Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4265

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
18/830467-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van:

-gemeenschap met een persoon beneden de 16 jaar

- ontucht met misbruik van gezag

(Art 245 Sr , art 249 Sr.)

Veroordeeld tot

- een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 voorwaardelijk

-ontzetting van het recht om het beroep van docent/pedagogisch medewerker uit te oefenen voor de duur van 5 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 245
Wetboek van Strafrecht 249
Wetboek van Strafrecht 252
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830467-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

26 oktober 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 mei 2010 tot 30 december 2010 te

[pleegplaats], gemeente Slochteren, en/of elders in Nederland, meermalen, althans

eenmaal, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1994), die de leeftijd van

twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een

of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

hebbende verdachte, -zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of -een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of -aan de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of -zich laten aftrekken door die [slachtoffer];

2.

hij in of omstreeks de periode van [geboortedatum] 2010 tot en met 30 april 2012

te [pleegplaats], gemeente Slochteren, en/of elders in Nederland, meermalen,

althans eenmaal, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg en/of opleiding

en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]

1994, immers heeft hij, -zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of -een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of -aan de vagina van die [slachtoffer] gelikt en/of -zich laten aftrekken door die [slachtoffer].

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 oktober 2017;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige d.d. 1 juni 2016, opgenomen op pagina 15 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2016011020 d.d. 24 december 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer], geboren [geboortedatum] 1994.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 mei 2010 tot 30 december 2010 te [pleegplaats], gemeente Slochteren, meermalen, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1994), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte,

-zijn penis in de vagina en mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en

-een of meer vingers in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en

-aan de vagina van die [slachtoffer] gelikt en

-zich laten aftrekken door die [slachtoffer];

2.

hij in de periode van 30 december 2010 tot en met 30 april 2012 te [pleegplaats], gemeente Slochteren, meermalen, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige [slachtoffer], geboren op [geboortedatum] 1994, immers heeft hij,

-zijn penis in de vagina en/of mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en

-een of meer vingers in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en

-aan de vagina van die [slachtoffer] gelikt en

-zich laten aftrekken door die [slachtoffer].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

2. ontucht plegen met een aan zijn opleiding toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, meewerken aan nader persoonlijkheidsonderzoek en indien noodzakelijk behandeling bij de AFPN en daarnaast reclasseringstoezicht. Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte van het recht wordt ontzet het beroep van docent/pedagogisch medewerker uit te oefenen voor de duur van 5 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf, reclasseringstoezicht en de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering heeft geadviseerd. De raadsman heeft daarbij gewezen op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de gevolgen die deze zaak al voor hem hebben gehad. Voorts heeft de raadsman gewezen op het feit dat noch de ouders noch de minderjarige zelf aanleiding hebben gezien aangifte te doen. De raadsman heeft gesteld dat er geen belang is om de gevorderde bijkomende maatregel van ontzetting uit een beroep op te leggen, nu verdachte niet meer werkt als docent, en als trainer nooit meer aan de slag zal kunnen aangezien men na een zedendelict geen verklaring omtrent gedrag zal kunnen krijgen. Verdachte wil aan het werk als PGB-medewerker, hetgeen geen pedagogisch werk is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft gedurende ongeveer twee jaren een seksuele relatie gehad met een leerlinge van zijn school. Verdachte heeft het initiatief genomen tot het aangaan van deze relatie tijdens hardlooptrainingen door seksueel getinte opmerkingen te maken en de leerlinge te vragen of hij haar mocht zoenen. Op het moment dat de relatie begon was de leerlinge 15 jaar. Verdachte heeft de lichamelijke contacten met zijn leerlinge uitgebouwd tot volledige seksuele gemeenschap tussen beiden en heeft omstandigheden gecreëerd zodat deze seks regelmatig kon plaatsvinden. Na de zestiende verjaardag van de leerlinge heeft dit contact voortgeduurd tot het moment dat de ouders van de leerlinge op de hoogte raakten van de relatie en er na een gesprek door verdachte beloofd werd afstand te zullen houden tot de leerlinge. Verdachte kondigde vervolgens aan uit te zien naar voortgaand contact na haar 18de verjaardag. Al in een eerder stadium werd de relatie hervat. De relatie duurde voort tot getuige [slachtoffer], inmiddels geen leerlinge meer, de relatie verbrak. Ondanks herhaaldelijke verzoeken van haar kant zich van bemoeienis met haar leven te onthouden, hield verdachte niet op contact te zoeken met (de sociale omgeving van) [slachtoffer] omdat hij niet kon aanvaarden dat de relatie ten einde was gekomen. Verdachte bleef daarmee haar persoonlijkheidsontwikkeling beïnvloeden, hetgeen door haar als lastig vallen en in de gaten houden ervaren werd. Omdat getuige [slachtoffer] ervoer zo niet haar eigen leven te kunnen leiden is ze ten slotte naar de politie gegaan om een melding te doen. De officier van justitie is daarop ambtshalve tot vervolging overgegaan.

Uit verdachtes gedrag spreekt een groot gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel, normbesef en respect voor zijn leerlinge, getuige [slachtoffer]. Verdachte heeft de lichamelijke integriteit van zijn leerlinge geschonden en haar seksuele ontwikkeling verstoord. Daarnaast heeft verdachte het vertrouwen van de ouders van de leerlinge en de school waar hij werkzaam was ernstig geschaad. De rechtbank rekent dit de verdachte zeer zwaar aan. De rechtbank rekent het verdachte voorts zwaar aan dat hij deze relatie gedurende een zo lange periode heeft laten voortduren, en ook geen verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen nadat hij door de ouders van getuige [slachtoffer] gewezen was op het schadelijke en strafbare van zijn handelen. Ook acht de rechtbank het kwalijk, dat, nadat getuige [slachtoffer] de relatie verbrak, verdachte haar niet los liet, haar belastte met zijn handelswijze, haar voortgaand in de weg stond bij het aangaan van nieuwe relaties en haar belemmerde in een gezonde persoonlijkheidsontwikkeling.

In de geschonden strafbepalingen, de artikelen 245 en 249 van het Wetboek van Strafrecht, staat de bescherming van minderjarigen centraal. Minderjarigen moeten zich veilig kunnen ontwikkelen op seksueel gebied. Daartoe dienen zij ook beschermd te worden tegen zichzelf, aangezien zij de gevolgen op lange termijn niet kunnen overzien. De inbreuk die verdachte heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn leerlinge kan een normale en gezonde seksuele ontwikkeling doorkruisen. Dat een dergelijke inbreuk langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke ontwikkeling en de geestelijke gezondheid van het slachtoffer is een feit van algemene bekendheid. Om die reden heeft de wetgever ervoor gekozen het plegen van seksuele/ontuchtige handelingen met jeugdigen tussen de twaalf en zestien jaren strafbaar te stellen, ook wanneer dit met wederzijds goedvinden plaatsvindt.

Tevens is seksueel misbruik in een opleidingssituatie van minderjarigen als strafverzwarend door de wetgever opgenomen vanwege de afhankelijkheidspositie in zo’n situatie. Bovendien moeten degenen die hun verantwoordelijkheid voor de minderjarige in deze situatie overdragen aan de opleider kunnen vertrouwen op een deugdelijke uitvoering daarvan.

Volgens de wetsgeschiedenis is een substantiële onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt, hetgeen de rechtbank gelet op de ernst en de aard van de feiten, bezien vanuit de redenen van strafbaarstelling door de wetgever, ook in dit geval gerechtvaardigd acht. Voormelde feiten rechtvaardigen in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden. De eis van de officier van justitie verhoudt zich hier niet mee zodat de rechtbank daarvan zal afwijken.

De rechtbank houdt er rekening mee dat verdachte niet eerder is veroordeeld vanwege strafbare feiten. Voorts houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte ter zitting inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen en uiteindelijk verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn gedrag. Verdachte heeft hulp gezocht en is bereid mee te werken aan nader persoonlijkheidsonderzoek en verdere behandeling. Uit het reclasseringsrapport d.d.

25 september 2017 blijkt dat nader onderzoek aangewezen is om verder inzicht te krijgen in onder andere de identiteitsontwikkeling van verdachte. Hoewel verdachte hulp heeft gezocht, is de verwachting dat deze hulp onvoldoende toereikend zal zijn om recidive op langere termijn te voorkomen. Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en daarnaast bijzondere voorwaarden op te leggen in de vorm van een meldplicht bij de reclassering en meewerken aan onderzoek en behandeling en toezicht door de reclassering hierop. De rechtbank ziet hierin aanleiding om een groot deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat een gevangenisstraf van 24 maanden passend en geboden is. De rechtbank zal een gedeelte van deze straf, te weten 12 maanden voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van drie jaren. Met deze voorwaardelijke straf beoogt de rechtbank enerzijds verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen en anderzijds verplichte behandeling mogelijk te maken.

Verdachte oriënteert zich op de arbeidsmarkt op een functie waarin hij kwetsbare gezinnen wil gaan begeleiden. Verdachte plaatst zich zelf daarmee opnieuw in een positie waarin hij in een ongelijkwaardige relatie tot zijn cliënten, waaronder zich ook minderjarigen kunnen bevinden, staat. De rechtbank acht in dergelijke situaties het recidivegevaar aanwezig, reden waarom de rechtbank tevens bepaalt dat verdachte van het recht wordt ontzet het beroep van docent/pedagogisch werker uit te oefenen voor de duur van 5 jaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 28, 31, 57, 245, 249 en 252 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich op uitnodiging van de reclassering op de door hen genoemde

tijd en plaats meldt bij Reclassering Nederland en zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht en de aanwijzingen van de reclassering opvolgt;

2. dat de veroordeelde meewerkt aan nader onderzoek en indien noodzakelijk zich laat behandelen voor de daarbij bij hem vastgestelde persoonlijkheidsproblematiek bij de AFPN of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Bepaalt dat de veroordeelde wordt ontzet van het recht om het beroep van docent/pedagogisch werker uit te oefenen voor de duur van 5 jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en

mr. R.J.L. Timmer, rechters, bijgestaan door mr. M.A. Reese-Knigge, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2017.