Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4348

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-09-2017
Datum publicatie
15-11-2017
Zaaknummer
18/730114-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Brand in een vuurton met oud en nieuw. Medeplegen van een aan zijn schuld te wijten brand, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat. Relatief mindere mate van schuld ten opzichte van mededaders.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 158, geldigheid: 2006-02-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730114-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 september 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 31 augustus 2017.

Verdachte is verschenen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 31 december 2014 t/m 1 januari 2015 te

Harlingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of

onachtzaam, in de achtertuin van de woning [straatnaam] te Harlingen, een of meer stukken hout in brand heeft gestoken en/of heeft verbrand, in elk geval open vuur heeft gemaakt en/of onderhouden, (mede) ten gevolge waarvan het aan verdachtes en/of zijn medeverdachtes schuld te wijten is geweest dat een (deel van een) naburige schutting en/of een polyester (afdek)golfplaat en/of een daar in de (achter)tuin van de woning

[straatnaam] te Harlingen opgeslagen hoeveelheid hout, geheel of deels toebehorende aan [slachtoffer 1], geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval dat er brand is

ontstaan, en daardoor gemeen gevaar voor de woning [straatnaam] te Harlingen en/of

een of meerdere andere naburige woning(en) en/of een of meerdere naburige

schuur/schuren, althans belendende perceel/percelen, en/of voor

naburig/belendend opgeslagen bouwmateriaal en/of ander(e) hout(blokken), in

elk geval gemeen gevaar voor goederen, ontstond of is ontstaan.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd op grond van onder meer de aangifte van [slachtoffer 1], de verklaringen van [getuige], bevelvoerder van de brandweer, en de verklaring van verdachte. Door het in brand steken van hout in een vuurton in de tuin van de medeverdachte is er brand ontstaan in de tuin van de buren aan de [straatnaam] nummer [nummer].

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft geen standpunt ingenomen met betrekking tot het tenlastegelegde.

Oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot het ontstaan van de brand neemt de rechtbank de verklaringen van getuige [getuige], bevelvoerder van de brandweer, als uitgangspunt. Kort gezegd heeft deze verklaard dat de brand vrijwel zeker is ontstaan door warmteoverdracht van de hoge vuurbelasting van de vuurton, een leeg olievat, waarin hout is gestookt, die zich bevond in de tuin van medeverdachte [medeverdachte 1], bij de woning aan de [straatnaam]. Door deze vuurbelasting is de muur tussen de tuin van de medeverdachte en aangever [slachtoffer 1] opgewarmd en het opgedroogde hout in de tuin van aangever [slachtoffer 1] waarschijnlijk nog droger geworden en door middel van overdracht van vliegvuur vlam gaan vatten. Daar komt bij dat – zoals uit de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken – ook de dag voorafgaand aan 31 december 2014 gedurende een aantal uren in de middag en avond hout in de vuurton is gestookt. De rechtbank is niet gebleken dat er aanwijzingen zijn voor een mogelijk alternatief scenario waardoor de brand bij aangever is ontstaan. Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van causaal verband tussen het vuur in de vuurton in de tuin van de medeverdachte en de brand op het erf van aangever [slachtoffer 1].

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat de brand moet zijn ontstaan als gevolg van het vuur in de vuurton in de tuin van verdachtes medeverdachte zal de rechtbank de vraag moeten beantwoorden of verdachte grovelijk dan wel aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld op oudjaarsavond 2014.

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam heeft gehandeld door op oudjaarsavond, 31 december 2014, hout in brand te steken en in brand te houden in een vuurton in de achtertuin van medeverdachte [medeverdachte 1]. De rechtbank heeft hierin meegewogen de aard van het vuur, de hoogte van de vlammen en het ontstaan van vliegvuur in combinatie met de behoorlijke wind die er stond die in de richting van de woning van aangever woei. Voor zover verdachte niet heeft verklaard dat hij zich van die omstandigheden bewust is geweest, kan het hem naar het oordeel van de rechtbank evenmin zijn ontgaan. Verdachte heeft bij de mogelijke gevaren en risico’s op het ontstaan van brand, onvoldoende stilgestaan in een mate die hem strafrechtelijk kan worden verweten.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van medeplegen overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft de bewuste avond samen met anderen in de achtertuin van zijn vriend, de medeverdachte die de gelegenheid en het materiaal heeft geboden, hout in brand gestoken in een vuurton welk vuur tot de bewezenverklaarde brand heeft geleid.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 31 augustus 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

(…) Op 31 december 2014 zaten we eerst in de kroeg. Daarna hebben we eten gehaald en zijn we naar de woning van [medeverdachte 1] gegaan. (…) Toen is het vuur in de ton aangestoken. (…) Ik heb hout in de ton gegooid. De vlammen kwamen de ton uit. (….)

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 5 januari 2015, opgenomen op pagina 11 t/m 13 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2015000384 d.d. 25 augustus 2015, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik ben eigenaar van de woning aan de [straatnaam] te Harlingen. (…) Op woensdag 31 december 2014 omstreeks 18.00 uur zag ik dat mijn buurman genaamd [medeverdachte 1], wonende aan de [straatnaam] te Harlingen een olievat gevuld met brandend hout had staan in de achtertuin van zijn woning. Ik zag dat het vat ongeveer 2,5 meter vanaf mijn schutting geplaatst was. (…)Toen ik naar de achtertuin van mijn woning ging zag ik dat er flinke steekvlammen uit het olievat vandaan kwamen. (…) Ik zag ook een flinke vonkenregen af kwam van het vuur. De vonken kwamen allemaal op mijn balkon, tuin en mijn hout terecht. (…) De buren waren al dik vier à vijf uur vuur aan het steken in het olievat. (…) De warme rook trok ook vier uur lang over het hout en de schutting heen, net als de vonkenregen en zo nu en dan een vuurbal. Alles was kurkdroog (…) Op 01 januari 2015 omstreeks 00.15 uur kwam men weer terug in de achtertuin van [medeverdachte 1]. Ik zag dat de vlammen weer flink oplaaiden. Ik zag toen dat de golfplaten en het hout voor het muurtje in brand vloog.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 8 juni 2015, opgenomen op pagina 29 en 30 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

(…) Op donderdag 1 januari 2015, omstreeks 00.36 uur kwam ik als bevelvoerder van een tankautospuit 4632 ter plaatse. (…) Ik zag vanaf de achtertuin van perceel 16 de afscheidingsmuur met perceel [nummer] tot ongeveer 1.60 was opgetrokken met steen met daarbovenop open sierstenen van 30/30 centimeter. Door de openingen van de sierstenen zag ik dat er nog vuur was in het daarachter gelegen hout. (…) Ter plaatse zag ik dat de achtertuin van perceel [nummer] was volgestouwd met hout. Dit hout stond vijf à zes meter hoog. (…) Het hok met hout zat naast de trap van het balkon. Onder het balkon bevond zich een stenen schuurtje gevuld met hout en andere materialen. De boeidelen aan de achterzijde van dat schuurtje en de zijkant van het balkon was zwart geblakerd. Het hout was aangetast geweest door vuur. (…) Het zijn oude woningen waarin veel hout is verwerkt. De huizen staan(…) dicht op elkaar. Door dat de achtertuin van perceel [nummer] geheel met hout was volgestouwd was dit een perceel met een verhoogd brandrisico. (…) Indien er die avond achter perceel 16 een ton met afvalhout was gestookt is er een reële kans dat het vliegvuur via de openingen van de sierstenen in het hout terecht gekomen is. Het is heel wel mogelijk dat daardoor de brand is ontstaan. Van bovenaf was dit hout afgedekt met een dakje. (…) U toonde mij zojuist de foto’s van het verstoken van hout in de ton. Hier is duidelijk het vliegvuur te zien welke door de wind in de richting van de achtertuin van perceel [nummer] wordt geblazen. Dat vliegvuur heeft mogelijk de vlamoverdracht naar het hout van de buren gemaakt. Het is voor 90 procent wel zeker dat de brand daardoor is ontstaan.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 augustus 2015, opgenomen op pagina 31 en 32 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

(…)

V: Hoe verklaart u dat het hout onder in het houtstek in brand stond?

A: “Volgens mijn beleving heb ik het volgende waargenomen. Gezien vanuit de tuin van

[medeverdachte 1] links van mij kijkende naar [slachtoffer 1] zag ik aan de linkerzijde

vuurgloed iedere keer aanwakkeren. De afscheiding tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1]

bestaat uit een enkelstenen muurtje met sierstenen daarop. Aan de binnenzijde van

deze muur heeft [slachtoffer 1] aan zijn eigen zijde een houten afscheiding met afdakje

gemaakt. Hier heeft hij tussen de muur en de trap een houtopslag gemaakt. Deze

ruimte bedraagt ongeveer 2,5 meter bij 0,60 centimeter.

(…) Ik heb toen wel een nadere inspectie gedaan. In het stenenmuurtje zitten

gaten. Daar keek ik door heen en zag een vuurgloed aan de andere zijde. Dat is dus

het terrein van [slachtoffer 1].

Het vuurgloed was op ongeveer 1.50 meter hoogte. Deze vuurgloed bevond zich in het

opgestapelde hout. Dit opgestapelde hout bevond zich tussen de trapopgang

achterzijde woning en een schuurtje. Ik kon niet zien of er ook een vuur aan de

onderkant was. Dit was door de opgestapelde hout niet te zien. Het lijkt mij ook

niet logisch dat er brand aan de onderzijde was ontstaan. Zou dat wel het geval

zijn geweest dan was de brand aangestoken. Vanuit mijn optiek is de brand ontstaan

door warmteoverdracht van de hoge vuurbelasting van de ton. Hierdoor is de muur

opgewarmd en het opgedroogde hout waarschijnlijk nog droger geworden en vermoedelijk door middel van overdracht van vliegvuur vlam gaan vatten. We hebben

toen de houtstukken grotendeels verwijderd totdat we bij de vuurgloed waren. Dit

was op ongeveer 1,50 meter hoogte. Het hout daaronder was niet aangetast en hebben

we laten liggen. Dit is ook duidelijk te zien op de foto’s. De enige verklaring van de brand die ik kan geven is dat het vuur ontstaan is door een combinatie van harde wind, vliegvuur en warmteoverdracht. Het hout in de opslagplaats van [slachtoffer 1] is door het vuur in de ton bij [medeverdachte 1] verder opgedroogd en gaan uitdampen. Het hout heeft dan weinig vuur nodig.”

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 4 maart 2015, opgenomen op pagina 20 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2], wonende [straatnaam] te Harlingen:

(…)Toen ik weer naar de tuin liep zag ik dat de bovenkant van de schutting en een polyester afdakje in brand stond. (…).

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 1 augustus 2015, opgenomen op pagina 63 en 64 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2]:

(…) Ik kwam tussen 21.00 en 22.00 uur op de [straatnaam] te Harlingen aan. Ik kwam daar met [naam], [medeverdachte 1], [verdachte] en nog wat personen.

(…) Achter in de tuin bij [medeverdachte 1] stond een vuurton. (…) Ik weet wel dat ik met [naam] meerdere keren hout in de vuurton heb gegooid. Ik heb toen ook wel gezien dat er allemaal vonken de lucht in vlogen als wij daar hout op gooiden. (…). Die avond waaide er wel een stevig

briesje. De wind ging in de richting van de buren op nummer [nummer]. (…)

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 10 juli 2015, opgenomen op pagina 52 t/m 57 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 1]:

(…) Ik woon op de [straatnaam] te Harlingen (…)

V: Wat vond jij er van dat bij je buren op nummer [nummer] de hele achtertuin vol

gestouwd was met hout?

A: Tijdens de verbouwing had ik gezien dat zijn hele tuin vol hout stond. (…) Ik heb wel reglementen voor bedrijven kunnen vinden maar niet voor particulieren. Ik heb het ook nog

gemeld bij de gemeente. (…)

V: Hoe gevaarlijk vond jij het dat die tuin vol met hout stond?

A: Ik vond het best wel brandgevaarlijk dat zijn tuin vol hout stond. (…)

V: Wat kun je verklaren over de brand bij jouw buren op nummer [nummer] in de nacht van 31

december 2014 op 1 januari 2015?

A: De vuurton in mijn achtertuin is aangegaan rond 21.00 uur op oudejaarsavond. Het

hout was tegen 23.00 uur op. (…).

V: Met welk doel heb jij het vat aangeschaft waarin het hout werd verbrand?

A: Om hout in te verbranden.

(…) Die avond waren vrienden van mij al in mijn woning voordat ik thuis kwam. Zij hadden de ton aangestoken.

V: Wie waren daarbij aanwezig?

A: Op oudjaarsdag waren (…), [verdachte], (…) [medeverdachte 2],

(…) erbij.

V: Hoe hoog kwamen de vlammen die dag boven het vat uit?

A: Ik denk ongeveer 1 meter.

V: Hoe hoog kwamen die dag de vonken boven het vat uit?

A: Als er nieuw hout op werd gegooid kwamen er vonken omhoog. Deze vonken zullen

enkele meters omhoog gegaan zijn.

V: In welke richting vlogen die vonken?

A: Die vonken vlogen door mijn tuin de lucht in. Ook gingen ze wel door de wind in

de richting van de tuin van [slachtoffer 1].

(…) Ik heb zelf ook een brandweer opleiding genoten. Op het platvorm ben ik namelijk brandweercommandant.

V: Wie heeft het vuur in het vat aangemaakt?

A: Een van mijn vrienden. Dat waren [medeverdachte 2] en [verdachte].

(…)

V: Hoe hoog kwamen die dag de vonken boven het vat uit?

A: Enige meters. Het was die avond slecht weer. Het regende af en toe en het waaide

behoorlijk.

V: In welke richting vlogen die vonken?

A: In mijn tuin en in de richting van [slachtoffer 1].

V: Getuigen hebben verklaard dat het hout boven het vat uit stond, dat de vlammen

boven het vat uit sloegen en dat de vonken meters hoog de lucht in vlogen in de

richting van de tuin van [slachtoffer 1]. Wat kun jij daarover verklaren.?

A: Dat klopt.

(…)

V: Op de foto’s is duidelijk te zien dat de vlammen een meter boven de ton uit kwamen

en dat er een tapijt van vonken de lucht in ging. Wat kun jij daarover verklaren?

A: Dat klopt.

(…)

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 31 december 2014 t/m 1 januari 2015 te Harlingen, tezamen en in vereniging met anderen, aanmerkelijk onvoorzichtig en onachtzaam, in de achtertuin van de woning [straatnaam] te Harlingen, een of meer stukken hout in brand heeft gestoken en heeft verbrand, (mede) ten gevolge waarvan het aan verdachtes en de schuld van zijn medeverdachten te wijten is geweest dat een (deel van een) naburige schutting en een polyester (afdek)golfplaat en een daar in de (achter)tuin van de woning [straatnaam] te Harlingen opgeslagen hoeveelheid hout, toebehorende aan [slachtoffer 1], geheel of gedeeltelijk zijn verbrand, en daardoor gemeen gevaar voor de woning [straatnaam] te Harlingen en een of meerdere andere naburige woning(en) en een of meerdere naburige schuur/schuren, en voor naburig/belendend opgeslagen bouwmateriaal en/of ander(e) hout(blokken), is ontstaan.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van een aan zijn schuld te wijten brand, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen ontstaat.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft aangegeven het niet eens te zijn met de strafeis.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie en de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De hoogte van de straf wordt vooral bepaald door de mate van schuld van verdachte aan het ontstaan van de brand. De rechtbank overweegt hiertoe dat bij verdachte sprake is geweest van een relatief mindere mate van schuld dan bij de medeverdachte in wiens tuin de vuurton is gebruikt, omdat zijn aandeel beperkt is gebleven tot het gooien van hout in de brandende vuurton en niet blijkt dat hij over dezelfde kennis beschikte ten aanzien van de situatie op het erf van [straatnaam] te Harlingen, noch dat hij ervaring heeft als brandweerman en over de bijbehorende kennis beschikte. De rechtbank is van oordeel dat verdachte voor het ontstaan van de brand een aanmerkelijk verwijt kan worden gemaakt. Daarbij komen voorts de gevolgen voor aangever en zijn partner. Volgens de slachtofferverklaringen ondervinden zij nog dagelijks psychische gevolgen van deze brand.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 juli 2017, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening gehouden met het aanzienlijke tijdsverloop tussen het plegen van het feit en de berechting. Dit maakt dat de rechtbank verdachte geen taakstraf zal opleggen, maar een geldboete. Dit zal evenwel een aanzienlijke geldboete zijn, gezien de ernst van het feit en de mate van het verwijt dat de rechtbank verdachte maakt.

De rechtbank is van oordeel dat een geldboete van € 1.000,- te vervangen door 20 dagen hechtenis bij niet betalen, passend en geboden is.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 472,18 ter vergoeding van materiële schade en € 300,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 336,84, hoofdelijk, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, gevorderd. Met betrekking tot het gevorderde bedrag aan materiële schade, € 472,18, is de officier van justitie van oordeel dat dit gematigd moet worden, omdat de schade door een expert van de verzekeringsmaatschappij is vastgesteld op een bedrag van € 2.200,00 wat als uitgangspunt moet worden genomen.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft aangevoerd het gevorderde bedrag aan immateriële schade onnodig te vinden.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. Wel is de rechtbank van oordeel dat het bedrag gematigd moet worden en overweegt hiertoe het volgende. De benadeelde partij heeft een offerte op laten stellen voor het herstellen van de schade welke is berekend op een bedrag van € 2.635,34. Ten behoeve van een vergoeding door de verzekeringsmaatschappij is de schade door een schade-expert vastgesteld op € 2.200,00, welk bedrag door de verzekering is uitgekeerd aan de benadeelde partij. De rechtbank is van oordeel dat, nu het resterende bedrag van de offerte, te weten

€ 435,34, niet als schade door de schade-expert is vastgesteld, de vordering ter hoogte van dat bedrag moet worden afgewezen.

De vordering zal voor het overig gevorderde, te weten de telefoonkosten en de kosten van de foto’s, worden toegewezen, te weten een bedrag van € 36,84. De rechtbank acht daarnaast een bedrag van € 300,- als immateriële schade allerzins redelijk en zal ook dit bedrag toewijzen. Daarmee komt het toe te wijzen deel van de vordering op een totaalbedrag van

€ 336,84, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 december 2014.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 23, 24c, 36f, 47, 158 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 1.000,- (zegge: duizend euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 336,84 (zegge: driehonderdzesendertig euro en vierentachtig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 december 2014, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 336,84 (zegge: driehonderdzesendertig euro en vierentachtig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 6 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 36,84 aan materiële schade en € 300,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Bunk, voorzitter, mrs. N.A. Vlietstra en G.C. Koelman rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 september 2017.

Mr. K. Bunk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.