Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4280

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-11-2017
Datum publicatie
06-12-2017
Zaaknummer
AWB LEE - 15 _ 4432
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

BPM Kampeerauto, unierechtelijk verdedigingsbeginsel, ISV, rentevergoeding griffierecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/2895
Viditax (FutD), 07-12-2017
FutD 2017-3130
mr. P.A.M. Breekpot annotatie in NTFR 2018/259
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 15/4432

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 7 november 2017 in de zaak tussen

[eiser 1] , te [plaats] , eiser

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Emmen, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister van Veiligheid en Justitie, de Minister.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 1 december 2014 een naheffingsaanslag opgelegd in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) ten bedrage van € 3.703.

Bij uitspraak op bezwaar van 9 oktober 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [naam] .

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser heeft op 16 oktober 2014 in Duitsland een gebruikte kampeerwagen gekocht, [merk en type] , voor € 47.600 inclusief (Duitse) BTW. Het onderstel betreft een [merk en type] , en de datum van eerste toelating is 15 april 2014.

1.2.

Op 28 oktober 2014 dient eiser (met dagtekening 21 oktober 2014) een aangifte BPM in naar een te betalen bedrag aan BPM van € 5.429. In overeenstemming met de aangifte heeft eiser dit bedrag aan BPM voldaan.

1.3.

Op 3 november 2014 heeft verweerder aan eiser een vooraankondiging van de naheffingsaanslag gestuurd, waarin het bedrag en de aanleiding uiteen is gezet en eiser in de gelegenheid is gesteld om alsnog een koerslijst voor campers te hanteren. In deze vooraankondiging is voorts het volgende opgenomen:
Als u het niet eens bent met mijn voornemen
Bent u het niet eens met mijn voornemen om u deze naheffingsaanslag op te leggen? Dan kunt u hierop vóór 18 november 2014 reageren. Heb ik voor deze datum geen reactie van u ontvangen, dan zal ik de naheffingsaanslag opleggen.”.

1.4.

Aan eiser is met dagtekening 1 december 2014 een naheffingsaanslag opgelegd ten bedrage van € 3.703. De daaraan ten grondslag liggende afschrijving is door verweerder bepaald door middel van de forfaitaire afschrijvingstabel.

1.5.

Ter zitting is komen vast te staan dat verweerder eisers bezwaar op 22 december 2014 heeft ontvangen. Nadat eiser op 1 oktober 2015 is gehoord, heeft verweerder eisers bezwaar op 9 oktober 2015 ongegrond verklaard.

Geschil en beoordeling

2. In geschil is het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Partijen hebben op verzoek van de rechtbank in hun nadere stukken van 13 september 2017 (eiser) en 14 september 2017 (verweerder) de tussen hun nog bestaande geschilpunten benoemd. Ter zitting hebben partijen dit bevestigd.

De berekening van de BPM

3. Eiser heeft - kort gezegd - aangevoerd dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) wordt geschonden, omdat de belasting voor binnenlandse kampeerauto’s kan worden berekend op basis van de gesloten bestelauto waarop de kampeerauto is gebouwd, abstraherend van de recreatieve functie, terwijl voor te importeren kampeerauto’s wel rekening moet worden gehouden met de recreatieve functie. De handelsinkoopwaarde moet daarom worden vastgesteld op € 26.046, overeenkomstig de koerslijst voor een gesloten bestelauto, en het afschrijvingspercentage berekent eiser dus op 46%.

4. Verweerder heeft onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847, aangevoerd dat geen gebruik kan worden gemaakt van een koerslijst op basis van de gesloten bestelauto. De afschrijving moet worden bepaald aan de hand van de waardedaling van de kampeerauto inclusief het recreatieve gedeelte.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) dat artikel 110 VWEU zich verzet tegen de toepassing van een stelsel van belastingheffing waarbij niet wordt uitgesloten dat een ingevoerd gebruikt motorvoertuig in bepaalde gevallen onderworpen is aan een hogere belasting dan de belasting die nog rust op c.q. besloten ligt in de waarde van een gelijksoortig, reeds op het nationale grondgebied geregistreerd gebruikt motorvoertuig. Waar het nu om draait, is de vraag wat gelijksoortig is in dit verband.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn gelijksoortige gebruikte voertuigen in dit geval geen gebruikte (gesloten) bestelauto’s, maar gebruikte kampeerauto’s. Er bestaan immers in het algemeen zodanig wezenlijke verschillen tussen beide soorten voertuigen, in het bijzonder wat betreft hun respectievelijke eigenschappen en de behoeften waarin zij voorzien, dat een bestelauto zich als zodanig niet in een concurrentieverhouding met een kampeerauto bevindt. Het tegendeel heeft eiser gesteld, noch aannemelijk gemaakt. Daarnaast heeft de kampeerauto allerlei recreatieve voorzieningen, waarvan ook reeds aannemelijk is dat er een andere aard en intensiteit van het gebruik bestaat dan bij bestelauto's. Om deze redenen verloopt de afschrijving van kampeerauto’s naar het oordeel van de rechtbank niet gelijk aan de afschrijving van bestelauto's (zie ook HR 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847, r.o. 2.3.3).

6. Om te voorkomen dat een heffing discriminerend is, moet volgens het HvJ EU wel een reële waardedaling van het tweedehands motorvoertuig in aanmerking worden genomen, dan wel een waardeschatting van dat motorvoertuig die in het algemeen de werkelijke waarde zeer sterk benadert (HvJ 14 april 2015, Mihai Manea, C-76, CLI:EU:C:2015, r.o. 34 en 35, alsmede HR 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847, r.o. 2.3.2).

7. De rechtbank overweegt voorts dat het Besluit van 4 maart 2014, BLKB 2014/127M (Kaderbesluit) een tegemoetkoming biedt voor de bepaling van de bruto BPM. Het Kaderbesluit biedt geen grondslag om voor de bepaling van de rest-BPM van een kampeerauto uit te gaan van de catalogusprijs en de handelsinkoopwaarde van een bestelauto.

8. Gelet op het voorgaande heeft eiser miskend dat de goedkeuring uit het Kaderbesluit waarnaar hij verwijst (Besluit van 4 maart 2014, BLKB 2014/127M), niet ziet op de (wijze van) bepaling van de afschrijving, maar op de vaststelling van het basisbedrag aan BPM als zodanig (de 'bruto BPM'). Wanneer bij de vermindering van het hiervoor bedoelde bedrag aan (bruto) BPM rekening wordt gehouden met een (bij benadering) reële waardevermindering van kampeerauto’s, is geen sprake van een discriminerende heffing. De door eiser gestelde strijd met artikel 110 VWEU is ten principale dan ook niet aan de orde.

9. Uiteraard moet bij de feitelijke heffing wel rekening worden gehouden met de hiervoor bedoelde reële waardevermindering van kampeerauto’s. De Wet op de BPM bood in artikel 10 (tekst 2014) de mogelijkheid om hiermee rekening te houden. Verweerder heeft ook daadwerkelijk rekening gehouden met enige waardedaling (23,5%) door middel van de toepassing van de forfaitaire tabel opgenomen in (het op artikel 10 van de Wet op de BPM gebaseerde) artikel 8 lid 5 van de Uitvoeringsregeling BPM 1992.

10. Eiser stelt dat het afschrijvingspercentage hoger moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er echter niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de door verweerder gehanteerde afschrijving niet een reële waardevermindering als hiervoor bedoeld weerspiegelt, laat staan dat voor de bepaling van de rest-BPM het juiste afschrijvingspercentage 46 zou zijn. Deze bewijslast terzake rust naar het oordeel van de rechtbank op eiser, en niet op verweerder. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Het zal voor een belastingplichtige in de regel niet onmogelijk of uiterst moeilijk zijn om bij het doen van de aangifte BPM dan wel in bezwaar of in (hoger) beroep opgaaf te doen van de gegevens die nodig zijn voor het bepalen van de reële waardevermindering van het desbetreffende motorvoertuig in overeenstemming met artikel 110 VWEU (vgl. HR 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847, r.o. 2.4). Eiser is daartoe reeds voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag in de gelegenheid gesteld (zie de aankondiging bedoeld in 1.3), maar heeft van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. Verweerder heeft vervolgens, overeenkomstig de aankondiging, de BPM berekend op basis van de forfaitaire tabel. Naar het oordeel van de rechtbank kan van de afschrijving zoals die voortvloeit uit die tabel niet worden gezegd dat deze op voorhand niet reëel te noemen is, temeer niet nu daaruit duidelijk naar voren komt dat ook relatief jonge auto's al een flink deel van hun waarde hebben verloren (het 'de kop is eraf'-principe). Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt dan, ook in EU-rechtelijke context, mee dat eiser aan zet is, nu het gaat om een vermindering van de verschuldigde BPM (vanwege de omvang van de afschrijving). Gelet op hetgeen hiervoor (onder 5. tot en met 8.) is overwogen, is eiser er met hetgeen hij heeft aangevoerd evenwel niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de door verweerder gehanteerde afschrijving niet een reële waardevermindering weerspiegelt, zoals het EU-recht vereist.

11. Zoals verweerder ter zitting terecht heeft opgemerkt staat het eiser vrij om bewijs te leveren van zijn stelling omtrent de handelsinkoopwaarde en daarmee de afschrijving, bijvoorbeeld door middel van een taxatierapport of koerslijst voor kampeerauto’s. Die mogelijkheid heeft verweerder eiser ook geboden. Eiser heeft echter verzuimd nader bewijs bij te brengen, terwijl de rechtbank de door eiser gehanteerde koerslijst (voor een gesloten bestelauto) op inhoudelijke gronden heeft verworpen (zie 5.). Het afschrijvingspercentage dat verweerder heeft gehanteerd, 23,5, is naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand te laag of irreëel.

Het unierechtelijke verdedigingsbeginsel

12. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het unierechtelijke verdedigingsbeginsel heeft geschonden, door eiser niet voorafgaande aan het opleggen van de naheffingsaanslag de mogelijkheid te bieden zijn standpunt mondeling kenbaar te maken. Hij verwijst hiervoor (onder meer) naar HvJ EU 3 juli 2014, Kamino, ECLI:EU:C:2014:2041, en naar HvJ EU 18 december 2008, Sopropé, ECLI:EU:C:2008:746. Eiser stelt dat de verplichting van verweerder verder gaat dan het enkele bieden van de mogelijkheid om te reageren (zie 1.3).

12. De rechtbank overweegt als volgt. Het HvJ EU heeft in het arrest Sopropé (ECLI:EU:C:2008:746) overwogen dat de eerbiediging van de rechten van verdediging een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht vormt, dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren (overwegingen 36. en 37.). Deze verplichting rust op de administratieve overheden van de lidstaten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, ook al voorziet de toepasselijke regeling niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit (punt 38).
Het HvJ EU heeft er voorts (punt 44) op gewezen dat wanneer een nationale regeling een termijn vaststelt voor de indiening van de opmerkingen van de belanghebbenden, de nationale rechter zich ervan dient te vergewissen of die termijn beantwoordt aan de specifieke situatie van de betrokken persoon of onderneming en hun, met inachtneming van het doeltreffendheidsbeginsel, de mogelijkheid heeft geboden om hun rechten van verdediging uit te oefenen.

12. De rechtbank gaat ervan uit dat het opleggen van de naheffingsaanslag in de BPM aan eiser zich in het onderhavige geval binnen de werkingssfeer van het Unierecht bevindt. In eisers situatie heeft verweerder op 3 november 2014 een vooraankondiging van de naheffing gestuurd, waarin aan eiser de gelegenheid wordt geboden voor 18 november 2014 te reageren (zie 1.3). Hiermee is eiser naar het oordeel van de rechtbank in de gelegenheid gesteld om zich voorafgaand aan de uitreiking van de naheffingsaanslag uit te laten over de elementen waarop de naheffing was gebaseerd. De geboden termijn is in dit verband redelijk. Bovendien had eiser ten minste binnen de geboden termijn om meer tijd kunnen vragen. Voor zover eiser heeft beoogd te stellen dat hem ten onrechte niet de gelegenheid is geboden om zich voorafgaand aan de oplegging uit te laten over de naheffingsaanslag, mist die stelling dus feitelijke grondslag. Voor zover eiser heeft beoogd te stellen dat de zorgplicht van de inspecteur op dit punt verder gaat, vindt dat standpunt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in het recht. De inspecteur hoeft niet, zoals eiser kennelijk voorstaat, hemel en aarde te bewegen om te garanderen dat de belanghebbende, ook als hij niet reageert op uitnodigingen, vooraf daadwerkelijk wordt gehoord. De jurisprudentie van het HvJ EU is duidelijk: het is geen hoorplicht, maar een hoorrecht. Waar het om gaat is dat de belanghebbenden in staat worden gesteld om naar behoren hun standpunt kenbaar te maken. Dat laatste is in dit geval wel degelijk gebeurd.

15. Verweerder heeft daarmee het beginsel van eerbiediging van de rechten van verdediging niet geschonden. Over dit oordeel bestaat bij de rechtbank geen twijfel, zodat zij geen aanleiding ziet om hierover prejudiciële vragen te stellen.

15. Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren.
De immateriële schadevergoeding

15. Eiser heeft verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het door eiser ingediende bezwaarschrift is op 22 december 2014 door verweerder ontvangen. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 9 oktober 2015. De rechtbank heeft heden, 7 november 2017, uitspraak gedaan in deze zaak. Niet aannemelijk is geworden dat sprake is van omstandigheden die verlenging van de redelijke termijn van de berechting in de bezwaarfase en de beroepsfase in eerste aanleg rechtvaardigen. Aldus is de redelijke termijn van twee jaar voor de beslechting van het geschil met ongeveer 10,5 maanden overschreden. Dat is afgerond naar boven dus een overschrijding van 2 x een half jaar, goed voor een schadevergoeding van 2 x € 500 = € 1.000.

15. Nu de bezwaar- en de beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn daardoor is overschreden, dient de rechter met het oog op toekenning van een vergoeding voor immateriële schade die door dat tijdsverloop is ontstaan, te beoordelen op welke wijze de termijnoverschrijding moet worden toegerekend aan de bezwaar- en aan de beroepsfase. In de bezwaarfase heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover zij meer dan anderhalf jaar in beslag neemt. De overschrijding is zowel aan verweerder (afgerond 3,5 maand) als aan de rechter (afgerond 7 maanden) toe te rekenen. Dit betekent dat een bedrag van € 333 door verweerder dient te worden vergoed en een bedrag van € 667 dient te worden vergoed door de Minister.

15. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Minister dient te worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

20. Omdat aan eiser een immateriële schadevergoeding wordt toegekend, bepaalt de rechtbank dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoed dient te worden. Eiser heeft verzocht om een rentevergoeding over het griffierecht omdat zijns inziens vast staat dat de belasting in strijd met het Unierecht is geheven.

21. Het HvJ EU heeft op 18 april 2013 in de zaak Mariana Irimie (C-565/11, ECLI:EU:C:2013:250, punten 20 en 21) met betrekking tot de verplichting van lidstaten om – onder omstandigheden – rente aan een belanghebbende te vergoeden onder meer het volgende overwogen: “Volgens vaste rechtspraak is het recht op terugbetaling van belastingen die door een lidstaat in strijd met het recht van de Unie zijn geïnd, het gevolg en het complement van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan de bepalingen van Unierecht die dergelijke belastingen verbieden. De lidstaat is dus in beginsel verplicht, in strijd met het recht van de Unie geïnde belastingen terug te betalen (arresten van 6 september 2011, Lady & Kid e.a., C‑398/09, Jurispr. blz. I-7375, punt 17, en 19 juli 2012, Littlewoods Retail e.a., C‑591/10, punt 24).

Bovendien moet in herinnering worden geroepen dat wanneer een lidstaat heffingen heeft toegepast in strijd met het recht van de Unie, de justitiabelen niet alleen recht hebben op terugbetaling van de ten onrechte geïnde belasting, maar ook van de aan die staat betaalde of door hem ingehouden bedragen die rechtstreeks met die belasting verband houden.”.

22. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding voor een rentevergoeding over het griffierecht, aangezien de rechtbank hiervoor heeft geoordeeld dat er geen sprake is van in strijd met Unierecht geïnde belasting en voorts geen sprake is van aan de staat betaalde of door hem ingehouden bedragen die rechtstreeks met die onrechtmatige heffing belasting verband houden.

22. Tevens bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling, ook al is het beroep op materiële gronden ongegrond (zie het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, r.o. 3.14.1). Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.482 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

24. Het verzoek om vergoeding van werkelijke proceskosten wordt, mede gelet op het inhoudelijke oordeel van de rechtbank omtrent de naheffingsaanslag, afgewezen. Van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid van het Besluit proceskosten bestuursrecht, die afwijking van de forfaitaire regeling voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand rechtvaardigen, is naar het oordeel van de rechtbank ook overigens geen sprake.

25. Gezien overweging 3.14.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, dienen het griffierecht en de proceskosten in gelijke delen door verweerder en door de Minister te worden vergoed.

26. Het beroep is ongegrond.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 333;

  • -

    veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 667;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht tot een bedrag van € 22,50 aan eiser te vergoeden;

  • -

    draagt de Minister op het betaalde griffierecht tot een bedrag van € 22,50 aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 741;

  • -

    veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 741.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. T.L. Gaarman-Jonkers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 november 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.