Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4212

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-11-2017
Datum publicatie
06-11-2017
Zaaknummer
17/891t
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor appartementen. Geen aanhoudingsplicht, ook al was er een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Aan parkeernormen wordt niet voldaan. Bij gebruik van binnenplanse afwijking is er onvoldoende zekerheid dat een strcturele oplossing is gevonden. Rechtbank doet tussenuitspraak en past bestuurlijke lus toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/5857
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/891t

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 2 november 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te Groningen, eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Simonides).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Van Wijnen Projectontwikkeling Noord B.V. (gemachtigde: mr. R. Snel).

Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan derde-partij (vergunninghouder) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw met 34 koopappartementen aan de Piet Fransenlaan te Groningen, kadastraal aangeduid als sectie AA, perc.nr. 13299, 13300, 13302 en 13303.

Bij besluit van 16 september 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een woongebouw met 34 huurappartementen aan de Piet Fransenlaan te Groningen, kadastraal aangeduid als sectie AA, perc.nr. 1313299, 13300, 13302 en 13303.

Bij besluit van 23 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2017.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, door P. Corzaan en door H.K. de Jonge. Vergunninghouder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door J.T. van der Beek.

Overwegingen

1.1.

De locaties van de bouwprojecten zijn gelegen in de wijk De Velden. In deze nieuwbouwwijk zijn vanaf 2009 verschillende typen woningen gebouwd.

1.2.

Eiser is woonachtig in De Velden op het adres [adres] .

1.3.

Voor De Velden geldt het bestemmingsplan “Oosterparkwijk”.

1.4.

Op 22 juni 2016 heeft de raad van de gemeente Groningen het Voorbereidingsbesluit herziening bestemmingsregels wonen genomen. Hiermee is een herziening van een aantal bestemmingsplannen, waaronder het bestemmingsplan Oosterparkwijk, voorbereid. De herziening leidt tot een wijziging van de bouw- en gebruiksmogelijkheden van de woonfunctie.

1.5.

De aanvragen waarover verweerder heeft beslist in de primaire besluiten, heeft vergunninghouder ingediend op 24 augustus 2016 en 25 augustus 2016.

1.6.

Bij de primaire besluiten zijn de omgevingsvergunningen verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) voor de activiteit bouwen en op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo voor de activiteit strijdig gebruik.

Wat betreft strijdig gebruik heeft verweerder afgeweken van de toepasselijke bestemmingsplannen op grond van artikel 2.12, aanhef en eerste lid, onder a en ten eerste, van de Wabo (binnenplanse afwijking).

Het strijdig gebruik betreft in de eerste plaats afwijking van de bouwhoogte. Voor de bestemming “Wonen” bepaalt het bestemmingsplan “Oosterparkwijk” voor hoofdgebouwen dat deze een maximale bouwhoogte van 21 meter mogen hebben. De liftopbouwen van de gebouwen zijn ongeveer een meter hoger. Verweerder heeft de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 22.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan “Oosterparkwijk” toegepast.

Het strijdig gebruik betreft in de tweede plaats het aantal parkeerplaatsen op, bij of onder het onbebouwde terrein dat bij de gebouwen hoort Verweerder heeft de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 4.2 van het bestemmingsplan “Facetherziening Parkeren” toegepast.

2.1.

Eiser voert aan dat het bouwplan waarvoor vergunning is aangevraagd, in strijd is met het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Omdat er onder het vigerende bestemmingsplan geen grond is de vergunning te weigeren, had de aanvraag aangehouden moeten worden.

2.2.

Ingevolge artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo houdt het bevoegd gezag, indien de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, in afwijking van artikel 3.9, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3:18 van de Algemene wet bestuursrecht, de beslissing aan, indien er geen grond is de vergunning te weigeren maar voor het gebied waarin de activiteit zal worden verricht vóór de dag van ontvangst van de aanvraag een voorbereidingsbesluit in werking is getreden.

2.3.

De rechtbank deelt niet de opvatting van eiser dat de aanvraag aangehouden had moeten worden. Zoals onder 1.6 vermeld, deed zich een weigeringsgrond voor omdat de hoogte van de liftopbouwen de door het bestemmingsplan “Oosterparkwijk” maximaal toegestane bouwhoogte overschreed. Dat verlening van de omgevingsvergunning desondanks mogelijk was door gebruik te maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, doet hier niet aan af. Deze beroepsgrond van eiser slaagt niet.

3.1.

Eiser betoogt dat niet voldaan wordt aan de parkeernormen en dat de binnenplanse afwijking niet voldoet aan de daarvoor geldende normen.

3.2.

Artikel 4 van het bestemmingsplan “Facetherziening Parkeren” luidt als volgt:

4.1

Parkeren

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van gebouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt aangetoond dat gelet op de omvang of de bestemming van het gebouw in voldoende mate wordt voorzien in ruimte voor het parkeren of stallen van auto's in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

4.2

Afwijkingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 4.1:

1. indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit; of

2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien.

4.3

Voorwaarden voor afwijken

Afwijken van de regels, als bedoeld in lid 4.2 is slechts mogelijk, indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

a. de parkeersituatie in de openbare ruimte;

b. de woon- en leefsituatie.

4.4

Beleidsregels

Burgemeester en wethouders passen deze bouwregels toe met inachtneming van de door hen vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning.

3.3.

In de “Beleidsregels Parkeernormen 2012” (hierna: de beleidsregels) worden op pagina 5 drie uitgangspunten genoemd die verweerder hanteert bij het bepalen van de parkeernormen. Een van deze uitgangspunten is dat de parkeerbehoefte op eigen terrein moet worden opgelost. In de beleidsregels wordt dit uitgangspunt als volgt toegelicht:

“Ten onrechte wordt ‘eigen terrein’ soms opgevat als ‘eigen erf’. Met ‘eigen terrein’ bedoelen we in deze beleidsregels het gehele grondgebied of plangebied van het bouwinitiatief. In sommige gevallen is ‘eigen erf’ en ‘eigen terrein’ hetzelfde. Meestal gaat het dan om een bouwinitiatief op één perceel. Maar bij bijvoorbeeld nieuwbouwwijken wordt het hele plangebied als het ‘eigen terrein’ beschouwd.

Dat betekent dat er ook in de nieuwe openbare ruimte geparkeerd mag worden.

Dit mag echter geen negatief effect hebben op de bestaande openbare ruimte buiten het

plangebied”.

3.4.

De parkeernormen voor verschillende soorten woningen zijn opgenomen op pagina 34 van de beleidsregels. Tussen partijen is niet in geschil, dat voor het onderhavige project 28 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden. Bij de gebouwen zijn 2x5 parkeerplaatsen voorzien, zodat (elders) nog 18 gerealiseerd dienen te worden.

3.5.

De rechtbank stelt vast dat niet voldaan is aan het bepaalde in artikel 4.1 van het bestemmingsplan. Verweerder heeft daarom toepassing gegeven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid die gegeven is in artikel 4.2 van het bestemmingsplan met toepassing van zijn beleid ter zake. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat elders in De Velden 64 parkeerplaatsen worden aangelegd, waarvan 18 bedoeld en beschikbaar zijn voor de toekomstige bewoners van de twee woongebouwen met appartementen. Ter zitting is aangegeven dat aan artikel 4.2 van het bestemmingsplan (en het beleid) wordt voldaan als binnen de wijk dan wel het plangebied wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Het betreffende perceel waarop de 18 ontbrekende parkeerplaatsen voorzien zijn is niet in eigendom van vergunninghouder maar van woningcorporatie Nijestee.

3.6.

De rechtbank overweegt dat verweerders gebruik van de term ‘eigen terrein’ en de interpretatie daarvan als het gehele plangebied tot verwarring leidt. Dit is des te meer het geval als een nieuwbouwwijk, zoals bij De Velden het geval is, niet meteen volledig maar in de loop der jaren gefaseerd wordt aangelegd. Niettemin ziet de rechtbank geen grond om dit onderdeel van het beleid als onredelijk aan te merken. Met behulp van de toelichting in de beleidsregels wordt voldoende duidelijk wat met ‘eigen terrein’ wordt bedoeld en wordt een afdoende motivering voor het gebruik van de term gegeven.

3.7.

De rechtbank overweegt voorts dat bij besluiten als de onderhavige, waarbij gebruik wordt gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid van artikel 4.2 van het bestemmingsplan er voldoende zekerheid dient te zijn dat de voorziene parkeerplaatsen een structureel karakter hebben. De schets die bij de stukken is gevoegd is onvoldoende concreet en te globaal. Daarbij komt dat het beoogde parkeerterrein de bestemming “Wonen” heeft. In het geval de eigenaar van het terrein een aanvraag indient om een omgevingsvergunning voor een project bestaande uit het bouwen van een woongebouw, heeft het college, indien de aanvraag in overeenstemming is met het bestemmingsplan, in zoverre geen grond overeenkomstig deze aanvraag vergunning te weigeren. Het had derhalve op de weg van verweerder gelegen om zodanige voorwaarden aan de vergunning te verbinden dat gewaarborgd is dat de voorziene parkeerplaatsen een structureel karakter hebben. Nu verweerder dit heeft nagelaten, heeft hij niet van zijn bevoegdheid zoals gegeven in artikel 4.2 van het bestemmingsplan gebruik mogen maken.

De betreffende beroepsgrond slaagt.

4.1.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4 van het bestemmingsplan “Facetherziening Parkeren” en, omdat een deugdelijke motivering ontbreekt, met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.2.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op acht weken na verzending van deze tussenuitspraak.

4.3.

Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen zes weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

4.4.

De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzitter, en mr. T.F. Bruinenberg en

mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 november 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.