Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:429

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
16/1951
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Participatiewet. Verweerder verlaagt een eerder opgelegde boete ambtshalve met 50%. Financiële omstandigheden/draagkracht aanleiding voor verdere matiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/105
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 16/1951

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 januari 2017 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats 1] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Helmantel),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Slochteren, verweerder

(gemachtigde: I.M. Klok).

Procesverloop

Bij besluit van 12 oktober 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiser op grond van de Participatiewet (Pw) een boete opgelegd van € 140,-.

Bij besluit van 17 november 2015 (het primaire besluit II) heeft verweerder een eerder aan eiser op grond van de Pw opgelegde boete verlaagd van € 15.710,00 naar € 7.855,00.

Bij besluit van 23 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting van een enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend en het beroep ter behandeling doorverwezen naar een meervoudige kamer.

Met toestemming van partijen is het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer achterwege gebleven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1.

Nadat het recht van eiser op bijstand bij besluit van 12 maart 2014 met ingang van 1 februari 2014 was beëindigd, heeft verweerder bij besluit van 19 maart 2014 zijn recht op bijstand over de periode van 4 september 2012 tot en met 31 januari 2014 ingetrokken en de ten onrechte aan eiser betaalde bijstand teruggevorderd. Het bedrag van de terugvordering is vastgesteld op € 20.042,46. Bij besluit van 10 juni 2014 heeft verweerder een boete aan eiser opgelegd van € 15.710,00. Eiser heeft geen bezwaar gemaakt tegen voornoemde besluiten.

1.2.

Bij besluit van 5 december 2014 heeft verweerder aan eiser met ingang van 16 juni 2014 opnieuw een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande toegekend. Bij besluit van 22 september 2015 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser met ingang van 11 augustus 2015 herzien en een bedrag van € 186,32 van eiser teruggevorderd. Verweerder heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan verweerder te melden dat zijn nicht, [naam nicht] , per 11 augustus 2015 op zijn adres is komen wonen. Bij brief van 23 september 2015 heeft verweerder het voornemen geuit in verband hiermee aan eiser een boete op te leggen en is eiser in de gelegenheid gesteld te reageren. Eiser heeft niet gereageerd. Bij het primaire besluit I heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 140,00.

1.3.

Bij het primaire besluit II heeft verweerder de bij besluit van 10 juni 2014 opgelegde boete ambtshalve herzien naar een bedrag van € 7.855,00. Hiermee heeft verweerder toepassing gegeven aan de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754), waarin - in een ander geschil dan dat tussen eiser en verweerder - is geoordeeld dat de boetewetgeving te streng is.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder overneming van het advies van de bezwaarschriftencommissie (de commissie), de bezwaren van eiser tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard. De commissie komt in haar advies van 15 februari 2016 tot de conclusie dat, nu het boetebesluit van 10 juni 2014 in rechte vast staat, er geen ruimte is voor een heroverweging van de feiten en omstandigheden die aan dit besluit ten grondslag liggen. De commissie geeft aan dat bij besluit van 10 juni 2014 de op dat moment bij dat besluit betrokken feiten en omstandigheden zijn beoordeeld, waarbij is geoordeeld dat er sprake is van verwijtbaar handelen. Op grond van de jurisprudentie van de CRvB van 24 november 2014 dient de boete volgens de commissie daarom gematigd te worden naar 50% van het benadelingsbedrag, hetgeen verweerder in het primaire besluit II ook heeft gedaan. Ten aanzien van het primaire besluit I concludeert de commissie dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan verweerder door te geven dat [naam van de nicht] bij hem is komen wonen. Aangezien eiser bij besluit van 10 juni 2014 reeds een boete was opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht, is er sprake van recidive. Volgens de commissie is niet gebleken van bijzondere omstandigheden of dringende redenen om deze boete te verlagen.

3. De rechtbank oordeelt als volgt.

3.1.

Eiser heeft aangevoerd het niet eens te zijn met het ongegrond verklaren van zijn bezwaar tegen het primaire besluit I omdat zijn nicht, [nicht van eiser] , op 20 augustus 2015 een brief van de gemeente heeft ontvangen waarin stond dat zij per 11 augustus 2015 is ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats 2] . Eiser begrijpt niet dat hij de inlichtingenplicht zou hebben geschonden, nu de informatie bekend was bij de gemeente. Sterker nog, eiser heeft deze inwoning samen met zijn nicht doorgegeven. Eiser vindt het moeilijk voor te stellen dat deze informatie de uitkeringsinstantie dan niet tijdig bereikt, zoals verweerder stelt. Eiser verwijst naar informatie op de website van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, waaruit volgens eiser blijkt dat verweerder op dit punt een verkeerde afweging maakt. Bovendien staat op het besluit van 5 december 2014 noch op de bijlage over de kostendelersnorm vermeld bij wie (of bij welk loket) eiser een dergelijk feit moet doorgeven.

3.2.

De rechtbank overweegt dat eiser ter zitting heeft verklaard dat hij samen met zijn nicht naar de balie van de gemeente is gegaan om haar op zijn adres in te laten schrijven. De rechtbank is van oordeel dat hieruit voortvloeit dat [naam nicht eiser] zich als bewoonster op het adres van eiser heeft laten registreren, maar dat kan niet worden opgevat als het door eiser aan verweerder doorgeven van een wijziging in zijn woonsituatie. De door eiser aangehaalde informatie die op de site van de VNG staat betreft de situatie dat een uitkeringsgerechtigde bij de BRP meldt dat er iets in zijn woonsituatie is veranderd. Dat is niet vergelijkbaar met het doorgeven van informatie van een ander dat die op het adres van de desbetreffende uitkeringsgerechtigde is gaan wonen.

3.3.

Verder overweegt de rechtbank dat het niet door eiser zelf doorgeven van deze wijzing in zijn woonsituatie hem is te verwijten. Van verminderde verwijtbaarheid of van andere redenen om de boete te verlagen is de rechtbank niet gebleken. Omdat aan eiser al eerder een boete is opgelegd in verband met het schenden van de inlichtingenplicht, is verweerder bij het vaststellen van de hoogte van de boete terecht uitgegaan van recidive.

4.1.

Voor wat betreft het besluit van verweerder de met het eerdere besluit van 10 juni 2014 aan eiser opgelegde boete met 50% te verlagen, heeft eiser aangevoerd dat hij niet samenwoonde met [naam mevrouw] . [mevrouw] woonde in een andere wooneenheid in de boerderij. Verder heeft eiser aangevoerd dat formeel niet is gebleken dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 juni 2014, maar dat hij hier wel diverse malen contact over heeft gehad met de gemeente. Eisers werd bedolven onder papieren en de wijze waarop hij de kwestie heeft aangepakt, heeft ook te maken met zijn beperkte cognitieve vaardigheden. Dit blijkt voldoende uit de formulieren die eiser moest invullen van de gemeente.

4.2.1.

De rechtbank dient voor wat betreft de verlaging van de boete met 50% allereerst de omvang van het geding vast te stellen. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of, gelet op het besluit van 10 juni 2014, de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot deze boete, in dit geschil kunnen worden beoordeeld. Verweerder heeft gesteld dat het in dit geschil alleen kan gaan over de vraag of, uitgaande van het verwijtbaar niet nakomen van de inlichtingenplicht en daarmee de halvering van de boete, het boetebedrag van € 7.855,00, cijfermatig klopt. Eiser heeft het standpunt ingenomen dat de vraag of sprake is van schending van de inlichtingenplicht ten volle aan de orde kan komen, evenals de hoogte van de opgelegde boete.

4.2.2.

De rechtbank stelt allereerst vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 10 juni 2014, zodat dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden. Gelet op de formele rechtskracht staat hiermee het rechtsgevolg - de opgelegde boete van € 15.710,00 - vast. In verband met nadien door de CRvB ontwikkelde jurisprudentie heeft verweerder aanleiding gezien de boete ambtshalve alsnog te matigen. Hierin ziet de rechtbank aanleiding tot het oordeel te komen dat de omvang van het geding is beperkt tot de vaststelling van de hoogte van de boete en dat het geschil geen betrekking kan hebben op de aan het besluit van 10 juni 2014 ten grondslag gelegde oordelen van feitelijke en juridische aard, waaronder het oordeel van verweerder dat sprake is van (subjectieve) verwijtbaarheid aan de kant van eiser bij de schending van de inlichtingenplicht. Deze kunnen immers het rechtsgevolg van de opgelegde boete niet wijzigen. Hierbij is tevens van belang dat in het bestreden besluit alleen een beslissing wordt gegeven over de hoogte van de boete en dat er niet opnieuw een oordeel wordt gegeven over de feiten en omstandigheden die hieraan ten grondslag liggen.

4.2.3.

De rechtbank is verder van oordeel dat de hoogte van de boete in volle omvang in dit geschil dient te worden beoordeeld. Met het bestreden besluit heeft verweerder immers de boete opnieuw vastgesteld en daarmee het rechtsgevolg beoogd dat de eerder vastgestelde boete zal worden verlaagd. Of deze verlaging op rechtens juiste wijze is geschied, ligt aan de rechtbank ter beoordeling voor.

4.3.

Gelet op hetgeen in 4.2.2 is overwogen, gaat de rechtbank er bij de beoordeling van uit dat sprake is van het door eiser verwijtbaar niet nakomen van de inlichtingenplicht waardoor verweerder, gelet op de uitspraak van de CRvB van 24 november 2014, terecht is uitgegaan van een halvering van de boete.

4.4.

Eiser heeft aangevoerd dat hij geen draagkracht heeft om de hem opgelegde boetes te betalen, waartoe hij heeft gesteld dat hij een huurachterstand heeft en nauwelijks inkomen en vermogen. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10), voor de berekening van de op te leggen boete als uitgangspunt heeft te gelden dat, omdat sprake is van normale verwijtbaarheid, de boete zodanig wordt verlaagd dat de betrokkene bij een fictieve draagkracht gelijk aan de voor beslag vatbare ruimte berekend op basis van de beslagvrije voet de hem opgelegde boete binnen twaalf maanden moet kunnen betalen. Dit betekent dat de door verweerder opgelegde boetes van respectievelijk € 140,- en € 7.855,- dienen te worden verlaagd tot een totaalbedrag van € 837,24, zijnde hetgeen eiser volgens de hiervoor vermelde norm, binnen twaalf maanden kan voldoen (twaalf maal 10% van de voor eiser geldende norm van € 697,72).

5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank zal bepalen dat deze uitspraak voor wat betreft de hoogte van de op te leggen boete in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift tegen het primaire besluit II, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

7. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat aan eiser een boete wordt opgelegd van € 837,24;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.980,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.G. Wijtsma, voorzitter, en mr. K. Wentholt en mr. G. Laman, leden, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.