Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:435

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
18/730279-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank spreekt twee politieagenten vrij van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Tijdens een achtervolging met hoge snelheid heeft één van deze agenten in opdracht van de andere agent vanuit hun rijdende voertuig vijf maal geschoten op de achterband van een vluchtende personenauto. De rechtbank acht niet bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van de politieagenten was gericht op de dood van de bestuurder van de auto of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan die bestuurder. Meer in het bijzonder acht de rechtbank in deze specifieke situatie niet bewezen dat het schieten op de achterband de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat de bestuurder van de auto door de afgevuurde kogels zou worden geraakt of de auto ten gevolge van die kogels zou verongelukken. Zie ook ECLI:NL:RBNNE:434 en 438.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730279-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] te [geboorteplaats] ,

domicilie kiezende te [plaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2017 en 31 januari 2017.

De verdachte is ter terechtzitting van 24 januari 2017 verschenen, bijgestaan door mr. J. Anker, advocaat te Leeuwarden. Zij zijn ter terechtzitting van 31 januari 2017 niet verschenen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting van 24 januari 2017 vertegenwoordigd door mr. H. Supèr en ter terechtzitting van 31 januari 2017 door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 6 juli 2013 in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet,

- rijdende in een onopvallende dienstvoertuig de (wegrijdende/vluchtende) auto met als bestuurder [slachtoffer 1] op enige afstand heeft achtervolgd en/of

- ( vervolgens) het raam aan de passagierszijde van de onopvallende dienstauto heeft geopend en/of

- ( vervolgens) door het geopende raam van de auto met een vuurwapen, vijf keer, althans meermalen op de zich in die wegrijdende/vluchtende auto bevindende [slachtoffer 1] heeft geschoten, althans in en/of in de richting van, de achterzijde van die wegrijdende auto heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 06 juli 2013 te gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet,

- rijdende in een onopvallende dienstvoertuig de (wegrijdende/vluchtende) auto met als bestuurder [slachtoffer 1] op enige afstand heeft achtervolgd en/of

- ( vervolgens) het raam aan de passagierszijde van de onopvallende dienstauto heeft geopend en/of

- ( vervolgens) door het geopende raam van de auto met een vuurwapen, vijf keer, althans meermalen op de zich in die wegrijdende/vluchtende auto bevindende [slachtoffer 1] heeft geschoten, althans in en/of in de richting van, de achterzijde van die wegrijdende auto heeft geschoten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat kan worden bewezen dat medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) in opdracht van verdachte vijf maal met een vuurwapen heeft geschoten op de rechterachterband van de auto, die werd bestuurd door [slachtoffer 1] . Verdachte en [medeverdachte] reden op dat moment in hun dienstvoertuig met een snelheid van ongeveer 125 kilometer per uur achter de door [slachtoffer 1] bestuurde auto. Volgens de officier van justitie levert het schieten op een rijdende auto vanuit een rijdende auto een aanmerkelijke kans op een fatale dan wel zeer ernstige afloop op. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de kans op een ricochet aanzienlijk is en dat er, gelet op de hoge snelheid, een groot risico bestond dat [slachtoffer 1] de macht over het stuur zou verliezen en over de kop zou slaan of tegen een obstakel zou rijden en daardoor om het leven zou komen of zwaar gewond zou raken. De officier van justitie is van mening dat verdachte deze kans willens en wetens heeft aanvaard en dat hij dus voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte erop was gericht [slachtoffer 1] van het leven te beroven of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Hij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat er een aanmerkelijke kans is geweest dat de inzittenden van de door [slachtoffer 1] bestuurde auto het leven zouden laten of zwaar lichamelijk letsel zouden bekomen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte de aanmerkelijke kans dat deze gevolgen zouden intreden willens en wetens heeft aanvaard. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte en [medeverdachte] bewust hebben besloten gericht enige schoten te lossen op de rechterachterband van de door [slachtoffer 1] bestuurde auto en dat zij er bewust niet voor hebben gekozen op de inzittenden te richten, omdat zij wilden voorkomen dat hen letsel zou worden toegebracht.

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van het dossier en hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, gaat de rechtbank voor wat betreft het begin van de achtervolging en het verloop daarvan tot het moment waarop verdachte en [medeverdachte] hebben besloten om met het dienstwapen van [medeverdachte] te schieten op de rechterachterband van het achtervolgde voertuig, uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 6 juli 2013, omstreeks 00.30 uur, komt bij de meldkamer Noord-Nederland de melding binnen dat door (de inzittende(n) van) een blauwe [auto 1] met het kenteken [kenteken] (hierna: de [auto 1] ) is getankt zonder te betalen bij een tankstation in Leeuwarden . Omstreeks 00.31 uur geeft de meldkamer deze melding door aan alle politie-eenheden in (de omgeving van) Leeuwarden . Naar aanleiding van deze melding kijken diverse politie-eenheden uit naar de [auto 1] . De meldkamer geeft door dat de [auto 1] op naam staat van [slachtoffer 1] . Omstreeks 00.37 uur zien de politieagenten [agent 1] (hierna: [agent 1] ) en [agent 2] (hierna: [agent 2] ) de [auto 1] rijden vlakbij het [straat 1] in Leeuwarden . Zij rijden achter de [auto 1] aan in hun opvallende politiebus. Daarop verhoogt de bestuurder van de [auto 1] de snelheid binnen de bebouwde kom tot meer dan 100 kilometer per uur, terwijl daar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt. De [auto 1] blijft met hoge snelheid rijden en neemt een rotonde linksom, oftewel tegen de rijrichting in. [agent 1] en [agent 2] zetten de zwaailichten van de politiebus aan en activeren de geluidssignalen op verkeersonveilige punten. De [auto 1] slaat rechtsaf richting de [straat 2] , waarbij de bestuurder de rode verkeerslichten negeert en andere voertuigen moeten stoppen om een aanrijding te voorkomen. Op dat moment is het onopvallende voertuig (een [auto 2] ) van verdachte en [medeverdachte] het eerste achtervolgende politievoertuig. De [auto 1] rijdt op de [straat 2] met een snelheid van 130 kilometer per uur, terwijl daar nog steeds een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur geldt. Verdachte, die het onopvallende politievoertuig bestuurt, probeert de [auto 1] in te halen met het doel voor de [auto 1] te gaan rijden, af te remmen en de [auto 1] tot stilstand te dwingen. De [auto 1] snijdt het voertuig van verdachte en [medeverdachte] echter af, waardoor inhalen niet mogelijk is. De [auto 1] neemt nogmaals een rotonde linksom en slaat linksaf naar de [straat 3] . De [auto 1] rijdt daarbij stuiterend over een verhoogde verkeersheuvel en een fietser en een voetganger moeten aan de kant springen om te voorkomen dat zij worden overreden. Op de [straat 3] verhoogt de bestuurder van de [auto 1] de snelheid opnieuw tot meer dan 100 kilometer per uur. Omstreeks 00.42 uur keert de bestuurder van de [auto 1] de auto 180 graden en rijdt terug over de [straat 3] in de richting van de politiebus van [agent 1] en [agent 2] . [agent 1] manoeuvreert de politiebus in de rijrichting van de [auto 1] in een poging de [auto 1] tot stoppen te dwingen door deze met de politiebus te raken. [agent 1] vermindert daarbij de snelheid van de politiebus aanzienlijk. De [auto 1] blijft doorrijden zonder snelheid te minderen, botst frontaal tegen de politiebus en komt bijna tot stilstand met de voorzijde in de bosjes langs de weg. [agent 1] stapt uit en loopt in de richting van de [auto 1] om de inzittenden aan te houden. Op dat moment geeft de bestuurder van de [auto 1] gas en maakt de [auto 1] een U-bocht. Vervolgens rijdt de [auto 1] op [agent 1] af, waarbij de bestuurder de snelheid verhoogt en het voertuig een hoog toerental bereikt. [agent 1] rent achteruit om een aanrijding door de [auto 1] te voorkomen. Desalniettemin rijdt de [auto 1] over de voet van [agent 1] . Daarna rijdt de [auto 1] door en botst korte tijd later tegen het opvallende dienstvoertuig van de politieagenten [agent 3] (hierna: [agent 3] ) en [agent 4] (hierna: [agent 4] ). [agent 3] en [agent 4] reden op dat moment op hun eigen weghelft en hadden de zwaailampen van hun dienstvoertuig aan staan. [agent 3] stapt uit en op het moment dat hij naast het dienstvoertuig staat, rijdt de [auto 1] in zijn richting. De [auto 1] blijft met onverminderde vaart doorrijden en [agent 3] springt achter het dienstvoertuig om te voorkomen dat hij wordt geraakt door de [auto 1] . Even later rijdt de [auto 1] met hoge snelheid vlak voor de opvallende politiebus van de politieagenten [agent 5] en [agent 6] langs. [agent 6] moet hard op de rem trappen om te voorkomen dat de politiebus in botsing komt met de [auto 1] . [agent 5] herkent op dat moment de bestuurder van de [auto 1] als [slachtoffer 1] . Hij meldt dit aan [agent 6] , maar zij geven deze informatie niet door aan de meldkamer of de andere betrokken politie-eenheden. Daarop vervolgt de [auto 1] zijn weg over de [straat 3] richting de [straat 2] met een snelheid van rond de 100 kilometer per uur. Op dat moment rijden er opnieuw meerdere politievoertuigen achter de [auto 1] . Het voorste voertuig is dan de opvallende politiebus van [agent 5] en [agent 6] . Deze politiebus voert optische en geluidssignalen en heeft het stopbord aan de voorzijde van het voertuig aanstaan. Daarnaast geeft [agent 6] de [auto 1] diverse lichtsignalen. De [auto 1] rijdt opnieuw met een snelheid van rond de 100 kilometer per uur en neemt opnieuw een rotonde linksom. Nadat de [auto 1] bij de verkeerslichten is afgeslagen naar de [straat 2] , wordt de politiebus van [agent 5] en [agent 6] ingehaald door het onopvallende voertuig van verdachte en [medeverdachte] , waardoor het voertuig van verdachte en [medeverdachte] opnieuw het eerste achtervolgende politievoertuig wordt. Omstreeks 00.45 uur besluiten verdachte en [medeverdachte] dat [medeverdachte] op de rechterachterband van de [auto 1] zal schieten en geeft verdachte [medeverdachte] opdracht dit te doen.

Na afloop van de achtervolging is, mede op basis van de verklaring van de bijrijder (de broer van [slachtoffer 1] , genaamd [slachtoffer 2] ), gebleken dat de [auto 1] gedurende de hele achtervolging werd bestuurd door [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). De bijrijder had vanaf het begin van de achtervolging door dat de [auto 1] werd achtervolgd door een politievoertuig en dat de voertuigen die zich bij de achtervolging aansloten eveneens politievoertuigen waren. De bijrijder heeft tijdens de achtervolging lampen zien branden met de tekst "stop politie" en heeft meerdere keren tegen [slachtoffer 1] gezegd dat hij moest stoppen voor de politie. Ook heeft de bijrijder gezien dat de [auto 1] is geramd door een politievoertuig. [slachtoffer 1] heeft niet gereageerd op wat de bijrijder heeft gezegd en is alleen maar harder gaan rijden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van verdachte en [medeverdachte] blijkt dat zij niet het zogenaamde "vol opzet" (de intentie) hadden om [slachtoffer 1] te doden of hem zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit deze verklaringen blijkt dat zij de intentie hadden om de rechterachterband van de [auto 1] lek te schieten teneinde de snelheid van de [auto 1] te laten afnemen en de [auto 1] tot stilstand te kunnen brengen, zodat zij de inzittenden van de [auto 1] zouden kunnen aanhouden.

Daarom dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer 1] dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] . Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregelen aanmerkelijk is te achten.

Voor wat betreft de situatie vlak voor en ten tijde van het moment waarop [medeverdachte] met zijn dienstpistool op de rechterachterband van de [auto 1] heeft geschoten, gaat de rechtbank uit van de verklaringen van verdachte, [medeverdachte] en politieagent [agent 7] (hierna: [agent 7] ). [agent 7] reed op het moment dat [medeverdachte] de kogels afvuurde op zijn opvallende dienstmotor op enige afstand schuin achter de [auto 1] en het voertuig van verdachte en [medeverdachte] met lage snelheid over het fietspad langs de [straat 2] .

Uit deze verklaringen leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af.

Op 6 juli 2013 was [medeverdachte] sinds enkele maanden gecertificeerd als vuurwapenhouder. In het kader van zijn opleiding was hij kort voor 6 juli 2013 intensief getraind in het schieten met een vuurwapen, onder meer vanuit een rijdend voertuig.

Op 6 juli 2013 was verdachte, die als bestuurder optrad, een ervaren politieagent die was getraind in het rijden met hoge snelheid door het verkeer en dus in hectische situaties.

Op het moment dat [medeverdachte] de schoten afvuurde reden de [auto 1] en het voertuig van verdachte en [medeverdachte] buiten de bebouwde kom op een brede, onlangs vernieuwde weg met gescheiden rijbanen, een middenberm en bermen aan de zijkanten. De [auto 1] reed midden op de weg. Op dat moment was deze weg over een ruime afstand vóór de [auto 1] vrij van andere voertuigen en reden er geen voertuigen op korte afstand achter het voertuig van verdachte en [medeverdachte] . Ter plaatse was op korte afstand van de weg geen bebouwing aanwezig.

Op het moment dat [medeverdachte] de schoten afvuurde reden zowel de [auto 1] als het voertuig van verdachte en [medeverdachte] zonder te slingeren in een rechte lijn en met een constante snelheid, waardoor de positie op de weg en de afstand tussen beide voertuigen stabiel was. De onderlinge afstand bedroeg ongeveer vijf meter.

Voorafgaande aan het gebruik van het vuurwapen heeft [medeverdachte] zijn lichaam vastgezet in het voertuig door met beide benen en voeten af te zetten tegen de middenconsole en heeft hij zijn rechterarm gesteund tegen het portier, waardoor hij zijn wapen stevig met beide handen kon vasthouden en rustig over de autospiegel kon richten. [medeverdachte] had goed zicht op de rechterachterband van de [auto 1] en kon goed gebruik maken van de richtmiddelen op zijn vuurwapen.

[medeverdachte] heeft bewust gericht op de rechterachterband van de [auto 1] , heeft vijf schoten afgevuurd en heeft de rechterachterband van de [auto 1] ten minste eenmaal geraakt.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er in zijn algemeenheid een niet te verwaarlozen kans dat door het schieten met een vuurwapen vanuit een rijdend voertuig op de achterband van een ander rijdend voertuig niet deze achterband maar (al dan niet ten gevolge van een ricochet) de bestuurder van dat andere voertuig wordt geraakt en deze daardoor het leven verliest of zwaar gewond raakt. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank zelfs indien de schutter een getraind politieagent en gecertificeerd vuurwapenhouder is. Deze kans wordt nog vergroot indien beide voertuigen met hoge snelheid rijden. De kans dat andere personen dan de bestuurder van het andere voertuig worden geraakt, wordt hierbij nog buiten beschouwing gelaten, nu dit niet ten laste is gelegd.

De rechtbank is echter in deze specifieke situatie, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de training en ervaring van verdachte en [medeverdachte] , de weg- en verkeerssituatie ten tijde van het schietincident, de geringe afstand tussen beide voertuigen, de stabiele posities van beide voertuigen ten opzichte van de weg en elkaar en de stabiele schiethouding van [medeverdachte] , van oordeel dat niet vast is komen te staan dat de kans aanmerkelijk was dat de door [medeverdachte] afgevuurde kogels [slachtoffer 1] zouden raken en hij daardoor het leven zou verliezen of zwaar gewond zou raken.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er in zijn algemeenheid een niet te verwaarlozen kans bestaat dat een met hoge snelheid rijdend voertuig ten gevolge van het lek schieten van één van de achterbanden over de kop vliegt, gaat slingeren en/of onbestuurbaar raakt en tegen een obstakel botst of anderszins verongelukt en dat de bestuurder van dat voertuig daardoor het leven verliest of zwaar gewond raakt.

De rechtbank is echter van oordeel dat niet vast is komen te staan dat deze kans onder de gegeven omstandigheden aanmerkelijk was. Daarbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat het schietincident heeft plaatsgevonden op een brede, onlangs vernieuwde weg met gescheiden rijbanen, een tussenberm en bermen aan de zijkanten, dat de [auto 1] midden op de weg reed, dat er behalve het voertuig van verdachte en [medeverdachte] geen voertuigen in de nabijheid van de [auto 1] waren en dat er ter plaatse geen bebouwing langs de weg stond.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het van het leven beroven van [slachtoffer 1] of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1] .

De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zij zal verdachte daarvan vrijspreken.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Dölle, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 februari 2017.