Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:427

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2017
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
18/830356-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Minderjarige verdachte heeft zich binnen een relatief korte periode schuldig gemaakt aan medeplichtigheid tot diefstal van twee bromfietsen en aan heling van een bromfiets en wordt veroordeeld tot een taakstraf. Termijnbetaling schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830356-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

30 januari 2017.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van den Oever.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 mei 2016, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een (snor)bromfiets/scooter (Vespa), welke was geplaatst aan/nabij de [straatnaam] en/of [straatnaam] , geheel of ten dele toebehorende aan de politie Noord-Nederland, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die (snor)bromfiets/scooter onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgend, dat

hij op of omstreeks 14 mei 2016 in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander althans alleen een goed te weten een (snor)bromfiets/scooter (Vespa) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij/zij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en) dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op of omstreeks 24 juni 2016, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een (snor)bromfiets/scooter (Piaggio), welke was geplaatst aan/nabij het [straatnaam] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die (snor)bromfiets/scooter onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[mede dader] op of omstreeks 24 juni 2016, in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (snor)bromfiets/scooter (Piaggio), welke was geplaatst aan/nabij het [straatnaam] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte die

(snor)bromfiets/scooter onder zijn bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 24 juni 2016, in de

gemeente Groningen, opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door aan die [mede dader] de plaats mede te delen van waar zich die (snor)bromfiets/scooter bevond;

3.

hij op of omstreeks 14 juni 2016, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een (snor)bromfiets/scooter (Vespa Piaggio), welke was geplaatst aan/nabij de [straatnaam] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval

aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die (snor)bromfiets/scooter onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[mede dader] op of omstreeks 14 juni 2016, in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (snor)bromfiets/scooter (Vespa Piaggio), welke was geplaatst aan/nabij de [straatnaam] , geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte die (snor)bromfiets/scooter onder zijn bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 14 juni 2016, in de

gemeente Groningen, opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door aan die [mede dader] de plaats mede te delen van waar zich die (snor)bromfiets/scooter bevond.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, zonder dat sprake is van medeplegen, kan worden bewezen. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 kan zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde worden bewezen. De officier van justitie heeft zich in zoverre gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 betoogd dat slechts een bewezenverklaring ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde kan volgen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het onder 1 primair, 2 primair en 3 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Niet is komen vast te staan dat verdachte betrokken is geweest bij het wegnemen van de betreffende bromfietsen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, en 3 subsidiair bewezen verklaarde, met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte dit bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 19 april 2016, opgenomen op pagina 73 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verbalisant] , namens Politie Noord-Nederland.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 30 juni 2016, opgenomen op pagina 519 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer1] .

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 januari 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 15 juni 2016, opgenomen op pagina 527 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, en 3 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1, subsidiair

hij op 14 mei 2016 in de gemeente Groningen een goed te weten een (snor)bromfiets/scooter (Vespa) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2, subsidiair

[mede dader] op 24 juni 2016 in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (snor)bromfiets/scooter (Piaggio), welke was geplaatst aan/nabij het [straatnaam] , toebehorende aan [slachtoffer1] , waarbij verdachte die (snor)bromfiets/scooter onder zijn bereik hebben gebracht door middel van verbreking, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 24 juni 2016 in de

gemeente Groningen, opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door aan die [mede dader] de plaats mede te delen van waar zich die (snor)bromfiets/scooter bevond;

3, subsidiair

[mede dader] op 14 juni 2016 in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (snor)bromfiets/scooter (Vespa Piaggio), welke was geplaatst aan/nabij de [straatnaam] , toebehorende aan [slachtoffer 2] , waarbij verdachte die (snor)bromfiets/scooter onder zijn bereik hebben gebracht door middel van verbreking, tot het plegen van welk misdrijf verdachte op 14 juni 2016, in de

gemeente Groningen, opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door aan die [mede dader] de plaats mede te delen van waar zich die (snor)bromfiets/scooter bevond.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1, subsidiair Opzetheling.

2, subsidiair Medeplichtigheid tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

3, subsidiair Medeplichtigheid tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een werkstraf van 150 uren, subsidiair 75 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, waarvan 75 uren, subsidiair 37 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich niet tegen de eis van de officier van justitie verzet.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen een relatief korte periode schuldig gemaakt aan medeplichtigheid tot diefstal van twee bromfietsen en aan heling van een bromfiets. Hij heeft er daarmee blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van anderen. Dergelijke feiten veroorzaken veel hinder, schade en ergernis voor de betrokkenen. Verder draagt heling bij aan de instandhouding van vermogenscriminaliteit, nu door heling een afzetmarkt voor gestolen voorwerpen wordt gecreëerd.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 3 januari 2017, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank ziet alles overwegende aanleiding een straf aan verdachte op te leggen conform de eis van de officier van justitie.

Benadeelde partij

[slachtoffer1] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door hem geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 2 subsidiair ten laste gelegde en bewezen verklaarde feit alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering met de hoofdelijkheidsbepaling en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ervoor gepleit de hoogte van de vordering voor wat betreft alle opgevoerde posten te matigen. De bedragen voor de scooter en het slot dienen met 15% te worden verlaagd, hetgeen beter aansluit bij de dagwaarde van deze goederen. Verder heeft de raadsman verzocht om slechts de helft van het eventueel toe te kennen bedrag aan verdachte op te leggen en de rest aan de mededader; een verdeling die bij minderjarigen niet ongebruikelijk is. Verder heeft de raadsman verzocht om te bepalen dat een eventueel opgelegd bedrag door verdachte in termijnen mag worden betaald.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat een deel van de gestelde schade, te weten de kosten voor de scooter en het slot, verminderd met een percentage van 15%, voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met het door verdachte gepleegde strafbare feit, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die in zoverre niet door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en tot een bedrag van € 2.426,67 voor toewijzing vatbaar.

De rechtbank is ten aanzien van de gevorderde proceskosten van oordeel dat zij over onvoldoende informatie beschikt om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. De rechtbank zal echter niet overgaan tot schorsing van het onderzoek om de hoogte van die schade alsnog te doen aantonen. Dit zal namelijk leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De benadeelde partij zal daarom in zoverre niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan voor wat betreft dit deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank zal bepalen dat indien het toegekende bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade

De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verdachte het bedrag van € 2.426,67 in twaalf maandelijkse termijnen mag voldoen, te weten één termijn van € 226,67 en elf termijnen van € 200,00.

De rechtbank ziet geen aanleiding om verdachte te veroordelen tot vergoeding van slechts de helft van het toegekende bedrag, waarvoor de raadsman heeft gepleit. De rechtbank acht dit niet in het belang van de benadeelde partij, mede nu veroordeling van een eventuele medeverdachte voor het onderhavige (nog) niet aan de orde is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 24a, 36f, 24c, 48, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 150 uren onbetaalde arbeid.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 75 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 37 dagen zal worden toegepast.

(feit 2)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.426,67 (zegge: tweeduizend en vierhonderd en zesentwintig euro en zevenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 juni 2016, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], te betalen een bedrag van € 2.426,67 (zegge: tweeduizend en vierhonderd en zesentwintig euro en zevenenzestig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van 34 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende jeugddetentie de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit € 2.426,67 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer1], daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Bepaalt dat de veroordeelde het bedrag van € 2.426,67 in twaalf maandelijkse termijnen mag voldoen, te weten één termijn van € 226,67 en elf termijnen van € 200,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2017.