Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:438

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
18/730280-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank ontslaat een politieagent van alle rechtsvervolging ten aanzien van het afvuren van meerdere kogels op het linkervoorportier en de daarachter gezeten bestuurder van een personenauto. De auto is na een achtervolging klemgereden door drie politievoertuigen. Daarop creëerde de bestuurder ruimte door beurtelings hard voor- en achteruit te rijden tegen de politievoertuigen. Vervolgens maakte de motor van de auto veel toeren en begon de auto accelererend en met spinnende banden weg te rijden uit zijn positie tussen de politievoertuigen. De auto kreeg steeds meer snelheid en reed in de richting van de agent, waarop deze meerdere malen op de onderzijde van het portier aan de bestuurderszijde van de auto heeft geschoten. De rechtbank acht bewezen dat de agent zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op de bestuurder van de auto. Naar het oordeel van de rechtbank is dit feit echter niet strafbaar omdat de agent handelde uit noodweer. Daarbij heeft de rechtbank onder meer rekening gehouden met het feit dat de bestuurder van de auto tijdens de achtervolging al eerder op een politieagent was ingereden. Zie ook ECLI:NL:RNNNE:2017:434 en 435.

Wetsverwijzingen
Invoeringswet Wetboek van Strafrecht 41
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2017/97
NbSr 2017/97
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730280-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

domicilie kiezende te [plaats] , [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2017 en 31 januari 2017.

De verdachte is ter terechtzitting van 24 januari 2017 verschenen, bijgestaan door mr. J. Anker, advocaat te Leeuwarden. Zij zijn ter terechtzitting van 31 januari 2017 niet verschenen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting van 24 januari 2017 vertegenwoordigd door mr. H. Supèr en ter terechtzitting van 31 januari 2017 door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 juli 2013 in de gemeente, Tytsjerksteradiel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, opzettelijk [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen, vijf keer, althans meermalen op de zich in een wegrijdende auto bevindende [slachtoffer 1] heeft geschoten, althans in en/of in de richting van, de linkerzij

van die wegrijdende auto heeft geschoten, alwaar voornoemde [slachtoffer 1] zich in bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 6 juli 2013 in de gemeente, Tytsjerksteradiel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen, vijf keer, althans meermalen, op de zich in een wegrijdende auto bevindende [slachtoffer 1] heeft geschoten, althans in en/of in de richting van, de achterzijde van die wegrijdende auto heeft geschoten,

alwaar voornoemde [slachtoffer 1] zich in bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde poging tot doodslag, omdat niet kan worden bewezen dat het opzet van verdachte was gericht op het van het leven beroven van [slachtoffer 1] . Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte bewust onder in de auto en dus niet op romphoogte heeft geschoten en dat niet duidelijk is welke inslagen afkomstig zijn van de door verdachte afgevuurde kogels.

De officier van justitie heeft voorts geconcludeerd dat de subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij niet op de banden van het voertuig heeft geschoten maar onder in de zijkant aan de bestuurderszijde, dat de vier andere schutters hebben verklaard dat zij alleen op de banden hebben geschoten en dat daarom vaststaat dat verdachte in ieder geval deels verantwoordelijk is voor de vijf kogelgaten in het linkerportier van de auto. Volgens de officier van justitie is duidelijk dat de door verdachte afgevuurde kogels de bestuurder van de auto hadden kunnen raken.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte was gericht op het doden van [slachtoffer 1] of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte er niet op uit was om willens en wetens [slachtoffer 1] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voorts heeft hij aangevoerd dat er geen aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer 1] door de schoten van verdachte om het leven zou komen of zwaar lichamelijk letsel zou oplopen, omdat verdachte bewust laag in het voertuig heeft geschoten en niet is vastgesteld welke in het voertuig aangetroffen schotsbeschadigingen afkomstig zijn van het vuurwapen van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, gaat de rechtbank voor wat betreft het begin van de achtervolging en het verloop daarvan, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 6 juli 2013, omstreeks 00.30 uur, komt bij de meldkamer Noord-Nederland de melding binnen dat door (de inzittende(n) van) een blauwe [auto] met het kenteken [kenteken] (hierna: de [auto] ) is getankt zonder te betalen bij een tankstation in Leeuwarden. Omstreeks 00.31 uur geeft de meldkamer deze melding door aan alle politie-eenheden in (de omgeving van) Leeuwarden. Naar aanleiding van deze melding kijken diverse politie-eenheden uit naar de [auto] . De meldkamer geeft door dat de [auto] op naam staat van [slachtoffer 1] Omstreeks 00.37 uur zien de politieagenten [agent 1] (hierna: [agent 1] ) en [agent 2] (hierna: [agent 2] ) de [auto] rijden vlakbij het [straat 1] in Leeuwarden. Zij rijden achter de [auto] aan in hun opvallende politiebus. Daarop verhoogt de bestuurder van de [auto] de snelheid binnen de bebouwde kom tot meer dan 100 kilometer per uur, terwijl daar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt. De [auto] blijft met hoge snelheid rijden en neemt een rotonde linksom, oftewel tegen de rijrichting in. [agent 1] en [agent 2] zetten de zwaailichten van de politiebus aan en activeren de geluidssignalen op verkeersonveilige punten. De [auto] slaat rechtsaf richting de [straat 2] , waarbij de bestuurder de rode verkeerslichten negeert en andere voertuigen moeten stoppen om een aanrijding te voorkomen. Op dat moment is het onopvallende voertuig (een [auto] ) van [agent 3] (hierna: [agent 3] ) en [agent 4] (hierna: [agent 4] ) het eerste achtervolgende politievoertuig. De [auto] rijdt op de [straat 2] met een snelheid van 130 kilometer per uur, terwijl daar nog steeds een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt. [agent 3] , die het onopvallende politievoertuig bestuurt, probeert de [auto] in te halen met het doel voor de [auto] te gaan rijden, af te remmen en de [auto] tot stilstand te dwingen. De [auto] snijdt het voertuig van [agent 3] en [agent 4] echter af, waardoor inhalen niet mogelijk is. De [auto] neemt nogmaals een rotonde linksom en slaat linksaf naar de [straat 3] . De [auto] rijdt daarbij stuiterend over een verhoogde verkeersheuvel en een fietser en een voetganger moeten aan de kant springen om te voorkomen dat zij worden overreden. Op de [straat 3] verhoogt de bestuurder van de [auto] de snelheid opnieuw tot meer dan 100 kilometer per uur. Omstreeks 00.42 uur keert de bestuurder van de [auto] de auto 180 graden en rijdt terug over de [straat 3] in de richting van de politiebus van [agent 1] en [agent 2] . [agent 1] manoeuvreert de politiebus in de rijrichting van de [auto] in een poging de [auto] tot stoppen te dwingen door deze met de politiebus te raken. [agent 1] vermindert daarbij de snelheid van de politiebus aanzienlijk. De [auto] blijft doorrijden zonder snelheid te minderen, botst frontaal tegen de politiebus en komt bijna tot stilstand met de voorzijde in de bosjes langs de weg. [agent 1] stapt uit en loopt in de richting van de [auto] om de inzittenden aan te houden. Op dat moment geeft de bestuurder van de [auto] gas en maakt de [auto] een U-bocht. Vervolgens rijdt de [auto] op [agent 1] af, waarbij de bestuurder de snelheid verhoogt en het voertuig een hoog toerental bereikt. [agent 1] rent achteruit om een aanrijding door de [auto] te voorkomen. Desalniettemin rijdt de [auto] over de voet van [agent 1] . Daarna rijdt de [auto] door en botst korte tijd later tegen het opvallende dienstvoertuig van de politieagenten [agent 5] (hierna: [agent 5] ) en [agent 6] (hierna: [agent 6] ). [agent 5] en [agent 6] reden op dat moment op hun eigen weghelft en hadden de zwaailampen van hun dienstvoertuig aan staan. [agent 5] stapt uit en op het moment dat hij naast het dienstvoertuig staat, rijdt de [auto] in zijn richting. De [auto] blijft met onverminderde vaart doorrijden en [agent 5] springt achter het dienstvoertuig om te voorkomen dat hij wordt geraakt door de [auto] . Even later rijdt de [auto] met hoge snelheid vlak voor de opvallende politiebus van de politieagenten [agent 7] en [agent 8] langs. [agent 8] moet hard op de rem trappen om te voorkomen dat de politiebus in botsing komt met de [auto] . [agent 7] herkent op dat moment de bestuurder van de [auto] als [slachtoffer 1] . Hij meldt dit aan [agent 8] , maar zij geven deze informatie niet door aan de meldkamer of de andere betrokken politie-eenheden. Daarop vervolgt de [auto] zijn weg over de [straat 3] richting de [straat 2] met een snelheid van rond de 100 kilometer per uur. Op dat moment rijden er opnieuw meerdere politievoertuigen achter de [auto] . Het voorste voertuig is dan de opvallende politiebus van [agent 7] en [agent 8] . Deze politiebus voert optische en geluidssignalen en heeft het stopbord aan de voorzijde van het voertuig aanstaan. Daarnaast geeft [agent 8] de [auto] diverse lichtsignalen. De [auto] rijdt opnieuw met een snelheid van rond de 100 kilometer per uur en neemt opnieuw een rotonde linksom. Nadat de [auto] bij de verkeerslichten is afgeslagen naar de [straat 2] , wordt de politiebus van [agent 7] en [agent 8] ingehaald door het onopvallende voertuig van [agent 3] en [agent 4] , waardoor dit onopvallende voertuig opnieuw het eerste achtervolgende politievoertuig wordt. Omstreeks 00.45 uur schiet [agent 4] vijf maal met zijn dienstpistool vanuit het onopvallende dienstvoertuig op de rechterachterband van de [auto] , waarbij hij deze band ten minste eenmaal raakt. De rechterachterband van de [auto] loopt leeg en de snelheid van de [auto] neemt af tot ongeveer 90 kilometer per uur. De [auto] steekt de kruising van de [straat 2] met de [straat 4] recht over en negeert daarbij voor de tweede maal een rood verkeerslicht. De rechterachterband van de [auto] valt in stukken uiteen, de [auto] rijdt slingerend en de bestuurder heeft het voertuig niet geheel onder controle. [agent 3] en [agent 4] vergroten de afstand tussen hun voertuig en de [auto] tot 100 à 150 meter, teneinde de bestuurder de gelegenheid te geven het voertuig vrijwillig en veilig tot stilstand te brengen. De [auto] rijdt echter verder op de velg van het rechterachterwiel, verlaat de bebouwde kom van Leeuwarden en verhoogt de snelheid opnieuw tot ongeveer 110 kilometer per uur, terwijl daar een maximumsnelheid geldt van 80 kilometer per uur. De [auto] wordt op dat moment nog steeds achtervolgd door meerdere politievoertuigen. Ook verdachte en politieagente [agent 9] (hierna: [agent 9] ) zijn op dat moment met hun opvallende politiebus bij de achtervolging aangesloten. Omstreeks 00.47 uur komt de [auto] aan bij de kruising van de [straat 2] met de [straat 5] ) en slaat linksaf richting Gytsjerk. Vlak na het afslaan vliegt de [auto] uit de bocht, draait om zijn as en komt op de verkeerde weghelft terecht. Direct daarop wordt de [auto] geraakt door het opvallende dienstvoertuig van [agent 6] en [agent 5] . De bestuurder van de [auto] probeert verder te rijden in de richting van Gytsjerk. Vervolgens rijden [agent 8] en [agent 7] met hun politiebus tegen de [auto] , waardoor de [auto] opnieuw uit koers raakt, achteruit de berm inrijdt en tot stilstand komt. [agent 8] en [agent 7] stappen uit hun politiebus en lopen in de richting van de [auto] . Op het moment dat [agent 8] op een meter afstand van de bijrijderskant van de [auto] staat en [agent 7] zich bevindt op enkele meters afstand van de andere zijde van dat voertuig, geeft de bestuurder van de [auto] gas. De [auto] maakt snelheid en rijdt op [agent 8] en [agent 7] af. De motor van de [auto] bereikt daarbij een hoog toerental. [agent 8] springt naar voren en kan nog net langs de voorkant van de [auto] wegspringen om te voorkomen dat hij wordt geraakt. Ook [agent 7] springt aan de kant om een aanrijding met de [auto] te voorkomen. Vervolgens wordt de [auto] klemgereden door het dienstvoertuig van [agent 6] en [agent 5] , de politiebus van [agent 1] en [agent 2] en het voertuig van [agent 3] en [agent 4] . [agent 3] en [agent 4] stappen uit en [agent 3] rent naar de rechterzijde van de [auto] . De [auto] rijdt beurtelings voor- en achteruit hard tegen de politievoertuigen die rondom de [auto] staan. Daarbij geeft de bestuurder van de [auto] overvloedig gas, spinnen de banden en maakt de motor veel toeren. [agent 3] probeert de ruit aan de bijrijderszijde van de [auto] in te slaan. De [auto] maakt opnieuw veel toeren en begint vooruit te rijden. De bestuurder van de [auto] draait het stuur naar rechts en rijdt in de richting van [agent 3] , waarop deze wegloopt om een aanrijding te voorkomen. Verdachte is inmiddels ook uit zijn dienstvoertuig gestapt en in de richting van de [auto] gerend om de bestuurder aan te houden. Door het harde voor- en achteruitrijden heeft de [auto] ruimte gekregen om weg te rijden. De motor van de [auto] maakt veel toeren, de banden spinnen en het voertuig begint uit zijn positie tussen de politievoertuigen weg te rijden. De [auto] krijgt steeds meer snelheid en rijdt in de richting van verdachte. Meerdere politieagenten, onder wie verdachte, richten hun dienstwapen op (de bestuurder van) de [auto] . Verdachte besluit op dat moment te schieten in de richting van de zijkant van de [auto] aan de bestuurderszijde. Ongeveer op hetzelfde moment schieten [agent 4] , [agent 1] , [agent 5] en [agent 8] op de banden van de [auto] . Vlak nadat de politieagenten op de [auto] hebben geschoten, maakt de [auto] een flauwe bocht naar rechts, rolt nog een stuk door en komt dan definitief tot stilstand, waarop de inzittenden omstreeks 00.49 uur worden aangehouden. De inzittenden blijken [slachtoffer 1] en zijn broer, [slachtoffer 2] , te zijn. Mede op basis van de verklaring van [slachtoffer 2] (hierna: de bijrijder) is gebleken dat de [auto] gedurende de hele achtervolging werd bestuurd door [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). De bijrijder had vanaf het begin van de achtervolging door dat de [auto] werd achtervolgd door een politievoertuig en dat de voertuigen die zich bij de achtervolging aansloten eveneens politievoertuigen waren. De bijrijder heeft tijdens de achtervolging lampen zien branden met de tekst "stop politie" en heeft meerdere keren tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij moest stoppen voor de politie. Ook heeft de bijrijder gezien dat de [auto] is geramd door een politievoertuig. [slachtoffer 1] heeft niet gereageerd op wat de bijrijder heeft gezegd en is alleen maar harder gaan rijden.

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, ten aanzien van het ten laste gelegde schietincident het volgende vast.

Verdachte heeft op 6 juli 2013 nabij het kruispunt van de [straat 2] en de [straat 5] van een afstand van minder dan 20 meter vijf maal met zijn dienstpistool geschoten op de zijkant aan de bestuurderszijde van de [auto] . Verdachte stond op dat moment schuin voor de [auto] en de [auto] reed met toenemende snelheid in de richting van verdachte.2 Verdachte heeft laag in het voertuig gericht.3 De [auto] werd bestuurd door [slachtoffer 1] .4 Op 6 en 16 juli 2013 is een technisch onderzoek ingesteld aan de [auto] . Daarbij zijn in het linkervoorspatbord, de buitenzijde van het linkerportier, de velg van de linkerachterband en rechts in de kunststofachterbumper in totaal acht nagenoeg ronde gaten aangetroffen en is in de buitenzijde van het linkerportier één nagenoeg ovaal gat aangetroffen. Vijf van deze gaten bevonden zich in de buitenzijde van het linkerportier van de [auto] en wel op een hoogte van 68, 73, 39, 48 en 75 centimeter. Ook zijn bij dat onderzoek in de [auto] zes kogels aangetroffen.5 Op de foto's 14 en 25, opgenomen in het proces-verbaal van technisch onderzoek6, is te zien dat de bovenzijde van de zitting van de bestuurdersstoel zich op korte afstand van de bodem van de [auto] bevindt.7

De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat het een feit van algemene bekendheid is dat het kruispunt van de [straat 2] met de [straat 5] is gelegen in de gemeente Tytsjerksteradiel.

Uit het dossier blijkt dat vier andere politieagenten bijna op hetzelfde moment als verdachte eveneens op de [auto] hebben geschoten. Gelet op de in de voetnoten vermelde bewijsmiddelen en de omstandigheid dat de vier andere politieagenten hebben verklaard dat zij hebben gericht op de banden van de [auto] , kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat ten minste een aantal van de in het linkerportier van de [auto] aangetroffen gaten zijn veroorzaakt door kogels die zijn afgevuurd door verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van verdachte blijkt dat hij niet het zogenaamde "vol opzet" (de intentie) had om [slachtoffer 1] te doden of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit deze verklaringen blijkt dat verdachte de intentie had om de [auto] te laten stoppen en dat hij daartoe bewust laag in het voertuig heeft geschoten.

Daarom dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer 1] dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan die kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door het afvuren van meerdere kogels op de onderzijde van het portier aan de bestuurderszijde van de [auto] de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat deze kogels de achter dat portier zittende bestuurder van dat voertuig in zijn romp en de zich daarin bevindende vitale delen zouden raken en de bestuurder daardoor zou komen te overlijden. Daartoe overweegt de rechtbank dat de bestuurdersstoel zich laag in de [auto] bevond en de bestuurder dus ook laag in de [auto] zat, waardoor zijn romp zich op relatief geringe afstand van de onderzijde van het voertuig bevond. Daarbij komt dat ten tijde van het schieten sprake was van een instabiele situatie, nu de [auto] met toenemende snelheid in de richting van verdachte reed. Zelfs indien kogels worden afgevuurd door een geoefende schutter, zoals verdachte, bestaat de kans dat zij een bewegend doel op een andere hoogte raken dan de schutter heeft bedoeld. Dit geldt in een hectische situatie des te meer. Bovendien bewoog de [auto] zich met toenemende snelheid in de richting van verdachte, waardoor de kans dat de schuin naar beneden afgevuurde kogels de [auto] op een grotere hoogte zouden raken dan de hoogte waarop verdachte richtte, nog werd vergroot. Daarbij geldt in deze situatie dat een afwijking van enkele centimeters al tot fatale gevolgen zou kunnen leiden. Op grond van al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de kans dat de kogels de bestuurder in de romp zouden raken en deze daardoor zou komen te overlijden, aanmerkelijk is geweest.

Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat verdachte zich bewust is geweest van deze aanmerkelijk kans, te meer nu hij een ervaren politieagent en geoefend schutter is.

Door toch meerdere kogels af te vuren op de onderzijde van het portier aan de bestuurderszijde van de [auto] , waarbij verdachte zich naar eigen zeggen heeft laten leiden door slechts één doel, te weten het stoppen van de [auto] , heeft verdachte deze aanmerkelijk kans naar het oordeel van de rechtbank bewust aanvaard.

Daarom acht de rechtbank bewezen dat het voorwaardelijk opzet van verdachte gericht was op het van het leven beroven van [slachtoffer 1] . De rechtbank acht het primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 6 juli 2013 in de gemeente Tytsjerksteradiel, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen vijf keer in de linkerzijde van een wegrijdende auto heeft geschoten, alwaar voornoemde [slachtoffer 1] zich in bevond, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op: poging tot doodslag.

Standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het bewezen verklaarde niet strafbaar is en verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hem een beroep op noodweer toekomt. Daartoe heeft hij aangevoerd dat, gelet op de omstandigheden, minimaal sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding van het lijf van verdachte. Verdachte stond op de plaats waar de [auto] langs zou moeten om weg te komen, de [auto] reed slingerend in zijn richting, de bestuurder trok wild aan het stuur en bij een geringe stuurbeweging in zijn richting zou verdachte geen kant meer op kunnen. Volgens de officier van justitie was de perceptie van verdachte dat de bestuurder van de [auto] hem aan zou kunnen en ook willen rijden eerder die nacht maar al te reëel gebleken en had verdachte op dat moment geen ander reëel en aanvaardbaar alternatief dan schieten.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat het bewezen verklaarde niet strafbaar is en verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat sprake was van noodweer. Daartoe heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de [auto] , nadat dit voertuig klem was gezet door meerdere politievoertuigen, opnieuw probeerde weg te rijden. De [auto] reed met veel toeren, slippende banden en steeds meer snelheid in de richting van verdachte. Daarbij bewoog de bestuurder het stuur wild heen en weer en zou hij verdachte door een simpele stuurbeweging kunnen aanrijden. Daardoor was volgens de raadsman sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Volgens de raadsman voldeed het handelen van verdachte, mede gelet op hetgeen eerder die nacht was gebeurd, aan het vereiste van subsidiariteit. Minder ingrijpende mogelijkheden om de [auto] te doen stoppen waren uitgeput. Daardoor restte verdachte geen andere reële mogelijkheid dan op de auto te schieten. Daarbij is van belang dat van een politieagent, zoals verdachte, wordt verwacht dat hij in een situatie als de onderhavige handelend optreedt. Het handelen van verdachte was proportioneel omdat hij bewust op de onderzijde van de auto schoot/richtte, aldus de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht is een verdachte niet strafbaar, indien hij een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.

Van een "ogenblikkelijke" aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. Enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd zodanig bedreigend zijn voor de verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank gaat op grond van het dossier en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Zoals hiervoor is beschreven heeft verdachte zich op enig moment aangesloten bij de achtervolging van de [auto] . Blijkens zijn eigen verklaringen en de schriftelijke uitwerking van de meldkamergesprekken heeft verdachte vlak voor hij ging deelnemen aan de achtervolging en tijdens die achtervolging via de mobilofoon gehoord dat (de bestuurder van) de [auto] had getankt zonder te betalen en, in de periode van ongeveer twaalf minuten van het begin van de achtervolging tot het moment dat verdachte op de [auto] schoot, onder meer:

- zich had onttrokken aan een controle en staandehouding;

- met een snelheid van 130 kilometer per uur door de bebouwde kom had gereden;

- een rotonde tegen de rijrichting in had genomen;

- een politievoertuig had geramd en

- op een politieagent was ingereden en daarbij over diens tenen was gereden.

Vervolgens werd de [auto] , zoals hiervoor is beschreven, op een gegeven moment op de [straat 5] klemgereden door drie politievoertuigen, waarna de [auto] ruimte creëerde om weg te rijden door beurtelings hard voor- en achteruit te rijden tegen die politievoertuigen. Tijdens deze manoeuvres gaf de bestuurder van de [auto] overvloedig gas, spinden de banden van de [auto] en maakte de motor van de [auto] veel toeren. Andere politieagenten riepen tegen de bestuurder van de [auto] dat hij moest stoppen, omdat anders zou worden geschoten. Verdachte was toen al uit zijn dienstvoertuig gestapt en in de richting van de [auto] gerend om de bestuurder aan te houden. Hij stond op dat moment schuin voor de [auto] op een afstand van ongeveer 20 meter. Achter hem bevonden zich het kruispunt en de autoweg en daarmee een mogelijke vluchtweg voor de bestuurder van de [auto] . Vervolgens maakte de motor van de [auto] weer veel toeren en begon het voertuig accelererend en met spinnende banden weg te rijden uit zijn positie tussen de politievoertuigen. Ondertussen bewoog de bestuurder van de [auto] wild met het stuur heen en weer. De [auto] kreeg steeds meer snelheid en reed in de richting van verdachte. Daarop schoot verdachte meerdere malen op de onderzijde van het portier aan de bestuurderszijde van de [auto] .

Uit de bovenstaande feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat op het moment dat verdachte schoot sprake was van een zeer hectische en bedreigende situatie. Van het handelen van de bestuurder van de [auto] ging een grote agressie uit. De bestuurder van de [auto] wilde kennelijk tegen elke prijs aan de politie ontkomen en nam het gevaar dat daardoor werd veroorzaakt voor andere voertuigen, andere verkeersdeelnemers en ook politieagenten op de koop toe. De inzittenden van de [auto] hebben tijdens de gehele achtervolging geen enkel teken gegeven dat zij zich wilden overgeven.

[slachtoffer 1] is naar aanleiding van zijn gedragingen tijdens de achtervolging bij vonnis van deze rechtbank van 10 november 2015 veroordeeld voor poging tot zware mishandeling van [agent 1] , [agent 8] en [agent 7] , bedreiging met zware mishandeling van [agent 8] , [agent 7] , [agent 5] , [agent 3] en verdachte, het veroorzaken van gevaar op de weg en het besturen van een voertuig onder invloed van alcohol. De rechtbank heeft (onder meer) bewezen verklaard dat [slachtoffer 1] verdachte heeft bedreigd door opzettelijk dreigend met de door hem bestuurde personenauto, terwijl hij zichtbaar onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol verkeerde en niet in bezit van een rijbewijs was, veel gas te geven en te spinnen en met hoge toeren heen en weer te rijden om zich te onttrekken aan de blokkade van politievoertuigen, terwijl verdachte in de rijrichting van voornoemde personenauto stond en aldus een bedreigende situatie voor verdachte heeft doen ontstaan.

Op het moment dat verdachte de kogels afvuurde, reed de [auto] niet recht op hem af. Dit betekent dat verdachte niet door de [auto] zou zijn geraakt, indien deze rechtdoor zou zijn blijven rijden, zoals ook daadwerkelijk is gebeurd. Gelet op de hiervoor beschreven omstandigheden, bestond er naar het oordeel van de rechtbank ten tijde van het afvuren van de kogels echter een geenszins te verwaarlozen kans dat de bestuurder van de [auto] door een (geringe) stuurbeweging te maken recht op verdachte zou zijn afgereden en verdachte door de [auto] zou zijn aangereden. Daarbij neemt de rechtbank vooral in aanmerking dat de bestuurder van de [auto] vlak vóór dat moment wild met het stuur heen en weer bewoog en dat de bestuurder van de [auto] zijn voertuig minder dan zeven minuten eerder ook in de richting van een politieagent stuurde en deze een aanrijding enkel kon voorkomen door weg te rennen, waarna hij toch nog over zijn tenen werd gereden.

Naar het oordeel van de rechtbank was, gelet op deze feiten en omstandigheden, op het moment dat verdachte de schoten afvuurde sprake van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het schieten op de onderzijde van het bestuurdersportier van de [auto] geboden was door de noodzakelijke verdediging. In het vereiste dat de gedraging is "geboden door de noodzakelijke verdediging" worden de zogenaamde proportionaliteitseis en subsidiariteitseis tot uitdrukking gebracht. Deze met elkaar samenhangende en niet altijd scherp te onderscheiden eisen hebben betrekking op de vraag of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, respectievelijk op de vraag of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was.

Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet hoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond. Daarvan is bijvoorbeeld sprake indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Dit houdt in dat voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan om zich te onttrekken en dat die onttrekking ook van de verdachte kon worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is. Iemands hoedanigheid - bijvoorbeeld die van politieambtenaar - kan hier van belang zijn.

De proportionaliteitseis strekt ertoe om niet ook dan een gedraging straffeloos te doen zijn indien zij - als verdedigingsmiddel - niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De maatstaf daarbij is of de gedraging als verdedigingsmiddel niet in onredelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit voorop.

Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voor verdachte een noodzaak om zich te verdedigen tegen de bestuurder van de [auto] . Gelet op de hectische en gevaarlijke situatie en de zeer korte tijd waarin de gebeurtenissen zich voltrokken, had verdachte geen reële mogelijkheid om zich aan de situatie te onttrekken. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat juist van een ervaren en getrainde politieagent, zoals verdachte, mag worden verwacht dat hij in gevaarlijke situaties als deze handelend optreedt en niet van de situatie wegloopt.

Naar het oordeel van de rechtbank stond het afvuren van meerdere kogels op de onderzijde van het portier aan de bestuurderszijde van de [auto] niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Daartoe overweegt de rechtbank dat de bestuurder van de [auto] zich tot dat moment, ondanks meerdere pogingen daartoe, op geen enkele andere manier had laten stoppen. Door de zeer korte tijd die verdachte had om te handelen, had hij naar het oordeel van de rechtbank geen andere reële mogelijkheid dan het gebruiken van zijn dienstwapen. Dat verdachte niet één maar meerdere kogels heeft afgevuurd en dat op grond van het technisch onderzoek aannemelijk is dat deze kogels het portier van de [auto] van de zijkant hebben geraakt, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de proportionaliteit van verdachtes handelen. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte de kogels zeer snel achter elkaar heeft afgevuurd, terwijl (de bestuurder van) de [auto] in de tussentijd met slippende banden en hoge toeren snelheid kreeg en bleef rijden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een noodweersituatie en dat het handelen van verdachte was geboden ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf tegen de onmiddellijke dreiging van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door de bestuurder van de [auto] .

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat het bewezen verklaarde geen strafbaar feit oplevert. Daarom zal de rechtbank verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals voormeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Dölle, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 februari 2017.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal met zaaknummer 038.06072013, gesloten op 20 december 2013.

2 Het proces-verbaal van bevindingen van verdachte d.d. 6 juli 2013, pagina's 83 tot en met 85, en het proces-verbaal van verhoor van verdachte (als getuige) d.d. 26 november 2013, pagina 503.

3 Het e-mailbericht van verdachte aan W. Elzinga d.d. 14 juli 2013, pagina 150.

4 Het proces-verbaal van aangifte van P. Grottello d.d. 10 juli 2013, pagina's 353 en 354.

5 Een proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 18 juli 2013, pagina's 274 tot en met 276.

6 Een proces-verbaal van technisch onderzoek d.d. 18 juli 2013, pagina's 284 en 290.

7 De eigen waarneming van de rechtbank, gedaan ter terechtzitting van 24 januari 2017.