Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4261

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2017
Datum publicatie
09-11-2017
Zaaknummer
18/920093-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor openlijke geweldpleging tegen brandweer en politie in de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2017 in Elim. Verdachtes bijdrage bestond uit schreeuwen en uit het gooien van bierflesjes in de richting van leden van de ME.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 141, geldigheid: 2002-04-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/920093-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 november 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 oktober 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2017 te [pleegplaats], (althans) in de gemeente Hoogeveen,

openlijk, te weten, op of aan de openbare weg, (kruising) [straatnaam] en/of

[straatnaam] en/of [straatnaam], in elk geval op of aan de openbare weg

en/of op een voor het

publiek toegankelijke plaats,

in vereniging

geweld heeft gepleegd tegen (een) burger(s) en/of (politie)ambtenaren en/of

brandweerlieden

door

- het gooien van (zwaar) vuurwerk naar en/of in de richting van de politie en/of brandweer en/of burgers en/of

- het gooien met flessen/glas en/of stoeptegels en/of (bak)stenen naar en/of in de richting van de politie en/of brandweer en/of burgers en/of

- het schieten van vuurpijlen naar en/of in de richting van de politie en/of brandweer en/of burgers en/of

- het aannemen van een agressieve houding (waaronder het schreeuwen en schelden) ten opzichte van de politie en/of brandweer en/of burgers en/of agressief benaderen van politie en/of brandweer en/of burgers.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het ten laste gelegde geweld dat door de groep jongeren op de openbare weg, te weten het centrale kruispunt van [pleegplaats], is gepleegd. In plaats van zich te distantiëren van het geweld heeft verdachte geschreeuwd tegen de politie en met bierflesjes naar de politie gegooid.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte op basis van het onderliggende strafdossier moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 januari 2017, opgenomen op pagina 484 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017046214 d.d. 26 februari 2017, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Ik ben werkzaam bij de vrijwillige brandweer van [plaats]. Ik ben afgelopen oud en nieuw met mijn ploeg in [pleegplaats] geweest. We kwamen de weg inrijden en ze begonnen al te joelen en te schreeuwen. Nabij de ingang van de supermarkt kregen we al vuurwerk naar ons toegegooid.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 9 januari 2017, opgenomen op pagina 502 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2]:

Ik werk bij de vrijwillige brandweer in [plaats]. In de nacht van 1 januari 2017 was ik bevelvoerder te [pleegplaats]. Ik zag dat er vanuit de groep mensen op het kruispunt vuurwerk naar ons werd gegooid en geschoten. Ik zag en hoorde dat er langs de auto en onder de auto

vuurwerk ontplofte. Ik zag ook dat er vuurpijlen op onze auto werden afgeschoten. Gezien de situatie en de veiligheid voor mijn personeel heb ik toen besloten niet uit te stappen. Doordat de groep zo ontzettend groot was en door het gooien met het vuurwerk beangstigde dit mij om uit te stappen. Wij zijn achterwaarts teruggereden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 januari 2017, opgenomen op pagina 75 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [getuige 3]:

Ik hoorde dat er een groot vuur op de kruising met de [straatnaam] was en dat er zwaar vuurwerk werd gegooid richting de collega's. Ik ben samen met collega's naar [pleegplaats] gereden. Ik zag daar ongeveer 80 personen om het vuur staan. Ik zag dat de menigte voornamelijk met het gezicht in de richting van het brandweervoertuig stond. Ik zag dat er vuurwerk in de richting van het voertuig werd gegooid. Ik zag dat het vuurwerk naast, onder en in de buurt van het brandweervoertuig tot ontploffing kwam. Ik zag en hoorde dat het vuurwerk betrof welke eerst fel oplichtte en vervolgens met een luide knal tot ontploffing kwam. Ik zag vervolgens dat er glaswerk naast het brandweervoertuig kapot viel. Hierop zag ik dat het brandweervoertuig achteruit reed. Ik hoorde vervolgens over de portofoon dat de brandweer zijn werk niet kon doen zonder hulp van de politie.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal bevindingen d.d. 2 januari 2017, opgenomen op pagina 63 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [getuige 4]:

Ik zag op de [straatnaam] te [pleegplaats] een grote groep jeugd staan. Ik kon zien en horen dat er gejoeld en geschreeuwd werd bij onze komst. Eén van de ME-groepen werd met enige regelmaat bekogeld met vuurwerk. Het leek zwaar vuurwerk te zijn. Het was dikker dan het knalvuurwerk dat ik ken. Ook maakte het harde knallen. Harder dan ik bekend mee ben. Met dit vuurwerk voelde je het commandovoertuig trillen als er een projectiel vlakbij het commandovoertuig ontplofte. Op enig moment kwam een man agressief aflopen op de ME-linie. De agressie van de man leidde ik af uit het feit dat hij zijn armen helemaal gebogen naar beneden had met de ellebogen wijd naar buiten.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 1 januari 2017, opgenomen op pagina 208 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 5]:

Op 1 januari 2017 was ik in [pleegplaats]. We stonden bij de kruising en toen zagen we de brandweer aankomen. Toen de brandweer aan kwam rijden vloog er allemaal vuurwerk naar de auto. De brandweer reed later achteruit en draaide toen weg. De mensen gingen toen zingen: “Homo's uit [plaats]”. Ik heb een steen, resten van een stukgeslagen stoeptegel, richting de ME gegooid. Achter mij vandaan werd er veel vuurwerk gegooid in de richting van brandweer. Het kwam overal weg. Ik zag heel veel zwaar vuurwerk later ook richting de ME worden gegooid. Je kon aan het geluid horen dat het illegaal vuurwerk was, omdat het zo hard knalde.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 januari 2017, opgenomen op pagina 70 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [getuige 6]:

Ik zag dat er vuurwerk in onze richting geschoten werd, waarvan ik de indruk had dat dit vuurpijlen waren. Ik zag ook dat er met glas naar ons werd gegooid.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 30 januari 2017, opgenomen op pagina 307 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 7]:

Ik heb een steen gegooid in de richting van de [straatnaam], omdat de ME’ers daar stonden.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal aangifte d.d. 1 februari 2017, opgenomen op pagina 662 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verbalisant [getuige 8]:

Op 1 januari 2017 was ik als ME’er te [pleegplaats]. Een behoorlijk grote groep stond voor ons. De groep was behoorlijk recalcitrant. Ik zag één vent de hele tijd met het gezicht naar ons toe staan. Hij zette iedere keer een stap naar ons toe en deed alsof hij ons aan wilde vallen. Ik kan mij herinneren dat hij wat hoge bruine schoenen en een schoudertas droeg. Volgens mij had deze persoon een spijkerbroek aan, wat lichter van kleur. Ik zag dat deze persoon in zijn rechterhand een groen bierflesje droeg. Deze persoon stond op een gegeven moment op een afstand van 2,5 à 3 meter voor mij met zijn gezicht in mijn richting en hij bleef uitdagen in de zin van dat hij schijnbewegingen maakte alsof hij wilde gooien met het bierflesje dat hij in zijn hand had. Er stonden meerdere mensen voor ons te provoceren. Vervolgens zie ik iets naar mij toekomen. Ik zag dat er iets dichtbij mij was, wat vervolgens mijn vizier met harde knal raakte. Het bleek een bierfles te zijn wat op mijn vizier uiteen was gespat. Ik rook ook dat het ging om bier. Ik keek hierop gelijk weer recht voor mij en zag dat de persoon met de schoudertas nog voor mij stond. Echter, hij draaide zich om en ging er hardlopend vandoor. Ik zag dat hij in zijn hand geen bierfles meer droeg.

Later in de [straatnaam] was daar ook een redelijk grote groep aan het provoceren naar ons toe, waarbij de genoemde persoon met schoudertas weer voor mij stond in die groep. Deze bleef tegen mij roepen dat hij met mij wou vechten. Hij riep dat ik mijn bewapening weg moest leggen en hij dan wel met mij in gevecht zou gaan en mij te grazen zou nemen. Later liet collega [naam] mij een filmpje zien dat er iemand werd aangehouden. Op dit filmpje zag ik ook de persoon met schoudertas die mij een bierfles tegen mijn vizier had gegooid. Ik herkende de persoon aan zijn schoudertas, gezicht en schoenen.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal bevindingen d.d. 19 januari 2017, opgenomen op pagina 666 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant [getuige 9]:

Op 1 januari 2017 bevond ik mij samen met de andere leden van mijn groep Mobiele Eenheid in [pleegplaats]. Aanleiding dat wij hier waren was dat er zwaar vuurwerk op collega's van de brandweer en de politie was gegooid. Ik zag en hoorde dat er vuurwerk in onze richting werd gegooid. Ik hoorde dit aan de harde klappen in combinatie met felle lichtflitsen. Ik zag dat er een vuurpijl of iets dergelijks langs mij vloog en achter mij ontplofte. Ik voelde hiervan de druk door mijn ME-kleding heen. Op linie dreven wij de jongeren verder van het vuur af. Toch bleven er jongeren vlakbij ons komen om ons te bekogelen met vuurwerk en bierflessen. Ik zag op een gegeven moment een jongen vlak voor mij gaan lopen die kennelijk aan het filmen was met zijn mobiele telefoon. Ik denk dat hij aan het filmen was, omdat de flitser van zijn camera op de mobiele telefoon constant brandde. Ik zag dat deze jongen een schoudertas droeg. Ik kan me herinneren dat hij blank is en kort donkerblond haar heeft. Ik zag dat de jongen in zijn vrije hand een bierfles had, groen van kleur. Ik zag dat de jongen mij aan keek en vervolgens de bierfles met kracht in mijn richting gooide. Ik zag dit aankomen en kon de fles afweren met mijn schild. Enige tijd later stonden wij op linie in een andere straat. Ik zag hier dezelfde jongen weer staan. Op dat moment hoorde ik mijn mede ME-lid verbalisant [getuige 8] tegen mij zeggen: “Die jongen daar met die schoudertas gooide een bierfles tegen mijn helm.” Ik zag dat verbalisant [getuige 8] in de richting van de jongen wees die ik herkende als degene die ook een bierfles in mijn richting had gegooid. Ik zag op dat moment dat er niemand anders met een schoudertas in deze straat stond.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 2 februari 2017, opgenomen op pagina 318 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Op 1 januari 2017 ben ik met aantal vrienden en mijn broertje [naam] naar [pleegplaats] gegaan. Wij stonden bij de kruising waar de keet in de brand stond. Er kwam toen een ME-bus. Ik ben toen naar voren gelopen. Ik ben op de [straatnaam] en de [straatnaam] geweest. Ik droeg die avond een donkere spijkerbroek, een donkerblauwe winterjas en donkerbruine werkschoenen die tot net boven de enkels komen. Ik droeg ook een schoudertas met bier bij me. U toont mij foto 1. Daarop ziet u mij naast [naam] in zijn witte shirt. U toont mij een filmpje, gemaakt door [naam] vanuit het commandovoertuig. Ik zie op dat filmpje dat wij er staan. [naam], de jongen ernaast en ik. Ik zie dat ik op dat moment een grote bek had en provocerend gedrag vertoonde. U houdt mij een gedeelte voor uit het de verklaring van verbalisant [getuige 9], opgemaakt op 19 januari 2017. U houdt mij voor dat deze [getuige 9] onder meer verklaart dat degene die een fles bier tegen het hoofd van zijn collega had gegooid, een bierfles tegen zijn schild had gegooid. U houdt mij voor dat deze [getuige 9] ook verklaart dat die jongen met de schoudertas aan het filmen was. Ik heb wel geprobeerd te filmen. U toont mij een filmpje waarop is te zien dat de ME-bus er aan komt rijden en dat ik sta te filmen. U houdt mij voor dat u op de film ziet dat ik een groen flesje in mijn hand heb. Dat klopt. Ik zie het. Dat ben ik met een flesje bier in mijn handen.

Op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

De rechtbank gaat uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

Tijdens de nieuwjaarsnacht op 1 januari 2017 ontstonden er in het centrum van [pleegplaats] problemen met een groep jeugdigen van ongeveer 70 personen. Aanleiding was een ‘vreugdevuur’ op het kruispunt [straatnaam]/[straatnaam] waarvan de politie en de brandweer op een bepaald moment oordeelden dat deze gevaar opleverde en geblust diende te worden.

De brandweer kwam ter plaatse om het vuur te doven, maar werd daarbij zo ernstig gehinderd dat zij onmogelijk haar werk kon uitvoeren en zich genoodzaakt zag om zich terug te trekken. Personen uit de groep gooiden met vuurwerk, flesjes en stenen in de richting van de brandweerlieden. Vervolgens werd ook de ME, onder aansporing van opruiend en beledigend geschreeuw, belaagd door een groep mensen en bekogeld met vuurwerk, stenen, stoeptegels, glas en bierflesjes. Verdachte maakte deel uit van deze grote groep van waaruit geweld werd gepleegd.

Verdachtes bijdrage aan dit openlijke geweld bestond uit schreeuwen en uit het gooien van bierflesjes in de richting van leden van de ME.

De rechtbank is op grond van bovenstaande van oordeel dat verdachte een actieve rol heeft gehad en dus een voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het geweld richting brandweer en politie heeft geleverd. Verdachte had zich op verschillende momenten van dit voortdurende geweld kunnen distantiëren, maar is in plaats daarvan gedurende het gehele incident ter plaatse aanwezig geweest en heeft bovendien de confrontatie gezocht. Hij is derhalve ook voor die daden die niet feitelijk door hemzelf maar door een mededader zijn verricht, aansprakelijk.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 1 januari 2017 te [pleegplaats], in de gemeente Hoogeveen, openlijk, te weten op de openbare weg, (kruising) [straatnaam] en [straatnaam], in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieambtenaren en brandweerlieden door

  • -

    het gooien van (zwaar) vuurwerk naar en in de richting van de politie en brandweer en

  • -

    het gooien met flessen/glas en/of stoeptegels en stenen naar en in de richting van de politie en brandweer en

  • -

    het schieten van vuurpijlen naar en in de richting van de politie en brandweer en

  • -

    het schreeuwen en schelden ten opzichte van de politie en brandweer en agressief benaderen van politie en brandweer.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit, indien de rechtbank tot een veroordeling komt, een werkstraf op te leggen. Zij acht de eis van de officier van justitie buitenproportioneel, gelet op het aandeel van verdachte in het geheel.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen hulpverleners, te weten brandweer en politie, in de nieuwjaarsnacht van 1 januari 2017. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte meer dan een gering aandeel heeft gehad in het gepleegde geweld.

De rechtbank stelt voorop dat het aan het bevoegde gezag - en niet aan verdachte of zijn mededaders - is om te beslissen of, en zo ja wanneer, een ‘vreugdevuur’ dient te worden geblust. De rechtbank neemt het verdachte en zijn mededaders kwalijk dat zij door hun gedrag de veiligheid en gezondheid op het spel hebben gezet van personen die hun werk deden ter uitvoering van voornoemde beslissing en die daar waren om de veiligheid van omwonenden en hun huizen/bezittingen te beschermen. Bij dit soort uitbarstingen van agressie bestaat de kans dat mensen ernstig, soms zelfs fataal, letsel oplopen. Dergelijk gedrag heeft in elk geval tot gevolg dat hulpverleners worden belemmerd in hun taakuitoefening en zich in toenemende mate onveilig voelen in hun werk. Ook het gevoel van veiligheid van andere burgers, met name van de betrokken buurtbewoners, wordt aangetast door dergelijke incidenten.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie niet eerder met justitie in aanraking is geweest. Bovendien is het blijkens het reclasseringsrapport niet aannemelijk dat verdachte in de toekomst een maatschappelijk risico zal vormen en opnieuw strafbare feiten zal plegen. Onderhavig strafbaar feit kan derhalve worden betiteld als een “uitglijder”.

De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van de LOVS voor openlijke geweldpleging.

De rechtbank is, gelet op de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een werkstraf, zoals door de reclassering geadviseerd, passend en geboden is.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 180 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. E. Läkamp en mr. B.I. Klaassens, rechters, bijgestaan door mr. M.T. Bos, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2017.