Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4305

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-11-2017
Datum publicatie
21-11-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 821
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstandsuitkering wegens het verrichten van een geld waardeerbare werkzaamheden. Bij herziening en verrekening ten onrechte uitgegaan van het toen geldende wettelijk minimumloon. Verklaring levert voldoende aanknopingspunten op om te schatten hoeveel uren er in de periode in geding is gewerkt. Rechtbank acht het redelijk, in aansluiting op de uitspraak van de CRvB van 12 april 2011, om over 2015 en 2016 uit te gaan van een uurtarief van € 6,00 en om bij wijze van schatting aan te nemen dat in de perioden in geding op vier respectievelijk drie dagen per week is gewerkt, acht uur per dag, tegen € 6,00 per uur. De herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering berust niet op een deugdelijke feitelijke grondslag. Geen definitieve beslechting van het geschil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/821

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 november 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] eiseres

(gemachtigde: mr. P.C. Schutte),

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer, verweerder

(gemachtigde: mr. I.M. Klok).

Procesverloop

Bij besluit van 25 augustus 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering krachtens de Participatiewet (PW) over de periode van 1 september 2015 tot 1 juni 2016 ingetrokken en een bedrag van € 9.657,04 van haar teruggevorderd. Verder heeft verweerder in dit besluit vermeld dat een bedrag van € 510,40 op haar uitkering over juni 2016 in mindering wordt gebracht en in de maand augustus 2016 wordt verrekend.

Bij besluit van 2 september 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder het primaire besluit 1 aangepast in de zin dat de vordering van € 510,40 over juni 2016 niet ineens wordt verrekend met de uitkering over de maand augustus 2016. Het bedrag zal teruggevorderd worden op grond van artikel 58, tweede lid, onder a, van de PW. De aflossingsverplichting op de vordering van € 9.657,04 heeft verweerder opgeschort tot 1 januari 2017.

Tegen beide besluiten heeft eiseres een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 24 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaarschriften van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op de zitting heeft verweerder een al bij eiseres bekende verklaring van [naam getuige] van 6 juli 2016 aan de rechtbank overgelegd.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1

Verweerder heeft eiseres met ingang van 12 april 2014 een bijstandsuitkering

toegekend naar de norm voor een alleenstaande (op dat moment inclusief toeslag € 951,65 per maand). In verband met een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering hebben twee rapporteurs van verweerders gemeente op 9 juni 2016 met eiseres gesproken. Tijdens dat gesprek heeft eiseres aangegeven dat ze oppaswerk heeft gedaan en daarvoor geld heeft ontvangen. Volgens verweerder heeft eiseres niet voldaan aan haar inlichtingenplicht op grond van artikel 17 van de PW en kan daarom haar recht op bijstand niet worden vastgesteld.

2.1

Eiseres is van mening dat verweerder de onderzoeksgegevens op onrechtmatige wijze

heeft verzameld. Verweerder beoogde een bestuurlijke boete op te leggen en heeft de cautieplicht geschonden. Er is volgens haar sprake van onrechtmatig verkregen bewijs en het fraudeonderzoek had grotendeels betrekking op een ander onderwerp: het eventueel samenwonen met Kuipers. Daartegenover stelt verweerder dat het gesprek op 9 juni 2016 te maken had met een onderzoek naar de rechtmatigheid van de uitkering. Volgens hem golden daarom de zwijg- en cautieplicht niet voor eiseres.

2.2

De rechtbank is van oordeel dat voldoende duidelijk is dat het onderzoek dat geresulteerd heeft in het gesprek van 9 juni 2016 gericht was op de vraag of eiseres aan haar inlichtingenplicht had voldaan. Dat er in dat gesprek ook de vraag aan de orde kwam of eiseres samenwoonde maakt dat niet anders: eiseres heeft in dat gesprek ook vragen beantwoord over haar oppasactiviteiten. Het geven van de cautie aan eiseres was niet nodig, omdat het ging om een gesprek over het al of niet voldoen aan de inlichtingenplicht. Een bestraffende sanctie, zoals eiseres dat noemt, was op dat moment niet in beeld. Dat in het dossier ook gerept wordt van het starten van een boete-onderzoek maakt dit ook niet anders. De rechtbank concludeert – anders dan eiseres doet - dat er geen sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs of van détournement de pouvoir. Deze beroepsgrond faalt.

3.1

Eiseres heeft argumenten aangevoerd die erop neerkomen dat zij niet kan worden

gehouden aan haar verklaring van 9 juni 2016. Eiseres, die toen hoogzwanger was, voelde zich geïntimideerd. Zij kon niet bevroeden dat er zulke zwaarwegende acties aan haar verklaring zouden worden verbonden. Verweerder vindt echter dat eiseres kan worden gehouden aan haar verklaring: zij heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij die verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd.

3.2

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) mag in het

algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavings-specialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis (uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2849). De rechtbank is van oordeel dat deze jurisprudentie ook in het geval van eiseres geldt. Uit niets blijkt dat zij is geïntimideerd of dat zij haar verklaring onder ontoelaatbare druk heeft afgelegd. Uit het verslag van het gesprek van 9 juni 2016 blijkt dat eiseres duidelijk heeft kunnen verklaren over haar oppasactiviteiten. Zij heeft gezegd dat zij is gerustgesteld en dat zij in vrijheid haar verhaal heeft kunnen doen. Eiseres heeft het verslag doorgelezen, is ermee akkoord gegaan en heeft aangegeven dat de inhoud klopt met wat zij heeft verklaard. Geen van de argumenten die eiseres in haar beroepschrift en ter zitting heeft aangevoerd, maakt dat eiseres niet gehouden kan worden aan deze verklaring. Ook deze beroepsgrond faalt.

4.1

Eiseres bestrijdt de conclusies die verweerder verbindt aan haar verklaring van 9 juni

2016. Zo heeft zij niet, zoals verweerder stelt, vanaf september 2015 minimaal vier dagen in de week opgepast, maar gemiddeld. Ook tussen september 2015 en april 2016 heeft zij maximaal tot 16:00 uur of 17:00 uur opgepast. Soms ging ze meteen na aankomst op het oppasadres weer weg, omdat haar aanwezigheid niet nodig was. Een structurele afspraak was er niet; tijdens haar oppas ging ze vaak naar huis om te eten en soms paste ze maar een paar uurtjes per week op. Zij hield geen boekhouding bij: dat had ze wel gedaan als ze vond dat ze betaalde werkzaamheden deed. Hoogstens kreeg ze af en toe wat geld toegestopt. Ten slotte vindt eiseres het onderzoek onzorgvuldig, nu verweerder de vrienden bij wie eiseres oppaste, niet heeft gehoord en haar verklaringen wazig, niet eenduidig en gering zijn. Verweerder stelt hier tegenover dat zijn onderzoek correct, volledig en zorgvuldig is geweest. Er was geen aanleiding de vrienden te horen. Verder is verweerder van mening dat de oppaswerkzaamheden op geld waardeerbare werkzaamheden zijn.

4.2

Het besluit tot intrekking van bijstand is volgens vaste jurisprudentie van de CRvB

een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op verweerder rust. Aan die last heeft verweerder voldaan. De verklaring van eiseres van 9 juni 2016, waaraan zij, zoals boven overwogen, zonder meer kan worden gehouden, is over haar oppasactiviteiten voldoende duidelijk. Zo verklaart zij onder meer:

“(…) Vanaf september 2015 heb ik minimaal 4 dagen in de week opgepast op de kinderen. Het waren niet altijd volledige dagen. Soms wel maar soms ook maar tot 12.00 uur. De afgelopen 3 maanden, ongeveer vanaf april 2016 pas ik nog 3 dagen in de week op. Ik begin de laatste drie maanden ongeveer om 07.00 uur tot ze thyuiskomen, gemiddeld halverwege de middag, dus ongeveer 16.00 uur. Ik blijf dan regelmatig nog wel langer hangen om koffie te drinken.

Tussen september 2015 en april 2016 paste ik op vanaf ongeveer 08.00 uur tot het einde van de dag, ongeveer 16.00 uur of 17.00 uur. Ook in die periode bleef ik wel eens langer om koffie te drinken. Ik ging dan gewoon terug naar huis om in mijn eigen huis te eten. Tussen de middag at ik met de kinderen (….).”

Verderop verklaart zij:

“(….) Ik heb mijn inkomsten niet bijgehouden en heb het niet gemeld om mijn eigen hachje te redden voor mijn kind. Ik kon hierdoor mijn droom verwezenlijken. (….) Ik heb besloten niet te lenen maar het op deze manier te doen. Uiteindelijk ben ik misschien wel gaan oppassen om mijn droom van een kind en mooie babyspulletjes te kunnen realiseren. Dat is de reden dat ik het geld heb aangenomen”. (….) nu ik dit heb uitgesproken met het geld is de waarheid er uit. (….)”

4.3

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de vorige rechtsoverweging dat eiseres

op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. De rechtbank acht hetgeen eiseres heeft verklaard voldoende voor deze conclusie. Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Dat geldt volgens de CRvB ook voor oppaswerkzaamheden van bepaalde duur, omvang en met een structureel karakter, zoals in het geval van eiseres. Van betekenis is in dit verband dat voor de verlening van bijstand, gelet op het bepaalde in artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 32, eerste lid, van de PW, niet alleen van belang is het inkomen waarover de betrokkene daadwerkelijk beschikt, maar ook het inkomen waarover hij redelijkerwijs kan beschikken. Eiseres had voor haar werkzaamheden een vaste vergoeding kunnen bedingen. Zij heeft in ieder geval enige vergoeding gekregen, soms € 100,00 en soms € 150,00. Zij heeft deze werkzaamheden ten onrechte niet bij verweerder gemeld en heeft daarmee haar inlichtingenplicht geschonden. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.

5.1

Eiseres stelt zich verder op het standpunt dat verweerder niet heeft gemotiveerd van welk tarief hij is uitgegaan bij het vaststellen van de intrekking en verrekening van de bijstand over de periode in geding. Op de zitting heeft zij voorts gezegd dat volgens haar de bijstand schattenderwijs wel had kunnen worden vastgesteld. In zijn verweer heeft verweerder gesteld dat, nu hij van het minimumuurloon is uitgegaan, eiseres niet te kort is gedaan. Gelet op de verklaring van eiseres bestond er volgens hem achteraf in elk geval tot 1 juni 2016 helemaal geen recht op bijstand.

5.2

Volgens vaste jurisprudentie van de CRvB is, indien na een schending van de inlichtingenverplichting de door betrokkene door hem achteraf gestelde en aannemelijk gemaakte feiten geen grondslag bieden voor een precieze vaststelling van het recht op bijstand, het bijstandsverlenend orgaan, indien mogelijk, gehouden schattenderwijs vast te stellen tot welk bedrag de betrokkene in ieder geval wel recht op bijstand zou hebben, op basis van de vaststaande feiten en omstandigheden. Het eventueel nadeel voor betrokkene, voortvloeiende uit de resterende onzekerheden, mag wegens de schending van de inlichtingenverplichting voor diens rekening gelaten worden. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende concrete aanknopingspunten zijn voor het schattenderwijs vaststellen tot welk bedrag eiseres wel recht op bijstand heeft in de periode in geding.

5.2.1

In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat verweerder ten onrechte ervan is uitgegaan dat eiseres voor haar werkzaamheden het wettelijk minimumloon ad € 8,80 bruto per uur had kunnen bedingen; hij heeft ter zitting verwezen naar de uitspraak van de CRvB van 21 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:638, maar in die uitspraak gaat het om iemand die in een fietsenwinkel werkte, waarbij verdiensten kunnen worden afgeleid uit een cao. Zoals ter zitting besproken, gelden er vele tarieven voor oppaswerkzaamheden, al naar gelang deze wel of niet door daarvoor opgeleide personen worden uitgevoerd. De rechtbank acht het redelijk om voor het schatten van een tarief aansluiting te zoeken bij een uitspraak van de CRvB van 12 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ2056. In die uitspraak komt de CRvB in een vergelijkbaar geval tot de conclusie dat (in 2007) met een uurtarief van € 4,00 de desbetreffende betrokkene niet te kort is gedaan. Nu de situatie van eiseres zich in 2015/2016 voordeed en eiseres kennelijk niet als professionele oppas of “nanny” werkte, acht de rechtbank het redelijk om voor 2015 en 2016 uit te gaan van een uurtarief van

€ 6,00.

5.2.2

Verder is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van eiseres van 9 juni 2016 voldoende aanknopingspunten bevat om te schatten hoeveel uren zij heeft gewerkt, hoeveel zij daarmee zou hebben kunnen verdienen en of zij daarmee nog recht heeft op aanvullende bijstand over de periode in geding. Eiseres heeft verklaard dat zij in de periode tussen september 2015 en april 2016 minimaal vier dagen per week heeft opgepast, waarvan niet altijd volledige dagen; verder verklaart zij dat zij tussen september 2015 en april 2016 oppaste vanaf ongeveer 08.00 uur tot het einde van de dag, ongeveer 16.00 uur of 17.00 uur, zonder daarin de nuancering aan te brengen dat dit soms geen volledige dagen waren. Dit alles bij elkaar brengt de rechtbank er toe om bij wijze van schatting aan te nemen dat eiseres in de periode van september 2015 tot april 2016 (30 weken) op vier dagen per week heeft gewerkt, acht uur per dag, tegen € 6,00 per uur.

5.2.3

Voor wat de periode van april 2016 tot juni 2016 (acht weken) betreft gaat de rechtbank uit van drie dagen, acht uur per dag, tegen € 6,00 per uur. Ten slotte geldt dat verweerder op basis van de opgave van de vrienden bij wie eiseres oppaste, voor de maand juni 2016 kan blijven uitgaan van 58 uren werk, maar dan tegen € 6,00 per uur. Het komt de rechtbank voor dat deze berekeningswijze er toe zal leiden dat eiseres bij een bijstandsnorm voor een (in de periode in geding) alleenstaande aanvullend recht zal hebben op bijstand. Deze beroepsgrond treft doel.

6. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen,

voor zover verweerder daarbij de bijstandsuitkering van eiseres over de periode in geding heeft herzien en teruggevorderd, wegens het ontbreken van een deugdelijke feitelijke grondslag. Nu zij niet beschikt over de gegevens die nodig zijn om te berekenen hoe hoog de aanvullende bijstandsuitkering zal moeten zijn en hoe hoog de terugvordering uitvalt, kan zij het geschil niet definitief beslechten. Zij zal verweerder opdragen de nodige berekeningen te maken en opnieuw te beslissen op de bezwaarschriften.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van

€ 990,00 (beroepschrift één punt, verschijnen ter zitting één punt, waarde per punt € 495,00, gewicht van de zaak: gemiddeld).

Beslissing

De rechtbank:

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit, voor zover verweerder daarbij de bijstandsuitkering van eiseres over de periode in geding heeft herzien en teruggevorderd;

 bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

 bepaalt dat verweerder het griffierecht ad € 46,00 en de proceskosten ad € 990,00 aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. van Loo, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.