Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4290

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
10-11-2017
Zaaknummer
18/830134-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent.

Art 279 Sr

Veroordeeld tot

een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 30 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 15 uren zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 15 uren zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 279
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830134-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

26 oktober 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A. Lubbers, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 4 december 2015 tot en met 11 december

2015, te Groningen, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 1]

(geboren op [geboortedatum] 2005), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (te weten het gezag van [slachtoffer 2] , te weten de moeder van die [slachtoffer 1] ) en/of aan het opzicht dat Jeugdzorg Noord desbevoegd over deze minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte die [slachtoffer 1] meegenomen naar zijn, verdachtes, woning en aldaar laten verblijven en/of (aldus) zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van diens moeder en/of Jeugdzorg Noord gebracht, dat de uitoefening van het gezag door die moeder en/of het opzicht van Jeugdzorg Noord onmogelijk was geworden.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het ten laste gelegde bewezen kan worden voor wat betreft de periode van 9 december 2015 tot met 11 december 2015.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat alleen in de periode van 9 december 2015 tot en met

11 december sprake zou zijn van een strafbaar feit. Immers, in de periode van 4 december 2015 tot en met 8 december 2015 verbleef de minderjarige bij verdachte conform de bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland d.d. 5 maart 2013 bepaalde omgangsregeling, later aangevuld door middel van een bij een mediator overeengekomen vaststellingsovereenkomst d.d. 1 juli 2014.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 oktober 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 december 2015, opgenomen op pagina 21 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016075341 d.d. 16 maart 2016, inhoudende de verklaring van [getuige 1];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 december 2015, opgenomen op pagina 11 van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 2].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 9 december 2015 tot en met 11 december 2015, te Groningen, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2005), heeft onttrokken aan het wettig over die minderjarige gestelde gezag (te weten het gezag van [slachtoffer 2] , te weten de moeder van die [slachtoffer 1] ) en aan het opzicht dat Jeugdbescherming Noord desbevoegd over deze minderjarige uitoefende, immers heeft verdachte die [slachtoffer 1] meegenomen naar zijn, verdachtes, woning en aldaar laten verblijven en (aldus) zodanig feitelijk buiten de invloedssfeer van diens moeder en Jeugdbescherming Noord gebracht, dat de uitoefening van het gezag door die moeder en het opzicht van Jeugdzorg Noord onmogelijk was geworden.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het wettig over hem gesteld gezag en het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur bij niet voldoen te vervangen door 30 dagen hechtenis waarvan 30 uren voorwaardelijk te vervangen door 15 dagen hechtenis met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair gepleit voor een schuldigverklaring zonder strafoplegging en heeft daartoe het volgende aangevoerd:

Er is sprake van een langdurig problematische (relatie)situatie tussen verdachte en zijn ex-partner, aangeefster [slachtoffer 2] en rondom de omgang van verdachte met zijn zoon [slachtoffer 1]. Weliswaar heeft de ex-partner van verdachte vele malen contact gezocht met de politie, maar dit heeft slechts éénmaal geleid tot een veroordeling, voor het overige heeft het openbaar ministerie de zaken geseponeerd vanwege gebrek aan bewijs. De vele meldingen, de beschikkingen die door de civiele rechter zijn uitgesproken en hetgeen verdachte tijdens de zitting naar voren heeft gebracht omtrent zijn moeizame contacten met de gezinsvoogd, schetsen een situatie waarin duidelijk is dat verdachte bij tijd en wijle klem zit. Vanuit die positie heeft hij verkeerde keuzes gemaakt. De consequenties van die keuze, namelijk dat Jeugdzorg besloot tot een opname in een toevluchtsoord van zijn zoon en zijn ex-partner, heeft verdachte nooit voorzien en zeker niet beoogd. Verdachte lijdt al twee jaar onder de gevolgen van zijn handelen. Hij heeft zijn zoon de afgelopen jaren slechts enkele uren gezien. Mocht de rechtbank vinden dat het gepleegde feit strafwaardig is, dan heeft de raadsvrouw subsidiair verzocht de eis van de officier te volgen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn zoon drie dagen onttrokken aan het wettig over hem gestelde gezag, te weten het gezag van aangeefster [slachtoffer 2], zijn ex-partner en onttrokken aan het opzicht van Jeugdbescherming Noord Nederland dat bestond krachtens de (meermalen) opgelegde jeugdbeschermingsmaatregel van ondertoezichtstelling. Verdachte heeft zijn zoon ingezet als middel om het gesprek op gang te brengen tussen hem en [slachtoffer 2] aangaande een omgangsregeling die vastgesteld zou moeten worden in geval verdachte voor een periode naar het buitenland zou gaan. De zoon van verdachte is bij beschikking van de rechtbank Noord Nederland d.d. 10 november 2015 onder toezicht gesteld, omdat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd als gevolg van conflictueus contact tussen zijn ouders. Verdachte is met zijn eigenmachtige optreden willens en wetens voorbijgegaan aan het feit dat de kinderrechter middels de ondertoezichtstelling de regie met betrekking tot zijn omgang met [slachtoffer 1] heeft overgedragen aan Jeugdbescherming Noord. Hoewel verdachte het belang van zijn zoon voor ogen zegt te hebben gehad, heeft zijn handelen de problematische ontwikkelingssituatie voor zijn kind slechts verergerd.

De rechtbank heeft oog voor de omstandigheden van verdachte. Verdachte heeft als vader geen gezag en het hoofdverblijf van [slachtoffer 1] is niet bij hem. In samenhang met de inmiddels bestaande, door verdachte als moeizaam geziene, relatie met de moeder van het kind en de verstoorde relatie die inmiddels met Jeugdbescherming Noord is ontstaan, ervaart verdachte klem te zitten in deze positie. Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte uit onmacht en onvermogen tot het plegen van het delict is gekomen. Hij ziet nu in dat hij zijn zoon heeft ingezet als middel, iets dat hij nu afkeurt. Sinds december 2015 maakt verdachte een positieve ontwikkeling door. Waar hij eerder de strijd leek aan te gaan met Jeugdbescherming Noord, probeert hij nu via overleg en met beraad het contact met zijn zoon te herstellen. Ondanks deze positieve ontwikkelingen acht de rechtbank, gelet op de houding van verdachte ter zitting, de kans op recidive reëel aanwezig. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor belaging en huiselijk geweld in relatie tot voornoemde ex-partner. Alles overwegende acht de rechtbank de straf zoals gevorderd door de officier van justitie passend en geboden.

De rechtbank acht een rechterlijk pardon niet op zijn plaats gezien de, uit feiten en omstandigheden in het dossier blijkende, manier waarop verdachte, tegen beter weten in en ondanks duidelijke aanwijzingen van de familierechter, heeft volhard in zijn handelen door zelf te willen bepalen wat goed is voor een zo gezond mogelijke ontwikkeling van zijn zoon.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 279 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 60 uren.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 30 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 15 uren zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 15 uren zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en

mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door mr. M.A. Reese-Knigge, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2017.