Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4393

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
18/830487-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld ter zake artikel 5, 6, 7 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat overtreding van artikel 6 en 7 van de Wegenverkeerswet kan worden bewezen.

Aan verdachte worden twee taakstraffen, een ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen en een voorwaardelijke

gevangenisstraf opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2016-04-20
Wegenverkeerswet 1994 175, geldigheid: 2017-07-01
Wegenverkeerswet 1994 177, geldigheid: 2015-01-01
Wegenverkeerswet 1994 176, geldigheid: 2017-07-12
Wegenverkeerswet 1994 179, geldigheid: 2010-07-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830487-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

17 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

3 november 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. Velthuis-Muller, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 19 augustus 2016 te Groningen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, het Gedempte Zuiderdiep,

terwijl hij onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

terwijl het donker was

- over die weg te rijden met te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

- zich er niet (tijdig) van te vergewissen dat de voetgangersoversteekplaats vrij was van personen/verkeer en/of

- geen voorrang te verlenen aan een voetganger, de heer [slachtoffer], welke zich bevond op die voetgangersoversteekplaats en/of

- niet (tijdig) af te remmen en/of uit te wijken voor voornoemde voetganger,

waarbij/waardoor een botsing/aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem bestuurde voertuig en die voetganger, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, te weten een hersenschudding en/of schaafwonden op de rug/armen en/of drie hechtingen in het hoofd en/of een dikke kuit en/of concentratieproblemen en/of vermoeidheid en/of vergeetachtigheid, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 tweede lid van de

Wegenverkeerswet 1994;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 19 augustus 2016 te Groningen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, het Gedempte Zuiderdiep,

terwijl hij onder invloed verkeerde van (een aanzienlijke hoeveelheid) alcohol

en/of terwijl het donker was

- over die weg heeft gereden met te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of

- zich er niet (tijdig) van heeft vergewist dat de voetgangersoversteekplaats vrij was van personen/verkeer en/of

- geen voorrang heeft verleend aan een voetganger, de heer [slachtoffer], welke zich bevond op die voetgangersoversteekplaats en/of

waarbij/waardoor een botsing/aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem bestuurde voertuig en die voetganger,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

dat hij, als degene door wiens gedraging (al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Groningen op/aan het Gedempte Zuiderdiep, op of omstreeks 19 augustus 2016 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een ander (te weten [slachtoffer]), aan wie bij dat ongeval letsel was

toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

3.

hij op of omstreeks 19 augustus 2016 in de gemeente Groningen als bestuurder van een voertuig (personenauto),

daarmee rijdende op de weg, de N46 en/of de Beneluxweg en/of de Emingaheerd,

terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, en/of

terwijl het donker was en/of

terwijl de voorruit van het door hem, verdachte, bestuurde voertuig (gedeeltelijk) was gebarsten

- op die N46 en/of die Beneluxweg, alwaar een maximumsnelheid geldt van 70

kilometer per uur, heeft gereden met een snelheid van ongeveer 110 kilometer

per uur, althans met een veel te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of vervolgens

- op die Emingaheerd, alwaar een maximumsnelheid geldt van 50 kilometer per uur, heeft gereden mer een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur, althans met een veel te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

4.

hij op of omstreeks 19 augustus 2016 te Groningen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 320 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake was van een buitengewoon onvoorzichtige gedraging die zeer ernstig gevaar in het leven heeft geroepen en van welk gevaar verdachte zich bewust had moeten zijn. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte te hard heeft gereden. Verdachte heeft het slachtoffer enkel over het hoofd gezien. Ook het bij verdachte vastgestelde alcoholpromillage, dat iets boven de wettelijke toegestane grens lag, brengt niet mee dat er sprake is geweest van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet (hierna: WVW). Daar komt nog bij dat er geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht en een storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft.

Ook van het onder 2 ten laste gelegde moet verdachte worden vrijgesproken. Verdachte heeft het slachtoffer niet in hulpeloze toestand achtergelaten. Verdachte is onmiddellijk na de aanrijding uitgestapt en naar het slachtoffer toe gelopen. Vervolgens is hij nagegaan of het slachtoffer aanspreekbaar was. Daarna heeft hij een ambulance gebeld. Verdachte is weliswaar weggereden, maar hij wist dat er zo een ambulance zou arriveren. Daarnaast waren er vele omstanders die zich om het slachtoffer bekommerden.

Het onder 3 ten laste gelegde kan volgens de verdediging evenmin worden bewezen. Niet kan worden bewezen dat verdachte op de N46 en/of de Beneluxweg en op de Emingaheerd respectievelijk 110 kilometer per uur en 100 kilometer per uur heeft gereden, nu de politieauto verdachte vanaf een flinke afstand volgde en deze politieauto niet beschikte over een geijkte kilometerteller.

Het onder 1 subsidiair en 4 ten laste gelegde kan worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 4 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 november 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed van Politie Noord-Nederland d.d. 22 augustus 2016, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 augustus 2016, opgenomen op pagina 2 e.v. van het dossier met nummer 2016237181 d.d. 24 oktober 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Op 19 augustus 2016 liep ik omstreeks 00:15 uur over het zebrapad van het Gedempte Zuiderdiep in Groningen. Ik had het gevoel dat de auto een straal gas bijgaf in plaats van dat hij remde. De auto reed zo hard dat ik hem niet meer kon ontwijken. Ik heb het volgende letsel opgelopen: schaafwonden op mijn rug en armen, een hersenschudding en een dikke kuit.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 19 augustus 2016, opgenomen op pagina 47 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Op een gegeven moment zag ik dat de auto zonder af te remmen de jongen aanreed.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 16 maart 2017, opgenomen als losse bijlage bij voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 16 maart 2017 sprak ik, verbalisant, telefonisch met aangever [slachtoffer]. Ik hoorde aangever zeggen dat hij vanaf het ongeval in augustus 2016 tot eind november 2016 thuis heeft gezeten en niet in staat was om te werken. Daarna is hij met een re-integratietraject begonnen bij zijn werkgever waarin hij een opbouw had van enkele uren per week. De klachten die hij had waren: niet kunnen focussen/concentreren en slapeloosheid/vermoeidheid.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 augustus 2016, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Op het Gedempte Zuiderdiep heb ik een aanrijding met een voetganger veroorzaakt. Daarvoor had ik bij een vriend vier of vijf biertjes gedronken.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed van Politie Noord-Nederland d.d. 22 augustus 2016, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Resultaat ademonderzoek: 320 ug/l.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 november 2017:

Nadat ik het slachtoffer had aangereden, ben ik naar hem toe gegaan. Ik heb mijn hand op zijn schouder gelegd en ik heb geprobeerd hem aan te spreken. Hij had pijn. Hij maakte wel geluid, maar er kwamen geen woorden uit zijn mond. Ik wilde toen mijn auto gaan wegzetten. Ik raakte in paniek en ik ben weggereden met mijn auto.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van Politie Noord-Nederland d.d. 19 augustus 2016, opgenomen op pagina 49 e.v. van het dossier met nummer 2016237181 d.d. 24 oktober 2016, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

Op 19 augustus 2016 hoorde ik een harde knal vanaf het Gedempte Zuiderdiep. Ik zag dat er een jongen op de grond lag. Ik zag een grijze BMW vlakbij het slachtoffer staan, met een grote ster in de voorruit. Ik zag dat er een bestuurder in de BMW stapte en met gedimde lichten wegreed.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 3 november 2017:

Op de ring en in Beijum heb ik harder gereden dan de toegestane maximumsnelheid. De voorruit van mijn auto was gebarsten. Ik had vijf flesjes Heineken gedronken die avond.

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 19 augustus 2016, opgenomen op pagina 51 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op 19 augustus 2016 hoorden wij, verbalisanten, dat een BMW met kenteken [nummer] een aanrijding zou hebben veroorzaakt met een voetganger. Die dag omstreeks 00:25 uur zagen wij die BMW over de N46 richting Bedum rijden. Op de N46 geldt een maximumsnelheid van 70 km/h. Wij gaven de bestuurder een stopteken. De bestuurder wekte de indruk dat hij een veilige plaats zocht om te kunnen stoppen. In de bocht naar rechts op de Beneluxweg zagen wij dat de bestuurder van de BMW zijn snelheid aanmerkelijk verhoogde. Wij zagen dat de snelheidsmeter van ons voertuig een snelheid aangaf van 110 km/h. Wij zagen toen dat de BMW zich met grote snelheid van ons verwijderde. De tussenafstand werd zienderogen groter. De bestuurder van de BMW reed derhalve veel sneller dan 110 km/h en zeker veel sneller dan de toegestane 70 km/h. De volgafstand over de N46 en de Beneluxweg bedroeg ongeveer 2000 meter. De bestuurder van de BMW vervolgde zijn weg over de Emingaheerd in Beijum. Ter plaatse geldt hier een maximumsnelheid van 50 km/h. Wij zagen dat de snelheidsmeter van ons voertuig hier een snelheid van 100 km/h aangaf. Wij zagen dat de afstand tussen de BMW en ons voertuig steeds groter werd. Wij volgden de BMW ongeveer 500 meter over de Emingaheerd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 augustus 2016, opgenomen op pagina 36 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Op 19 augustus 2016 reed ik vanaf het Gedempte Zuiderdiep te Groningen richting het Emmaviaduct. Ik kwam bij de Noordzeeweg politie tegen en zag dat zij een stopteken gaven. Ik ben toen doorgereden naar de oostelijke ring. Ik heb het gas ingetrapt en ben door Beijum gereden.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde

De vraag die de rechtbank ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde dient te beantwoorden is, of de verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Daarvan kan pas worden gesproken als de verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen, dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat. Van schuld in de zin van dit artikel is pas sprake in geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Bij deze beoordeling komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Dat brengt met zich dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van de even bedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

Vast staat dat er een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het voertuig van verdachte en het slachtoffer, waarbij verdachte met zijn auto het slachtoffer op een voetgangersoversteekplaats heeft aangereden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte bij het naderen van de voetgangersoversteekplaats niet heeft afgeremd, maar met onverminderde snelheid is doorgereden. Het betrof hier een voetgangersoversteekplaats gelegen in het stadscentrum, waarbij voor verdachte waarneembaar was dat verscheidene mensen zich bevonden in de directe nabijheid van de oversteekplaats. Verdachte was ter plaatse goed bekend en het was donker.

Uit de bewijsmiddelen blijkt daarnaast dat de verdachte heeft gereden onder invloed van alcohol en dat het percentage alcohol in zijn bloed met 320 µg/l hoger was dan de wettelijke toegestane hoeveelheid.

Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien maakt dat de verdachte onder invloed van alcohol, met onvoldoende aandacht voor het verkeer en de verkeerssituatie heeft gereden en het slachtoffer heeft geschept op een voetgangersoversteekplaats zonder te remmen. Hieruit concludeert de rechtbank dat de verdachte zijn vermogens in het verkeer niet heeft aangewend, zoals dat in het algemeen van een bestuurder van een personenauto mag worden verwacht en daarmee in aanzienlijk mate de op hem rustende zorgplicht om gevaarzettende situaties te voorkomen heeft geschonden. De rechtbank acht dit verkeersgedrag van de verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend.

Als gevolg van dit ongeval is het slachtoffer gewond geraakt. De rechtbank merkt het letsel dat het slachtoffer door het ongeval heeft opgelopen aan als zodanig letsel, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het onder 1 primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de voorruit van de auto van verdachte ten gevolge van de aanrijding flink gebarsten was. Verdachte is naar het slachtoffer toegegaan en heeft op dat moment het letsel van het slachtoffer waargenomen. Verdachte heeft verklaard dat hij het slachtoffer heeft aangesproken. Het slachtoffer maakte wel geluid, maar er kwamen geen woorden uit zijn mond. Het was daarom voor verdachte duidelijk dat het slachtoffer zich in een hulpbehoevende toestand bevond. Door vervolgens weg te rijden met zijn auto heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank het slachtoffer in een hulpeloze toestand achtergelaten. Daaraan doet niet af dat er omstanders waren die zich over het slachtoffer ontfermden. Nu de ambulance nog niet was gearriveerd en professionele hulp derhalve nog niet aanwezig was, had verdachte er niet van uit mogen gaan dat deze omstanders zich, anders dan hijzelf, zouden blijven bekommeren om het slachtoffer tot het moment dat de ambulance er was.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 19 augustus 2016 te Groningen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, het Gedempte Zuiderdiep, terwijl hij onder invloed verkeerde van alcohol, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en onoplettend, terwijl het donker was

- zich er niet (tijdig) van te vergewissen dat de voetgangersoversteekplaats vrij was van personen en

- geen voorrang te verlenen aan een voetganger, de heer [slachtoffer], welke zich bevond op die voetgangersoversteekplaats en

- niet af te remmen en/of uit te wijken voor voornoemde voetganger,

waardoor een aanrijding heeft plaatsgevonden tussen het door hem bestuurde voertuig en die voetganger, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, terwijl hij verkeerde in de toestand bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

dat hij, als degene door wiens gedraging (als bestuurder van een motorrijtuig) een verkeersongeval was veroorzaakt, welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Groningen op het Gedempte Zuiderdiep, op 19 augustus 2016 de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl daardoor, naar hij wist een ander (te weten [slachtoffer]), aan wie bij dat ongeval letsel was toegebracht, in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

3.

hij op 19 augustus 2016 in de gemeente Groningen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de N46 en de Beneluxweg en de Emingaheerd,

terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde, en terwijl het donker was en terwijl de voorruit van het door hem, verdachte, bestuurde voertuig (gedeeltelijk) was gebarsten

- op die N46 en die Beneluxweg, heeft gereden met een veel te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en vervolgens

- op die Emingaheerd heeft gereden met een veel te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse,

door welke gedragingen van verdachte gevaar op die weg kon worden veroorzaakt en/of het verkeer op die weg kon worden gehinderd.

4.

hij op 19 augustus 2016 te Groningen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 320 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1 primair. overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet

2. overtreding van artikel 7 van de Wegenverkeerswet 1994

3. overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

4. overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf voor de duur van 160 uur gevorderd, subsidiair 80 dagen vervangende hechtenis, en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Ter zake de onder 3 ten laste gelegde overtreding heeft de officier van justitie een taakstraf van 40 uur gevorderd, subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis.

Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie onder andere rekening gehouden met de ernst van de feiten en de gevolgen die het onder 1 primair ten laste gelegde voor het slachtoffer heeft gehad.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om er bij de strafoplegging rekening mee te houden dat verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan soortgelijke strafbare feiten. Volgens de reclassering is de kans op recidive verwaarloosbaar. Ten aanzien van het rijden onder invloed moet er rekening mee worden gehouden dat het promillage van verdachte net iets hoger was dan het toegestane promillage. Tot slot heeft verdachte erg veel spijt van wat er allemaal is gebeurd en heeft hij na het gebeuren zelf contact gezocht met de GGZ voor het krijgen van hulp.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 19 augustus 2016 in het centrum van Groningen een voetganger aangereden op een voetgangersoversteekplaats. Verdachte verkeerde onder invloed van alcohol en heeft zeer aanmerkelijk onvoorzichtig gereden. De gevolgen van het gedrag van verdachte zijn ernstig. Het slachtoffer heeft letsel opgelopen waardoor hij langere tijd is belemmerd in zijn dagelijks functioneren.

Naast het verwonden van het slachtoffer heeft verdachte hem ook in hulpeloze toestand achtergelaten, door de plaats van de aanrijding te verlaten. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

Toen de politie vervolgens gealarmeerd was en op zoek ging naar (de auto van) verdachte, heeft verdachte een stopteken van de politie genegeerd en geprobeerd om aan de politie te ontkomen. Hij heeft daartoe met gedoofde lichten en met onverantwoorde snelheid door onder andere een woonwijk gereden. Door zo te rijden heeft verdachte gevaar en hinder op de weg kunnen veroorzaken.

Ten aanzien van het deelnemen aan het verkeer met alcohol op overweegt de rechtbank dat het algemeen bekend is dat de concentratie, de waarneming en het reactievermogen door het gebruik van alcohol negatief worden beïnvloed.

De rechtbank heeft er eveneens rekening mee gehouden dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

In het voordeel van verdachte heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat hij ter zitting zijn spijt heeft betuigd. Daarnaast heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte na het veroorzaken van het ongeval zelf hulp heeft gezocht bij de GGZ.

Bij het opleggen van de straf heeft de rechtbank tot slot gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting bij overtreding van artikel 6 WVW.

Alles afwegende acht de rechtbank een straf zoals gevorderd door de officier van justitie passend en geboden. De ernst van het samenstel van de feiten en de bescherming van de verkeersveiligheid rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank, naast het opleggen van onvoorwaardelijke taakstraffen en een deels voorwaardelijke rijontzegging, het opleggen van de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 6, 7, 8, 175, 176, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 4 bewezen verklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

een taakstraf voor de duur van 160 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezen verklaarde voorts:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte ten aanzien van het onder 3 bewezen verklaarde tot:

een taakstraf voor de duur van 40 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. F. de Jong, voorzitter, mrs. F.J. Agema en W. Geelhoed, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 november 2017.