Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4276

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
17/861
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

LFNP. Plaats tewerkstelling. Het verzoek van eiser om te worden aangewezen als herplaatsingskandidaat is terecht afgewezen, omdat de reistijd van hem niet is toegenomen als gevolg van de reorganisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/861

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 november 2017 in het geschil tussen

[naam], wonende te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.A. Kootstra),

en

de Korpschef van politie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. de Wit).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij met ingang van 1 juli 2016 wordt geplaatst in de functie van Gespecialiseerd Medewerker A, Informatie & Communicatietechnologie, Functioneel beheer, gewaardeerd op schaal 7, in de formatie van het Politiedienstencentrum, Dienst Informatie management, Functioneel beheer NON. Als plaats van tewerkstelling heeft verweerder Zwolle aangewezen.

Bij besluit van 18 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, conform het advies van de bezwaaradviescommissie HRM van 16 december 2016, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 28 maart 2017 heeft hij de gronden van beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat - voor zover hier van belang en samengevat - bij de beoordeling uit van het navolgende.

1.1.

In het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector Politie 2008 – 2010 is onder meer afgesproken dat voor de sector Politie landelijk een nieuw functiegebouw zal gaan gelden. Daartoe is een stelsel van (uiteindelijk) 92 functies met daarbij behorende functiebenamingen ontwikkeld, voorzien van een waardering per functie. Dit geheel wordt aangeduid als het Landelijk Functiegebouw Nationale Politie (hierna: LFNP) en is vastgelegd in de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079).

1.2.

Bij besluit van 1 december 2015 inzake de vaststelling van de oorspronkelijke functie heeft verweerder aan eiser bekend gemaakt dat de oorspronkelijke functie op
1 januari 2012 is: Gespecialiseerd Medewerker A, gewaardeerd in schaal 7. Tevens heeft verweerder op 1 december 2015 een voorgenomen besluit plaatsing uitgebracht.

1.3.

Eiser heeft in verband met het te nemen primaire besluit tot plaatsing in het kader van een belangstellingsregistratie een voorkeur opgegeven voor de functie van Gespecialiseerd Medewerker A. Daarbij heeft hij te kennen gegeven dat hij in de buurt van zijn woonplaats [plaats] geplaatst wenst te worden. Tevens heeft eiser verweerder verzocht om hem als herplaatsingskandidaat aan te wijzen.

1.4.

De door de korpsleiding ingestelde Plaatsingsadviescommissie (hierna: Pac) heeft op 10 juni 2016 geadviseerd om de voorkeur van eiser niet te honoreren en om hem in de door hem gewenste functie in Zwolle te plaatsen.

1.5.

Verweerder heeft eiser vervolgens bij het primaire besluit geplaatst conform het advies van de Pac.

1.6.

Eiser heeft in bezwaar naar voren gebracht dat de functie niet passend is, omdat de reistijd van zijn woonplaats naar Zwolle en terug meer dan drie uren bedraagt, dat zijn verzoek om als vrijwillig herplaatsingskandidaat te worden geplaatst ten onrechte is afgewezen en dat verweerder ten onrechte de hardheidsclausule niet heeft toegepast.

1.7.

Aan het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de bezwaaradviescommissie van 16 december 2016 ten grondslag gelegd. Verweerder heeft overwogen - voor zover hier van belang en samengevat - dat het besluit conform de geldende regelgeving tot stand is gekomen, dat eiser in 2007 vrijwillig naar [plaats] is verhuisd, dat dit een privékeuze was, dat de gevolgen van deze keuze in het kader van deze besluitvorming niet op verweerder kunnen worden afgewenteld en dat geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard die aanleiding is voor het toepassen van de hardheidsclausule.

2. Eiser voert aan dat verweerder zijn verzoek om hem aan te merken als herplaatsingskandidaat ten onrechte heeft afgewezen met als argument dat zijn reistijd niet is toegenomen als gevolg van de reorganisatie. Eiser is van mening dat hij ten onrechte anders wordt behandeld dan collega’s die met een vergelijkbare situatie te maken hebben. Voorts heeft hij gewezen op de wijziging in artikel 55o, vierde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie (hierna: Barp). Daarin staat inmiddels een reistijd genoemd van twee in plaats van drie uren per dag. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft onderkend dat sprake is van een bijzondere en/of onbillijke situatie, aangezien hij jarenlang in Amsterdam werkzaam was en in [plaats] woonde. Eiser stelt in dit verband dat verweerder rekening had moeten houden met zijn privésituatie en in het bijzonder met het feit dat hij sinds enige tijd minder de beschikking heeft over zijn auto, nu zijn partner deze ook nodig heeft.

3. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4. De rechtbank overweegt allereerst, ambtshalve, dat het bestreden besluit namens de korpschef is genomen en is ondertekend door de directeur Human Resources Management. Deze functionaris ontleent daartoe bevoegdheid aan de artikelen 5B.1 en 5B.2 van het Mandaatbesluit Politie november 2015 (Stcrt. 4 november 2015, nr. 38813).

5. De rechtbank stelt voorts vast dat partijen ter zitting desgevraagd hebben opgemerkt het primaire besluit en het bestreden besluit zo te hebben opgevat, dat deze zien op zowel de plaatsing, als op het verzoek van eiser om als herplaatsingskandidaat te worden aangemerkt. De rechtbank kan partijen hierin volgen en zal deze twee elementen dan ook betrekken bij haar beoordeling.

6. Op grond van artikel 55k van het Barp - voor zover hier van belang - wordt de ambtenaar die is aangesteld in vaste dienst, van wie de functie in verband met een reorganisatie is opgeheven, aangewezen als te herplaatsen ambtenaar en wordt deze herplaatsingskandidaat genoemd.

Op grond van artikel 55lb, derde lid, van het Barp dient het bevoegde gezag bij de plaatsing van een functievolger op vergelijkbare of uitwisselbare functies rekening te houden met het gestelde in artikel 55o, vierde lid, aanhef en onder d, van het Barp.

Op grond van artikel 55o, vierde lid, aanhef en onder d, van het Barp, zoals dit luidt sinds 1 juni 2016, wordt een functie niet als passend beschouwd indien de reistijd van en naar de plaats van tewerkstelling van de functie meer dan twee uur per dag bedraagt, tenzij de gebruikelijke reistijd van en naar de plaats van tewerkstelling al meer dan twee uur per dag bedroeg.

Op grond van artikel 55v van het Barp kan het bevoegd gezag, na afweging van de belangen van het individu en van de organisatie, van de regels afwijken indien de toepassing van dit hoofdstuk of de nadere regels ter uitvoering van dit hoofdstuk in individuele gevallen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard of indien er sprake is van een bijzondere situatie van een individuele herplaatsingskandidaat.

6.1.

Verweerder heeft het verzoek van eiser om te worden aangewezen als herplaatsingskandidaat afgewezen, omdat de reistijd van hem niet is toegenomen als gevolg van de reorganisatie.

6.2.

De rechtbank kan verweerder volgen in dit standpunt. Eiser heeft er in 2007 zelf voor gekozen om in [plaats] te gaan wonen. Dat heeft hij vrijwillig en ruim voor de reorganisatie gedaan. In die omstandigheid heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om de status van eiser op zijn verzoek te wijzigen in die van een herplaatsingskandidaat. Daarbij acht de rechtbank van belang dat verweerder in een informatiebrief aan alle betrokken ambtenaren heeft gewezen op artikel 55o, vierde lid, aanhef en onder d, van het Barp. Daarin is het volgende vermeld:

“Als mogelijk functievolger word je in principe geplaatst op jouw formele werkplek. Als dat niet mogelijk is, plaatsen we je op de werkplek het dichtst bij je formele werkplek. Dit kan betekenen dat je reistijd aanzienlijk toeneemt. Wordt je reistijd meer dan 3 uur per dag, dan bestaat de mogelijkheid om af te zien van de functie die je wordt aangeboden. Je wordt dan vrijwillig herplaatsingskandidaat, samen met de Plaatsingsadviescommissie (Pac) ga je onderzoeken of er alternatieve plaatsingsmogelijkheden zijn.

Let op: als jouw reistijd gelijk blijft of minder wordt, kun je geen gebruik maken van deze

regeling.”

6.3.

Bovendien is de rechtbank van oordeel dat uit artikel 55o, vierde lid, aanhef en onder d, van het Barp volgt dat de aanwijzing van Zwolle als plaats van tewerkstelling als passend kan worden aangemerkt. Eisers reistijd is immers afgenomen.

6.4.

Voor zover eiser betoogt dat hij wordt benadeeld ten opzichte van zijn collega’s, volgt de rechtbank hem evenmin. Eiser heeft niet duidelijk kunnen maken in hoeverre daarvan - ten onrechte - sprake is.

6.5.

Voor zover eiser een beroep doet op de hardheidsclausule, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hij met de aanwijzing van de plaats van tewerkstelling in Zwolle er wat betreft zijn reistijd aanmerkelijk op vooruit is gegaan en dat er geen aanleiding bestaat om vanwege een onbillijkheid van overwegende aard niet over te gaan tot plaatsing in Zwolle. Daarbij betrekt de rechtbank dat namens verweerder ter zitting is verklaard dat collega’s uit Fryslân en Groningen als gevolg van de reorganisatie ook in Zwolle zijn geplaatst. Dat eiser vanwege zijn privésituatie minder gebruik kan maken van een auto, maakt het voorgaande niet anders.

7. Het bovenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder het bestreden besluit op goede gronden heeft genomen.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.F. Bijloo, voorzitter, en mr. C.H. de Groot en mr. P.G. Wijtsma, leden, in aanwezigheid van mr. E.H. Pot, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.