Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4389

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-11-2017
Datum publicatie
17-11-2017
Zaaknummer
18/830374-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden en een taakstraf van 240 uren wegens 4 diefstallen, wederspannigheid en 15 ad info feiten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 180
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830374-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

16 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1982 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

2 november 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 09 september 2016 te Leek

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit/ een (op omheind

bedrijfsterrein aan/nabij [straatnaam] staande) bedrijfsauto

heeft weggenomen een of meer stuks gereedschap, in elk geval enig goed, geheel

of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

hij op of omstreeks 24 september 2016 te Leek

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand/kerkgebouw

aan [straatnaam] heeft weggenomen beamer(s) en/of een printer, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [organisatie] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die/dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht

door middel van braak en/of verbreking;

3.

hij in of omstreeks de periode van 14 tot en met 26 juli 2016 te Roden,

gemeente Noordenveld,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke

toe-eigening (in/uit/vanaf een (omheind) bedrijfsterrrein aan/nabij [straatnaam]

) heeft weggenomen hoeveelheden en/of een hoeveelheid

roestvrijstaal(RVS) materia(a)l(en), althans metaal, in elk geval (telkens)

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 2]

, in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

4.

hij op of omstreeks 25 september 2016 te Leek,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen

aan de [straatnaam] ) heeft weggenomen een televisie (merk Panasonic), in elk

geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats

van het misdrijf hebben verschaft en/of die weg te nemen

televisie onder zijn/haar/hun bereik hebben gebracht door middel van

braak, verbreking, en/of inklimming;

5.

hij op of omstreeks 25 augustus 2016 in De Westereen, in elk geval in de

gemeente Dantumadiel,

zich met geweld en/of bedreiging met geweld,

heeft verzet

tegen een of meer ambtena(a)r(en), te weten [slachtoffer 2] , agent van politie,

en/of [slachtoffer 3] , hoofdagent van politie, werkzaam in de rechtmatige

oefening van zijn/hun bediening,

te weten de aanhouding van hem, verdachte, terzake vermoedelijke overtreding

artikel(en) 300 en/of 285 Wetboek van Strafrecht,

door

- trappende/schoppende bewegingen in de richting van die ambtena(a)r(en) [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] te maken en/of

- zich omhoog te duwen en/of proberen op te staan terwijl die ambtena(a)r(en)

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] verdachte naar beneden probeerden te

duwen en/of

- in de richting van die ambtena(a)r(en) [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

te spugen en/of

- zich probeerde te onttrekken aan de greep van die ambtena(a)r(en) [slachtoffer 2]

en/of [slachtoffer 3] en/of

- zich te blijven verzetten toen die ambtena(a)r(en) hem op zijn buik hadden

liggen en/of

- dreigend naar/tegen die ambtenaar [slachtoffer 3] te roepen: "Ik krijg

je nog wel, ik breek je nek. Ik zoek jou nog wel op mother fucker", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat braak niet bewezen kan worden. Verdachte dient van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste gelegde heeft de officier van justitie geconcludeerd dat op grond van de stukken in het dossier niet bewezen kan worden dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking is komen vast te staan. Daarom dient verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde onderdeel tezamen en in vereniging.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat hij zich ten aanzien van de bewezenverklaring kan vinden in het standpunt van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1, 2, 3, 4 en 5 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.
Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 november 2017;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 september 2016, opgenomen op pagina 120 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016350960 d.d. 13 december 2016, inhoudende de verklaring van [getuige 1] .

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 november 2017;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 24 september 2016, opgenomen op pagina 126 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2] .

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 november 2017;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 7 augustus 2016, opgenomen op pagina 76 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 3] .

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 november 2017;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 26 september 2016, opgenomen op pagina 68 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016275541 d.d. 31 oktober 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 2 november 2017;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d.

25 augustus 2016, opgenomen op pagina 29 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016242789 d.d. 2 september 2016, inhoudende de relatering van verbalisanten.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft middels braak, verbreking of inklimming. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander dan wel anderen niet is bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde onderdeel tezamen en in vereniging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 9 september 2016 te Leek met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een op een omheind bedrijfsterrein aan de [straatnaam] staande bedrijfsauto heeft weggenomen gereedschap toebehorende aan [bedrijf 1] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

2.

hij op 24 september 2016 te Leek met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een kerkgebouw aan de [straatnaam] heeft weggenomen beamers en een printer toebehorende aan [organisatie] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

3.

hij in de periode van 14 tot en met 26 juli 2016 te Roden, gemeente Noordenveld,

meermalen telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening vanaf een omheind bedrijfsterrein aan de [straatnaam] 2 heeft weggenomen hoeveelheden roestvrijstaal (RVS) toebehorende aan [bedrijf 2] Industrie;

4.

hij op 25 september 2016 te Leek met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [straatnaam] heeft weggenomen een televisie merk Panasonic,

toebehorende aan [slachtoffer 1] waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

5.

hij op 25 augustus 2016 in De Westereen zich met geweld en bedreiging met geweld heeft verzet tegen ambtenaren, te weten [slachtoffer 2] , agent van politie, en [slachtoffer 3] , hoofdagent van politie, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, te weten de aanhouding van hem, verdachte, terzake vermoedelijke overtreding artikelen 300 en 285 Wetboek van Strafrecht, door

- trappende/schoppende bewegingen in de richting van die ambtenaren [slachtoffer 2] en

[slachtoffer 3] te maken en

- zich omhoog te duwen terwijl die ambtenaren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] verdachte naar beneden probeerden te duwen en

- in de richting van die ambtenaren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te spugen en

- zich probeerde te onttrekken aan de greep van die ambtenaren [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en

- zich te blijven verzetten toen die ambtenaren hem op zijn buik hadden liggen en

- dreigend tegen die ambtenaar [slachtoffer 3] te roepen: "Ik krijg je nog wel, ik breek je nek. Ik zoek jou nog wel op mother fucker".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

2. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

3. diefstal, meermalen gepleegd;

4. diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

5. wederspannigheid.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld de voorwaarden zoals geformuleerd in het rapport van de reclassering d.d. 28 februari 2017. Daarnaast heeft de officier van justitie een taakstraf gevorderd van 240 uren subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie de 15 ad informandum gevoegde feiten meegenomen. Tevens heeft de officier van justitie meegenomen dat verdachte volledig openheid van zaken heeft gegeven bij de politie en dat hij sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis hard aan zichzelf heeft gewerkt.

Standpunt van de verdediging

De 15 ad informandum gevoegde feiten kunnen worden meegenomen bij de strafbepaling nu verdachte deze feiten heeft erkend.

De raadsman heeft betoogd dat het momenteel goed gaat met verdachte en dat hij een woning en werk heeft. Door oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou deze positieve ontwikkeling van verdachte worden doorkruist. De raadsman heeft betoogd dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een onvoorwaardelijke taakstraf een passende afdoening vormt.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan 20 strafbare feiten waaronder een groot aantal diefstallen, al dan niet door middel van braak en inklimming. Door zijn handelen heeft verdachte de gedupeerden schade en overlast bezorgd. Bovendien dragen dergelijke misdrijven bij aan de in de samenleving levende gevoelens van onrust en onveiligheid. Daarnaast heeft verdachte zich verzet tegen zijn aanhouding door geweld te gebruiken tegen twee politieambtenaren en door een politieambtenaar te bedreigen met geweld. Verdachte heeft hierdoor het werk van de politie bemoeilijkt.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte volledig openheid van zaken heeft gegeven over door hem gepleegde strafbare feiten, waardoor ook zaken konden worden opgelost waarvan hij eerder nog niet werd verdacht.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 oktober 2017, niet recent wegens soortgelijke delicten is veroordeeld.

Uit het rapport van de reclassering d.d. 28 februari 2017 is naar voren gekomen dat de door verdachte gepleegde feiten samenhangen met zijn alcohol- en drugsgebruik. Met ingang van 27 oktober 2016 is de voorlopige hechtenis van verdachte geschorst. Volgens de reclassering houdt verdachte zich sindsdien goed aan afspraken en werkt hij mee aan begeleiding. In aanvulling op het rapport van de reclassering heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij inmiddels een woning en een baan heeft, wekelijks (systeem- en EMDR)therapie volgt en onder bewind staat. De reclassering acht het gewenst dat het ingezette traject wordt voortgezet waarbij als stok achter de deur een zo groot mogelijke voorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd. Indien een onvoorwaardelijke straf wordt overwogen, wordt door de reclassering oplegging van een taakstraf geadviseerd.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de door verdachte gepleegde feiten in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Detentie zal echter de positieve ontwikkeling die verdachte het afgelopen jaar heeft doorgemaakt doorkruisen. Gelet op de proceshouding van verdachte, de door verdachte getoonde inzet om tot gedragsverandering te komen en de stappen die hij reeds heeft gezet om aan zijn leven een positieve wending te geven, ziet de rechtbank aanleiding te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf van maximale duur. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal een proeftijd van drie jaar en de na te noemen bijzondere voorwaarden worden verbonden.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot (voor zover uit de twee vorderingen kan worden afgeleid) een bedrag van
€ 300,- ter vergoeding van materiële schade en een bedrag van € 1.000,- en € 20,- ter vergoeding van immateriële schade en telefoonkosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 3.172,61 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 6] , tot een bedrag van € 1.200,05 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

4. [slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 756,25 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat uit de twee ingediende vorderingen niet kan worden opgemaakt welk schadebedrag er is gevorderd en de vorderingen niet zijn onderbouwd.

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.079,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel omdat het totale schadebedrag na optelling van alle schadeposten geen € 3.172,61 maar € 3.079,- bedraagt.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering wordt toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-, te weten de post 'eigen risico', met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft de officier van justitie aangevoerd dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde geen rechtstreekse schade is toegebracht. De benadeelde partij is derhalve niet-ontvankelijk in de vordering.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het bewezen verklaarde feit en de gevorderde schade.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 4] heeft de raadsman aangevoerd dat gelet op de in de tenlastelegging opgenomen goederen en op grond van de verklaring van verdachte alleen de schadepost 'lood' kan worden toegewezen. Er is door verdachte 490 kilo lood ingeleverd. De schade kan derhalve worden toegewezen tot een bedrag van 490 kilo x € 1,28 (dagprijs lood) = € 627,20 (lood), waarop nog een correctie in verband met de btw moet plaatsvinden.

De raadsman heeft betoogd dat de vordering van de [slachtoffer 6] kan worden toegewezen tot een bedrag van € 1.000,-.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 5] heeft de raadsman aangevoerd dat de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het bewezen verklaarde feit en de gevorderde schade.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft twee schadevergoedingsformulieren ingediend. De rechtbank constateert dat de formulieren niet volledig en duidelijk zijn ingevuld, dat niet ten aanzien van elk vermeld bedrag duidelijk is of dit wel of niet wordt gevorderd en dat hoe dan ook, gelet op het door de verdediging gevoerde verweer, meer informatie nodig is om de schadevordering te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij (de hoogte van) de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] :

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] door het onder 4 ad informandum gevoegde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden.

De verdediging heeft de vordering tot een bedrag van € 627,26 erkend ter zake van het gestolen lood, overeenkomstig de bon van [bedrijf 3]. Volgens de benadeelde partij [slachtoffer 4] is er meer lood weggenomen. De rechtbank beschikt over onvoldoende informatie om te kunnen oordelen of dit juist is. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van deze schade alsnog te laten aantonen, zal evenwel leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Deze post zal daarom tot een bedrag van € 627,26 worden toegewezen, terwijl de vordering voor het overige wat deze post betreft niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Op grond van het aangevoerde ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij wat betreft de loodhandel niet btw-plichtig is, zodat op het toe te wijzen bedrag geen btw in mindering zal worden gebracht.

De rechtbank zal verder de post Q-media recorder en twee beeldschermen ad € 142,30 toewijzen. Hoewel deze goederen niet in de tenlastelegging zijn opgenomen, staat op grond van de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte voldoende vast dat verdachte deze goederen bij deze diefstal heeft weggenomen en vervolgens in het water heeft gegooid, waardoor de benadeelde partij als gevolg van de diefstal deze schade heeft geleden.

Met betrekking tot alle overige posten is door de verdediging aangevoerd dat verdachte die goederen niet heeft gestolen dan wel heeft teruggegeven. Ook hiervoor geldt dat de rechtbank over onvoldoende informatie beschikt om te kunnen beoordelen of en tot welk bedrag ter zake schade is geleden, waarvoor nader onderzoek nodig is, waarvoor het strafgeding zich niet leent. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom eveneens niet-ontvankelijk verklaren. Voor zover de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan deze slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

In totaal wordt een bedrag van € 769,56 toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 23 juli 2016.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6] :

Ten aanzien van de vordering van de [slachtoffer 6] overweegt de rechtbank dat vast staat dat de benadeelde partij [slachtoffer 6] door het onder 5 ad informandum gevoegde feit rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 1.000,-, te weten de post 'eigen risico'. De rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 3 oktober 2016. Het overige deel van de vordering wordt afgewezen.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5] :

De rechtbank stelt vast dat de gevorderde schade, gelet op de overgelegde offerte, lijkt te zien op schade aan het dak van de auto. Daarvan uitgaande is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gebleken dat de door de benadeelde partij gevorderde schade het rechtstreekse gevolg is geweest van het onder 9 ad informandum gevoegde feit. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk is.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde toe te wijzen bedragen aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen verklaarde feiten en de ad informandum gevoegde feiten is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 180, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich tijdens de proeftijd meldt bij de verslavingsreclassering aan de Canadalaan 1 te Groningen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde meewerkt aan de geïndiceerde behandelingen (agressieregulatie-training) door de Forensische Polikliniek of soortgelijke instelling voor ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar worden gegeven;

3. dat de veroordeelde zich zal onthouden van het gebruik van alcohol en/of drugs, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan adem-, bloed-, urineonderzoek en/of speekselafname;

4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een CoVa-training, aangeboden door de reclassering, of een soortgelijke instelling, waarbij de veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens voornoemde instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag voorlopige hechtenis.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Ten aanzien van feit 4

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van het onder 4 ad informandum gevoegde feit

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 769,56 (zegge: zevenhonderd negenenzestig euro en zesenvijftig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juli 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 769,56 (zegge: zevenhonderd negenenzestig euro en zesenvijftig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 769,56 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van het onder 5 ad informandum gevoegde feit

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1000,- (zegge: duizend euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf

3 oktober 2016.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] voor het overige wordt afgewezen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] te betalen een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.000,- aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van het onder 9 ad informandum gevoegde feit

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. L.W. Janssen en

mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 november 2017.