Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4295

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
16/4927
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag gewichtige redenen, impasse. Docent. Niet in overwegende mate aan werkgever te wijten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2018/764
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/4927

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 november 2017 in het geschil tussen

[naam 1] , wonende te Groningen, eiseres

(gemachtigde: mr. V.S.M. Sturkenboom),

en

het college van bestuur van de stichting ‘Stichting Esdal College, Scholengemeenschap voor openbaar voortgezet onderwijs in Emmen en omstreken’, gevestigd te Emmen, verweerder

(gemachtigde: mr. W.J.F. Nieuwenhuis).

Procesverloop

Bij besluit van 8 maart 2016 (hierna: het schorsingsbesluit) heeft verweerder eiseres op grond van artikel 10.b.6, onder 5, sub a, van de CAO Voortgezet Onderwijs (hierna: de CAO) geschorst in verband met het voornemen om haar te ontslaan.

Eiseres heeft hiertegen bij brief van 15 april 2016 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 12 mei 2016 (hierna: het ontslagbesluit) heeft verweerder eiseres op grond van artikel 10.b.3, aanhef en onder 12, van de CAO ontslag verleend wegens redenen van gewichtige aard.

Eiseres heeft hiertegen bij brief van 20 juni 2016 bezwaar gemaakt.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 26 oktober 2016 (hierna: de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard, onder verwijzing naar het advies van de Landelijke Bezwarencommissie Schoolbestuursbeslissingen (hierna: de bezwaarcommissie) van 25 oktober 2016.

Eiseres heeft bij brief van 6 december 2016 tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld, voorzien van gronden. Bij brief van 11 september 2017 heeft zij aanvullende gronden in het geding gebracht, voorzien van bijlagen.

Verweerder heeft bij brief van 1 februari 2017 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, alsmede door L.M.M. Kooistra (hierna: Kooistra) en mr. E. Voorberg. Als getuigen zijn verschenen en gehoord B. Nijhuis-de Vries,

B. van der Aa en J. van Dijk. Voorts is verschenen B. van der Meer (hierna: Van der Meer), psycholoog. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Daarbij heeft de rechtbank partijen laten weten dat zij zich zal beraden op het verzoek van eiseres om het onderzoek te heropenen om een door eiseres aangedragen getuige te horen en om Van der Meer in de gelegenheid te stellen rapport uit te brengen.

Bij brief van 17 oktober 2017 heeft eiseres een rapport van Van der Meer aan de rechtbank doen toekomen. Bij brief van 24 oktober 2017 heeft de rechtbank partijen laten weten dit stuk niet bij haar beoordeling te betrekken.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit geschil uit van het navolgende.

1.1.

Eiseres is sinds 2010 als docent klassieke talen voor verweerder werkzaam op basis van een aanstelling voor onbepaalde tijd. Tot en met het schooljaar 2015-2016 bestond de sectie klassieke talen uit twee docenten, te weten eiseres en de heer R.J. [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Met deze laatste had de werkgever afgesproken dat hij na zijn pensionering in 2009 op basis van tijdelijke aanstellingen tot zijn 75ste jaar als docent klassieke talen aan de school verbonden zou kunnen blijven. [naam 2] is niet bevoegd als docent klassieke talen.

1.2.

Aan het einde van het schooljaar 2014-2015 heeft eiseres aandacht gevraagd voor de onbevoegdheid van [naam 2] , de gevolgen voor de kwaliteit van het gymnasiale onderwijs en voor de geruchten die de ronde deden over de opvolging van [naam 2] door een collega, die nog aan haar opleiding voor het vak moest beginnen. Eiseres verzocht verweerder bij brief van 11 april 2015 er voor zorg te dragen dat de klassieke talen alleen nog door bevoegde docenten zouden worden gegeven en aan [naam 2] geen lessen Latijn en Grieks meer toe te delen.

1.3.

Verweerder heeft geen gehoor gegeven aan het verzoek van eiseres. Eiseres heeft daarop een juridische procedure gevoerd om te bewerkstelligen dat [naam 2] niet langer als docent klassieke talen zou worden ingezet. Deze procedure heeft niet het door eiseres beoogde resultaat opgeleverd.

1.4.

In de correspondentie en de gesprekken, die volgden op de juridische procedure over de aanstelling van [naam 2] , heeft eiseres verweerder verweten niet in te grijpen tegen pest- en intimiderend gedrag van collega’s, onder wie de schoolleiding, jegens haar. Op zeker moment heeft eiseres zich ziekgemeld.

1.5.

Eén en ander heeft geleid tot overleg tussen eiseres en verweerder, echter zonder zodanig resultaat dat eiseres haar werkzaamheden als docent weer kon hervatten.

1.6.

Verweerder heeft uit de gang van zaken de conclusie getrokken dat er sprake was van een impasse waar partijen niet meer uit konden komen. Dit heeft geleid tot het schorsingsbesluit en tot het voornemen om eiseres ontslag te verlenen. Eiseres heeft haar zienswijze op het voornemen gegeven, waarna verweerder het ontslagbesluit heeft genomen.

1.7.

In de bestreden besluiten heeft verweerder het schorsingsbesluit en het ontslagbesluit gehandhaafd. Daartegen komt eiseres in deze procedure op.

2. Eiseres stelt - voor zover hier van belang en samengevat - dat zij op goede gronden aan verweerder heeft verzocht om een einde te maken aan een met de wet strijdige situatie, te weten het doceren van klassieke talen door [naam 2] . Voorts betoogt eiseres dat zij op school stelselmatig is gepest, door met name [naam 2] en - onder anderen - collega J.J. de Boer. Dit pesten bestond onder meer uit het geheimhouden van een klachtbrief van een 4 vwo-klas, het haar ten onrechte aanbieden van een verbetertraject, het bestoken met onaangename e-mails gedurende de periode dat zij als gevolg van alle voorvallen (situationeel) arbeidsongeschikt was geraakt en het toedelen van (louter) onderbouwklassen in plaats van (ook) bovenbouwklassen. Eiseres stelt dat er geen sprake van een impasse die zou moeten leiden tot beëindiging van haar aanstelling. Dat deze hele situatie tot een aanhoudende stroom correspondentie heeft geleid, is niet aan eiseres te wijten, maar aan de consequent onjuiste uitgangspunten die verweerder hanteerde bij het beantwoorden van de correspondentie van haar. En als er al sprake zou zijn van een impasse, dan is deze te wijten aan het handelen en de opstelling van verweerder, waarvan zij niet de dupe mag worden. Eiseres verzoekt de rechtbank de bestreden besluiten te vernietigen, verweerder te veroordelen tot het betalen van een ontslagvergoeding en een vergoeding voor geleden materiële en immateriële schade.

3. Verweerder stelt dat er tussen partijen geen vruchtbare samenwerking meer mogelijk is, nadat er een impasse was ontstaan. Eiseres heeft de bestaande verschillen van inzicht alleen

maar benadrukt en zelfs vergroot. Daarbij heeft zij collega’s en de schoolleiding in niet mis te verstane en grievende bewoordingen ernstige verwijten gemaakt zonder deze feitelijk te

onderbouwen. Eiseres bleek niet zozeer bezorgd om de kwaliteit binnen de sectie klassieke talen, maar wilde zich veeleer ontdoen van [naam 2] , die haar al jaren zou pesten. Verweerder wilde [naam 2] behouden voor de school omdat hij goed lesgaf. Anders dan eiseres ervoer, heeft verweerder met een keuze voor [naam 2] niet ook een keuze tegen eiseres gemaakt. Hoewel verweerder dat vaker aan eiseres duidelijk heeft proberen te maken, bleef zij volhouden dat collega’s, leidinggevenden en verweerder tegen haar waren. Dit uitte zich in wantrouwen van eiseres en genereerde steeds nieuwe punten van onenigheid. Daardoor zijn op alle niveaus in de organisatie de verhoudingen onder druk komen te staan. Hoewel verweerder eiseres heeft verzocht haar toon en haar vastberaden vasthouden aan het eigen gelijk te matigen, heeft zij volhard in het betwisten van nagenoeg ieder standpunt van verweerder en het uitvergroten van de verschillen. Verweerder heeft weloverwogen en gewetensvol een door eiseres opgestelde lijst van pestincidenten beoordeeld en daarop schriftelijk gereageerd. Pogingen van verweerder om in gesprek te komen met eiseres om een impasse te voorkomen, liepen op niets uit door het hardnekkig vasthouden aan het eigen gelijk door haar. Het ontbreekt eiseres aan voldoende reflectief vermogen om haar eigen rol in het ontstaan van deze situatie onder ogen te zien. Derhalve is er sprake van de in artikel 10.b.3, aanhef en onder 12, van de CAO genoemde ontslaggrond.

Ten aanzien van de schorsing stelt verweerder dat deze gerechtvaardigd was, omdat de situatie zodanig onhoudbaar was, dat escalatie diende te worden voorkomen.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. Op grond van artikel 10.b.3, aanhef en onder 12, van de CAO kan op grond van andere met name genoemde en aan de betrokkene schriftelijk meegedeelde redenen van gewichtige aard ontslag worden verleend.

Op grond van artikel 10.b.6, onder 5, sub a, van de CAO kan de werknemer worden geschorst wanneer er sprake is van een voornemen tot ontslag op grond van plichtsverzuim, dan wel andere redenen van gewichtige aard als bedoeld in artikel 10.b.3, onder 12, voor de duur van de procedure tot de beëindiging van de aanstelling.

5.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer de uitspraak van de CRvB van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:198, kan ontslag worden verleend als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.

6. De rechtbank overweegt dat eiseres bij brief van 11 april 2015 aandacht heeft gevraagd voor de situatie, waarin zij met uitsluitend de onbevoegde collega [naam 2] de sectie klassieke talen vormde. Zij ervoer dit naar eigen zeggen als een probleem. De rechtbank stelt vast dat, nadat verweerder geen gehoor wenste te geven aan het verzoek om [naam 2] te ontheffen uit zijn werkzaamheden als docent klassieke talen, eiseres de situatie met [naam 2] in de sleutel van pestgedrag is gaan zetten. Vervolgens zijn partijen - zoals de bezwaarcommissie heeft opgemerkt - verzeild geraakt in een permanente stroom van juridische procedures, e-mails, brieven, beschuldigingen, gesprekken en verslagen van die gesprekken, die heeft geleid tot een situatie waarin iedere vorm van communicatie alleen maar leidde tot een verdere verstoring van de arbeidsverhouding. De rechtbank acht het volgende van doorslaggevend belang.

6.1.

Tussen verweerder en eiseres is in 2015 op zeker moment een discussie ontstaan over het vermeende pesten. Dit heeft geresulteerd in een uitgebreide lijst met ruim vijftig voorvallen, die eiseres “overzicht betreffende combinatie van structurele tegenwerking/mobbing/pesten” (hierna: het overzicht) heeft genoemd. Zij heeft dit overzicht op 17 december 2015 aan verweerder overhandigd.

6.2.

Bij brief van 14 januari 2016 heeft Kooistra, directeur/bestuurder bij verweerder, een reactie gegeven op het overzicht.

6.3.

Anders dan eiseres stelt, is de rechtbank van oordeel dat verweerder met de reactie van Kooistra uitvoerig is ingegaan op de klachten van eiseres. Per door eiseres omschreven voorval of gedraging heeft Kooistra zijn visie gegeven. Ten aanzien van alle ruim vijftig punten die eiseres in het overzicht heeft genoemd, is geconcludeerd dat het punt geen verwijt van pesten bevat, dan wel dat dit geen pestgedrag betreft.

6.4.

Vervolgens heeft eiseres, in reactie op de brief van 14 januari 2016, bij brief van 2 februari 2016 een nadere toelichting gegeven op het overzicht. Onder meer over deze laatste brief heeft op 11 februari 2016 een gesprek plaatsgevonden. Verweerder heeft tijdens dat gesprek naar voren gebracht dat partijen in een impasse waren geraakt, die volledig aan eiseres te verwijten valt. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de impasse geheel op het conto van verweerder komt. Bij brief van 19 februari 2016 heeft verweerder eiseres laten weten niet opnieuw te willen reageren op alle afzonderlijke onderdelen van het overzicht, die in de brief van 2 februari 2016 zijn opgesomd, en zich te zullen beraden op de ontstane situatie.

6.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voortdurend beheerst en adequaat gereageerd op hetgeen eiseres te berde heeft gebracht. De brief van 14 januari 2016 is daarvan een uiting. De voorvallen die eiseres in het overzicht heeft genoemd zijn veelal beschrijvingen van een situatie. In geen van de punten is aantoonbaar sprake van denigrerende opmerkingen of pestgedrag en een aantal van de punten betreft een vermoeden van eiseres of is van horen zeggen. In hetgeen de getuigen ter zitting hebben verklaard, ziet de rechtbank evenmin een aanwijzing voor de juistheid van de stellingen van eiseres.

6.6.

De rechtbank leidt uit de gedingstukken af dat verweerder lang heeft gepoogd om tot een oplossing van de gerezen problemen te komen. Maar gesprekken liepen telkens vast door nieuwe vragen, beschuldigingen en eisen van de zijde van eiseres. Nadat eiseres met haar brief van 2 februari 2016 met aanvullende aantijgingen kwam, kon verweerder concluderen dat van een vruchtbare voortzetting van de arbeidsrelatie geen sprake meer kon zijn. De escalatie die gaandeweg plaatsvond is naar het oordeel van de rechtbank grotendeels door eiseres zelf veroorzaakt. Daarbij kan de rechtbank zich niet aan de indruk onttrekken dat verweerder zijn besluit mede heeft gebaseerd op de conclusie dat de opstelling van de gemachtigde van eiseres niet heeft bijgedragen aan een constructieve sfeer.

6.7.

In deze situatie is overtuigend gebleken dat van een vruchtbare voortzetting van het dienstverband geen sprake meer kon zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht tot de conclusie is gekomen dat sprake was van een impasse. De rechtbank is voorts van oordeel dat deze impasse, gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, niet in overwegende mate aan verweerder is toe te rekenen.

7. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bestreden ontslagbesluit op goede gronden heeft genomen.

8. Ten aanzien van het bestreden schorsingsbesluit overweegt de rechtbank dat de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft meegedeeld dat de grieven tegen dit besluit “meeliften” met die tegen het ontslagbesluit. Nu eiseres geen afzonderlijke gronden van beroep heeft ingediend tegen het schorsingsbesluit, slaagt dit beroep niet. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de beoordeling van de rechtbank van het ontslagbesluit, verweerder het schorsingsbesluit op goede gronden heeft genomen.

9. De rechtbank overweegt ten slotte het volgende.

9.1.

Ter zitting heeft eiseres de rechtbank verzocht om tijdens een nieuwe zitting E.H. Hoeksma, arts, als getuige te horen. De rechtbank wijst dit verzoek af, omdat in het licht van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting niet aannemelijk is geworden dat de informatie die deze arts zou kunnen geven een ander licht kan werpen op de rechtmatigheid van de bestreden besluiten.

9.2.

Voorts heeft eiseres ter zitting verzocht om het onderzoek te schorsen en aan te houden, totdat de deskundige Van der Meer een rapport heeft uitgebracht. De rechtbank wijst ook dit verzoek af. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van eiseres had gelegen om dit rapport eerder in het geding te brengen, nog daargelaten de vraag of dit rapport een ander licht zou kunnen werpen op de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. In het rapport van Van der Meer, dat eiseres na het sluiten van het onderzoek heeft ingediend, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Er is evenmin aanleiding voor een schadevergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. C.H. de Groot en mr. W.F. Bijloo, leden, in aanwezigheid van mr. E.H. Pot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening