Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4319

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4507
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

IB/PVV 1990-2000. Eiser ontkent tevergeefs bankrekening te hebben (gehad) bij de KB-Lux. Vereiste aangifte niet gedaan. Aanslagen redelijk geschat. Terecht verhogingen en boetes opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2797
Viditax (FutD), 22-11-2017
FutD 2017-2980
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 15/4507 t/m 15/4523 en 17/146 t/m 17/149

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Leeuwarden, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming, de Minister.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met de hierna te vermelden dagtekeningen

de volgende navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) en vermogensbelasting (VB) opgelegd en heeft op de door eiser daartegen ingediende bezwaren op de hierna te melden data uitspraak op bezwaar gedaan.

Navorderingsaanslag

Jaar

Dagtekening aanslag

Dagtekening uitspraak op bezwaar

Zaaknummer

IB/PVV

1990

13-12-2002

09-10-2015

15/4507

IB/PVV

1991

31-05-2003

09-10-2015

15/4508

IB/PVV

1992

31-05-2003

09-10-2015

15/4509

IB/PVV

1993

31-05-2003

09-10-2015

15/4510

IB/PVV

1994

31-05-2003

09-10-2015

15/4511

IB/PVV

1995

31-05-2003

09-10-2015

15/4512

IB/PVV

1996

07-06-2003

09-10-2015

15/4513

IB/PVV

1997

07-06-2003

09-10-2015

15/4514

IB/PVV

1998

28-10-2004

07-12-2016

17/146

IB/PVV

1999

28-10-2004

07-12-2016

17/147

VB

1991

13-12-2002

09-10-2015

15/4516

VB

1992

31-05-2003

09-10-2015

15/4517

VB

1993

31-05-2003

09-10-2015

15/4518

VB

1994

31-05-2003

09-10-2015

15/4519

VB

1995

31-05-2003

09-10-2015

15/4520

VB

1996

31-05-2003

09-10-2015

15/4521

VB

1997

31-05-2003

09-10-2015

15/4522

VB

1998

31-05-2003

09-10-2015

15/4523

VB

1999

30-10-2004

07-12-2016

17/148

VB

2000

30-10-2004

07-12-2016

17/149

Daarnaast heeft verweerder aan eiser met dagtekening 22 oktober 2004 een aanslag IB/PVV voor het jaar 2000 opgelegd en heeft verweerder op het door eiser daartegen ingediende bezwaar op 9 oktober 2015 uitspraak gedaan (zaaknummer 15/4515).

Verweerder heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB voor de jaren 1990 tot en met 1997 opgelegd met een verhoging van 100 percent zonder kwijtschelding van die verhoging te verlenen. Gelijktijdig met het opleggen van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 en VB voor de jaren 1998 tot en met 2000 heeft verweerder boetebeschikkingen genomen van 100% het bedrag van die navorderingsaanslagen. Tevens heeft verweerder bij alle (navorderings)aanslagen bij beschikking heffingsrente aan eiser in rekening gebracht.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een tweetal verweerschriften ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting in voormelde zaken heeft gelijktijdig plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Eiser is verschenen, vergezeld van zijn partner [Y] en bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] . Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift aan deze uitspraak is gehecht.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Eiser, [A B] [X] , is geboren op [dag/maand ] 1949. In de onderhavige jaren woonde eiser ongehuwd samen met [C D] [Y] , geboren op [dag/maand ] 1952.

1.2

Eiser exploiteerde tot 15 januari 1999 in de vorm van een eenmanszaak een slagerij te [plaats] . Vanaf 16 augustus 1999 exploiteerde eiser, tezamen met mevrouw [Y] , te [plaats] een cafébedrijf onder de naam [cafébedrijf] . Wegens gezondheidsredenen van eiser hebben eiser en mevrouw [Y] dit bedrijf eind 2000 verkocht.

1.3

Bij brief van 27 oktober 2000 heeft de Bijzondere belastinginspectie te België spontaan inlichtingen verstrekt aan de Belastingdienst, bestaande uit fotokopieën van microfiches met gegevens over rekeningen bij Kredietbank Luxembourg (hierna: KB-Lux) op naam van inwoners van Nederland (hierna: de microfiches). In de begeleidende brief en in de daarbij gevoegde nota is, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"In het kader van de regeling "spontane uitwisseling van inlichtingen" heb ik de eer u hierbij een nota toe te zenden betreffende inlichtingen over inwoners van uw land. (…)

Hierbij worden u fotokopieën van microfiches overgemaakt die afkomstig zijn uit het gerechtelijk dossier lastens KREDIETBANK NV en die in origineel in beslag werden genomen door de gerechtelijke politie van Brussel. Deze microfiches bevatten gegevens in verband met financiële rekening(en) bij de KREDIETBANK LUXEMBOURG (KB-LUX) op naam van inwoners van uw land. (…)

Deze zending bevat fotocopieën van de afgedrukte microfiches: (…)

De gegevens zijn afkomstig uit de interne administratie/boekhouding van KB Lux. De onderverdeling per nationaliteit is door KB/Lux zelf gemaakt. Vermits per klant slechts een beperkt aantal gegevens beschikbaar zijn (naam en eventueel naam van de partner, voornamen) zal het niet steeds mogelijk zijn de identificatie van de klant met 100% zekerheid te bepalen. Beide vermeldingen maken een oordeelkundig gebruik van de overgemaakte informatie noodzakelijk. (…) "

1.4

De Belastingdienst/FIOD heeft na ontvangst van de microfiches een onderzoek ingesteld naar de identiteit van de rekeninghouders waarvan de gegevens op de afdrukken van de microfiches waren vermeld. Dit onderzoek is later bekend geworden als het Rekeningenproject.

1.5

Op de van de Bijzondere belastinginspectie te België ontvangen fotokopie van een microfiche staan onder andere de volgende gegevens vermeld:

"JUSTIFICATIF DES SOLDES PAR RUBRIQUES IML AU 31/01/1994"

en

"53- [rekeningnummer] -61-0000 00 0040 TER LDO [A] [X] OU MME [C] [Y] 266.714,47"

en

"52- [rekeningnummer] -34-0000 00 0040 VUE [A] [X] OU MME [C] [Y] 59.030,07".

1.6

Verweerder heeft het totale saldo op 31 januari 1994 op de bij 1.5 bedoelde rekeningen bij de KB-Lux berekend op ƒ 325.744,54 (€ 147.816,42), uitgaande van de op de microfiches vermelde saldo’s en valutacodes. De rekening met de aanduiding “VUE” is een zichtrekening. De rekeningen, die eindigen op het nummer 0040, luiden in Nederlandse guldens.

1.7

In een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling van [ambtenaar] , ambtenaar van de Belastingdienst/FIOD-ECD, gedagtekend 7 oktober 2002, is onder meer opgenomen:

"Betreft: Onderzoek naar de identiteit van de rekeninghouder van de rekening bij de Kredietbank Luxembourg t.n.v.

[A] [X] ou Mme [C] [Y]

Ik,

[ambtenaar] ,

ambtenaar van de Belastingdienst, werkzaam bij de FIOD-ECD/kantoor Haarlem en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, aktenummer 5111928 /0 Dha, verklaar het volgende.

Door mij is een onderzoek ingesteld naar de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Kredietbank Luxembourg (hierna KB Lux).

Op verzoek van de FIOD Opsporingsinformatie Haarlem zijn door B/KIR (Belastingdienst, Kenniscentrum Identificatie Renseigneringsstromen) de gegevens van Nederlandse rekeninghouders op de afdrukken van de microfiches van de KB Lux verwerkt in een bestand (hierna genoemd: cliëntenbestand KB Lux).

De rekeninghouders staan hier op verschillende manieren vermeld:

a. a) Voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

b) Voornamen (doop c.q. geboortenamen) met achternaam

c) Voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan gevolgd worden door

1) Een liggend streepje en een tweede achternaam

2) Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

3) Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

Elk van deze mogelijkheden kan weer gevolgd worden door

I. Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voornaam (doop c.q. geboortenaam) met achternaam

II. Het Franse woord “ou” (of) gevolgd door voorletter met achternaam

In geval van mogelijkheid 2 of 3 worden de rekeninghouders veelal aangeduid met hun aanspreektitel

M (= Monsieur)

Mme (= Madamme)

Melle (= Mademoiselle)

Het cliëntenbestand KB Lux is door B/KIR gematcht met het BVR-bestand (Beheer van Relaties), een bestand van de Belastingdienst, waarin alle natuurlijke- en rechtspersonen zijn opgenomen die in Nederland wonen of zijn gevestigd. Tevens zijn in het BVR-bestand opgenomen alle natuurlijke- en rechtspersonen die in het buitenland wonen of zijn gevestigd en in Nederland belastingplichtig zijn. Het BVR-bestand wordt voor wat betreft de natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. In het BVR-bestand blijven historische gegevens bewaard. Opgemerkt wordt dat in het BVR-bestand de natuurlijke personen zijn opgenomen met voorletters en niet met voornamen.

Indien een rekening meer dan één rekeninghouder heeft, is er uit het BVR-bestand door B/KIR de volgende selectie gemaakt waarbij de voorwaarde is gesteld dat de (eerste) voorletter zoals die in het BVR-bestand staat vermeld bij ten minste één van de achternamen overeenkomt met de eerste letter van de voor c.q. doopnaam (letter) zoals die op de microfiches staat vermeld.

a. a) alle combinaties van beide achternamen waarbij in BVR de relatie gehuwd (met) staat vermeld.

b) alle combinaties van beide achternamen die in BVR op hetzelfde adres wonen (hebben gewoond)

c) alle combinaties van beide achternamen die in BVR onder hetzelfde dossiernummer staan (stonden) vermeld.

Tot slot zijn de gevonden sofinummers gekoppeld aan het bestand van het Centrale rijbewijzen- en Bromfietscertificatenregister (CRB), in welk bestand de sofinummers, de voornaam en de geslachtsnaam van alle natuurlijke personen met een rijbewijs of een bromfietscertificaat zijn opgenomen en welk bestand is aangekocht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna genoemd: RDW-bestand).

Door de FIOD-ECD/kantoor Haarlem/afdeling Digitaal Ondersteuningsteam is uit het door B/KIR gemaakte bestand een nadere selectie gemaakt. Alleen die combinaties van namen zijn in de selectie ter nadere identificatie opgenomen waarbij er of géén voornaam na matching met het RDW-bestand bekend was, dan wel na matching de voornaam uit het RDW-bestand gelijk was aan de voornaam van het cliëntenbestand KB Lux.

(…)

Op basis van het voorgaande verklaar ik, verbalisant, het volgende:

1. Op de afdruk van de microfiche van de KB Lux komt onder meer voor de naam: [A] [X] ou Mme [C] [Y] .

2. Uit de match van het cliëntenbestand KB Lux met het BVR-bestand komt één hit voor,

waarbij [X] en [Y] als samenwonenden staan ingeschreven. Dit is [eiser]

geboren op [dag/maand ] -1949 met sofinummer [sofinummer] en [Y] ,

geboren op [dag/maand ] -1952 met sofinummer [sofinummer] .

3. uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de voornaam van [eiser] is: [A]

4. uit de match van het BVR-bestand met het RDW-bestand zie ik dat de voornaam van

[Y] is: [C]

5. Verder zie ik in het BVR-bestand dat de huwelijkse staat onbekend is.

Conclusie.

Uit de match van de rekeninghouder(s), zoals vermeld op de microfiches van de KB Lux met de Belastingdienst ten dienste staande landelijke bestanden, komt slechts de combinatie [A B] [X] met [C D] [Y] als rekeninghouder in aanmerking, zoals die onder voornoemd punt 2 staat vermeld.

Opgemaakt op ambtseed, gesloten en getekend te Haarlem op 07 oktober 2002."

1.8

Eiser heeft voor de onderhavige jaren aangifte gedaan voor de IB/PVV en VB. In deze aangiften heeft eiser geen buitenlands vermogen of genoten inkomsten daaruit aangegeven.

1.9

Verweerder heeft met dagtekening 18 januari 2002 een vragenbrief naar eiser gestuurd. Hierin deelt verweerder aan eiser mee dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat eiser houder is (geweest) van in het buitenland aangehouden bankrekeningen. In de vragenbrief wordt verzocht om de bij die brief gevoegde “Verklaring buitenlandse bankrekeningen” in te vullen, te ondertekenen en vóór 25 januari 2002 te retourneren. Eiser heeft deze verklaring met dagtekening 24 januari 2002 ondertekend en geretourneerd met de vermelding: “Heb geen rekening in Buitenland”.

1.10

Met dagtekening 7 februari 2002 heeft verweerder een aankondigingsbrief naar eiser gestuurd. In die brief deelt verweerder aan eiser mee dat hij van plan is om een boekenonderzoek bij eiser in te stellen naar de aanvaardbaarheid van de aangiften IB/PVV en premieheffing Waz voor de jaren 1990 tot en met 2000. Verweerder verzoekt eiser ervoor te zorgen dat onder meer de bank- en girobescheiden van de zowel in het binnen- als in het buitenland aangehouden (spaar)rekeningen, beleggingsrekeningen tijdens het onderzoek aanwezig zijn. Dit aangekondigde boekenonderzoek heeft op 19 februari 2002 plaatsgevonden op het adres van accountantskantoor [H] . Het onderzoek heeft zich beperkt tot de vraag of, en zo ja in hoeverre, de rente en vermogensbestanddelen van buitenlandse bankrekeningen in de aangiften IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 1997 en VB 1991 tot en met 1998 zijn verwerkt. Van dit onderzoek zijn een gespreksverslag en met dagtekening 21 mei 2003 een rapport opgemaakt. Volgens het gespreksverslag heeft eiser andermaal ontkend één of meerdere bankrekeningen in het buitenland te hebben (gehad). Hierop hebben de controle-ambtenaren eiser voorgehouden dat, nu hij blijft bij deze ontkenning, er blijkbaar iemand anders op zijn naam en die van zijn partner één of meerdere rekeningen aanhoudt in het buitenland. De controle-ambtenaren hebben een voorbeeldbrief uitgedraaid voor het opvragen van gegevens met betrekking de bedoelde bankrekeningen in het buitenland. Eiser heeft deze voorbeeldbrief niet meegenomen. De controle-ambtenaren hebben eiser tot 27 februari 2002 de tijd gegeven om zelf de gegevens op de vragen bij de desbetreffende bank(en).

1.11

Omdat van eiser geen reactie werd ontvangen, hebben ambtenaren van verweerder eiser op 21 maart 2002 bezocht. Tijdens het gesprek ontkende eiser wederom dat hij houder is (geweest) van buitenlandse bankrekeningen. Er werd een afspraak gemaakt voor een nader gesprek, hetgeen verweerder bij brief van 22 maart 2002 heeft bevestigd. Op 22 maart 2002 heeft verweerder tweemaal telefonisch contact gehad met eisers voormalige gemachtigde, mevrouw [I] , verbonden aan accountantskantoor [H] . Zij heeft hierbij meegedeeld dat er in september 1980 in [T] is ingebroken in de auto van eiser. Hierbij zijn onder andere eisers kentekenbewijs, rijbewijs en paspoort gestolen, aldus de mededeling van mevrouw [I] . Verweerder heeft naar aanleiding van deze mededeling contact opgenomen met de afdeling Burgerzaken van de gemeente [K] . Hierbij is aan verweerder een overzicht verstrekt van aan eiser en zijn partner afgegeven rijbewijzen en paspoorten. Volgens dit overzicht is op 7 juni 1991 een paspoort afgegeven. Op het aanvraagformulier staat dat het oude paspoort in december 1980 was afgegeven. Dit is bij de afgifte van het nieuwe paspoort op 7 juni 1991 ongeldig gemaakt en aan eiser teruggeven.

1.12

Op 25 maart 2002 zijn eiser en zijn partner bij verweerder op kantoor geweest. Zij hebben de afspraak voor 28 maart 2002 geannuleerd. Tijdens een op 27 maart 2002 gehouden telefoongesprek heeft mevrouw [I] meegedeeld dat eiser ook zelf contact zal opnemen met de gemeente en op 24 april 2002 heeft zij meegedeeld dat zij geen reactie meer heeft gekregen van eiser. Op 26 april 2002 heeft eiser desgevraagd aan verweerder meegedeeld dat hij nog geen actie richting de gemeente heeft ondernomen.

1.13

Bij brief van 24 mei 2002 verstrekt verweerder naar aanleiding van een op 8 mei 2002 met hen gehouden telefoongesprek de naam en het adres van de buitenlandse bank, zijnde de KB-Lux, waar eiser volgens verweerder bankrekeningen zou hebben. Tevens voegt verweerder een voorbeeldbrief bij voor het opvragen van gegevens bij deze bank. Bij brief van 21 juni 2002 verstrekt verweerder naar aanleiding van een met eiser en zijn partner gehouden telefoongesprek ook het rekeningnummer waaraan de bankrekeningen zijn gekoppeld. Verweerder stelt eiser hierbij nogmaals in de gelegenheid om de gegevens bij de KB-Lux op te vragen. Op 24 juni 2002 heeft eiser telefonisch meegedeeld dat hij niet van plan is de gegevens bij de KB-Lux op de vragen.

1.14

Bij brief van 21 oktober 2002 licht verweerder eiser in over zijn voornemens met betrekking tot de belastingheffing inzake de volgens verweerder door eiser in de afgelopen jaren in het buitenland aangehouden banktegoeden. Verweerder deelt mee dat hij, om te voorkomen dat het aantal belastingaanslagen de zaak onoverzichtelijk maakt, niet meteen over alle mogelijke jaren en voor alle mogelijke belastingen aanslagen zal opleggen. Verweerder deelt verder mee dat hij in het jaar 2002 waarschijnlijk onder meer navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1990, 1994 en 1997 zal opleggen en, indien nog niet opgelegd, een aanslag IB/PVV voor het jaar 1999, alsmede navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1991 en 1995 en, indien nog niet opgelegd, een aanslag 2000. Eiser wordt hierbij nog voor de laatste maal in de gelegenheid gesteld om gegevens te verstrekken over de bankrekeningen bij de KB-Lux. Bij brief van 12 november 2002 herhaalt verweerder het in zijn brief van 21 oktober 2002 reeds vermelde voornemen en stelt eiser voor de allerlaatste maal in de gelegenheid om tot 19 november 2002 de gevraagde gegevens te verstrekken.

1.15

Bij brief van 25 november 2002 stelt verweerder eiser in kennis van zijn voornemen om aan hem voor het jaar 1990 een navorderingsaanslag IB/PVV en voor het jaar 1991 een navorderingsaanslag VB op te leggen wegens het aanhouden van bankrekening(en) bij de KB-Lux. Tevens brengt verweerder eiser hierbij op de hoogte van zijn voornemen om deze navorderingsaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Als bijlage heeft verweerder bij deze brief een afschrift van het bij 1.7 bedoelde proces-verbaal van ambtshandeling gevoegd. Eiser heeft telefonisch gereageerd op deze brief. Bij brief van 13 december 2002 deelt verweerder mee dat eisers reactie hem geen aanleiding geeft om zijn standpunt te herzien.

1.16

Met dagtekening 13 december 2002 heeft verweerder aan eiser de aangekondigde navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 1990 en VB voor het jaar 1991 opgelegd met een verhoging van 100%.

1.17

Bij brief van 2 mei 2003 stelt verweerder eiser in kennis van zijn voornemen om aan eiser wegens het aanhouden van bankrekeningen bij de KB-Lux (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1997 en VB voor de jaren 1992 tot en met 1998 op te leggen. Tevens brengt verweerder eiser hierbij op de hoogte van zijn voornemen om deze navorderingsaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Eiser heeft telefonisch gereageerd op deze brief. Bij brief van 20 mei 2003 deelt verweerder mee dat eisers reactie hem geen aanleiding geeft om zijn standpunt te herzien. Hierbij meldt verweerder onder meer:

“Het is mogelijk dat u bij deze mededeling niet alle aanslagbiljetten van de aanslagen die genoemd zijn in de eerste alinea aantreft. De ontbrekende aanslagbiljetten zijn geautomatiseerd aangemaakt en worden u apart toegezonden”.

en

“Bezwaar

Als u het niet eens bent met de navorderingsaanslagen en de boeten, kunt u een bezwaarschrift indienen. U hoeft daarmee niet te wachten op de ontvangst van de wel in deze brief meegedeelde maar eventueel nu nog niet door u ontvangen aanslagen”.

1.18

Met dagtekening 31 mei 2003 heeft verweerder aan eiser de aangekondigde navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1995 en VB voor de jaren 1992 tot en met 1998 opgelegd met een verhoging van 100%. En met dagtekening 7 juni 2003 heeft verweerder de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1996 en 1997 opgelegd met een verhoging van 100%.

1.19

Bij brief van 30 september 2004, met het kenmerk 101/16362561, stelt verweerder eiser in kennis van zijn voornemen om aan eiser (navorderings)aanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 tot en met 1999 en VB voor de jaren 1999 tot en met 2000 op te leggen wegens het aanhouden van bankrekening(en) bij de KB-Lux. Tevens brengt verweerder eiser hierbij op de hoogte van zijn voornemen om deze navorderingsaanslagen te verhogen met een boete van 100%. Bij brief van 11 oktober 2004 deelt verweerder mee dat eisers reactie hem geen aanleiding geeft om zijn standpunt te herzien. Hierbij meldt verweerder onder meer:

“Het is mogelijk dat u bij deze mededeling niet alle aanslagbiljetten van de aanslagen die genoemd zijn in de eerste alinea aantreft. De ontbrekende aanslagbiljetten zijn geautomatiseerd aangemaakt en worden u apart toegezonden”.

en

“Bezwaar

Als u het niet eens bent met de navorderingsaanslagen en de boeten, kunt u een bezwaarschrift indienen. U hoeft daarmee niet te wachten op de ontvangst van de wel in deze brief meegedeelde maar eventueel nu nog niet door u ontvangen aanslagen”.

Bij separate brief van 30 september 2004, eveneens met het kenmerk 101/16362561, deelt verweerder aan eiser mee dat hij de aangifte IB/PVV voor het jaar 2000 in behandeling heeft genomen. Verweerder deelt mee dat hij van eisers aangifte is afgeweken wegens het niet vermelden van de bankrekening(en) bij de KB-Lux in de aangifte. Tevens brengt verweerder eiser hierbij op de hoogte van zijn voornemen om deze belastingaanslag te verhogen met een boete van 100%. Bij brief van 11 oktober 2004 deelt verweerder mee dat eisers reactie hem geen aanleiding geeft om zijn standpunt te herzien. Deze brief luidt – behoudens de aanduiding van de aanslag – hetzelfde als de bij 1.19 bedoelde brief van 11 oktober 2004.

1.20

Met dagtekening 22 oktober 2004 heeft verweerder aan eiser de aangekondigde aanslag IB/PVV voor het jaar 2000 opgelegd.

1.21

Met dagtekening 28 oktober 2004 heeft verweerder aan eiser de aangekondigde navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 opgelegd. En met dagtekening 30 oktober 2004 de aangekondigde navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1999 en 2000. Bij elk van deze navorderingsaanslagen IB/PVV en VB heeft verweerder bij beschikking een boete opgelegd van 100%.

1.22

Eisers voormalige gemachtigde heeft bij brieven van 16 december 2002 bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB voor het jaar 1990 en VB voor het jaar 1991.

1.23

Bij brieven van 29 januari 2003 heeft verweerder bevestigd dat hij eisers bezwaarschriften op 17 december 2002 heeft ontvangen. Verweerder heeft eiser verzocht om in te stemmen met het aanhouden van zijn bezwaren totdat in de zogenoemde NautaDutilh-procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. Eiser heeft hiermee ingestemd.

1.24

Bij brief van 23 mei 2003 heeft eisers voormalige gemachtigde bezwaar gemaakt tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1997 en VB voor de jaren 1992 tot en met 1998. Hierbij deelt eisers voormalige gemachtigde mee dat hij instemt met het aanhouden van het bezwaarschrift totdat in de zogenoemde NautaDutilh-procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. Verweerder heeft bij brief van 10 juni 2003 bevestigd dat hij dit bezwaarschrift op 28 mei 2003 heeft ontvangen.

1.25

Bij brief van 12 oktober 2004 heeft eisers voormalige gemachtigde bezwaar gemaakt tegen “alle door u genoemde aanslagen en boete beschikkingen in uw brief d.d. 30 september 2004, uw kenmerk 101/16362561, zoals opgenomen in de “Mededeling navorderingsaanslagen en boeten wegens buitenlandse tegoeden”.”. Hierbij deelt de voormalige gemachtigde mee dat eiser akkoord gaat met het aanhouden van de bezwaren totdat in de zogenoemde NautaDutilh-procedures onherroepelijk uitspraak is gedaan. Verweerder heeft bij brief van 16 november 2004 bevestigt dat hij dit bezwaarschrift op 13 oktober 2004 heeft ontvangen. Verweerder heeft het bezwaarschrift hierbij aangemerkt als een bezwaar tegen de aanslag IB/PVV voor het jaar 2000.

1.26

Op 5 augustus 2013 heeft [ambtenaar] nogmaals een ambtsedig proces-verbaal van ambtshandeling opgemaakt. Hierin komt hij tot dezelfde conclusie als in het bij 1.7 bedoelde proces-verbaal van ambtshandeling van 7 oktober 2002.

1.27

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) heeft in een kort geding op grond van artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) – kort gezegd – op verbeurte van een dwangsom inlichtingen en gegevens van eiser gevorderd over de bankrekening(en) bij de KB-Lux. Bij vonnis van 15 november 2013 heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling privaatrecht van de rechtbank Noord-Nederland deze vordering toegewezen onder verbeurte van een dwangsom van - kort gezegd - € 5.000 per dag tot een maximum van € 500.000 is bereikt. Hierbij heeft de voorzieningenrechter aannemelijk geacht dat eiser en zijn partner een bankrekening bij de KB-Lux hebben (gehad).

1.28

In een brief van 26 november 2013 heeft de heer [politieambtenaar] , inspecteur van politie en werkzaam bij de afdeling communicatie van de politie-eenheid Noord Nederland het volgende geschreven:

Hierbij verklaar ik, [politieambtenaar] , inspecteur van Politie, dat de mij bekende [A] [X] , wonende [a-weg #] te [woonplaats] , op of omstreeks zaterdag 3 oktober 1981 aangifte heeft gedaan van vermissing van het op zijn naam staand paspoort. Tevens maakte hij melding van vermissing van zijn rijbewijs en het kentekenbewijs van zijn auto.

Deze documenten waren enkele dagen ervoor vermoedelijk ontvreemd in [T] , maar omdat vermissing van een paspoort moest worden gedaan bij de politie van de eigen woongemeente, heeft hij aan het politiebureau in [K] aangifte gedaan. Ik heb daarvan een proces-verbaal opgemaakt, waarvan een afschrift ter beschikking werd gesteld aan de gemeente [K] .

Ik was destijds postcommandant der Rijkspolitie in [K] en woonde naast het politiebureau. Vandaar dat [X] met mij een afspraak heeft gemaakt.

Hoewel lang geleden, kan ik mij deze aangifte nog herinneren, omdat ik met hem een geanimeerd gesprek heb gevoerd over een mij bekend familielid [X] , die ook bij de politie werkte.

Aldus naar waarheid verklaard voor wat betreft de aangifte. De exacte datum weet ik niet meer, maar het kan heel goed zo rond 3 oktober zijn geweest. De relatie met het tijdstip van de [T-markt] weet ik nog. Het was in ieder geval in de eerste jaren dat ik werkzaam was in [K] . Ik ben daar op 1 oktober 1979 begonnen.”

1.29

Eiser en zijn partner hebben op 2 december 2013 de KB-Lux bezocht met het verzoek om nadere stukken met betrekking tot de bankrekening [rekeningnummer] . Bij brief van 12 december 2013, gericht “Aan de rechthebbende” en betreffende “rekening nr. [rekeningnummer]” bericht de KB-Lux:

Wij berichten goede ontvangst van uw brief van 2 december 2013.

Wij wijzen u erop dat de wettelijke archiveringstermijn 10 jaar bedraagt. Na afloop van deze termijn is de Bank gerechtigd over te gaan tot de vernietiging van de documenten en stukken.

Om die reden voeren wij, afgezien van de bovenvermelde informatie, geen onderzoek uit naar verrichtingen ouder dan 10 jaar, overeenkomstig ons algemeen reglement der verrichtingen.”.

1.30

Bij brief van 16 december 2013 heeft eisers gemachtigde de KB-Lux verzocht aan te geven of eiser en zijn partner ooit cliënt zijn geweest bij de KB-Lux. Verder heeft eisers gemachtigde verzocht om in het voorkomende geval een bewijs van opzegging van de bewuste bankrekening te overleggen.

1.31

Bij brief van 22 januari 2014, gericht “Aan de rechthebbende” en betreffende “rekening nr. [rekeningnummer]” bericht de KB-Lux:

Naar aanleiding van uw verzoek bevestigen wij u hierbij dat de rekening nr. [rekeningnummer] in onze boeken werd afgesloten op datum 22 februari 2002.

Wij wijzen u erop dat de wettelijke archiveringstermijn 10 jaar bedraagt. Na afloop van deze termijn is de Bank gerechtigd over te gaan tot vernietiging van de documenten en stukken.

Om die reden voeren wij, afgezien van de bovenvermelde informatie, geen onderzoek uit naar verrichtingen ouder dan 10 jaar, overeenkomstig ons algemeen regelement der verrichtingen.”.

1.32

Bij arrest van 8 april 2014 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het bij 1.27 bedoelde vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland bekrachtigd.

1.33

Op 27 januari 2015 heeft er een hoorgesprek plaatsgevonden, waarbij eiser en zijn partner zijn gehoord. Hiervan heeft verweerder een verslag opgemaakt, waarvan hij bij brief van 13 februari 2015 een verslag aan eiser heeft gezonden. Eiser heeft hierop bij brief van 20 februari 2015 gereageerd.

1.34

Bij brief van 25 september 2015 heeft verweerder aan eiser een kennisgeving gestuurd inzake de uitspraken op de bezwaren gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 1997 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2000 alsmede de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1991 tot en met 1998. Hierbij heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat hij de zogenoemde factor van 1,5 in de schattingen zal laten vervallen en de navorderingsaanslagen dienovereenkomstig zal verminderen. Daarnaast heeft verweerder meegedeeld dat hij de boetes vanwege de overschrijding van de redelijke termijn zal verminderen met 20%.

1.35

Overeenkomstig de bedoelde kennisgeving (1.34) heeft verweerder bij uitspraken op bezwaar van 9 oktober 2015 de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 1997 en de aanslag IB/PVV voor het jaar 2000 alsmede de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1991 tot en met 1998 verminderd en de daarbij opgelegde verhogingen en boetes gedeeltelijk kwijtgescholden c.q. verminderd.

1.36

Eiser heeft op 15 juni 2016 een klacht ingediend bij verweerder wegens het uitblijven van de uitspraken op bezwaar gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 alsmede de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1999 en 2000. Hierbij heeft eiser een afschrift van het bij 1.25 bedoelde bezwaarschrift van 12 oktober 2004 gevoegd.

1.37

Nadat eiser op 2 september 2016 tevergeefs naar het belastingkantoor was gekomen voor een geplande afspraak, heeft op 9 september 2016 een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en de heer [naam] als gemachtigde van verweerder. De heer [naam] heeft voorgesteld om de uitkomst van de procedure over voorgaande jaren toe te passen op de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 alsmede de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1999 en 2000. Eiser heeft dit voorstel niet geaccepteerd.

1.38

Bij uitspraken op bezwaar van 7 december 2016 heeft verweerder de bezwaren gericht tegen navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 alsmede de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1999 en 2000 niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Hierbij is verweerder ervan uitgegaan dat eiser zijn bezwaarschrift van 12 oktober 2004 eerst op 15 juni 2016 bij hem heeft ingediend.

1.39

Verweerder heeft bij beschikkingen van 29 september 2015 de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 alsmede de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1999 en 2000 en de daarbij opgelegde boetebeschikkingen ambtshalve verminderd. Hierbij heeft verweerder de zogenoemde factor van 1,5 in de schattingen laten vervallen en de navorderingsaanslagen dienovereenkomstig verminderd. Daarnaast heeft verweerder de boetes vanwege de overschrijding van de redelijke termijn verminderd met 20%.

1.40

Verweerder heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV bij de uitspraken op bezwaar dan wel bij de ambtshalve verminderingen na toepassing van de hierna de vermelden correcties vastgesteld naar de volgende belastbare inkomens (bedragen in ƒ):

Jaar

Correctie

Belastbaar inkomen

1990

29.421

41.921

1991

27.368

41.868

1992

27.221

43.221

1993

26.987

46.242

1994

19.565

33.145

1995

20.651

38.114

1996

23.965

45.749

1997

25.667

42.634

1998

24.141

42.860

1999

35.523

88.276

2000

32.824

147.838

1.41

Verweerder heeft de navorderingsaanslagen VB bij de uitspraken op bezwaar dan wel bij de ambtshalve verminderingen na toepassing van de hierna te vermelden (afgeronde) correcties vastgesteld naar de volgende belastbare sommen (bedragen in ƒ):

Jaar

Correctie

Belastbare som

1991

416.000

416.000

1992

426.000

426.000

1993

426.000

426.000

1994

463.000

463.000

1995

458.000

458.000

1996

476.000

476.000

1997

538.000

538.000

1998

644.000

644.000

1999

715.000

715.000

2000

633.000

633.000

Geschil en beoordeling

2.1

In geschil is het antwoord op de vraag of de onderhavige navorderingsaanslagen, beschikkingen heffingsrente en boetebeschikkingen terecht en tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.

2.2

Verweerder heeft in zijn verweerschrift primair geconcludeerd dat de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 1997 en aanslag IB/PVV voor 2000 bij de bestreden uitspraken en de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 bij de ambtshalve verminderingen tot de juiste bedragen zijn vastgesteld.

2.3

Verweerder heeft in zijn verweerschrift primair geconcludeerd dat de navorderingsaanslagen VB, omdat bij de vaststelling hiervan ten onrechte geen rekening is gehouden met het belastingvrije bedrag en de inkomstenbelastingschulden, moeten worden verminderd naar de volgende belastbare vermogens en belastbare sommen (in ƒ):

Jaar

Belastbaar vermogen

Belastbare som

1991

405.000

288.000

1992

403.000

283.000

1993

390.000

265.000

1994

413.000

277.000

1995

397.000

237.000

1996

403.000

240.000

1997

452.000

286.000

1998

544.000

303.000

1999

601.000

355.000

2000

498.000

248.000

2.4

Verweerder heeft zich in zijn verweerschrift verder op het standpunt gesteld dat de bij de navorderingsaanslagen IB 1990 t/m 1992 en VB 1991 t/m 1993 opgelegde verhogingen dienen te vervallen.

2.5

Ten aanzien van de overige verhogingen en boetes heeft verweerder zich in zijn verweerschrift (primair) op het standpunt gesteld dat deze dienen te worden verminderd tot 72% van de het bedrag van desbetreffende navorderingsaanslag, zoals deze op grond van de bij 2.2 en 2.3 vermelde standpunten dienen te luiden.

Ontvankelijkheid bezwaar IB 1998 t/m 1999 en VB 1999 t/m 2000

3.1

Verweerder stelt in zijn verweerschrift dat eisers brief van 12 oktober 2004, zoals hiervoor bedoeld bij 1.25, tevens is gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 tot en met 1999 en VB voor de jaren 1999 tot en met 2000. Eiser heeft volgens verweerder dus tijdig bezwaar gemaakt tegen deze navorderingsaanslagen, hetgeen eiser beaamt. De rechtbank volgt partijen in deze rechtsopvatting. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verweerder bedoelde brief van eiser op 13 oktober 2004 heeft ontvangen, terwijl de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 op 28 oktober 2004 zijn gedagtekend en de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1999 en 2000 op 30 oktober 2004. Echter, naar het oordeel van de rechtbank mocht eiser gelet op de bij 1.19 geciteerde tekst uit de brief van 11 oktober 2004 menen dat deze navorderingsaanslagen reeds op 11 oktober 2004 tot stand waren gekomen. Ditzelfde geldt overigens ten aanzien van het bezwaar gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 2000 en – gelet op de bij 1.17 geciteerde tekst uit de brief van 20 mei 2003 - de bezwaren gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1997 en VB voor de jaren 1992 tot en met 1998.

3.2

Uit hetgeen bij 3.1 is overwogen volgt dat verweerder bij de desbetreffende uitspraken op bezwaar de bezwaren van eiser gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 tot en met 1999 en VB voor de jaren 1999 tot en met 2000 ten onrechte wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank zal deze uitspraken op bezwaar om deze reden vernietigen, zodat de hiertegen gerichte beroepen gegrond zijn.

3.3

Partijen hebben desgevraagd ter zitting gezamenlijk verklaard dat zij – in afwijking van de hoofdregel: terugverwijzen naar verweerder om opnieuw uitspraak te doen – een inhoudelijke behandeling wensen van de beroepen gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 en VB voor de jaren 1999 en 2000. Nu er voor de rechtbank geen aanleiding bestaat voor terugwijzing van de desbetreffende zaken naar verweerder, volgt de rechtbank partijen in dit gezamenlijke standpunt.

Voortvarendheid

4.1

Eiser stelt dat de navorderingsaanslagen met onvoldoende voortvarendheid zijn opgelegd. De navorderingsaanslagen moeten volgens eiser daarom worden vernietigd. Eiser wijst erop dat het identificatieproces niet al te veel tijd in beslag kan hebben genomen. Verder verzoekt eiser de rechtbank een oordeel te geven over de vertraging in de periode van 12 november 2002 tot en met 2 mei 2003 ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1991 tot en met 1997 en VB 1992 tot en met 1998. Eiser is hierbij van mening dat herhaling van zetten in deze periode van de zijde van verweerder als stilzitten, moet worden aangemerkt.

4.2

Verweerder bestrijdt dat hij niet heeft voldaan aan de voortvarendheidseis. Hierbij moet worden bedacht dat deze eis niet geldt ten aanzien van de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 1999 en de navorderingsaanslag VB voor het jaar 2000, nu deze binnen de vijfjaarstermijn zijn opgelegd. Dit geldt ook ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 1998 en VB voor het jaar 1999, nu de vijfjaarstermijn voor deze navorderingsaanslagen is verlengd met het voor het doen van aangifte verleende uitstel en deze navorderingsaanslagen binnen die verlengde termijn zijn opgelegd.

4.3

De rechtbank stelt vast dat, zoals verweerder terecht heeft aangevoerd, de navorderingsaanslagen IB/PVV 1999 en VB 2000 binnen de normale vijfjaarstermijn opgelegd, zodat de zogenoemde voortvarendheidseis voor wat betreft deze navorderingaanslagen geen rol speelt (zie Hoge Raad 14 augustus 2015, nr. 14/02491, ECLI:NL:HR:2015:2163, BNB 2015/190). Naar het oordeel van de rechtbank geldt dit ook ten aanzien van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 1998 en VB voor het jaar 1999, nu verweerder onweersproken heeft gesteld dat de vijfjaarstermijn voor deze navorderingsaanslagen is verlengd met het voor het doen van aangifte verleende uitstel en deze navorderingsaanslagen binnen die verlengde termijn zijn opgelegd.

4.4.

De overige navorderingsaanslagen zijn wel opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar. Hiervoor geldt in een geval als het onderhavige, waarin gegevens over in het buitenland ondergebracht vermogen zijn verkregen die een groot aantal in Nederland wonende personen betreffen, de Belastingdienst over voldoende tijd moet kunnen beschikken om met voldoende mate van zekerheid vast te stellen om welke individuele belastingplichtigen het gaat en vervolgens ten aanzien van de betrokken belastingplichtigen te beoordelen of, en zo ja, voor welk bedrag belasting van hen kan worden nagevorderd. In gevallen als het onderhavige kan de Belastingdienst verder in redelijkheid tot het oordeel komen dat een landelijke coördinatie en een projectmatige aanpak geboden zijn. Indien daarvoor wordt gekozen moet tevens rekening worden gehouden met de tijd die met een zodanige aanpak en coördinatie gemoeid is, waaronder begrepen de tijd die benodigd is voor het ontwikkelen van beleid voor de behandeling van individuele gevallen, ook ten aanzien van het opleggen van boeten waartoe gelet op het bepaalde in (thans) Afdeling 5.4.1 Awb ook overleg met het openbaar ministerie geboden kan zijn. Met deze werkzaamheden, waarbij ook in het belang van de betrokken belastingplichtigen zorgvuldigheid moet worden betracht, kan geruime tijd gemoeid zijn. De belastingautoriteiten hebben beoordelingsvrijheid bij de organisatie en inrichting van al deze werkzaamheden. Die vrijheid is echter niet onbegrensd. Gelet op de eisen die voortvloeien uit het recht van de Europese Unie mogen de werkzaamheden niet worden georganiseerd en ingericht op een zodanige wijze dat een voortvarende behandeling onvoldoende gewaarborgd is (Hoge Raad 28 maart 2014, nr. 13/03554, ECLI:NL:HR:2014:689). De vereiste voortvarendheid is in ieder geval niet betracht indien bij de hiervoor vermelde werkzaamheden een onverklaarbare vertraging is opgetreden van meer dan zes maanden (Hoge Raad 27 september 2013, nr. 12/00738, ECLI:NL:HR:2013:717)

4.5.

Gezien de massaliteit van het aantal te identificeren personen en de organisatie van het “Rekeningenproject” acht de rechtbank het alleszins redelijk dat de identificatie van de rekeninghouders in een aantal tranches is verlopen. De gegevens van eiser zijn in de eerste tranche, begin januari 2002, aan de desbetreffende belastingeenheid verzonden. Verweerder heeft met hetgeen hij heeft aangedragen aannemelijk gemaakt dat de Belastingdienst/FIOD hiermee voldoende voortvarend heeft behandeld.

4.6.

Vervolgens heeft verweerder eiser bij brief van 18 januari 2002 aangeschreven. Daarna heeft schriftelijk en mondeling overleg tussen partijen plaatsgevonden. Eiser stelt dat verweerder in de tijd tussen de bij 1.14 bedoelde brief van 12 november 2002 en de bij 1.17 bedoelde brief van 2 mei 2003 te lang heeft stilgezeten. De rechtbank kan eiser niet volgen, reeds omdat deze periode minder dan zes maanden beloopt. Bovendien moet worden bedacht dat verweerder in deze periode niet geheel heeft stilgezeten, nu hij met dagtekening 13 december 2002 aan eiser de bij brief van 25 november 2002 aangekondigde navorderingsaanslagen IB/PVV voor het jaar 1990 en VB voor het jaar 1991 heeft opgelegd. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij er bewust voor heeft gekozen om de overige navorderingsaanslagen op dat moment nog niet op te leggen, omdat dit enerzijds praktisch gezien onuitvoerbaar was en anderzijds om eiser de gelegenheid te bieden om alsnog ten behoeve van het vaststellen van de overige navorderingsaanslagen openheid van zaken te geven. Dit acht de rechtbank een afdoende verklaring voor de omstandigheid dat verweerder heeft gewacht met het opleggen van de overige navorderingsaanslagen (vergelijk Hoge Raad 13 oktober 2017, nr, 17/00226, ECLI:NL:HR:2017:2601, r.o. 3.3.3). Nog daargelaten dat uit de vaststaande feiten niet kan worden opgemaakt dat in de periode van 12 november 2002 tot en met 2 mei 2003 sprake is geweest van een herhaling van zetten, kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij het versturen van herhalingsbrieven niet worden verweten dat hij op dat moment stilzit. Door het versturen van deze brieven betracht verweerder veeleer de nodige zorgvuldigheid door eiser alle gelegenheid te bieden om gemotiveerd verweer te voeren dan wel openheid van zaken te geven. Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank eisers stelling dat de navorderingsaanslagen met onvoldoende voortvarendheid zijn opgelegd.

Omkering bewijslast

5.1

Eiser stelt dat hij voor alle onderhavige jaren de vereiste aangiften IB/PVV en VB heeft gedaan. Volgens eiser heeft hij voldoende aannemelijk gemaakt dat hij geen bankrekeningen heeft gehad bij de KB-Lux. Er was sprake van identiteitsfraude, aldus eiser. Hiervoor bestaan, zo stelt eiser, sterke aanwijzingen, gelet op de inbraak in zijn auto in de nacht van 28 op 29 september 1980 te [T] , waarbij onder meer de paspoorten van eiser en zijn partner zijn gestolen. Met gebruikmaking van die paspoorten zijn de rekeningen bij de KB-Lux kennelijk door een derde geopend. Zelf was hij niet in staat om een dusdanig groot vermogen te vormen. Het bij 1.5 bedoelde microfiche kan volgens eiser niet als bewijs worden gebruikt, omdat het onrechtmatig is verkregen.

5.2

Verweerder stelt dat eiser de vereiste aangiften niet heeft gedaan. Verweerder voert aan dat eiser (heeft) beschikt over bankrekeningen bij de KB-Lux, waarvan hij het tegoed niet heeft vermeld in zijn aangiften IB/PVV en VB. Verweerder verwijst naar het bij 1.5 bedoelde microfiche en het identificatieonderzoek, zoals vastgelegd in het bij 1.7 bedoelde ambtsedig proces-verbaal van 7 oktober 2002. Verweerder acht het volstrekt onaannemelijk dat sprake is van identiteitsfraude. Gezien de omvang van het op 31 januari 1994 aanwezige vermogen (ƒ 325.744,54), stelt verweerder dat dit vermogen zowel geheel het jaar 1994 als ook in de jaren na 1994 eiser ter beschikking stond. Daarnaast stelt verweerder dat op geen enkele wijze is gebleken dat dit vermogen plotseling op 31 januari 1994 is ontstaan, zodat er vanuit moet worden gegaan dat eiser ook vóór 1994 hierover beschikte. Hierbij heeft verweerder het op 31 januari 1994 aanwezige vermogen teruggerekend aan de hand van een door hem geschat rentepercentage. Dit rentepercentage bestaat uit een mix van een aantal verschillende rentecomponenten en is lager dan het rentepercentage dat de KB-Lux voor die jaren hanteerde. Het vermogen na 1994 heeft verweerder met dit geschatte rentepercentage en rekening houdend met een herbelegging van rente, opgerent. Gezien de aldus in bijlage 39 bij het verweerschrift in de zaken 15/4507 tot en met 15/4523 berekende ontvangen jaarlijkse rente en de jaarlijkse stand van het buitenlandse vermogen, stelt verweerder dat eiser zowel absoluut als relatief gezien meer belasting is verschuldigd dan uit zijn aangiften IB/PVV en VB blijkt.

5.3

De rechtbank overweegt dat voor de inkomsten- en vermogensbelasting geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting en eiser hiervan ten tijde van het doen van de aangifte dit wist of zich ervan bewust had moeten zijn (vgl. onder andere HR 30 oktober 2009, nr. 07/10513, ECLI.NL.HR.2009:BH1083). Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de hiervoor bedoelde gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Indien sprake is van een gecombineerde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, is in dit verband het gezamenlijk bedrag van de verschuldigde belasting en premie bepalend. Verder overweegt de rechtbank dat tot de normale regels van de stelplicht en bewijslast ook het bewijs door middel van vermoedens behoort. Wanneer ten nadele van eiser een bepaald vermoeden wordt aangenomen, ligt het op zijn weg dit vermoeden te ontzenuwen, waarbij eiser niet aannemelijk dient te maken dat het vermoeden onjuist is, maar hij kan volstaan met twijfel zaaien omtrent de juistheid van het vermoeden (vgl. onder andere HR 25 oktober 2002, nr. 36.898, ECLI:NL:HR:2002:AE9354 en HR 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63).

5.4

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de microfiches en het identificatieonderzoek, zoals vastgelegd in het ambtsedig proces-verbaal van 7 oktober 2002, het bewijsvermoeden kan worden aangenomen dat eiser gerechtigd is tot het saldo op de bankrekeningen bij KB-Lux.

5.5

De rechtbank heeft bij haar bij 5.4 gegeven oordeel eisers stelling dat de microfiches onrechtmatig zijn verkregen en daarom niet mogen worden gebruikt, verworpen. Hierbij overweegt de rechtbank dat de voor het bewijs gebezigde afdrukken van microfiches door de Belgische belastingautoriteit aan de Nederlandse Belastingdienst zijn verstrekt op basis van artikel 4 van Richtlijn 77/799/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen. Er bestaat onvoldoende aanwijzing dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding of bemachtiging van de microfiches. Ook anderszins bestonden voor de Nederlandse Belastingdienst geen redenen aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht was geschonden, dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van de gegevens van de microfiches ontoelaatbaar moet worden geoordeeld. De omstandigheid dat het bewijsmateriaal door diefstal of verduistering, gepleegd door particulieren, is verkregen, staat niet in de weg aan gebruik van dat materiaal in een fiscale procedure. Daarnaast is niet gebleken dat Nederlandse overheidsdienaren betrokken zijn geweest bij een onregelmatigheid, zoals diefstal of verduistering van de documenten van KB-Lux, of dat zij op andere wijze onrechtmatig gedrag van werknemers of ex-werknemers van KB-Lux hebben geïnitieerd of gefaciliteerd. Indien al zou moeten worden aangenomen dat de Belgische autoriteiten zich in het kader van het in handen krijgen van de microfiches onrechtmatig hebben gedragen, kan evenmin worden gezegd dat de gegevens door de Nederlandse Belastingdienst zijn verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht (vergelijk Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43 050, ECLI:NL:HR:2008:BA8179).

5.6

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook overigens geen enkele twijfel gezaaid omtrent de juistheid van het bij 5.4 bedoelde bewijsvermoeden. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het op zijn weg had gelegen om op te helderen dat hij in weerwil van de vermelding op de afdruk van het microfiche geen rekening aanhoudt of heeft aangehouden bij de KB-Lux. Eiser heeft weliswaar gesteld dat sprake is van identiteitsfraude, maar heeft daarvoor naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concrete aanwijzingen naar voren gebracht. Ter onderbouwing van deze stelling had eiser direct toen hij van de op zijn naam staande rekening vernam in 2002 informatie bij de KB-Lux op kunnen te vragen, waardoor de door eiser gestelde identiteitsfraude feitelijk aan het licht had kunnen komen. Niet valt in te zien waarom eiser, ook al zou sprake zijn van identiteitsfraude, als de op het microfiche vermelde rekeninghouder niet de mogelijkheid had om informatie bij de KB-Lux op te vragen. Hierbij neemt de rechtbank voorts in aanmerking dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat de KB-Lux, ondanks het gestelde in de bij 1.29 en 1.31 bedoelde brieven, nog altijd bereid is om, soms tegen betaling, gegevens uit oudere jaren te verstrekken. Eiser is diverse malen door verweerder, eventueel met gebruikmaking van een voorbeeldbrief, zelfs laatstelijk nog in maart van dit jaar, in de gelegenheid gesteld om deze gegevens de verstrekken. Dat eiser de bankrekeningen naar eigen zeggen niet vertrouwde, acht de rechtbank, mede gelet op het zwaarwegende belang van eiser om niet als gerechtigde tot de rekeningen aangemerkt te worden, een onvoldoende verklaring voor zijn aanhoudende weigering om van deze door verweerder geboden gelegenheid gebruik te maken. Tegen deze achtergrond passeert de rechtbank het door eisers gemachtigde eerst ter zitting gedane bewijsaanbod om alsnog informatie over de bankrekeningen bij de KB-Lux inzake de onderhavige jaren op te vragen. Hier komt bij dat eiser ter zitting zelf heeft verklaard dat hij het nut hiervan niet inziet, omdat hij die informatie toch niet zal krijgen. Daarnaast heeft de rechtbank hierbij in aanmerking genomen dat verweerders gemachtigde ter zitting, onweersproken en met bescheiden onderbouwd, heeft verklaard dat het volgens zijn ervaring voorkomt dat de KB-Lux op aangeven van de rekeninghouder op dezelfde dag twee brieven aan de rekeninghouder verstuurt: een brief met de informatie over de rekening en een brief, gericht aan de rechthebbende, waarin staat dat er geen informatie meer voorhanden is. Zou eiser laatstbedoelde brief overleggen, dan zou hieraan, gelet op verweerders verklaring, naar het oordeel van de rechtbank geen gewicht kunnen worden toegekend.

5.7

De rechtbank acht ook het vermoeden gerechtvaardigd dat, gezien de aanzienlijke omvang van het op 31 januari 1994 aanwezige vermogen (ƒ 325.744,54) en gelet op hetgeen verweerder hiertoe heeft aangevoerd (zie bij 5.2), dit vermogen zowel geheel het jaar 1994 als ook in de jaren voor en na 1994 eiser ter beschikking stond tot minimaal de in bijlage 39 bij het verweerschrift in de zaken 15/4507 tot en met 15/4523 vermelde bedragen en dat eiser hieruit ook minimaal de in deze bijlage 39 berekende inkomsten heeft genoten. Eiser heeft dit vermoeden op geen enkele wijze weten te ontzenuwen. Zoals de rechtbank bij 5.6 heeft overwogen, had eiser dit kunnen doen door het opvragen van informatie bij de KB Lux over het verloop van het vermogen. Het enkele feit dat eiser weinig zou hebben verdiend met de slagerij en het cafébedrijf, staat er naar het oordeel van de rechtbank niet aan in de weg dat eiser in de onderhavige jaren op een andere wijze een vermogen tot minimaal de door verweerder berekende bedragen heeft kunnen opbouwen.

5.8

De rechtbank overweegt dat eiser in zijn aangiften IB/PVV en VB voor de onderhavige jaren geen buitenlands vermogen of genoten inkomsten daaruit heeft aangegeven, terwijl hij dat wel tot minimaal de bij 5.7 vermelde bedragen had moeten doen. Eiser is daardoor naar het oordeel van de rechtbank zowel relatief als absoluut aanzienlijk meer belasting verschuldigd dan hij blijkens de gegevens uit de procesdossiers heeft aangegeven, waarbij de rechtbank ervan uit gaat dat de primaire aanslagen steeds overeenkomstig de aangiften zijn vastgesteld. Gezien de omstandigheid dat het ook in de onderhavige jaren van algemene bekendheid was dat banktegoeden die de vrijgestelde bedragen te boven gaan, en voor wat betreft de jaren vóór 2001 ook de genoten inkomsten daaruit, waren onderworpen aan de heffing van IB/PVV en VB en daarom aangegeven moesten worden als vermogen; eiser gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening in een land met een bankgeheim en gelet op de omvang van het vermogen, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser zich ten tijde van het doen van aangifte hiervan bewust was.

5.9

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder is geslaagd in de op hem rustende bewijslast en dat eiser de vermoedens niet heeft kunnen ontzenuwen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser voor de onderhavige jaren niet de vereiste aangifte heeft gedaan.

5.10

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank gehouden de beroepen gericht tegen de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 1997 en de aanslag IB/PVV 2000 ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre die uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Hierbij ligt het op de weg van eiser om overtuigend aan te tonen dat deze uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank, niets, althans onvoldoende, aangedragen om in deze bewijslast te slagen.

5.11

De beroepen gericht tegen de uitspraken op bezwaar betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 zijn reeds gegrond, gelet op hetgeen de rechtbank bij 3.2 heeft geoordeeld. Ten aanzien van die beroepen is de rechtbank gehouden de navorderingsaanslagen te handhaven, tenzij is gebleken dat die navorderingsaanslagen onjuist zijn. Verweerder heeft deze navorderingsaanslagen reeds ambtshalve verminderd. Gelet hierop ligt het op de weg van eiser om overtuigend aan te tonen dat deze navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999, zoals deze na de ambtshalve vermindering zijn vastgesteld, onjuist zijn. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niets, althans onvoldoende, aangedragen om in deze bewijslast te slagen.

5.12

Ook de beroepen gericht tegen de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1991 tot en met 2000 zijn reeds gegrond, voor wat betreft de jaren 1991 tot en met 1998 gezien verweerders bij 2.3 weergegeven nadere standpunt en voor wat betreft de jaren 1999 en 2000 gezien hetgeen de rechtbank bij 3.2 heeft geoordeeld. Gelet hierop alsmede gelet op verweerders nadere standpunt, rust op eiser de last om overtuigend aan te tonen dat de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1991 tot en met 2000, zoals deze volgens verweerders nadere standpunt dienen te worden vastgesteld, onjuist zijn. Aan deze bewijslast heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank evenmin voldaan, nu hij hiervoor niets, althans onvoldoende, heeft aangedragen.

Schatting

6.1

Omkering van de bewijslast neemt niet weg dat verweerder de aanslagen moet baseren op een redelijke schatting. Verweerder heeft de schatting gebaseerd op de zogenoemde “modelmatige schatting”. De aanvankelijk gehanteerde factor 1,5 heeft verweerder bij de uitspraken op bezwaar teruggenomen. Ter zitting heeft verweerders gemachtigde ter toelichting hierop verklaard dat hij bij een saldo lager dan € 500.000 bij zijn schatting altijd gebruik maakt van de zojuist bedoelde modelmatige schatting en niet van de hiervoor bij 5.2 bedoelde berekeningswijze. Hiervoor is redengevend dat het bij een vermeld saldo van minder dan € 500.000 vaak voorkomt dat het saldo in werkelijkheid hoger blijkt te zijn. Door uit te gaan van de uitkomst van de modelmatige schatting is daarom de kans groot dat geen grote afwijkingen zullen ontstaan met het daadwerkelijke vermogen en de inkomsten daaruit.

6.2

In zijn arrest van 15 april 2011, nr 09/03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, oordeelde de Hoge Raad dat voor de schatting van de hoogte van de correcties en voor de jaren waarover de correcties zijn aangebracht gebruik gemaakt mag worden van de gegevens van meewerkers en dat de wijze waarop een en ander in het model is uitgewerkt – behoudens toepassing van de factor 1,5 – op zichzelf niet leidt tot onredelijke of willekeurige berekeningen. Eiser heeft in deze zaken niets, althans onvoldoende, aangevoerd dat tot het oordeel zou kunnen leiden dat de modelmatige berekeningen van verweerder in zijn geval onredelijk zijn. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de hieruit voortvloeiende (navorderings)aanslagen IB/PVV, zoals deze bij de uitspraken op bezwaar dan wel de ambtshalve verminderingen zijn vastgesteld, en de navorderingsaanslagen VB, zoals deze volgens verweerders nadere standpunt dienen te worden vastgesteld, niet in redelijkheid zijn geschat.

6.3

Het voorgaande brengt mee dat de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 1997 en aanslag IB/PVV 2000, zoals deze luiden na de uitspraken op bezwaar, in stand blijven. De beroepen die zien op deze navorderingsaanslagen treffen in zoverre geen doel. De beroepen gericht tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 en VB voor de jaren 1999 en 2000 zal de rechtbank, zoals reeds eerder is overwogen, gegrond verklaren wegens de ten onrechte niet-ontvankelijkverklaring bij de uitspraken op bezwaar. De navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 zal de rechtbank handhaven zoals verweerder deze na ambtshalve vermindering heeft vastgesteld. De rechtbank zal verder de bij de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1991 tot en met 2000 vastgestelde belastbare vermogens verminderen naar de bij 2.3 vermelde belastbare vermogens. De beroepen die zien op de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1991 tot en met 1998 zal de rechtbank hierom gegrond verklaren.

Verhogingen/Boeten

7.1

De rechtbank zal de verhogingen bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1990 tot en met 1992 en VB voor de jaren 1991 tot en met 1993 vernietigen, gelet op het door verweerder ter zake ingenomen nadere standpunt (zie bij 2.4). De beroepen gericht tegen deze navorderingsaanslagen zijn reeds hierom gegrond. Aan de orde zijn dus alleen de verhogingen bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 1997 en VB voor de jaren 1994 tot en met 1997 en de boetebeschikkingen bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 tot en met 1999 en VB voor de jaren 1998 tot en met 2000.

7.2

Verweerder heeft de navorderingsaanslagen opgelegd met een verhoging dan wel heeft de onderhavige boetebeschikkingen genomen omdat het volgens verweerder aan opzet van eiser is te wijten dat de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan (artikel 18 van de AWR, zoals dat op grond van het overgangsrecht nog geldt ten aanzien van de verhogingen bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 1997 en VB voor de jaren 1994 tot en met 1997, en artikel 67e van de AWR zoals dit geldt ten aanzien van de boetebeschikkingen bij de navorderingsaanslagen IB 1998 tot en met 1999 en VB voor de jaren 1998 tot en met 2000).

7.3.

De rechtbank zal allereerst wat betreft de verwijtbaarheid – zonder omkering van de bewijslast – beoordelen of aannemelijk is dat over de betreffende jaren de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan. Daarbij heeft te gelden dat op verweerder de last rust feiten en omstandigheden te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken waaruit volgt dat eiser het beboetbare feit per jaar heeft begaan. Hij kan in beginsel met gebruik van een bewijsvermoeden voldoen aan de op hem rustende last te bewijzen dat het beboetbare feit is gepleegd. De Hoge Raad heeft in dit verband geoordeeld (Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/03075, ECLI:NL:HR:2011:BN6324, BNB 2011/206) dat in gevallen als het onderhavige waarin de inspecteur beschikt over een gegevensdrager waaruit is afgeleid dat de eiser op 31 januari 1994 rechthebbende was tot een saldo van een bepaalde hoogte bij KB-Lux, en eiser geen opening van zaken heeft gegeven het volgende heeft te gelden. Indien verder rechtstreeks bewijs ontbreekt, zal dan voor elk van de jaren waarvoor een boete is opgelegd dienen te worden beoordeeld of (a) uit die gegevensdrager van 1994 zelf voldoende overtuigend bewijs voortvloeit dat het feit is gepleegd dan wel (b) dat daaraan, zo nodig in combinatie met andere vaststaande gegevens, een dusdanig vermoeden kan worden ontleend van het plegen van een beboetbaar feit voor (ook) het desbetreffende jaar, en dat het zwijgen van eiser kan meewegen bij het waarderen van de overtuigingskracht van de andere bewijsmiddelen.

7.4.

Voorts volgt uit Hoge Raad 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63 dat in een geval als het onderhavige ter zake van het plegen van het beboetbaar feit een bewijsvermoeden kan worden aangenomen ter zake van (inkomsten uit) tegoeden op KB-Luxrekening(en) indien vaststaat (i) dat de belanghebbende op 31 januari 1994 rekeninghouder was van een of meer bankrekeningen bij KB-Lux, (ii) dat die rekening(en) op 31 januari 1994 een aanzienlijk positief saldo vertoonde(n), (iii) dat die belanghebbende het saldo en de rente-inkomsten die op die rekening(en) zijn ontvangen niet in de aangifte over het desbetreffende jaar heeft betrokken, en (iv) hij de rentevrijstelling voor dat jaar reeds volledig had benut met de rente die in de aangifte is vermeld, dan wel de resterende ruimte van de rentevrijstelling niet toereikend is voor de rente waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen op die KB-Lux-rekening(en). Een dergelijk vermoeden is gerechtvaardigd, in aanmerking genomen (a) dat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening niet uit het vermogen van een belastingplichtige pleegt te verdwijnen en (b) een bank, naar van algemene bekendheid is, rente pleegt te vergoeden over een zodanig tegoed. De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een zodanig vermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd.

7.5

De rechtbank acht aannemelijk dat eiser houder was van de in deze zaken aan de orde zijnde bankrekeningen bij de KB-Lux (zie bij 5.3 tot en met 5.6). Het tegoed op deze rekeningen bedroeg op 31 januari 1994 ƒ 325.744,54 (€ 147.816,42) en is daarmee aanzienlijk, want het is hoger dan ƒ 100.000 (vergelijk Hoge Raad 24 januari 2014, nr. 13/02870, ECLI:NL:HR:2014:115). Eiser heeft deze bankrekeningen niet vermeld in zijn aangiften IB/PVV en VB. Het saldo van de bankrekeningen in de desbetreffende jaren ging de belastingvrije som dan wel het heffingsvrije vermogen (box 3) te boven en de genoten rente hieruit oversteeg de rentevrijstelling. Op grond daarvan kan, gelet op hetgeen onder 5.6, 7.3 en 7.4 is overwogen, het bewijsvermoeden worden aangenomen dat eiser over de hier aan de orde zijnde jaren te lage aangiften IB/PVV en VB heeft gedaan waardoor te weinig IB/PVV en VB zou worden geheven. Eiser heeft daartegen alleen ingebracht dat hij niet de gerechtigde tot die bankrekeningen was, welke stelling de rechtbank heeft verworpen. Eiser heeft het vermoeden niet ontzenuwd. De rechtbank komt derhalve tot de conclusie dat de beboetbare feiten zijn begaan.

7.6

De grondslag voor de verhoging dan wel de boetegrondslag is het in de navorderingsaanslag begrepen belastingbedrag voor zover dat bedrag als gevolg van de opzet van eiser niet zou zijn geheven (artikel 18, eerste lid, van de AWR en artikel 67e, tweede lid, van de AWR). Dat geldt ook als, zoals in dit geval, die aanslag is vastgesteld met omkering van de bewijslast (vergelijk Hoge Raad 18 januari 2008, nr. 41.832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962).

7.7

Verweerder heeft elk van de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 1997 en VB voor de jaren 1994 tot en met 1997 opgelegd met een verhogingen en heeft daarbij aanvankelijk geen kwijtschelding verleend. Bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 en VB voor de jaren 1999 en 2000 heeft verweerder aanvankelijk boeten opgelegd van 100% van de boetegrondslag. Verweerder heeft ten aanzien van de verhogingen en boeten gesteld dat eiser opzettelijk zijn aangiften IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 1999 en VB 1994 tot en met 2000 onjuist of onvolledig heeft gedaan. Voorts heeft verweerder erop gewezen dat eiser gebruik heeft gemaakt van een buitenlandse bankrekening in een land met een bankgeheim teneinde de Belastingdienst het zicht te ontnemen op (het ontstaan van) de tegoeden en de inkomsten daaruit. Gelet hierop is volgens verweerder sprake van ernstige of verhoudingsgewijs omvangrijke fraude. Verweerder acht dit een strafverzwarende omstandigheid. Op grond van de wet en het toepasselijke beleid bedraagt de boete dan volgens verweerder 100% van de boetegrondslag

7.8

De rechtbank acht aannemelijk (zie bij 7.5) dat eiser in de onderhavige jaren bij de KB-Lux banktegoeden aanhield. De rechtbank acht verder aannemelijk dat eiser het tegoed op deze bankrekeningen opzettelijk niet in zijn aangiften IB/PVV en VB heeft vermeld en zo voor verweerder verborgen heeft gehouden met het oogmerk de heffing van IB/PVV en VB over dat tegoed te ontlopen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat eiser daarbij gebruik heeft gemaakt van bankrekeningen in een land met een bankgeheim (vergelijk Hoge Raad 28 juni 2013, nr. 11/04152, ECLI:NL:HR:2013:63) en dat het ook in de onderhavige jaren van algemene bekendheid was dat banktegoeden die de vrijgestelde bedragen te boven gaan, en voor wat betreft de jaren vóór 2001 ook de genoten inkomsten daaruit, waren onderworpen aan de heffing van IB/PVV en VB en daarom aangegeven moesten worden als vermogen. Eiser heeft derhalve, naar het oordeel van de rechtbank, over de onderhavige jaren opzettelijk zijn aangiften IB/PVV en VB onjuist of onvolledig gedaan.

7.9

In de onderhavige jaren is de verschuldigde IB/PVV en VB (en dus de grondslag voor de verhogingen en boeten) berekend met omkering en verzwaring van de bewijslast. De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling of een opgelegde verhoging of boete gelet op de omstandigheden van het geval een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan, ook de omstandigheid dat de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast in aanmerking dient te worden genomen (vergelijk Hoge Raad 18 januari 2008, nr. 41.832, ECLI:NL:HR:2008:BC1962). De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat naar mate het saldo op het microfiche hoger is, de kans groter is dat de modelmatige schatting die wordt gehanteerd voor tegoeden tot en met
ƒ 500.000, overeenkomt met het werkelijke saldo. Gelet op het de hoogte van het in dit geval op het microfiche vermelde saldo van ƒ 325.000, is, zoals verweerder heeft verklaard, de kans dus groot dat dit niet zoveel zal afwijken van het daadwerkelijke vermogen en de genoten inkomsten daaruit.

7.10

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank voor de verhogingen bij de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 1997 en VB voor de jaren 1994 tot en met 1997 kwijtscheldingen van 10%, zodat per navorderingsaanslag een verhoging resteert van 90%, passend en geboden. Voor de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 en VB 1999 en 2000 acht de rechtbank boeten van 90% passend en geboden. De rechtbank ziet in het licht van de aannemelijk geachte hoogte van het saldo op de bankrekeningen bij de KB-Lux geen aanleiding om de boeten te matigen wegens de financiële omstandigheden van eiser. Bovendien heeft eiser onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële positie.

7.11

De rechtbank is voorbij gegaan aan eisers stelling dat de verhogingen en boeten in strijd zijn met het nemo-teneturbeginsel en het ne bis in idem-beginsel. Er kan immers niet worden gezegd dat sprake is van zelfincriminatie, nu eiser geen enkele openheid van zaken heeft gegeven. Evenmin kan worden gezegd dat eiser door het opleggen van de onderhavige verhogingen en boeten tweemaal voor dezelfde feiten is vervolgd. Nog daarlaten dat het verbeuren van een dwangsom geen strafrechtelijke vervolging is, ziet de bij 1.27 bedoelde dwangsomprocedure immers op een andere gedraging – het niet verstrekken van inlichtingen – dan de opgelegde verhogingen en boeten.

7.12

De rechtbank dient voorts op grond van het arrest van de Hoge Raad van 22 april 2005, nr. 37 984, ECLI:NL:HR:2005:AO9006, nog ambtshalve te onderzoeken of sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de berechting van een boetezaak door de rechtbank niet binnen een redelijke termijn geschiedt als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak doet en dat in voorkomend geval overschrijding van de redelijke termijn behoort te leiden tot vermindering van de boete, afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Ten aanzien van alle in geschil zijnde verhogingen en boeten is de redelijke termijn ten tijde van de onderhavige uitspraak van de rechtbank met meer dan twee jaren overschreden. De rechtbank ziet hierin reden de verhogingen en boeten verder te matigen met 20%. De rechtbank zal de kwijtscheldingen daarom bepalen op 28% van de verhogingen, zodat per navorderingsaanslag een verhoging resteert van per saldo 72% van het in de navorderingaanslag begrepen belastingbedrag, en de boeten verminderen tot 72% van het bedrag van de desbetreffende navorderingsaanslag.

7.13

De beroepen gericht tegen kwijtscheldingsbesluiten betreffende de in de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1993 tot en met 1997 en VB voor de jaren 1994 tot en met 1997 begrepen verhogingen zijn, gelet op het voorgaande, gegrond. De beroepen betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 en 1999 en VB voor de jaren 1999 en 2000 en de daarbij gegeven boetebeschikkingen zijn reeds, zoals eerder overwogen, wegens de ten onrechte niet-ontvankelijkverklaring bij de uitspraken op bezwaar, gegrond. De rechtbank zal de bij deze navorderingsaanslagen gegeven boetebeschikkingen verminderen overeenkomstig hetgeen is overwogen bij 7.12. Het beroep gericht tegen de bij de navorderingsaanslag VB voor het jaar 1998 gegeven boetebeschikking is eveneens gegrond.

Termijn uitspraken op bezwaar

8.1

De omstandigheid dat de uitspraken op bezwaar, met name die betreffende de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1998 tot en met 1999 en VB voor de jaren 1999 tot en met 2000 volgens eiser te lang op zich hebben laten wachten, maakt al het voorgaande niet anders. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser geen gebruik heeft gemaakt van de wettelijke mogelijkheid om verweerder tot tijdige uitspraken op bezwaar te bewegen.

Heffingsrente

9.1

De beroepen worden geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Voor zover de rechtbank de navorderingsaanslagen zal verminderen, zal de rechtbank bepalen dat de daarmee samenhangende beschikking heffingsrente dienovereenkomstig wordt verminderd.

Immateriële schadevergoeding

10.1

Eiser heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de onderhavige zaken in hoofdzaak betrekking op hetzelfde onderwerp, zodat zij samenhangen. Dit brengt mee dat ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van de eerst aangewende rechtsmiddelen. De eerste aangewende rechtsmiddelen zijn de op 17 december 2002 door verweerder ontvangen bezwaarschriften in de zaken 15/4507 en 15/4516. Het tijdsverloop tussen de aanwending van deze rechtsmiddelen en deze uitspraak van de rechtbank bedraagt 14 jaar en ruim 10 maanden. Uitgaande van dit tijdsverloop, is de standaard redelijke termijn voor geschilbeslechting van twee jaar dus met 12 jaar en ruim 10 maanden overschreden. Ter zitting hebben partijen gezamenlijk verklaard dat in de bezwaarfase de periode waarin de uitspraken op bezwaar zijn aangehouden in afwachting van het arrest van de Hoge Raad in de zogenoemde NautaDutilh-zaken buiten beschouwing dient te worden gelaten bij de bepaling van de mate van de overschrijding van de redelijke termijn. Deze periode bedroeg volgens partijen 7 jaar. Aldus is de redelijke termijn overschreden met afgerond 6 jaar. De rechtbank volgt verweerder in zijn berekening dat van deze overschrijding 5½ jaar aan verweerder dient te worden toegerekend en een ½ jaar aan de rechtbank. Aldus ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 5.500 en de Minister tot een bedrag van € 500. De rechtbank zal deze veroordeling uitspreken in de zaak met het zaaknummer 15/4507. Omdat het bedrag van de schadevergoeding minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op zijn beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

Griffierecht

11.1

Voor de zaken met de zaaknummers 15/4507 t/m 15/4523 is, vanwege de samenhang, uiteindelijk één maal griffierecht geheven. Daarnaast is voor de zaken met de zaaknummers 17/146 t/m 17/147, ook uiteindelijk ook éénmaal griffierecht geheven vanwege de samenhang. Nu in alle zaken, behoudens de zaak 15/4515 (IB/PVV 2000) een (gedeeltelijke) gegrondverklaring zal volgen, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

Proceskosten

12.1

Nu eiser vóór de uitspraken op bezwaar niet heeft verzocht om vergoeding van kosten die in verband met de behandeling van de bezwaren zijn gemaakt, kan de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 7:15, tweede en derde lid, van de Awb, verweerder niet veroordelen in de door eiser in de bezwaarfase gemaakte kosten.

13.2

De rechtbank vindt wel aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Hierbij wijst de rechtbank eisers verzoek om een integrale vergoeding van proceskosten af. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld of tegen beter weten in een beslissing heeft genomen die in rechte geen stand zou kunnen houden (zie Hoge Raad 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975, en Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41235, ECL:NL:HR:2007:BA2802). De hoogte van de door verweerder aan eiseres te vergoeden proceskosten stelt de rechtbank daarom op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsfase vast op in totaal € 990 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Vanwege de samenhang tussen de onderhavige zaken vermenigvuldigt de rechtbank dit bedrag met 1,5 tot een bedrag € 1.485. Hiervan wordt aan elke (gedeeltelijk) gegronde zaak 1/20 deel toegerekend. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank:

ten aanzien van de zaken 15/4507 t/m 15/4509

(IB/PVV 1990-1992)

- verklaart het beroep gericht tegen de navorderingsaanslagen gegrond;

- verklaart het beroep gericht tegen de heffingsrente ongegrond;

- vermindert de navorderingsaanslagen aldus, dat telkens de verhoging vervalt;

ten aanzien van de zaken 15/4510 t/m 15/4514

(IB/PVV 1993-1997)

- verklaart de beroepen gericht tegen de navorderingsaanslagen en beschikkingen heffingsrente ongegrond;

- verklaart de beroepen gericht tegen de kwijtscheldingsbesluiten gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de kwijtscheldingsbesluiten;

- bepaalt de kwijtscheldingen op 28% van de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen, zodat de verhogingen per saldo 72% van de in de navorderingsaanslagen begrepen belastingbedragen bedragen;

ten aanzien van de zaken 15/4516 t/m 15/4518

(VB 1991-1993)

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslagen, voor zover deze zien op de belastingbedragen, tot navorderingsaanslagen berekend naar bij 2.3 vermelde belastbare vermogens, om te rekenen in euro’s;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de navorderingsaanslagen voor zover deze zien op de verhogingen aldus, dat telkens de verhoging vervalt;

ten aanzien van de zaken 15/4519 t/m 15/4522

(VB 1994-1997)

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslagen, voor zover deze zien op de belastingbedragen, tot navorderingsaanslagen berekend naar bij 2.3 vermelde belastbare vermogens, om te rekenen in euro’s;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- bepaalt de kwijtscheldingen op 28% van de in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen, zodat de verhogingen per saldo 72% van de in de navorderingsaanslagen begrepen belastingbedragen bedragen;

ten aanzien van de zaak 15/4515

(IB/PVV 2000)

- verklaart de beroepen ongegrond;

ten aanzien van de zaken 15/4523

(VB 1998)

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslag tot een navorderingsaanslag berekend naar het bij 2.3 vermelde belastbare vermogen, om te rekenen in euro’s;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de boete tot 72% van het bedrag van de navorderingsaanslag;

ten aanzien van de zaken 17/146 en 17/147

(IB/PVV 1998-1999)

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- handhaaft de navorderingsaanslagen zoals verweerder deze ambtshalve heeft vastgesteld;

- vermindert de boeten tot 72% van de bedragen van de navorderingsaanslagen;

ten aanzien van de zaken 17/1484 en 17/149

(VB 1999-2000)

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de navorderingsaanslagen tot navorderingsaanslagen berekend naar de bij 2.3 vermelde belastbare vermogens, om te rekenen in euro’s;

- vermindert de heffingsrente dienovereenkomstig;

- vermindert de boeten tot 72% van de bedragen van de navorderingsaanslagen;

ten aanzien van alle zaken

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de zaak 15/4507 tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 5.500;

- veroordeelt de Minister in de zaak 15/4507 tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 500;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 91 (€ 45 + € 46) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 74,25 per zaak (in totaal € 1.485), te betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Tanghe, voorzitter, mr. A.M.A.M. Kager en mr. S.J. Swaters, leden, in aanwezigheid van mr. M. Hiemstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.

w.g. griffier

w.g. voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.