Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4163

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2017
Datum publicatie
02-11-2017
Zaaknummer
C/18/176202 / HA RK 17/113
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verzoekster heeft de rechtbank verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen en een voorlopig deskundigenbericht te bevelen in verband met schade aan haar woning waarvan zij vermoedt dat deze is veroorzaakt door aardbevingen. Verzoek wordt toegewezen voor zover gericht tegen NAM. Het verzoek gericht tegen CVW is afgewezen. Gelet op de omstandigheden dat CVW slechts een uitvoerende rol heeft (gehad) in het proces van schadeafhandeling en niet heeft te gelden als aansprakelijke partij voor schade die het gevolg is van door gaswinning geïnduceerde aardbevingen, is de rechtbank van oordeel dat verzoekster geen belang heeft bij haar verzoek tot een voorlopig deskundigenonderzoek voor zover dat is gericht tegen CVW. De door verzoekster geformuleerde, aan de deskundige voor te leggen vragen zijn ge(her)formuleerd. De rechtbank heeft bij de herformulering van de vragen, gezien het beoogde doel van het verzoek, de vragen hoofdzakelijk beperkt tot schades die (mogelijk) door aardbevingen zijn ontstaan of verergerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/176202 / HA RK 17/113

Beschikking van 25 oktober 2017

in de zaak van

[voornaam] [verzoekster],

wonende te Oldehove,

verzoekster,

advocaat: mr. S. Scheltinga te Groningen

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NEDERLANDSE AARDOLIE MAATSCHAPPIJ B.V.,

statutair gevestigd te 's-Gravenhage,

kantoorhoudende te Assen,

verweerster,

advocaat: mr. E.J.M. van den Akker te Groningen.

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ARCADIS CED PROJECT SERVICE BUREAU B.V. h.o.d.n. CENTRUM VEILIG WONEN,

gevestigd te Appingedam,

verweerster,

advocaat: mr. P. A. Th. Kostwinder te Groningen

Verzoekster zal hierna worden aangeduid als [verzoekster] . Verweersters zullen hierna NAM en CVW genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift van NAM;

  • -

    het verweerschrift van CVW;

  • -

    de mondelinge behandeling van 27 september 2017;

  • -

    de bij de stukken gevoegde bijlagen.

1.2.

Ten slotte is de datum voor de beschikking bepaald op heden.

2. De feiten

2.1.

Bij de beoordeling zal worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2.

[verzoekster] is eigenaar van de woning, staande en gelegen aan de [adres] Oldehove, gemeente Zuidhorn (hierna: de woning). NAM is producent van aardgas. Ten behoeve van de gaswinning wordt door NAM gas gewonnen uit het zogenoemde Groningerveld, dat zich bevindt onder de gemeenten Appingedam, Bedum, Delfzijl, Eemsmond, Groningen, Hoogezand-Sappemeer, Loppersum, Menterwolde, Slochteren, Oldambt, Pekela, Ten Boer, Veendam en een klein stukje van Bellingwolde en Haren. De woning van [verzoekster] bevindt zich tussen gaswinningsgebieden in. In die gebieden komen aardbevingen voor als gevolg van de gaswinning.

2.3.

NAM is op grond van artikel 6:177 BW aansprakelijk voor schade die het gevolg is van door gaswinning geïnduceerde aardbevingen.

2.4.

CVW is sinds 5 januari 2015 belast met de afhandeling van schade die het gevolg is van door gaswinning geïnduceerde aardbevingen. Eind 2015 heeft CVW de schadeafhandeling van NAM geheel overgenomen. Inmiddels is per 31 maart 2017 de schadeafhandeling en - beoordeling onder toezicht van de Nationaal Coördinator Groningen gekomen.

2.5.

De woning heeft beschadigingen opgelopen. [verzoekster] vermoedt dan wel gaat er van uit dat dit een (in-)direct gevolg is van de gaswinning door NAM en heeft begin 2014 één of meerdere schademeldingen gedaan bij NAM.

2.6.

Conform het door NAM gehanteerde schadeprotocol (van medio augustus 2014, versie 1) heeft er in eerste instantie in opdracht en voor rekening van NAM onderzoek plaatsgevonden door Arcadis Nederland B.V. (hierna: Arcadis). In haar rapport van 24 april 2014 komt Arcadis, verkort weergegeven, tot het oordeel dat er ten aanzien van zeven van de acht door haar geconstateerde gebreken geen causaal verband bestaat tussen de schade aan de woning en door gaswinning geïnduceerde aardbevingen. Het betreft zogeheten C-schade, oftewel schade die niet zelfstandig in verband kan worden gebracht met aardbevingen. Ten aanzien van het achtste door haar geconstateerde gebrek komt zij tot het oordeel dat er wel sprake is van een causaal verband en is de schade op € 200,00 (inclusief btw) geraamd. Het betreft, aldus Arcadis, zogeheten B-schade, oftewel schade, reeds aanwezig voor, maar verergerd ten gevolge van de aardbevingen.

2.7.

[verzoekster] heeft vervolgens - conform de daartoe geboden mogelijkheid in het schadeprotocol, op kosten van NAM - op 6 oktober 2014 een contra-expertise uit laten voeren door Tandem Ontwerp & Ontwikkeling B.V. (hierna: Tandem). Tandem heeft in haar rapportage van 10 oktober 2014 geconcludeerd dat sprake is van een aantal A-schades, dat wil zeggen schades die een direct gevolg zijn van aardbevingen, overwegend B-schades en een aantal C-schades. Een begroting van de herstelkosten heeft Tandem niet gemaakt.

2.8.

Arcadis en Tandem zijn - conform het schadeprotocol - in overleg getreden hetgeen heeft geleid tot een vergelijk op 11 februari 2015 tussen beide experts. Een en ander is vastgelegd in een memo van overeenstemming van 20 februari 2015. Daarin is onder meer geschreven:

De heren (..) hebben, na inspectie ter plaatse, beoordeling van door melder aangereikte foto’s en overleg dienaangaande een akkoord bereikt over het volgende:

Algemeen:

(..)Daarenboven is de woning, vergeleken met de inmiddels voorhanden ‘contourenkaart’, gesitueerd in een zone waar de invloeden van aardbevingen op gebouwschades nihil zijn. Deze, op basis van meetgegevens opgestelde contourenkaart geeft aan tot op welke lijn er mogelijk schades worden toegekend.

Ad.1: Aangezien in de eerste rapportages van Arcadis een B-schade is toegekend, is er een
compromis bereikt voor een bijdrage in de herstelkosten van de overige schades. Dit
bedrag is vastgesteld € 800,-. Hiermee komt het totale schadebedrag op een uitkeerbare
vergoeding van € 1.000,- (incl. btw). Ad.2: De schades aan de gevels blijven als C-schade
gehandhaafd.

2.9.

Naar aanleiding van de overeenstemming tussen Arcadis en Tandem heeft Arcadis op 26 maart 2015 een aanvullend taxatierapport opgesteld, waarin zij een aanvullend schadebedrag van € 1.000,00 heeft opgenomen.

2.10.

[verzoekster] heeft zich niet kunnen verenigen met het door Arcadis en Tandem vastgestelde schadebedrag. De discrepantie met betrekking tot de aard en omvang van de schade in beide expertiserapporten was voor [verzoekster] aanleiding om op eigen kosten Vergnes Expertise B.V. (hierna: Vergnes) als derde expert in te schakelen. In haar rapport van 21 november 2016 komt Vergnes, verkort weergegeven, tot het oordeel dat het merendeel van de aanwezige schade in de woning is veroorzaakt door aardbevingen (A-schades) dan wel reeds is verergerd door aardbevingen (B-schade). De herstelkosten worden door Vergnes geraamd op € 12.160,00 (inclusief btw).

2.11.

Naar aanleiding van het rapport van Vergnes heeft [verzoekster] contact met NAM opgenomen bij brief van 7 december 2016. NAM heeft de zaak verwezen naar CVW als uitvoerder van de schadeafhandelingen. CVW heeft bij brief van 28 december 2016 aan [verzoekster] bericht dat aansprakelijkheid van NAM voor het bedrag dat het in het rapport van Arcadis van 26 maart 2015 genoemde bedrag van € 1.000,00 te boven gaat, wordt afgewezen. CVW heeft bij brief van 28 december 2016 daarbij onder meer geschreven:

De in het protocol vastgelegde (en zeer coulante) procedure biedt dus geen mogelijkheid om na afhandeling van een schademelding op eigen initiatief een extra rapport van een andere expert in te brengen met als doelstelling om de eerder vastgestelde schade opnieuw ter discussie te stellen.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] heeft de rechtbank verzocht om een onafhankelijke deskundige te benoemen en een voorlopig deskundigenbericht te bevelen naar de volgende vragen:

1. Kunt u gemotiveerd aangeven wat de bouwkundige toestand is van de woning?

2. Is er sprake van aardbevingsschade? Kunt u dit nader specificeren?

3. Welke schade kan aan de woning, de (bij)gebouwen en de schuur/garage worden vastgesteld?

4. Welke schade is een rechtstreeks dadelijk gevolg van de aardbevingen (de zogenoemde A-schade)?

5. Welke schade is verergerd door de aardbevingen (de zogenoemde B-schade)?

6. Is er sprake van de zogenoemde C-schade, die niet zelfstandig in verband gebracht kan worden met de aardbevingen?

7. Is er sprake van causaal verband tussen de (schade)oorzaak en de schade? Kunt u dit nader specificeren?

8. Is het metselwerk aan de binnenzijde beschadigd?

9. Is de schade ontstaan door ongelijke zetting/reguliere krimp/thermische werking of spatkrachten?

10. Voor zover u concludeert dat sprake is van meerdere oorzaken van de schades, kunt u toelichten in welke mate de verschillende oorzaken aan het ontstaan van de schades hebben bijgedragen?

11. Kunnen de schades worden hersteld? Zo ja, op welke wijze? Kunt u dit per schadepost specificeren?

12. Welk bedrag is gemoeid met het herstel van de geconstateerde schade? Kunt u daarbij per schadepost onderscheid maken per categorie schade (A-schade, B-schade of C-schade)?

13. Wat is de waarde van de woning indien deze herstelwerkzaamheden niet zouden worden verricht?

14. Wat zou de waarde van de woning zijn nadat de herstelwerkzaamheden wel zouden worden verricht?

15. Is er sprake van waardevermindering van de woning?

16. Geeft uw oordeel aanleiding tot aanvullende opmerkingen?

17. Wat is uw eindoordeel?

3.2.

NAM en CVW hebben verweer gevoerd tegen het verzoek van [verzoekster] .

3.3.

NAM heeft aangevoerd dat [verzoekster] aan de hand van de rapportages van Arcadis, Tandem en Vergnes haar proceskansen in een civiele procedure moet kunnen inschatten. De goede procesorde staat, aldus NAM, aan het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek in de weg, althans [verzoekster] heeft onvoldoende belang bij het verzochte. Niettemin refereert NAM zich aan het oordeel van de rechtbank. Voor het geval het verzoek van [verzoekster] mocht worden toegewezen, is NAM van oordeel dat de door [verzoekster] voorgestelde vragen beperkt dienen te worden tot het onderzoek naar de schades aan de woning zoals die door Arcadis, Tandem en Vergnes zijn vastgesteld.

3.4.

De door [verzoekster] geformuleerde vragen die betrekking hebben op de waarde(ontwikkeling) van de woning dienen naar de mening van NAM te worden geschrapt daar deze op geen enkele wijze zijn toegelicht en voor beantwoording van die vragen ook de inschakeling van een andere, gespecialiseerde expert vereist is. NAM kan zich vinden in een vraag naar de algehele bouwkundige (onderhouds-)toestand van de woning.

3.5.

Voorts voert NAM aan dat, in afwijking van dan wel aanvulling op de vragen van [verzoekster] , de volgende vragen voorgelegd dienen te worden aan de eventueel te benoemen deskundige:

a. Wat is/zijn naar uw oordeel de oorzaak/oorzaken van de geconstateerde schades aan de woning?

b. Kunt u gemotiveerd bij uw onderzoek zowel omgevingsfactoren (verkeer, windbelasting, aardbevingen, bodemopbouw, bomen, activiteiten etc.) als gebouwkenmerken (bouwkundige staat, constructieve staat etc.) als schadekenmerken betrekken?

c. Voor zover u concludeert dat er sprake is van meerdere oorzaken van de schades, kunt u dan in percentages toelichten in welke mate de verschillende oorzaken aan het ontstaan van de schade hebben bijgedragen en welke schades het rechtstreekse en dadelijke gevolg zijn van aardbevingen?

3.6.

CVW heeft zich - verkort weergegeven - verweerd met de stelling dat zij op basis van het vigerende schadeprotocol in de schadeafhandeling uitsluitend een uitvoerende rol heeft (gehad) en dat op haar niet de risicoaansprakelijkheid van artikel 6:177 van het Burgerlijk Wetboek (BW), noch enige andere aansprakelijkheid in verband met aardgaswinning rust.

4 De beoordeling

Algemeen

4.1.

De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de rechter bij de beoordeling van een

verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht geen discretionaire bevoegdheid toekomt. Hij

dient het onderzoek in beginsel te gelasten, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake

dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek

kunnen worden bewezen. Dit is echter anders indien de rechter op grond van de in zijn

beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is

met een goede procesorde, dat van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen

misbruik wordt gemaakt -bijvoorbeeld omdat verzoekster wegens onevenredigheid van de

over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid

kan worden toegelaten- of dat het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter

zwaarwichtig geoordeeld bezwaar (vgl. HR 19 december 2003 NJ 2004, 584 en HR 30

maart 2007 NJ 2007, 189). Toewijzing van het verzoek kan ook achterwege blijven indien

de verzoekster geen belang heeft bij zijn verzoek. Ingevolge het bepaalde in artikel 3:300

BW heeft immers te gelden dat zonder voldoende belang niemand een

rechtsvordering toekomt.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat het verzoek van [verzoekster] tot het

houden van een voorlopig deskundigenbericht ter zake dienend en voldoende concreet is en

feiten betreft die met het deskundigenonderzoek kunnen worden bewezen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoekster] voorts, voor zover het verzoek is gericht tegen NAM, voldoende belang bij het verzoek en is het verzoek niet in strijd met de goede procesorde. Daargelaten dat NAM zich refereert aan het oordeel van de rechtbank, zouden de door NAM opgeworpen verweren tegen het gelasten van het voorlopige deskundigenbericht niet tot afwijzing van het verzoek van [verzoekster] leiden. Daarvoor acht de rechtbank het volgende redengevend.

4.3.

NAM heeft bij wijze van onderbouwing van haar verweren verwezen naar de rapportages van Arcadis, Tandem en Vergnes. Naar het oordeel van NAM zou dit voldoende moeten zijn voor [verzoekster] om haar proceskansen in een eventuele civiele procedure in te schatten.

4.4.

De rechtbank overweegt dat de werkzaamheden en rapportages van de deskundigen Arcadis en Tandem naar welke NAM verwijst, alle hun grondslag vinden in het door NAM gehanteerde particuliere en buitengerechtelijke schadeprotocol (van augustus 2014, versie 1). De rapporten van Arcadis zijn in opdracht van de NAM opgesteld. De contra-expert Tandem is weliswaar in opdracht van [verzoekster] benoemd, maar zij heeft haar onderzoek uitgevoerd binnen de grenzen die zijn neergelegd in het door NAM gehanteerde schadeprotocol. Voorts zijn de kosten van Arcadis en Tandem, conform en binnen de grenzen van het schadeprotocol, vergoed door NAM. Uit deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beschouwd, kan niet een volledige onafhankelijkheid en onpartijdigheid van deze deskundigen worden afgeleid, waarover een door de rechtbank te benoemen deskundige wel geacht wordt te kunnen beschikken. Dat NAM het concrete onderzoek van de door haar ingeschakelde experts niet beïnvloedt en verder niet betrokken is bij dit onderzoek, is onvoldoende om tegen de achtergrond van de overige omstandigheden van dit geval, een andere conclusie te rechtvaardigen. Uit het voorgaande volgt dat [verzoekster] een rechtens te respecteren belang heeft bij een verzoek als het onderhavige. Dat Vergnes nog in opdracht en voor rekening van [verzoekster] haar onderzoek en werkzaamheden heeft verricht, is in de gegeven omstandigheden onvoldoende om te concluderen dat [verzoekster] geen rechtens te respecteren belang meer heeft bij haar verzoek. De uitkomsten van het onderzoek van Vergnes verschillen aanzienlijk en significant van die van 1) Arcadis, 2) van die van Tandem en 3) van de uitkomst van het overleg tussen Arcadis en Tandem zoals dat is vastgelegd in de memo van overeenstemming, terwijl het rapport van Arcadis van 24 april 2014 en dat van Tandem van 10 oktober 2014 onderling ook in belangrijke mate van elkaar verschillen.

4.5.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het verzoek van [verzoekster] evenmin in strijd is met de goede procesorde. De rechtbank wijst op de onderling (voor een belangrijk deel) tegenstijdige rapporten, waaronder ook begrepen de memo van overeenstemming, alsmede op de (op onderdelen) summiere onderbouwing ervan.

4.6.

De rechtbank zal het verzoek van [verzoekster] gericht tegen NAM als zijnde op de wet gegrond toewijzen, nu andere zwaarwegende gronden die aan het verzoek in de weg zouden kunnen staan, niet zijn gebleken.

4.7.

Het verzoek gericht tegen CVW zal worden afgewezen nu [verzoekster] ter zitting het verweer van CVW niet heeft weersproken en zich heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Gelet op de omstandigheden dat CVW slechts een uitvoerende rol heeft (gehad) in het proces van schadeafhandeling en niet heeft te gelden als aansprakelijke partij voor schade die het gevolg is van door gaswinning geïnduceerde aardbevingen, is de rechtbank van oordeel dat [verzoekster] geen belang heeft bij haar verzoek tot een voorlopig deskundigenonderzoek voor zover dat is gericht tegen CVW. [verzoekster] zal dientengevolge in de op de gebruikelijke wijze te begroten proceskosten zijdens CVW worden veroordeeld.

De persoon van de deskundige

4.8.

[verzoekster] heeft geen namen genoemd van personen die eventueel als deskundige benoemd zouden kunnen worden. Desgevraagd heeft NAM tijdens de zitting ook verklaard geen concreet voorstel te hebben. Wel zijn partijen het er over eens dat de te benoemen deskundige een bouwkundige achtergrond dient te hebben en bekend is met aardbevingsschade.

4.9.

De rechtbank heeft, nu tussen partijen geen overeenstemming bestaat over de persoon van de te benoemen deskundige, zelf een deskundige aangezocht en heeft de heer ing. [naam] (hierna: [naam] ), verbonden aan Exploitatiemaatschappij Elfrink B.V., bereid en in staat gevonden om het voorlopig deskundigenonderzoek te verrichten. [naam] heeft desgevraagd verklaard ook vrij te staan ten opzichte van partijen.

De aan de deskundige te stellen vragen

4.10.

De rechtbank zal de door [verzoekster] geformuleerde vragen aan de deskundige voorleggen met inachtneming van het navolgende. Partijen zijn het eens over het stellen van de vraag naar de bouwkundige toestand van de woning. Die vraag zal aan de deskundige worden voorgelegd, waarbij onder ‘de woning’ mede worden begrepen de aanwezige aanbouw en eventuele schuur en garage. Omdat partijen zich over en weer niet gebonden achten aan het oordeel van de reeds ingeschakelde deskundigen, althans zo heeft de rechtbank de stellingen van partijen begrepen, en de rapporten van de verschillende deskundigen (op onderdelen) tegenstrijdig zijn, acht de rechtbank een onderzoek naar alle schade aan de woning geraden. Dit brengt met zich dat de te benoemen deskundige de schade, zoals omschreven in de verschillende rapporten van de deskundigen dient te beoordelen. De rechtbank ziet verder geen aanleiding om - zoals NAM heeft bepleit - eventueel nog niet vastgestelde schade buiten het onderzoek te houden.

4.11.

De door [verzoekster] geformuleerde, aan de deskundige voor te leggen vragen zullen verder worden ge(her)formuleerd op de wijze zoals in het dictum te bepalen om doublures te voorkomen. De rechtbank heeft voorts geconstateerd dat [verzoekster] haar vragen onnodig ruim heeft geformuleerd. [verzoekster] verzoekt een voorlopig deskundigenbericht om vast te kunnen stellen welke schade in verband is te brengen met aardbevingen. De vraag wat exact de oorzaak is van schade die niet in verband is te brengen met aardbevingen, valt buiten het beoogde onderzoek. Ook de door NAM geformuleerde vragen a tot en met c die voor een belangrijk deel besloten liggen in de vragen die door [verzoekster] zelf zijn geformuleerd, zijn op deze wijze te ruim geformuleerd. De rechtbank zal bij de herformulering van de vragen, gezien het beoogde doel van het verzoek, de vragen hoofdzakelijk beperken tot schades die (mogelijk) door aardbevingen zijn ontstaan of verergerd. De door NAM geformuleerde vragen a tot en met c zal de rechtbank betrekken bij de herformulering zoals in het dictum te bepalen.

4.12.

De vragen 13, 14 en 15 van [verzoekster] zullen niet worden meegenomen, omdat zij niet voldoende heeft gemotiveerd waarom zij deze vragen aan de deskundige wil voorleggen. Vraag 17 zal eveneens worden geschrapt nu deze vraag geen zelfstandige betekenis heeft naast de overige vragen.

Het voorschot op de kosten van de deskundige

4.13.

Het voorschot van de deskundige zal op grond van het bepaalde in artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) door [verzoekster] gedeponeerd moeten worden. [verzoekster] heeft - ter zitting - weliswaar aangevoerd dat zij het redelijk acht dat NAM eveneens bijdraagt in de kosten van het voorschot, doch de rechtbank ziet daarin geen aanleiding om van de in artikel 195 Rv vervatte hoofdregel af te wijken. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om van de hoofdregel af te wijken.

De verplichtingen van partijen

4.14.

De rechtbank wijst partijen erop dat zij wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven.

4.15.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

wijst het verzoek van [verzoekster] gericht tegen NAM toe en beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1. Kunt u gemotiveerd aangeven wat de bouwkundige toestand is van de woning, inclusief aanbouw en de eventueel aanwezige schuur en garage ?

2. Welke schades kunnen aan de woning, inclusief aanbouw en de eventueel aanwezige schuur en garage worden vastgesteld?

Wilt u in uw onderzoek in ieder geval betrekken de diverse schades zoals deze aan de orde zijn gesteld in de rapporten van Arcadis, Tandem en Vergnes?

Wilt u tevens in uw onderzoek betrekken of er nieuwe, niet reeds eerder onderzochte schade kan worden vastgesteld?

3. Kunt u gemotiveerd aangeven voor elk van de onder vraag 2 vastgestelde schades of deze door aardbevingen is ontstaan of verergerd?

Wilt u in uw onderzoek betrekken, indien naast aardbevingen ook andere oorzaken tot een bepaalde schade hebben geleid, in welke mate (uitgedrukt in percentages) de verschillende oorzaken aan het ontstaan van die schade hebben bijgedragen?

4. Op welke wijze dient de naar aanleiding van vraag 3 vastgestelde aardbevingsschade te worden hersteld?

5. Welk bedrag is (per schadepost) volgens u gemoeid met herstel van deze geconstateerde aardbevingsschade?

6. Geeft uw onderzoek overigens nog aanleiding tot opmerkingen?

5.2.

benoemt tot deskundige:

de heer ing. [naam] ,

verbonden aan De Bouwexpert/Exploitatiemaatschappij Elfrink B.V.

[n.a.w. gegevens]

het voorschot

5.3.

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:

- de deskundige dient binnen drie weken na de datum van deze beslissing een
begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd
naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige
kosten

  • -

    de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen

  • -

    partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de
    griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting

  • -

    indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het
    voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het
    door de deskundige begrote bedrag

  • -

    indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij
    afzonderlijke rechterlijke beslissing,

5.4.

bepaalt dat verzoeker het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak,

5.5.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

5.6.

bepaalt dat verzoeker zijn procesdossier in afschrift aan de deskundige dient te doen toekomen,

5.7.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

5.8.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad
    deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te
    verkrijgen bij de griffie),

  • -

    de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het
    voorschot dient aan te vangen,

- de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen
met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet
toereikend blijkt te zijn,

5.9.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

5.10.

draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend bericht in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

5.11.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de
    deskundige is gebaseerd,

  • -

    de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat
    partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover bij de deskundige
    opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het
    definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en de
    reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

5.12.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het concept-rapport te reageren,

5.13.

wijst het verzoek van [verzoekster] gericht tegen CVW af,

5.14.

veroordeelt [verzoekster] in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van CVW begroot op € 618,00 aan griffierecht en € 904,00 aan salaris advocaat.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Wichers en in het openbaar uitgesproken op

25 oktober 2017.1

1 type: 741