Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:418

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-02-2017
Datum publicatie
14-02-2017
Zaaknummer
18/830261-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het jarenlang seksueel misbruiken van zijn kleindochter tot een gevangenisstraf

voor de duur van drie jaar, waarvan 1 jaar voorwaardelijk. Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf verbindt de rechtbank bijzondere voorwaarden.

Van het onder 1 en 2 ten laste gelegde seksueel binnendringen door middel van het geven van een tongzoen spreekt de rechtbank verdachte vrij.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1431) volgt dat het geven van een tongzoen niet zonder meer moet worden aangemerkt

als “het seksueel binnendringen van het lichaam”. Het geven van een tongzoen vormt naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende grond voor toepassing

van de artikelen 243, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 244
Wetboek van Strafrecht 245
Wetboek van Strafrecht 247
Wetboek van Strafrecht 248
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830261-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d.

9 februari 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

26 januari 2017. De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E.P. Groot, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door

mr. R. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2005 tot 10 maart 2010, op diverse data en/of tijdstippen, te [pleegplaats] , (meermalen) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (meermalen) zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en/of zijn tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht, terwijl deze [slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

2.

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2010 tot 10 maart 2013, op diverse data en/of tijdstippen, te [pleegplaats] , (meermalen) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (meermalen) zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer]

gebracht en/of zijn tong in de mond van die [slachtoffer] gebracht , terwijl deze [slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

3.

hij in of omstreeks de periode van 10 maart 2005 tot 10 maart 2013, op diverse data en/of tijdstippen, te [pleegplaats] , (meermalen) met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, hebbende verdachte (meermalen):

- de borsten van die [slachtoffer] betast en/of

- over de vagina van die [slachtoffer] gestreeld en/of

- die [slachtoffer] zijn, verdachtes, penis laten vasthouden en/of betasten en/of

- de vagina van die [slachtoffer] gezoend en/of gelikt;

terwijl deze [slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat ook het seksueel binnendringen door middel van het geven van een tongzoen kan worden bewezen. Ten aanzien van de ten laste gelegde periode geldt dat niet precies is vast te stellen hoe lang het misbruik heeft geduurd. In ieder geval kan worden bewezen dat het misbruik in de ten laste gelegde periode heeft plaatsgevonden en dat het meerdere jaren heeft geduurd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft verklaard dat hij pas vanaf het twaalfde jaar van aangeefster seksueel bij haar is binnengedrongen met zijn vingers. Van het ten laste gelegde seksueel binnendringen door middel van het geven van een tongzoen moet verdachte worden vrijgesproken, nu dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad geen seksueel binnendringen oplevert.

Het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen, met uitzondering van het seksueel binnendringen door middel van het geven van een tongzoen. Het onder 3 ten laste gelegde kan worden bewezen. Blijkens de verklaring van verdachte hebben de feiten zich in een kortere periode afgespeeld dan ten laste is gelegd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is –ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Met betrekking tot het onder 1,2 en 3 ten laste gelegde.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 8 februari 2016, opgenomen op pagina 26 e.v. van het dossier met nummer [dossiernummer] d.d. 3 juni 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik ben geboren op [geboortedatum] . Ik kom verklaren over mijn opa, [verdachte] . Hij woont op het adres [straatnaam] in [woonplaats] .

Het gebeurde altijd als ik daar kwam logeren. Ik denk dat ik mij dingen kan herinneren vanaf mijn zevende of achtste jaar. Sowieso gebeurde het in het oude huis van opa en oma, aan de [straatnaam] in [pleegplaats] . Meestal logeerde ik 1 keer in de twee weken bij mijn opa en oma.

Opa las dan een verhaaltje voor. Dan ging hij echt mijn hoofd vastpakken en probeerde hij zijn tong bij mij naar binnen te krijgen in mijn mond. Dat lukte meestal wel. Daarna begon hij mij dan te strelen, alles aan te raken. Mijn borsten en mijn hele lichaam. De eerste keer was nog in het oude huis. Mijn opa bracht me naar bed. En hij begon eerst weer met een verhaaltje. Toen begon hij me eerst te strelen, over mijn borsten, toen deed hij mijn pyjamabroek naar beneden. Tijdens het zoenen zat hij aan mijn borsten. Dan ging hij langzamerhand met zijn hand richting mijn vagina. Dan ging hij die aanraken. Hij probeerde met zijn vingers mij te vingeren. Meestal ging hij met zijn vinger heen en weer tussen mijn schaamlippen en raakte hij mijn clitoris aan. Dan probeerde hij met 1 of 2 vingers naar binnen te gaan, dat lukte ook. Die vingers gingen dan heen en weer in mijn vagina, soms roerend. Ik moest soms zijn penis aanraken. Dat is denk ik rond de 20 keer gebeurd. Hij pakte mijn hand vast, deze bracht hij naar zijn penis. En dan moest ik die vastpakken. Als ik mijn hand terugtrok pakte hij soms mijn hand weer vast en stuurde die opnieuw naar zijn penis. Het is gestopt toen ik ongeveer 13 of 14 jaar was, ik zat in de eerste klas geloof ik. Ik denk dat het gebeurde vanaf groep 5, dat ik me het kan herinneren.

Ik kan me heel goed herinneren dat ik in de ochtend bij hen in bed kroop en dat oma dan wegging. Dan ging hij ook precies hetzelfde doen als 's avonds. En in het nieuwe huis aan de [straatnaam] , dat het nog een keer gebeurde. Eerst tongzoenen, aanraken van mijn borsten en vagina, ze strelen. Mijn vagina aanraken, mij vingeren.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 10 mei 2016, opgenomen op pagina 176 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

[slachtoffer] heeft bij ons gelogeerd op de [straatnaam] en op de [straatnaam] . De seksuele handelingen die ik bij [slachtoffer] heb verricht zijn het aanraken van de borsten en het strelen van de schaamlippen. Ik streelde haar vagina; de schaamlippen en daar tussen. Mijn vingers maakten dan bewegingen. Ik denk dat [slachtoffer] toen nog 10 was. Toen [slachtoffer] 14 was ging ik met mijn vinger haar vagina binnen zonder dat ze pijn had. Ik heb haar gezoend, ook op de edele delen.

Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 11 mei 2016, opgenomen op pagina 189 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

De seksuele handelingen zijn begonnen aan de [straatnaam] . Het gebeurde op onze slaapkamer, dan kwam [slachtoffer] tussen ons in liggen 's ochtends. Toen [slachtoffer] 10 jaar, bijna 11 was, zat ik aan haar vagina. Een paar weken of een maand later heb ik een vinger in haar vagina gestopt. Later gebeurde dat weer. [slachtoffer] heeft mijn penis vastgehouden. Ik gaf haar hand richting.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij met zijn vinger in de vagina van aangeefster is binnengedrongen toen zij 10 of 11 jaar oud was.

Van het onder 1 en 2 ten laste gelegde seksueel binnendringen door middel van het geven van een tongzoen spreekt de rechtbank verdachte vrij. Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 november 2013 (ECLI:NL:HR:2013:1431) volgt dat het geven van een tongzoen niet zonder meer moet worden aangemerkt als “het seksueel binnendringen van het lichaam”. Het geven van een tongzoen vormt naar het oordeel van de Hoge Raad onvoldoende grond voor toepassing van de artikelen 243, 244 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 10 maart 2005 tot 10 maart 2010, op diverse data en/of tijdstippen, te [pleegplaats] , meermalen met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een handeling heeft gepleegd die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] hebbende verdachte meermalen zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht, terwijl deze [slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

2.

hij in de periode van 10 maart 2010 tot 10 maart 2013, op diverse data en/of tijdstippen, te [pleegplaats] , meermalen met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd die bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte meermalen zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht, terwijl deze [slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd;

3.

hij in de periode van 10 maart 2005 tot 10 maart 2013, op diverse data en/of tijdstippen, te [pleegplaats] , meermalen met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, hebbende verdachte meermalen:

- de borsten van die [slachtoffer] betast en

- over de vagina van die [slachtoffer] gestreeld en

- die [slachtoffer] , verdachtes, penis laten vasthouden en

- de vagina van die [slachtoffer] gezoend;

terwijl deze [slachtoffer] aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. met iemand die de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd

2. met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd

3. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren waarvan

1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijke deel van de straf moeten de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering. Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie onder andere rekening gehouden met de ernst van de feiten en de gevolgen die de feiten voor het slachtoffer hebben gehad en blijkens haar slachtofferverklaring ter terechtzitting nog steeds hebben.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte op leeftijd is en dat hij nooit eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Daarnaast moet er rekening mee worden gehouden dat verdachte spijt heeft betuigd voor de door hem gepleegde strafbare feiten en dat hij nu onder behandeling is bij de AFPN. Van gevaar voor herhaling is geen sprake.

De raadsman heeft voorgesteld in verband met de kortere duur, waarin het seksueel misbruik volgens hem heeft plaatsgevonden, verdachte te veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 240 uur en een forse voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode van 10 maart 2005 tot 10 maart 2013 ontuchtige handelingen gepleegd met aangeefster, zijn kleindochter. Aanvankelijk bestonden de ontuchtige handelingen eruit dat verdachte aangeefster streelde over de borsten en de vagina en dat verdachte aangeefster zijn penis vast liet houden. Later bestonden de ontuchtige handelingen mede uit het seksueel binnendringen van het lichaam van aangeefster, omdat verdachte zijn vinger(s) in haar vagina bracht. Verder blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte aangeefster regelmatig dwong tot tongzoenen. Hoewel dit niet kan worden aangemerkt als seksueel binnendringen, staat wel vast dat het gaat om ontuchtige seksuele handelingen. De rechtbank weegt dit mee als een strafverzwarende omstandigheid waaronder de feiten zijn gepleegd.

Hoewel de rechtbank niet exact kan vaststellen hoe lang het seksueel misbruik heeft geduurd, staat wel vast dat het gaat om meerdere jaren, gelegen binnen de bewezenverklaarde periodes.

Door zo te handelen heeft verdachte een zeer grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel misbruik daar vaak nog gedurende lange tijd (zo niet de rest van hun leven) grote gevolgen van ondervinden in hun dagelijks functioneren, onder meer op het gebied van (het aangaan en onderhouden van) (seksuele) relaties, scholing en (het vinden van) werk en op het gebied van gezagsverhoudingen. Hun vertrouwen in anderen is vaak ernstig aangetast. Dat hiervan ook daadwerkelijk sprake is blijkt uit de door aangeefster ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring.

Dit alles is des te ernstiger nu het seksueel misbruik vaak plaatsvond wanneer aangeefster bij haar opa logeerde en aan zijn zorg en/of waakzaamheid was toevertrouwd. Aangeefster had zich bij haar opa bij uitstek veilig en beschermd moeten kunnen voelen. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte er ter terechtzitting blijk van heeft gegeven maar moeizaam verantwoordelijkheid te nemen voor de door hem gepleegde strafbare feiten.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte nooit eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. Verdachte is onderzocht door een psycholoog en deze heeft geadviseerd verdachte volledig toerekeningsvatbaar te achten. De rechtbank neemt dit advies over.

Voor ernstige zedendelicten als deze wordt in de regel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele jaren opgelegd en de rechtbank is niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven om daar in dit geval van af te wijken. De leeftijd van verdachte kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een dergelijke omstandigheid, nu niet is gebleken dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hem daardoor onevenredig zwaarder zal treffen dan een ander. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvoorstel van de raadsman van verdachte volstrekt geen recht doet aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

Daarbij merkt de rechtbank op dat zij, anders dan de raadsman, het onder 1 ten laste gelegde wel bewezen acht.

Gelet op het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies d.d. 29 december 2016 ziet de rechtbank aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen, met een proeftijd van drie jaar. Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden die de reclassering heeft geadviseerd.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten 3 compactdisks ( [nummer] en [nummer] ) dienen te worden onttrokken aan het verkeer, nu zij bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten zijn aangetroffen, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich voor de aanvang van de terechtzitting als benadeelde partij in het strafproces gevoegd door middel van indiening van het voorgeschreven formulier bevattende de opgave van een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ten gevolge van het aan verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde en bewezen verklaarde alsmede de gronden waarop deze berust.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bestreden dat kosten van vervanging van de sloten een door aangeefster geleden schadepost is en heeft voorts de rechtbank verzocht om de hoogte van de immateriële schade te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de gestelde schade, met uitzondering van de post 'kosten vervanging sloten' voldoende aannemelijk is geworden en in zodanig verband staat met de door verdachte gepleegde strafbare feiten, dat deze aan hem als een gevolg van zijn handelen kan worden toegerekend. De rechtbank acht de vordering, die overigens onvoldoende door verdachte en diens raadsman is weersproken, derhalve gegrond en voor toewijzing vatbaar tot een bedrag van € 9.010,76.

De rechtbank acht daarnaast oplegging van de schadevergoedingsmaatregel aangewezen nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 24c, 36b, 36d, 36f, 57, 244, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren.

Bepaalt, dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 1 jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt, dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich bij Reclassering Nederland, locatie Groningen , moet melden wanneer hij uitgenodigd wordt. Hierna moet hij zich gedurende een door de reclassering Groningen bepaalde periode blijven melden zo frequent als de reclassering gedurende deze periode nodig acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde.

2. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van de AFPN of een soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn seksuele problematiek, zo lang de AFPN of de soortgelijke instelling dit noodzakelijk acht. Indien noodzakelijk werkt de veroordeelde mee aan een vervolgbehandeling.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen 3 compactdisks ( [nummer] en [nummer] ).

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 9.010,76 (zegge: negenduizend tien euro en zesenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2005.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 9.010,76 (zegge: negenduizend tien euro en zesenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 maart 2005, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 80 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 510,76 aan materiële schade en

€ 8.500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Janssen, voorzitter, mrs. E.W. van Weringh en

P.H.M. Smeets, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2017.

Mr. Van Weringh is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.