Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4392

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
18/830090-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag door plotseling met een mes uit te halen en daarbij het slachtoffer in het gezicht te steken. Voorwaardelijk opzet.

De rechtbank heeft een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden opgelegd, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830090-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 november 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Nierop, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 februari 2017 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (na een eerder conflict is weggegaan en, na korte tijd, bij terugkomst) (plotseling en/of onverhoeds en/of ongericht) met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, heeft uitgehaald en/of (daarbij) die [slachtoffer] in het gezicht/hoofd heeft gestoken/gesneden, althans geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 februari 2017 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, en al dan niet met voorbedachten rade, aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (na een eerder conflict is weggegaan en, na korte tijd, bij terugkomst) (plotseling en/of onverhoeds en/of ongericht) met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, heeft uitgehaald en/of (daarbij) die [slachtoffer] in het gezicht/hoofd heeft gestoken/gesneden, althans geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 22 februari 2017 te Groningen, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] heeft mishandeld door (na een eerder conflict is weggegaan en, na korte tijd, bij terugkomst) (plotseling en/of onverhoeds en/of ongericht) met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, uit te halen en/of (daarbij) die [slachtoffer] in het gezicht/hoofd te steken/snijden, althans raken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor poging tot moord, nu het onderdeel voorbedachte raad niet kan worden bewezen. De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, aangezien niet kan worden vastgesteld dat verdachte als dader moet worden aangemerkt. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Aangever heeft bij de fotoconfrontatie een ander persoon als dader aangewezen, terwijl een foto van verdachte wel was getoond.

Voorts is er geen DNA van verdachte aangetroffen op het in beslag genomen mes.

Daarnaast kan niet worden uitgesloten dat het mes onder een ander persoon in beslag is genomen dan onder de aangehouden verdachte. Het is goed mogelijk dat de verbalisanten die de verdachte hebben aangehouden, enige tijd daarvoor een andere persoon hebben staande gehouden, niet zijnde verdachte. Tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris hebben verbalisanten verschillend verklaard over onder andere hetgeen zij via de portofoon hebben gehoord, het signalement van verdachte en over de al dan niet plaatsgevonden hebbende inbeslagneming van het mes bij de staande gehouden persoon.

Het is bovendien mogelijk dat verbalisanten de staande gehouden persoon uit het oog hebben verloren nadat deze is weggelopen toen de staandehouding was beëindigd. Verbalisanten verklaren verschillend over de afstand die zou hebben bestaan tussen henzelf en de persoon die zij later zouden aanhouden op het moment dat zij hoorden dat deze aangehouden kon worden. Daarnaast hebben verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] verklaard dat zij, toen bekend werd dat een verdachte staande was gehouden, vanuit de Herestraat zijn gelopen naar verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] die zich in de Kleine Haddingestraat bevonden, terwijl verbalisanten pas toen zij elkaar ontmoetten aanstalten maakten om verdachte aan te houden. De staande gehouden persoon zou in de tussengelegen tijd ruimschoots de gelegenheid hebben gehad om zich aan het zicht van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] te onttrekken. Daardoor is het mogelijk geworden dat verbalisanten verdachte, die over het Gedempte Zuiderdiep liep, abusievelijk identificeerden als de staande gehouden persoon en hem vervolgens hebben aangehouden.

Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat - indien de rechtbank oordeelt dat verdachte wel als dader kan worden aangemerkt - er geen sprake is van voorbedachte raad en dat evenmin bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op de dood van het slachtoffer, gelet op het feit dat verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] alleen een slaande en geen stekende beweging hebben gezien, de lichte verwonding bij het slachtoffer en het feit dat er geen aanwijzingen zijn dat er is gestoken in de richting van vitale lichaamsdelen.

Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat het meer subsidiair tenlastegelegde geen strafbaar feit inhoudt, nu poging tot mishandeling niet strafbaar is. Indien de rechtbank niet tot bewezenverklaring zou kunnen komen van het primair en het subsidiair tenlastegelegde, maar wel van het meer subsidiair tenlastegelegde, zou de rechtbank de verdachte ten aanzien van dat gedeelte moeten ontslaan van rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd het volgende.

Daderschap

Uit de beschrijving van de camerabeelden komt naar voren dat een persoon om 20:42 uur aan komt lopen bij een groep personen die zich ophoudt in de Nieuwstad. Bij aankomst haalt deze persoon direct uit naar een persoon in de groep. Uit de aangifte van het slachtoffer [slachtoffer] blijkt dat met een scherp voorwerp is gestoken in het gezicht van het slachtoffer.

Op andere camerabeelden is te zien dat de persoon die de steekbewegingen heeft gemaakt, vervolgens in de richting loopt van en over het Gedempte Zuiderdiep. Deze persoon loopt vervolgens de Ubbo Emmiusstraat in, waar hij enige tijd later weer uitkomt aan de zijde van het Gedempte Zuiderdiep. De persoon wordt op de camerabeelden omstreeks 20:47 uur voor het laatst waargenomen als hij in de richting van de kruising tussen het Gedempte Zuiderdiep en de Ruiterstraat loopt, wat niet ver verwijderd is van de locatie waar de staandehouding later plaatsvindt.

Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] relateren dat zij het slachtoffer hebben gevolgd na afloop van het voorval en dat zij hem kort daarna hebben aangesproken in de Kleine Pelsterstraat. Aangever heeft ten overstaan van verbalisanten het dadersignalement beschreven. Het signalement is doorgegeven aan verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], die vervolgens een persoon, die overeenkwam met het opgegeven signalement, staande hebben gehouden in de Kleine Haddingestraat. Bij deze persoon hebben verbalisanten een mes in beslag genomen. Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] beschrijven vervolgens dat zij de persoon hebben toegestaan door te lopen en dat zij daarna te horen hebben gekregen dat deze persoon moest worden aangehouden. Om 21:08 uur hebben verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] verdachte aangehouden.

De rechtbank ziet, anders dan de verdediging, geen aanleiding om aan de waarnemingen van verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 2] en [verbalisant 1] te twijfelen. Het proces-verbaal van aanhouding van [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 1] zijn kort na waarneming opgemaakt en passen bij de hiervoor genoemde tijdstippen, zoals deze uit de camerabeelden naar voren komen. Bovendien hebben verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], die de aanhouding hebben verricht, bij de rechter-commissaris stellig verklaard dat zij de staande gehouden persoon niet uit het oog zijn verloren en dat zij die persoon kort na staandehouding hebben aangehouden. Dat verbalisanten zich ruim acht maanden later bij het verhoor bij de rechter-commissaris niet alle details kunnen herinneren, maakt niet dat de destijds door hen opgemaakte processen-verbaal niet betrouwbaar zijn. De rechtbank merkt in dit verband op dat verbalisanten zich niet op het verhoor bij de rechter-commissaris hebben voorbereid en dat het een feit van algemene bekendheid is dat herinneringen na verloop van tijd kunnen vervagen.

Op grond van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die door verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] staande is gehouden en dat hij bij die gelegenheid het mes dat hij bij zich droeg aan deze verbalisanten heeft afgegeven.

Nu verdachte kort na het steekincident in de buurt van de plaats delict door verbalisanten is staande gehouden en vervolgens aangehouden op basis van het door het slachtoffer opgegeven signalement, terwijl hij een mes bij zich droeg met op het lemmet daarvan DNA-houdend materiaal van het slachtoffer, concludeert de rechtbank dat het verdachte is geweest die het slachtoffer heeft gestoken met een mes.

Voorbedachte raad

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat geen bewijs voorhanden is voor de voorbedachte raad. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde, voor zover inhoudende poging tot moord, daarom niet bewezen.

Voorwaardelijk opzet

Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte de bedoeling had om het slachtoffer van het leven te beroven, dient de rechtbank te beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Uit de (beschrijving van) de camerabeelden en de aangifte volgt dat verdachte, direct na aankomst bij de groep personen, als vanuit het niets snel achterelkaar stekende of slaande bewegingen heeft gemaakt met een mes in de richting van het hoofd van het slachtoffer en dat hij daarbij het slachtoffer op twee plaatsen in het gezicht heeft geraakt. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar deel van het lichaam is en dat zich in en rondom het hoofd vitale organen en slagaders bevinden.

De rechtbank is van oordeel dat deze handeling een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het slachtoffer door deze gedraging zou komen te overlijden, nu verdachte op een dergelijke wijze – in het bijzonder gelet op het onverhoedse karakter van de steekbeweging en de grootte van het mes – naar algemene ervaringsregels immers evengoed vitale delen van het lichaam had kunnen raken, zoals de hersenen of de halsslagaders.

In de gegeven situatie kan het niet anders dan dat verdachte zich van de aanmerkelijke kans op het overlijden van het slachtoffer bewust is geweest. Het is algemeen bekend dat het plotselinge steken met een mes in het gezicht van een nietsvermoedend persoon, kan resulteren in dodelijk letsel. Verdachte moet hebben beseft dat het slachtoffer in zijn reactie op de plotselinge steekbeweging zich zodanig zou kunnen hebben bewogen dat hij in zijn vitale lichaamsdelen geraakt zou worden, bij de eerste of de tweede steekbeweging. Hij heeft er door zijn ongecontroleerde handelen allerminst zeker van kunnen zijn dat het letsel – zoals het geval geweest is – beperkt zou blijven tot letsel van niet-dodelijke aard.

Het tot tweemaal toe onverhoeds en snel achter elkaar steken met een mes in de richting van iemands hoofd/gezicht, waar zich vitale organen en (hals)slagaders bevinden, en waarbij het gezicht daadwerkelijk verwond is geraakt, kan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden beschouwd als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van dodelijk letsel aan het slachtoffer, dat het – behoudens contra-indicaties, waarvan de rechtbank niets is gebleken – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het intreden van dit gevolg heeft aanvaard.

De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat verdachte met zijn gedragingen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij het slachtoffer op zodanige wijze zou verwonden dat dit het slachtoffer fataal zou worden. De primair ten laste gelegde poging tot doodslag is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 22 februari 2017, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier met nummer 2017048004 d.d. 2 mei 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Ik doe aangifte van mishandeling, dan wel zware mishandeling, dan wel poging doodslag. Ik ben op vandaag tussen 20.30 en 21.20 uur in mijn gezicht gestoken dan wel gesneden. Ik stond op de hoek van de hoerenstraat ter hoogte van Nieuwstad 30 in Groningen te praten, toen de jongen die het gedaan heeft eraan kwam lopen en tegen ons begon te kletsen. Wij zeiden ‘wil je doorlopen we kennen je niet’. Toen was hij doorgelopen. Uit het niets kwam die jongen ongeveer 5 of 10 minuten later weer, en toen voelde ik in één keer een snee in mijn gezicht. Het ging zo snel. Ik voelde gelijk pijn op mijn linkerwang ter hoogte van mijn slaap. De verdachte zag er als volgt uit:

- donker getint

- Antilliaans uiterlijk

- skinny jeans, donker van kleur, blauw

- zwarte driekwart jas met capuchon met bontkraag

- de capuchon had hij op

Hij haalde uit naar mij. Toen dacht ik iets te zien van een aardappelschilmesje. Het was in ieder geval scherp. Dat voelde ik gelijk. De eerste voelde ik gelijk en toen had ik de tweede ook al te pakken.

We waren verder gelopen. We kwamen politieagenten tegen in het straatje ernaast. Zij vroegen mij wat er was gebeurd. Ik heb het verhaal uitgelegd en hoe hij eruit zag.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2017, opgenomen op pagina 60 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5]:

Door mij werden camerabeelden in ontvangst genomen. De camera’s waren bevestigd op de buitengevel van de Nieuwstad 13 te Groningen. Camera 1 start op 22 februari 2017 op het tijdstip 20.17.52 uur. Het hierna genoemde tijdstip betreft niet de aanduiding van de daadwerkelijke tijd, maar de tijd die is verstreken vanaf het starttijdstip van de beelden.

Camera 1, 24.08. De dader arriveert bij de groep personen. Hij maakt direct twee slaande/steekbewegingen ter hoogte van het hoofd/gezicht van een persoon uit de groep.

Camera 1, 24.16. De dader loopt weg, de Folkingestraat in, in de richting van het Gedempte Zuiderdiep.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verdenkingen d.d. 6 maart 2017, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 5]:

Op de camerabeelden van de Nieuwstad is zichtbaar dat de dader na het steekincident omstreeks 20.42.08 uur linksaf de Folkingestraat in loopt.

Op de camerabeelden van het Gedempte Zuiderdiep is zichtbaar dat de dader te 20.43.00 uur in beeld komt en naar de Ubbo Emmiusstraat loopt.

Op de camerabeelden van de Ubbo Emmiusstraat is zichtbaar dat de dader te 20.43.44 uur de Ubbo Emmiusstraat in komt lopen.

Op de camerabeelden van het Gedempte Zuiderdiep is te zien dat de dader te 20.47.34 uur wegloopt over het trottoir van het Gedempte Zuiderdiep, in de richting van kruising Gedempte Zuiderdiep/Ruiterstraat/Kleine Haddingestraat.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 22 februari 2017, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4]:

Op 22 februari 2017 omstreeks 21:08 uur hielden wij op de locatie Kleine Haddingestraat te Groningen als verdachte aan: [verdachte].

Op 22 februari 2017 omstreeks 20.45 uur hoorden wij via de portofoon dat er een ruzie gaande was op de kruising Gedempte Zuiderdiep met de Folkingestraat te Groningen. Wij hoorden dat de personen betrokken bij de ruzie wegrenden naar het Gedempte Zuiderdiep. Het betrof een negroïde man met een gouden tand, een mutsje en een bontkraag op zijn donkere jas. Hierop hoorden wij dat enkele betrokken personen de Kleine Haddingestraat te Groningen in liepen. Hierop liepen wij ook de Kleine Haddingestraat in. Wij zagen dat een man op ons afliep. De man voldeed aan het opgegeven signalement. Hieruit concludeerden wij dat deze man betrokken was bij de ruzie.

Hierop hielden wij de man staande en vroegen hem naar zijn legitimatiebewijs. De man verklaarde zich niet te kunnen legitimeren. Hierop voerde ik, verbalisant [verbalisant 4], een identiteitsfouillering uit. Bij aanvang vroeg ik de man of hij scherpe voorwerpen bij zich had. Hierop verklaarde de man dat hij een mes in zijn rechter jaszak had. Ik stelde het mes veilig door het uit zijn jaszak te halen. Nadat wij desgevraagd de persoonsgegevens van de man hadden gekregen en hadden gecontroleerd lieten wij de man zijn weg vervolgen. Nadat wij wegliepen hoorden wij via de portofoon dat de man zojuist iemand had gestoken met het mes en dat de man aangehouden moest worden. Hierop hielden wij de man op aanwijzing van collega [verbalisant 1] aan voor zware mishandeling.

5. Een proces-verbaal van getuigenverhoor door de rechter-commissaris d.d. 31 oktober 2017, inhoudende als verklaring van verbalisant [verbalisant 3]:

U vraagt naar de gang van zaken met betrekking tot de aanhouding. Wij hebben de persoon aangesproken. U vraagt hoe veel tijd er zat tussen het gesprek met die man en de aanhouding. Daar zat niet zo veel tijd tussen. Toen wij de man weg lieten gaan, kregen wij het sein dat hij moest worden aangehouden. Hij was toen nog niet zo ver weg. Wij hadden hem nog in het zicht. Dat ging allemaal heel snel achter elkaar. Het gebeurde allemaal binnen een minuut, ik denk zelfs binnen 30 seconden.

6. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2017.03.17.172 (aanvraag 002), d.d. 29 augustus 2017 opgemaakt door dr. R.J. Bink, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn verklaring:

Het mes AAKC2735NL is onderzocht. De punt en de snijrand van beide zijden van het lemmet zijn bemonsterd. Deze bemonstering is als AAKC2735NL#01 veiliggesteld.

Resultaten, interpretatie en conclusie van het vergelijkend DNA-onderzoek:

SIN AAKC2735NL#01:

DNA-profiel van een man; celmateriaal kan afkomstig zijn van slachtoffer [slachtoffer]; matchkans: kleiner dan één op één miljard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 22 februari 2017 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet (na een eerder conflict is weggegaan en, na korte tijd, bij terugkomst) plotseling, onverhoeds en ongericht met een mes heeft uitgehaald en daarbij die [slachtoffer] in het gezicht heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en onder de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geformuleerd. Voorts heeft de officier van justitie de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring van poging tot zware mishandeling mocht komen - gepleit voor de oplegging van een straf conform het voorarrest, aangevuld met een voorwaardelijk deel met daarbij de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte reclasseringsrapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft getracht [slachtoffer] van het leven te beroven, door enkele minuten nadat hij bij het slachtoffer is weggelopen weer terug te komen en hem vervolgens vanuit het niets onverhoeds en snel achter elkaar in het gezicht te steken met een mes. Dat het letsel beperkt is gebleven en niet dodelijk was, is niet te danken aan het handelen van verdachte. Door op deze wijze te handelen heeft verdachte op ontoelaatbare wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer, dat hieraan een litteken in het gezicht heeft overgehouden. Hoewel het de rechtbank niet duidelijk is geworden wat zich precies heeft afgespeeld tijdens het eerste contact tussen verdachte en de groep personen waarin het slachtoffer zich bevond, heeft verdachte alle grenzen overschreden door op een later moment op een dusdanig gewelddadige manier te reageren. Het slachtoffer heeft dit ervaren als totale willekeur, wat gevoelens van angst heeft veroorzaakt. Bovendien zorgen dergelijke misdrijven in het algemeen voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving, temeer indien zij, zoals hier het geval is, op de openbare weg en te midden van omstanders worden gepleegd.

De bewezenverklaarde poging tot doodslag is een ernstig feit dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt. De rechtbank ziet echter aanleiding om een lagere straf op te leggen dan geëist door de officier van justitie, met een fors voorwaardelijk deel.

De rechtbank neemt daartoe in aanmerking dat het fysieke letsel bij het slachtoffer, te weten een oppervlakkige snee ter hoogte van de slaap en een diepere snee van 2 centimeter naast de mond, niet zeer ernstig is gebleken. Het slachtoffer heeft er wel een litteken aan overgehouden.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet recentelijk onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsmisdrijf.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de reclassering het recidiverisico heeft ingeschat als hoog. Dit risico is mede ingegeven door het problematische alcoholgebruik van verdachte. Bij de schorsing van de voorlopige hechtenis d.d. 9 juni 2017 heeft de rechtbank reeds een klinische behandeling als schorsingsvoorwaarde opgenomen. Uit het voortgangsverslag van de reclassering is gebleken dat verdachte het klinische traject bij de forensische verslavingskliniek (FVK) van Antes positief heeft doorlopen en dat hij is doorgestroomd naar de forensische verslavingsafdeling (FVA) van Antes. De reclassering adviseert als bijzondere voorwaarden voortzetting van het klinische traject en in aansluiting daarop eventueel doorstroming naar een instelling voor begeleid wonen en het volgen van een ambulante behandeling. De rechtbank vindt het in het licht van het terugdringen van het recidiverisico van belang dat verdachte op relatief korte termijn de reeds ingezette behandeling kan voortzetten. De rechtbank zal daarom van de op te leggen gevangenisstraf een groot deel voorwaardelijk opleggen, met daaraan gekoppeld de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Het voorstel van de raadsman om het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf niet langer te laten zijn dan de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, volgt de rechtbank niet. Dit doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit.

Omdat de schorsing van de voorlopige hechtenis zal worden opgeheven, ziet de rechtbank geen aanleiding de dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en het toezicht te bevelen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.100,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren indien de rechtbank verdachte vrijspreekt. De raadsman heeft subsidiair - voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring mocht komen - verzocht de vordering af te wijzen wegens het ontbreken van onderbouwing.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade in de vordering kort heeft toegelicht en dat is verzuimd deze toelichting met bewijsstukken te onderbouwen. De verdediging heeft de vordering gemotiveerd betwist. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich, op basis van een door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling, gedurende maximaal 9 maanden zal laten opnemen in de Forensische Verslavingsafdeling (FVA) van Antes, althans een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven;

2. dat de veroordeelde zich na afloop van de klinische behandeling onder behandeling zal stellen van forensische ambulante zorg van Antes, of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling/behandelaar aan te geven;

3. dat de veroordeelde na afloop van de klinische behandeling zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, zulks ter beoordeling van de reclassering, en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op de schorsing van de voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Gerding, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en

mr. W. Geelhoed, rechters, bijgestaan door B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 november 2017.

Mr. Smeets is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.