Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4353

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-11-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
18/830159-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

poging tot zware mishandeling; Alles afwegende acht de rechtbank het, met name gelet op de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft gepleegd en de rol die aangever hierbij heeft gespeeld, niet opportuun om een straf op te leggen die invloed zou kunnen hebben op de verblijfsvergunning van verdachte. De rechtbank zal verdachte daarom een geheel voorwaardelijke taakstraf op leggen van 40 uur.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830159-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

1 november 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.G.E. Klatter, advocaat te Veendam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E. Heus.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 31 maart 2017 te Delfzijl, in elk geval in Nederland, aan

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een

hoofdwond van 10 centimeter en/of fractuur rechterpols en/of licht traumatisch

schedelhersenletsel en/of steekwond in de (rechter)arm, heeft toegebracht door

die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht): - met een houten stok in/op/tegen het hoofd en/of de arm(en) en/of (een ander deel van) het lichaam te slaan en/of - met een schaar in de (rechter)arm en/of het hoofd en/of (een ander deel van) het lichaam te steken;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 31 maart 2017 te Delfzijl, in elk geval in Nederland, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te

weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,

(telkens) (met kracht):

- met een houten stok in/op/tegen het hoofd en/of de arm(en) en/of (een ander deel van) het lichaam heeft geslagen en/of - met een schaar in de (rechter)arm en/of het hoofd en/of (een ander deel van) het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 31 maart 2017 te Delfzijl, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (telkens) (met kracht):

- met een houten stok in/op/tegen het hoofd en/of de arm(en) en/of (een ander deel van) het lichaam te slaan en/of - met een schaar in de (rechter)arm en/of het hoofd en/of (een ander deel van) het lichaam te steken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat het primair ten laste gelegde niet kan worden bewezen en dat verdachte hiervan moet worden vrijgesproken, nu er onvoldoende medische informatie beschikbaar is over het genezingsproces, waardoor niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is geweest van zware mishandeling. Het subsidiair ten laste gelegde, poging tot zware mishandeling, kan op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wel worden bewezen, met dien verstande dat enkel het slaan met de stok op het hoofd en het lichaam van aangever kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, omdat het handelen van verdachte niet kan worden gekwalificeerd als een (poging tot) zware mishandeling. De raadsvrouw is van mening dat verdachte alleen met een stok heeft geslagen. Voor het steken met een schaar is in het dossier onvoldoende bewijs aanwezig. De meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling kan wel worden bewezen.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak primair ten laste gelegde

De rechtbank dient te beoordelen of er sprake is geweest van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Onder zwaar lichamelijk letsel wordt op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht onder meer begrepen een ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Bij de beantwoording van de vraag of letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechtbank iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel. Uit het dossier blijkt dat aangever een hoofdwond had en een licht traumatisch schedelhersenletsel en dat zijn rechterarm was gebroken en zijn linkerarm was gekneusd. Uit de letselrapportages dan wel uit andere stukken in het dossier blijkt niet hoelang de herstelperiode heeft geduurd, of er sprake is van blijvend letsel en of er operatief is ingegrepen. De rechtbank is van oordeel dat op grond van vorenstaande niet is komen vast te staan dat het door de verdachte toegebrachte letsel bij aangever als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De verklaring van verdachte, ter terechtzitting d.d. 1 november 2017 afgelegd:

Ik heb mijn neef op 31 maart 2017 op een kamer in het AZC in Delfzijl met een stok geslagen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 1 april 2017, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2017082568 d.d. 31 maart 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op vrijdag 31 maart 2017, omstreeks 18.24 uur, kwam [verdachte] de kamer binnen in het AZC te Delfzijl. Ik zag dat [verdachte] naar mij toe kwam. Ik voelde dat ik een klap op mijn hoofd kreeg. Ik voelde direct pijn. Ik keek direct naar [verdachte] en zag dat hij met zijn beide handen een stok vast had. Ik ben vervolgens nog twee keer geslagen op mijn hoofd en ongeveer negen keer op mijn lichaam. Mijn letsel: Een diepe hoofdwond van tien centimeter, rechterarm gebroken, linkerhand gekneusd.

3.Een geneeskundige verklaring, d.d. 1 april 2017, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, opgemaakt en ondertekend door R.R. van Heuvelen, huisarts in opleiding namens dr. Klöppner, chirurg Ommelander Ziekenhuis Groningen, voor zover inhoudende, als zijn/haar verklaring:

Eerste bezoek op spoedeisende hulp d.d. 31 maart 2017 in Ommelander Ziekenhuis Groningen, locatie Lucas:

Op 31 maart 2017 bezocht [slachtoffer] ,geboren op [geboortedatum] 1995 de spoedeisende hulp van voornoemde ziekenhuis.

Conclusie onderzoek:

1. Hoofdwond links behaarde hoofd van 10 cm

2. Distale ulna fractuur pols rechts met dislocatie naar dorsaal en ulnair

3. LTSH, expectatief

Her beoordeeld op 1-4-2017

Conclusie:

1) Hoofdwond links van 10cm op behaarde hoofdhuid;

2) Distale ulnafractuur rechts met dislokatie naar dorsaal/ulnair; na repositie dorsale

verplaatsing verbeterd, nog wel ulnaire verplaatsing.

3) LTSH wv expectatief beleid. Nog last van wazig zicht en duizeligheid wat goed past

bij licht traumatisch hersenletsel.

4) Distorsie li hand, op foto geen aanwijzing voor fracturen

De rechtbank overweegt het navolgende. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte het slachtoffer meerdere malen met een stok op zijn lichaam en hoofd heeft geslagen. Uit de aard en het karakter van dit - doelgerichte - handelen leidt de rechtbank af dat bij verdachte op zijn minst genomen de voorwaardelijke opzet tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn neef bestond. De rechtbank is van oordeel dat dit handelen van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat hij willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Het subsidiair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte naast het meermalen slaan met de stok ook met een schaar heeft gestoken en zal verdachte daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van voornoemde bewijs het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 31 maart 2017 te Delfzijl, in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer]

met een houten stok op het hoofd en de armen heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

- poging tot zware mishandeling

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 dag (met aftrek) en een werkstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis. Bij de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de aard en ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd. Daarnaast heeft de officier van justitie gelet op inhoud van het reclasseringsrapport, alsmede het feit dat verdachte niet eerder met politie en justitie is aanraking is geweest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat bij het opleggen van een straf rekening dient te worden gehouden met de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft gepleegd en het feit dat het slachtoffer verdachte voordien zeer onheus heeft bejegend. Tevens dient bij de strafoplegging rekening te worden gehouden met de cultuur van verdachte, zijn beperkingen en trauma's en het feit dat verdachte zijn leven in Nederland nu goed voor elkaar heeft en een straf invloed kan hebben op zijn verblijfsvergunning.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het over hem opgemaakte reclasseringsadvies, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en heeft daarbij met een houten stok zijn neef (aangever) met zodanige kracht tegen het hoofd en de armen geslagen dat deze daardoor gewond is geraakt. Hij heeft hiermee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Het is niet aan verdachte te danken dat de gevolgen van zijn handelen niet nog ernstiger uitvielen. Anderzijds heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat aangever zich voorafgaand aan het incident ook niet onbetuigd heeft gelaten door bij de familie van verdachte in het land van herkomst geruchten over verdachte te verspreiden en verdachte op een respectloze manier te benaderen en te behandelen. De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld, almede met de inhoud van het reclasseringsadvies. Hieruit komt naar voren dat verdachte naar Nederland is gevlucht en dat hij zijn vrouw en kinderen in het land van herkomst heeft moeten achterlaten. Ten tijde van het ten laste gelegde was er bij verdachte sprake van veel stress en spanning. De problemen die verdachte ervoer, ten aanzien van het (problematische) contact met aangever en het, gegeven dat hij tot kort voor het incident met de aangever in dezelfde ruimte woonde, zijn thans niet meer aan de orde, waardoor de kans op recidive als laag wordt ingeschat.

Alles afwegende acht de rechtbank het, met name gelet op de omstandigheden waaronder verdachte het feit heeft gepleegd en de rol die aangever hierbij heeft gespeeld, niet opportuun om een straf op te leggen die invloed zou kunnen hebben op de verblijfsvergunning van verdachte. De rechtbank zal verdachte daarom een geheel voorwaardelijke taakstraf op leggen van na te melden duur.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een stok en een schaar, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu verdachte het feit met de stok heeft begaan en de rechtbank ten aanzien van de schaar van oordeel is dat deze kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank is van oordeel dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een broek, een trui en schoenen, moeten worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a,14b,14c, 22c, 22d, 36b,36c, 36d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 40 uren.

Bepaalt dat deze taakstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt voorts dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen stok en schaar.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven broek, trui en schoenen.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.B.M. Keurentjes, voorzitter, mr. F. de Jong en

mr. P.H.M. Smeets, rechters, bijgestaan door mr. E.A.B. de Jong, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 november 2017.