Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4308

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-08-2017
Datum publicatie
13-11-2017
Zaaknummer
18/730530-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak poging doodslag, omdat niet is komen vast te staan dat in de situatie sprake was van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling en vernieling van goederen van de vader van de vriendin van verdachte. Gevangenisstraf 180 dagen waarvan 64 dagen voorwaardelijk proeftijd twee jaar met als bijzondere voorwaarden een contact- en locatieverbod.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57, geldigheid: 2008-02-01
Wetboek van Strafrecht 302, geldigheid: 2010-04-01
Wetboek van Strafrecht 350, geldigheid: 2012-10-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730530-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 augustus 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 augustus 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L. Lübbers, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.F. Severs.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 4 december 2016 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente

Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet

- op die [slachtoffer] is afgelopen en/of (vervolgens) (plotseling) met een schep, althans met een hard en/of stevig voorwerp, in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of (vervolgens) die [slachtoffer] met die schep, althans met dat harde en/of stevige voorwerp, op de armen en/of de hand(en) heeft geraakt en/of die schep, althans dat harde en/of stevige voorwerp in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid en/of

- een of meer bouwstenen/bakstenen in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 4 december 2016 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente

Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te

brengen, met dat opzet

- op die [slachtoffer] is afgelopen en/of (vervolgens) (plotseling) met een schep, althans met een hard en/of stevig voorwerp, in de richting van het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen

en/of (vervolgens) die [slachtoffer] met die schep, althans dat harde en/of

stevige voorwerp, op de armen en/of de hand(en) heeft geraakt en/of die schep, althans dat harde en/of stevige voorwerp, in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid en/of

- een of meer bouwstenen/bakstenen in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 4 december 2016 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente

Leeuwarden, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Volkswagen)

en/of een woonwagen en/of een scooter, in elk geval enig goed, geheel of ten

dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde en veroordeling van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Tegenover de ontkennende verklaring van verdachte liggen de verklaringen van aangever [slachtoffer] (hierna: aangever), getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2]. Deze verklaringen zijn naadloos op elkaar toegesneden terwijl zij kort op elkaar zijn gehoord door verschillende verbalisanten waardoor het vrijwel onmogelijk is geweest de verklaringen op elkaar af te stemmen. Gelet hierop kan bewezen worden dat verdachte aangever met een voorwerp heeft geslagen en met stenen heeft gegooid. Alhoewel de gedragingen van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm de dood tot gevolg zou kunnen hebben, acht de officier van justitie het subsidiair ten laste gelegde poging zware mishandeling, wettig en overtuigend bewezen, gelet op de huidige jurisprudentie in de lagere rechtspraak.

De officier van justitie heeft verder veroordeling voor het onder 2 ten laste gelegde gevorderd omdat op basis van de aangifte en getuigenverklaringen bewezen kan worden dat de personenauto is vernield en de woonwagen en scooter zijn beschadigd door verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, gelet op de ontkenning van verdachte en de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Zij heeft daartoe aangevoerd dat deze verklaringen te veel op elkaar zijn afgestemd en daartegenover hebben verdachte en de getuigen [getuige 3] en [getuige 4] anders verklaard over het verloop van die avond. Verder kan niet worden vastgesteld dat de verwondingen bij aangever door verdachte zijn veroorzaakt met het voorwerp zoals gesteld, dan wel dat het slaan met het betreffende voorwerp kon leiden tot een dodelijke afloop of zwaar lichamelijk letsel.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de in de aangifte opgegeven vernielingen zijn gepleegd door verdachte op 4 december 2016. Het is mogelijk dat dit is gebeurd op de dag ervoor door anderen.

Oordeel van de rechtbank

Met betrekking tot het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde.

Betrouwbaarheid verklaringen

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd waardoor de verklaringen onbetrouwbaar zijn. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Blijkens de verklaringen heeft het incident op zondag 4 december 2016 omstreeks 22.00 uur plaatsgevonden. Aangever heeft zijn verklaring op zondag 4 december 2016 om 22.15 uur afgelegd, getuige [getuige 1] op zondag 4 december 2016 om 22.30 uur en getuige [getuige 2] op zondag 4 december 2016 om 22.36 uur. Deze verklaringen zijn vrijwel identiek aan elkaar maar niet geheel gelijk. Daarnaast heeft getuige [getuige 4], een vriend van verdachte, ook een verklaring afgelegd die op bepaalde aspecten overeenkomt met de hiervoor genoemde verklaringen. Zo heeft [getuige 4] onder meer verklaard dat hij verdachte op die bewuste avond stenen heeft zien gooien. Gelet hierop en het korte tijdsbestek tussen het incident en de verhoren alsmede tussen de tijden van de verhoren onderling, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd en acht de verklaringen betrouwbaar. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging.

Poging doodslag subsidiair zware mishandeling

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsmiddelen worden vastgesteld dat verdachte met een hard voorwerp, zijnde een ijzeren driehoekige schep, in de richting van het lichaam van aangever heeft geslagen. Aangever heeft met zijn rechterhand deze slag afgeweerd en heeft daarbij gering letsel aan zijn rechterhand opgelopen.

Uit het handelen van verdachte leidt de rechtbank echter af dat verdachte daarmee de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bij aangever bewust heeft aanvaard. Door het slaan met de ijzeren schep richting het lichaam van aangever, heeft verdachte immers bewust de kans aanvaard dat aangever zodanig zou worden geraakt dat naar algemene ervaringsregels het gevaar van zwaar lichamelijk letsel zeer reëel was. Daarbij is echter nog niet komen vast te staan dat er in deze situatie ook sprake was van een aanmerkelijke kans op het intreden van de dood, zodat de rechtbank verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de navolgende bewijsmiddelen wel is komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 subsidiair ten laste gelegde.

Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de verklaringen van aangever en getuigen [getuige 1] en [getuige 2] alsmede de verklaring van [getuige 4] wettig en overtuigend bewezen kan worden dat op zondag 4 december 2016 vernielingen en beschadigingen aan de auto en woonwagen van aangever zijn aangericht door verdachte zoals onder 2 ten laste is gelegd. Een vernieling of beschadiging aan de scooter van aangever kan niet wettig en overtuigend worden bewezen wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 december 2016, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016342927 d.d. 15 december 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

(…) Vandaag, zondag 4 december 2016, heeft zich een incident afgespeeld tussen mij en [verdachte]. (…) Rond 22.00 uur ging ik met mijn twee honden naar het hondenveld (…). Ik zag [verdachte] vervolgens aan komen lopen. Ik zag dat hij zijn rechterhand op zijn rug had. (…) Ik zag toen dat hij zijn rechterhand achter zijn rug weghaalde. Ik zag dat hij iets in zijn handen had, ik dacht een bijl. Hij sloeg mij met de bijl. Ik probeerde af te weren en deed met mijn rechterhand. Ik voelde niet direct pijn, nu wel. Ik heb ook lichte verwondingen aan mijn hand en pols. (…) [verdachte] sloeg één keer en ik ben toen hard weggelopen richting mijn auto. Ik heb een Volkswagen Bora in de kleur blauw. Ik zag toen dat [verdachte] stenen van de grond pakte en deze op mijn auto gooide. Het ging om gele bouwstenen en bakstenen (…). [verdachte] heeft mijn auto geraakt, ik weet niet hoe vaak. Mijn spiegel, deur en spatbord aan de bestuurderskant hebben schade. (…) Ook heeft mijn woonwagen schade, ik heb één groot gat aan de zijkant van mijn woonwagen gezien (…). [verdachte] bleef maar stenen gooien. (…)

De bijl zag er als volgt uit: een houten steel met daarop een stuk ijzer. (…)

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 december 2016, opgenomen op pagina 48 en 49 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Ik wil graag een verklaring afleggen over wat er vanavond allemaal is gebeurd. (…) Om ongeveer kwart voor 10 ging mijn vader onze honden even uitlaten. (…) Ik zag toen de mij bekende [verdachte] uit de woonwagen nummer [nummer] komen. (…) Nu zag ik [verdachte] naar mijn vader toe lopen. Ik zag dat hij iets achter zijn rug vast hield. (…) Ik zag dat [verdachte] met het voorwerp dat hij eerst achter zijn rug had nu op mijn vader insloeg. Ik zag dat mijn vader deze aanval met zijn armen probeerde af te weren. Ik zag dat mijn vader weg rende in de richting van onze woonwagen. Ik zag toen dat [verdachte] dat voorwerp achter mijn vader aan gooide. Ik zag dat [verdachte] de intentie had om mijn vader te raken. (…) Ik zag dat het voorwerp mijn vader maar net miste. (…) Ik zag dat [verdachte] toen een steen van straat pakte en ook deze in de richting van mijn vader gooide. Ook deze miste mijn vader (…). Ik zag toen dat [verdachte] nog meer stenen gooide op onze woonwagen. Ik hoorde deze stenen tegen onze woonwagen aankomen. Ik zag ook dat er stenen op onze auto terecht kwamen. Ik zag dat deze veel schade veroorzaakten.(…)

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 4 december 2016, opgenomen op pagina 50 t/m 52 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

(…) Op zondag 4 december 2016 (…) was ik in de woning van [slachtoffer]. (…) op een gegeven ogenblik is [slachtoffer] de hond uit gaan laten op het hondenuitlaatveld tegenover de woning. Even later zag iedereen volgende mij dat de buurman ook naar buiten liep. (…) Hij liep met een versnelde pas in de richting van [slachtoffer]. Ik zag dat hij iets in zijn hand had. (…) Ik zag dat hij dit een beetje achter zich hield tijdens het lopen in de richting van [slachtoffer]. (…) Ik zag dat de buurman (…) op [slachtoffer] insloeg met het voorwerp dat hij in zijn handen had. Ik zag dat hij met een zwaaiende beweging van achteren, hoog naar voren sloeg in de richting van [slachtoffer] (…) Ik zag dat [slachtoffer] deze slag afweerde met zijn armen en daarna in de richting van zijn woning liep. (…) Ik zag dat [slachtoffer] vlakbij zijn woning was en dat op dat moment de buurman met het voorwerp dat hij in zijn handen had gooide in de richting van [slachtoffer]. (…) Nadat de buurman het voorwerp had gegooid, gooide hij met stenen. Dit waren stenen die rondom de woning lagen. Dit waren redelijke grote stenen. (…) Ik zag dat de buurman daarna de auto van [slachtoffer] bekogelde met stenen. (…) Ik zag ook dat hij de ramen bekogelde met stenen. (…)

4. Een geneeskundige verklaring, op 5 december 2016 opgemaakt en ondertekend door B. Diesveld, forensisch arts FMG, opgenomen op pagina 73 t/m 77 van voornoemd dossier, voor zover inhoudende, als zijn/haar verklaring:

(…)

Letselbeschrijving:

Vinger: wijsvinger, oppervlakkige wondjes.

Handpalm: een scheurwondje aan de binnenzijde handpalm duimzijde.

(…)

Letsel past bij: afweerletsel (…)

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 december 2016, opgenomen op pagina 58 t/m 60 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 4]:

V: Wij hebben begrepen dat jij zondag 4 december 2016 omstreeks 22.00 uur aanwezig was op de [straatnaam] in Leeuwarden.

A: Ja ik was daar aanwezig, ik was daar in de woonwagen van (…) en [verdachte]. (…)Toen ik buiten kwam zag ik dat [verdachte] aan het gooien was met stenen. (…) Ik zag dat [verdachte] in de richting van de auto en de woonwagen van de ouders van [getuige 3] gooide. (…)

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. Subsidiair

hij op 4 december 2016 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- op die [slachtoffer] is afgelopen en vervolgens plotseling met een schep, in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen

en (vervolgens) die [slachtoffer] met die schep, op de hand(en) heeft geraakt en die schep in de richting van die [slachtoffer] heeft gegooid,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 4 december 2016 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto (merk Volkswagen) en een woonwagen toebehorende aan [slachtoffer], heeft vernield en/of beschadigd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair poging zware mishandeling

2. opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen en/of beschadigen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen waarvan 65 dagen voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van twee jaar en oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregelen, inhoudende een gebiedsverbod en een contactverbod.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht bij een strafoplegging een straf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest. Verdachte heeft een verleden met justitie en door deze zaak zijn er problemen ontstaan, terwijl hij de laatste jaren zijn leven juist op orde had en hij wil dit zo snel mogelijk weer voortzetten. Verder heeft zij verzocht geen vrijheidsbeperkende maatregelen op te leggen, omdat verdachte zich hier al aan heeft gehouden in het kader van de schorsingsvoorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 juni 2017, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling en vernieling van goederen van [getuige 1], de vader van de vriendin van verdachte. Verdachte en zijn vriendin, [getuige 3], leefden op het moment van de escalatie al geruime tijd in onmin met de ouders van [getuige 3]. De bewuste avond is het uit de hand gelopen en heeft verdachte de vader van zijn vriendin aangevallen. Het slachtoffer heeft door het handelen van verdachte slechts kleine verwondingen opgelopen.

In het adviesrapport, opgemaakt op 6 juli 2017 door [naam], reclasseringswerker Verslavingszorg Noord Nederland, staat onder meer opgenomen dat verdachte in 2010 is aangemerkt als veelpleger vanwege een groot aantal veroordelingen. Verdachte is er in geslaagd zijn leven een positieve wending te geven en is laatstelijk veroordeeld in 2013. Hij had alles op orde totdat hij na zijn aanhouding in deze zaak alles is kwijtgeraakt. De reclassering ziet geen meerwaarde in een voorwaardelijke straf met reclasseringstoezicht.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden is, omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, gelet ook op het strafrechtelijk verleden van de verdachte, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. De rechtbank acht een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht in onderhavige zaak een te vergaande maatregel.

Wel is de rechtbank van oordeel dat een locatie- en contactverbod noodzakelijk is en zal deze als bijzondere voorwaarden aan het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf verbinden, omdat het conflict tussen verdachte, aangever en zijn familie niet is opgelost en hier voorlopig geen einde aan lijkt te komen. De rechtbank zal ook gelasten dat de straf dadelijk tenuitvoergelegd moeten worden omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt tegen aangever en/of zijn familie.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht het inbeslaggenomen voorwerp, te weten één schep vatbaar voor verbeurdverklaring nu het een voorwerp betreft waarmee het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit is begaan en deze toebehoort aan verdachte.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 3.663,28 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gestelde dat de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering, omdat de vordering onvoldoende duidelijk is.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak en subsidiair omdat het onduidelijk is of de opgevoerde schade daadwerkelijk geleden schade betreft.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om vast te stellen welke schade daadwerkelijk het gevolg is van het bewezenverklaarde en wat de hoogte van deze schade is. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de omvang en de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14 e, 33, 45, 57, 302, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen.

Bepaalt dat (van) deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot 64 dagen), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van twee jaar op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met de familie [getuige 1], wonende aan de [straatnaam] te Leeuwarden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd van twee jaar zich niet zal ophouden binnen het woonwagenkamp gelegen aan de [straatnaam] te Leeuwarden, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen schep.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. E. van Sloten, rechters, bijgestaan door W. van Goor griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 augustus 2017.

Mr. Koelman en mr. E. van Sloten zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.