en beroep, veel onduidelijkheid over de diagnose en geconcludeerd wordt dat eiseres veel klachten en beperkingen ervaart, zonder dat deze (volledig) verklaard kunnen worden door objectiveerbare medische afwijkingen. Er ontbreekt een medische grondslag voor de excessieve rustbehoefte die eiseres claimt en zij wordt belastbaar geacht voor het één uur aaneengesloten uitvoeren van een taak gedurende (minimaal) vier uur per dag.

1.6.

Blijkens het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [naam adbb] van

26 januari 2017, is deze, uitgaande van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, tot het oordeel gekomen dat sprake is van arbeidsvermogen en dat voor eiseres als gevolg van de beperking in arbeidsduur geen drempelfunctie kan worden geselecteerd waarmee zij het wettelijke minimumloon kan verdienen.

1.7.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

2.1.

In beroep tegen het bestreden besluit heeft eiseres aangevoerd dat haar beperkingen onjuist zijn vastgesteld en dat de verzekeringsartsen onvoldoende gemotiveerd afwijken van de visie van behandelend artsen. Verweerder had tenminste aanleiding moeten zien een deskundige te benoemen, waarbij eiseres stelt dat sprake is van schending van het beginsel van equality of arms onder verwijzing naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 8 oktober 2016 (Korošec). Eiseres heeft medische stukken ingebracht, te weten een brief van haar huisarts van 27 juni 2017, van de behandelend neuroloog van 29 juni 2017 en van behandelend cardiologen C.M.C. van Campen en F.C. Visser van 28 juni 2017. In deze laatste brief verwijzen de cardiologen expliciet naar de door hen bij eiseres verrichte kanteltafeltest, waaruit de ernst van de volgens hen bij eiseres aanwezige beperkingen blijkt.

2.2.

In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat zorgvuldig onderzoek is gedaan en dat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld om medische stukken te overleggen en die ook heeft overgelegd. In reactie op de in beroep overgelegde medische stukken heeft verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam van de vabb] het standpunt ingenomen dat zowel bij CVS/ME als bij POTS volgens de vigerende richtlijnen geen contra-indicatie is om te bewegen. Fysieke inactiviteit kan bij CVS/ME zelfs beschouwd worden als een onderhoudende factor. Omdat voor het vaststellen van de belastbaarheid de kanteltafeltest waarnaar de behandelend cardiologen verwijzen geen bekend instrument is, hebben de beschreven uitslagen geen duidelijke relatie tot de belastbaarheid van eiseres. Hieruit zijn dan ook geen argumenten te herleiden waarom eiseres niet minimaal één uur aaneengesloten zou kunnen werken, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

3. De rechtbank oordeelt als volgt.

3.1.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is of verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiseres arbeidsvermogen heeft. De rechtbank zal de beoordeling hier dan ook toe beperken.

3.2.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de rechtbank gaat daarvan uit, dat het primaire besluit een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, nu met deze beslissing de juridische status van eiseres is vastgesteld en zij hiermee is gaan behoren tot de doelgroep van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten.

3.3.1.

Per 1 mei 2015 is de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten in werking getreden. Ten gevolge hiervan is de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) gewijzigd.

3.3.2.

In artikel 38b, eerste lid, van de Wfsv, voor zover hier relevant, is bepaald dat onder een arbeidsbeperkte wordt verstaan de persoon:

a. die met ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet naar een dienstbetrekking is of wordt toegeleid, en van wie uitsluitend op verzoek van het college van burgemeester en wethouders door het UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet,

b. (…),

c. (…),

d. (...), of

e. van wie op eigen verzoek door het UWV is of wordt vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet. Bij algemene maatregel van bestuur worden ten aanzien van de persoon, bedoeld in de vorige zin, nadere regels gesteld.

3.3.3.

In artikel 38d, negende lid, aanhef en onder c, van de Wfsv is bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld, in ieder geval met betrekking tot de vaststelling, bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, ten eerste, ten behoeve van de opname van personen in de registratie, bedoeld in het eerste lid.

3.3.4.

Deze nadere regels zijn vastgesteld in het Besluit van 14 april 2015 tot wijziging van enkele algemene maatregelen van bestuur in verband met de uitvoering van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. Hiermee is onder meer het Besluit SUWI gewijzigd.

3.3.5.

Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, van het Besluit SUWI, zoals dat na inwerkingtreding van het in 3.3.4 genoemde Besluit luidt, verricht verweerder op verzoek van het college van burgemeester en wethouders een beoordeling of een persoon, bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdeel a, van de Wfsv in staat is het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet te verdienen.

Ingevolge het derde lid wordt in het kader van de beoordeling, bedoeld in het eerste lid, door verweerder het arbeidsvermogen van de betrokken persoon beoordeeld.

Ingevolge het vierde lid wordt het arbeidsvermogen, bedoeld in het derde lid, getoetst aan de methodiek van drempelfuncties die verweerder hanteert bij de beoordeling van arbeidsongeschiktheid.

Ingevolge het vijfde lid wordt onder een drempelfunctie als bedoeld in het vierde lid verstaan een bestaande functie op de Nederlandse arbeidsmarkt die de ondergrens van de verdiencapaciteit markeert, met een minimale belasting waardoor deze geschikt is voor mensen met beperkingen.

Ingevolge het zesde lid wordt, indien uit de analyse bedoeld in het derde en vierde lid, blijkt dat een persoon geen drempelfunctie of voor een deel één drempelfunctie kan uitvoeren, de persoon niet geacht in staat te zijn het minimumloon te verdienen met dien verstande dat de beperkingen of belemmeringen die een persoon ondervindt naar verwachting nog ten minste voor 6 maanden na de beoordeling zullen bestaan.

Ingevolge het zevende lid wordt, indien uit de analyse, bedoeld in het derde lid en vierde lid, blijkt dat een persoon één drempelfunctie kan uitvoeren of één drempelfunctie kan uitvoeren met behulp van aanpassingen of begeleiding, de persoon geacht in staat te zijn het minimumloon te verdienen.

3.3.6.

Artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit (Sb) bepaalt dat een betrokkene geen mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de artikelen 1a:1, eerste lid, 2:4, eerste lid, en 3:8a, eerste lid, van de Wajong, indien hij:

a. geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie;

b. niet over basale werknemersvaardigheden beschikt;

c. niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur; of

d. niet ten minste vier uur per dag belastbaar is, tenzij hij ten minste twee uur per dag belastbaar is en in staat is per uur ten minste een bedrag te verdienen dat gelijk is aan het minimumloon per uur.

Ingevolge het tweede lid van artikel 1a van het Sb is een taak als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, de kleinste eenheid van een functie en bestaat deze uit één of meerdere handelingen.

3.4.

De rechtbank zal allereerst beoordelen of verweerder bij de besluitvorming van een juist toetsingskader is uitgegaan.

3.4.1.

De rechtbank stelt vast dat verweerder allereerst heeft beoordeeld of eiseres arbeidsvermogen heeft en vervolgens, ervan uitgaande dat sprake is van arbeidsvermogen, heeft beoordeeld of zij een drempelfunctie op de arbeidsmarkt kan vervullen. Verweerder heeft aldus een koppeling aangebracht: eerst indien sprake is van arbeidsvermogen wordt beoordeeld of daarmee het minimumloon kan worden verdiend. Dit acht de rechtbank in overeenstemming met artikel 3:5, derde en vierde lid, van het besluit SUWI.

3.4.2.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder het arbeidsvermogen heeft beoordeeld aan de hand van de in artikel 1a, eerste lid, van het Sb genoemde criteria, de criteria aan de hand waarvan wordt bepaald of iemand mogelijkheden heeft tot arbeidsparticipatie als bedoeld in de Wajong 2015.

3.4.3.

Hoewel het Besluit SUWI noch het Sb expliciet bepalen dat het arbeidsvermogen als bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van het Besluit SUWI wordt beoordeeld aan de hand van de in artikel 1a, eerste lid, van het Sb genoemde criteria, blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat dit wel de bedoeling van de regering is geweest. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de doelstelling van de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten onlosmakelijk is verbonden met de wijzigingen in de Participatiewet waardoor met ingang van 1 januari 2015 de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) alleen nog toegankelijk is voor jonggehandicapten die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben. Jonggehandicapten die kunnen werken kunnen voortaan een beroep doen op de Participatiewet en in dat verband te maken krijgen met de Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten. In de Nota van Toelichting bij het Besluit van 8 oktober 2014 tot wijziging van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten in verband met de Invoeringswet Participatiewet (Stb 2014, 359), waarmee artikel 1a in het Sb is opgenomen, wordt aangegeven dat in de visie van de regering de term ‘mogelijkheden tot arbeidsparticipatie’ gelijk staat aan het begrip arbeidsvermogen. Met het bepalen van de voorwaarden voor het niet hebben van mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, wordt tegelijkertijd de ondergrens van arbeidsvermogen bepaald, aldus de regering.

3.4.4.

Het vooroverwogene brengt de rechtbank tot het oordeel dat uit het oogpunt van wetssystematiek verweerder de vraag of eiseres arbeidsvermogen heeft, terecht heeft beoordeeld aan de hand van de in artikel 1a, eerste lid, van het Sb genoemde criteria.

3.5.

Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of, gelet op voormeld toetsingskader, verweerder terecht tot het oordeel is gekomen dat eiseres arbeidsvermogen heeft.

3.5.1.

Uit de hiervoor opgenomen regelgeving blijkt dat een belanghebbende eerst als arbeidsbeperkte kan worden aangemerkt als hij niet in staat is het minimumloon te verdienen. In de Nota van Toelichting (NvT) bij het in 3.2.4 genoemde Besluit, waarmee onder meer artikel 3.5 in het Besluit SUWI is opgenomen, staat vermeld dat de regering het belangrijk vindt dat er een uniform toetsingskader wordt gehanteerd voor de beoordeling hiervan. Het UWV dient het arbeidsvermogen te beoordelen met de methodiek van het Sociaal Medisch beoordelen van Arbeidsvermogen (SMBA) en bij de vraag of iemand het minimumloon kan verdienen maakt het UWV gebruik van een beperkte set van functies, de zogeheten drempelfuncties.

3.5.2.

De rechtbank stelt vast dat zowel de primaire verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt hebben ingenomen dat als een belanghebbende een aanvraag Indicatie banenafspraak heeft gedaan, arbeidsvermogen wordt verondersteld. Alleen als uit het onderzoek blijkt dat daar ernstige twijfels over bestaan, wordt dit verder onderzocht. Bij de verzekeringsartsen bestond hierover, zo wordt in hun rapporten overwogen, geen twijfel.

3.5.3.

De rechtbank overweegt allereerst dat dit toetsingskader (alleen bij twijfel het arbeidsvermogen nader onderzoeken) niet op een wettelijk kader stoelt. Verweerder heeft de rechtbank ook geen antwoord gegeven op de door haar gestelde vraag waar dit uitgangspunt op is gebaseerd. De rechtbank vermoedt dat verweerder uit het systeem van de wet heeft afgeleid dat als er géén sprake is van arbeidsvermogen, een Indicatie banenafspraak niet aan de orde kan zijn. Hieruit valt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet af te leiden dat in het geval een aanvraag Indicatie banenafspraak wordt gedaan, arbeidsvermogen kan worden verondersteld. Verder wijst de rechtbank erop dat eiseres in het formulier ‘Aanvraag Beoordeling arbeidsvermogen’ heeft ingevuld “Ik weet niet wat mijn mogelijkheden zijn. Ik vraag een Beoordeling arbeidsvermogen aan”. Dat eiseres ook heeft aangekruist “Ja, ik kan eventueel met hulp werken, ik vraag een Indicatie banenafspraak aan”, aangevuld met “wellicht in de toekomst”, doet hieraan niet af.

3.5.4.

De rechtbank stelt verder vast dat uit het bestreden besluit niet duidelijk blijkt dat verweerder, zoals volgens de regering wenselijk wordt geacht (zie 3.5.1) de methodiek van het SMBA heeft toegepast. Hoewel het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanwijzingen bevat dat dit is gebeurd, wordt dit nergens geëxpliciteerd en ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep hanteert het onjuiste uitgangspunt dat de aanwezigheid van arbeidsvermogen wordt verondersteld. De rechtbank ontkomt niet aan de indruk dat dit uitgangspunt de beoordeling mede heeft gekleurd. Voor de rechtbank is hierdoor onvoldoende inzichtelijk geworden op welke wijze de arbeidsongeschiktheid van eiseres is beoordeeld.

3.5.5.

De rechtbank overweegt verder dat, waar de primaire verzekeringsarts beperkingen door ziekte of gebrek aanneemt, de verzekeringsarts bezwaar en beroep benadrukt dat een duidelijke diagnose ontbreekt en dat de onderzoeksbevindingen niet wijzen op het bestaan van duidelijk objectiveerbare problematiek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat de klachten en beperkingen niet “(volledig) verklaard kunnen worden door objectiveerbare medische problematiek”. Nu het woord ‘volledig’ tussen haakjes staat, is niet inzichtelijk welk deel van de klachten en beperkingen wel verklaard kunnen worden door objectiveerbare medische problematiek en welk deel niet. Gelet op de vele klachten die eiseres reeds bij de aanvraag naar voren heeft gebracht, had een meer hierop toegespitste beoordeling naar het oordeel van de rechtbank in de rede gelegen.

3.5.6.

Daarbij komt dat, waar bij aanvang van de medische onderzoeken naar de oorzaak van de klachten van eiseres de diagnosestelling niet duidelijk was, deze inmiddels door de behandelend artsen is gesteld op CVS/ME en POTS. Dit blijkt zowel uit de brief van haar behandelend cardiologen van 28 juni 2017 als ook uit de brief van 29 juni 2017 van de behandelend neuroloog. Gelet hierop is opvallend dat uit met name het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 juli 2017 een wat gereserveerde houding valt af te leiden over de objectiveerbaarheid van de beperkingen. De rechtbank heeft in dit verband ook geconstateerd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet op voornoemde brief van de neuroloog is ingegaan. De rechtbank overweegt dat, hoewel een diagnose op zichzelf nog niet kan leiden tot het aannemen van beperkingen, in de verzekeringsgeneeskundige onderbouwing aan de diagnosestelling meer aandacht had moeten worden besteed. Zoals in 3.5.5. al is overwogen, is onduidelijk of een deel van de klachten wel zijn geobjectiveerd en zo ja, tot welke beperkingen deze klachten zouden moeten leiden en of eiseres gelet hierop ten minste vier uur per dag belastbaar is en minimaal één uur achtereen.

3.5.7.

De rechtbank overweegt in dit verband dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapporten onvoldoende blijkt waarop het standpunt van de verzekeringsartsen dat eiseres ten minste vier uur per dag belastbaar is en minimaal één uur achtereen, is gebaseerd. Niet inzichtelijk is wat de primaire verzekeringsarts hiervan vindt. In de primaire besluitvormingsfase heeft de arbeidsdeskundige, zoals uit het rapport van 8 september 2016 blijkt, overleg gehad met de verzekeringsarts en toen gevraagd naar het aanwezig zijn van arbeidsvermogen (vier uur per dag belastbaar, waarvan één uur achtereen uit kunnen voeren). De verzekeringsarts heeft de arbeidsdeskundige geantwoord dat er geen medische onderbouwing is waarom dit niet zou kunnen. Wel moet de vier uur belastbaarheid over de dag worden verdeeld. In zijn rapport van 7 juli 2017 merkt de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dat er bij de diagnoses CVS/ME en POTS geen contra-indicatie is voor bewegen en dat fysieke inactiviteit een onderhoudende factor is. Welke betekenis de gestelde diagnoses voor een eventuele urenbeperking zouden moeten hebben, wordt niet duidelijk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt in het laatstgenoemde rapport wel dat er geen argumenten zijn waarom eiseres niet minimaal een uur aaneengesloten kan werken, maar zegt niets over het aantal uren dat eiseres volgens hem - al dan niet verdeeld over de dag - op één dag kan werken.

3.5.8.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat eiseres ook veel fysieke klachten heeft vermeld, maar dat de rapporten van de verzekeringsartsen met name ingaan op beperkingen op het psychische en energetische vlak. De fysieke klachten zijn naar het oordeel van de rechtbank onderbelicht.

3.5.9.

Dit betekent dat het bestreden besluit berust op een onvoldoende deugdelijk verricht onderzoek, hetgeen moet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

4. De onvolkomenheden samenvattend, overweegt de rechtbank dat niet inzichtelijk is geworden of verweerder al dan niet is uitgegaan van de door de behandelaars van eiseres gestelde diagnoses, welk deel van de klachten van eiseres volgens verweerder met deze diagnoses zijn geobjectiveerd (en welk deel niet) en welke conclusies daaraan verbonden moeten worden als het gaat om de vraag of eiseres voldoet aan de criteria van artikel 1a van het Sb. Voor de rechtbank is in het geheel niet inzichtelijk waarom de vele door eiseres benoemde klachten hebben geleid tot het hiervoor besproken oordeel van verweerder. Verweerder dient daarom een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarin één en ander alsnog op inzichtelijke wijze uiteen wordt gezet. De rechtbank is daarbij van oordeel dat een zorgvuldige voorbereiding van de door verweerder te vormen opvatting over de voor eiseres vast te stellen beperkingen dient mee te brengen dat verweerder zich laat voorlichten door een onafhankelijk deskundige met kennis van zaken van de combinatie van de bij eiseres gestelde diagnoses CVS/ME en POTS (en de wijze waarop hieruit voortkomende beperkingen kunnen worden vastgesteld) en zijn oordeel over de beperkingen van eiseres vervolgens aan het standpunt van deze deskundige dient te spiegelen. Omdat, naar het zich laat aanzien, dit gebrek niet op snelle wijze kan worden hersteld, kiest de rechtbank ervoor geen tussenuitspraak te doen, maar een uitspraak waardoor het besluit vernietigd wordt en verweerder met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van eiseres dient te beslissen.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzitter, en mr. E. Hoekstra en
mr. G.W.G. Wijnands, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.A. Mensink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.