Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4161

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-11-2017
Datum publicatie
09-03-2018
Zaaknummer
C/18/173067 / HA RK 17-1
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Deelgeschil – eenzijdig ongeval – letsel passagier – artikel 6 WVV 1994 – omkering bewijslast – stelplicht – matiging kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0217
VR 2018/114
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rekestnummer: C/18/173067 / HA RK 17-1

Beschikking van 1 november 2017

in de zaak van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat mr. Chr. D. de Vos te Emmen,

tegen

naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Alkmaar,

verweerster,

advocaat mr. P.C. Knijp te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [verzoeker] en Reaal genoemd worden.

1 De procedure

Op 3 januari 2017 heeft [verzoeker] een verzoekschrift ex artikel 1019w Rv ter griffie ingediend. Bij akte ter griffie ontvangen op 24 april 2017 heeft [verzoeker] aanvullende producties in het geding gebracht. Reaal heeft zich bij verweerschrift, ter griffie ontvangen op 2 mei 2017, tegen het verzoek verzet. De zaak is behandeld ter zitting van 8 mei 2017. Partijen (Reaal deugdelijk vertegenwoordigd) en hun advocaten zijn verschenen. Partijen hebben hun standpunten toegelicht. Mr. De Vos heeft zittingsaantekeningen in het geding gebracht. Van het verhandelde heeft de griffier aantekening gehouden. Na de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] op 19 juni 2017 een akte indiening productie tevens akte uitlating genomen. Hierop heeft Reaal bij antwoordakte ontvangen ter griffie op 28 juni 2017 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank beschikking bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 14 mei 2012 is [verzoeker] - toen zestien jaar - betrokken geweest bij een eenzijdig verkeersongeval. [verzoeker] bevond zich in de personenauto die werd bestuurd door [A] . [verzoeker] zat op de bijrijdersstoel.

2.2.

[A] en [verzoeker] reden op 14 mei 2012 over de A7 komende vanuit de richting Hoogezand richting Groningen. Omstreeks 14.00 uur is het voertuig gaan slingeren en enige malen over de kop geslagen. Als gevolg van het ongeval is [A] om het leven gekomen en heeft [verzoeker] letsel opgelopen.

2.3.

Ten tijde van het ongeval was de door [A] bestuurde personenauto op grond van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen (WAM) verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid bij Reaal.

2.4.

Op 14 mei 2012 hebben hoofdagenten van politie [B] en [C] op de plaats van het ongeval een onderzoek ingesteld. In het door [C] opgemaakte proces-verbaal is (voor zover hier van belang) het volgende opgenomen:

(…) [verzoeker] gaf aan dat de bestuurder [A] heette en uit oude Pekela kwam. [verzoeker] kon mij verbalisant vertellen dat ze een dochter had van 5 of 6 jaar oud. Ik verbalisant vroeg aan [verzoeker] wat zijn relatie tot de bestuurster was. [verzoeker] vertelde mij verbalisant dat dit een vage kennis van hem was. Ik verbalisant vond dit vreemd en vroeg of hij een relatie met de bestuurster had. [verzoeker] gaf aan dat dit niet het geval was. [verzoeker] vertelde dat [A] hem naar huis zou brengen. Ik verbalisant [C] kreeg van de ambulance medewerker de taak om het hoofd van [verzoeker] te fixeren. [verzoeker] heeft tijdens de fixatie meerdere malen gevraagd naar zijn mobiele telefoon, zwart van kleur en vermoedelijk een Samsung Galaxy. Ik verbalisant zei tegen hem “dat dit van latere zorg was”. [verzoeker] heeft hierna nog een aantal keren gevraagd om zijn mobiele telefoon. [verzoeker] heeft geen enkele keer gevraagd hoe het met de bestuurster van de personenauto was en hoe het met haar ging. [verzoeker] toonde totaal geen emotie naar haar toe. [verzoeker] verklaarde aan verbalisant [C] dat [A] niet lekker was geworden en daardoor rare stuurbewegingen had gemaakt. (…)

2.5.

[D] , hoofdagent bij de politie te Groningen, heeft [verzoeker] op 14 mei 2012, op de plaats van het ongeval, gehoord. In het door [D] op 29 mei 2012 opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is (voor zover hier van belang) het volgende opgenomen:

(…) Hij [rechtbank: [verzoeker] ] vertelde mij, verbalisant [D] , dat hij een goede kennis van de bestuurster was. Verder vertelde hij mij dat de bestuurster buikklachten had en dat het voertuig begon te slingeren. Hij heeft daarop het stuur vastgepakt met de bedoeling om het voertuig op de weg te houden. Dit laatste lukte niet en zijn daarna over de kop gegaan. (…)

2.6.

Bij proces-verbaal van 15 mei 2012 heeft [E] , hoofdagent bij de politie te Groningen (voor zover hier van belang) het volgende verklaard:

(…) Op maandag 14 mei 2012 te 14:30 uur, hoorde ik op de locatie de A7 ter hoogte van

hectometerpaal 206.8 linker rijbaan, Groningen als getuige:

Achternaam : [F]

Voornamen : [naam] (…)

De getuige verklaarde:

“Ik reed op maandag 14 mei 2012 op de A7 links. Ik reed in mijn bestelauto met kenteken [kenteken] met daarachter een aanhangwagen met kenteken [kenteken] . Ik reed ongeveer 80 km/h en ik reed op de rechter rijbaan. Ongeveer ter hoogte van hectometer paal 206,0 zag ik dat ik werd ingehaald door een gele auto. Op het moment dat de auto linksvoor mij rijdt zie ik dat deze begint te slingeren. Ik zie

dat de auto 2 á 3 slingerbewegingen maakt. De auto slingerde eerst naar rechts. Ik zie dat de achterkant van de gele auto tijdens het slingeren uit breekt. Ik zag dat de auto eerst met de neus in de richting van de middengeleider gleed en vervolgens begon te tollen en over de kop sloeg. Ik zag dat de auto 5 á 6 keer over de kop sloeg en vervolgens vlakbij het begin van de vangrail aan de rechter kant van de weg op de vluchtstrook tot stilstand kwam. Ik moest hard remmen om zelf niet geraakt te worden en heb het dus niet heel goed kunnen zien. Ik ben ongeveer honderd meter verderop gestopt en heb 112 gebeld. Ik zag dat de man de bijrijder was en dat de vrouw het voertuig bestuurde.

Ik heb niet gezien wat het slingeren van het voertuig kan verklaren waardoor het ongeval is veroorzaakt. Ik heb geen enkel ander voertuig gezien die bij het ongeval betrokken was of waardoor het ongeval is ontstaan.(…)

2.7.

Bij proces-verbaal van 15 mei 2012 heeft verbalisant [E] (voor zover hier van belang) het volgende verklaard:

(…) Op maandag 14 mei 2012 te 15:00 uur, hoorde ik op de locatie de A7 ter hoogte van

hectometerpaal 206.4 linker rijbaan, Groningen als getuige:

[G]

[naam] (…)

De getuige verklaarde:

“Op maandag 14 mei 2012 was ik ter plaatse bij het ongeval op de A7 links ter hoogte van hectometerpaaltje 206.4. Ik was samen met collega [H] . Toen ik ter plaatse kwam hebben wij het ongeval afgezet en ben ik naar het voertuig gelopen dat over de kop was geslagen. Ik zag dat een jongen uit het voertuig was gekropen en hoorde hem zeggen: “we hadden ruzie” of woorden van gelijke strekking. Toen vervolgens de mensen van de politie ter plaatse kwamen hoorde ik de jongen zeggen dat ze, daarmee bedoelde hij de bestuurster, misselijk werd. (…)

[E] heeft op 14 mei 2012 ook [H] gehoord. [H] is een collega van [G] . Beiden zijn werkzaam bij de ANWB. De verklaring van [G] komt, zo blijkt uit het naar aanleiding daarvan opgemaakte proces-verbaal door verbalisant [E] , inhoudelijk overeen met de hiervoor geciteerde verklaring van [H] .

2.8.

Op 14 mei 2012 hebben [I] en [J] , hoofdagenten van politie te Groningen, [verzoeker] gehoord in het ziekenhuis. In het daartoe opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is (voor zover hier van belang) het volgende opgenomen:

(…) Op maandag 14 mei 2012 omstreeks 16.30 uur kregen wij, verbalisanten [I] en

[J] , het verzoek van chef van dienst [K] om te gaan naar het UMCG ziekenhuis te Groningen.

Wij verbalisanten kregen dit verzoek omdat een betrokkene, [verzoeker] , van het ongeval op de A7 hier was opgenomen. Omdat er ter plaatse van het ongeval wat onduidelijkheid was ontstaan over de toedracht, werd door de chef van dienst de mogelijkheid onderzocht om [verzoeker] als verdachte aan te merken. In afwachting van bericht zijn wij verbalisanten derhalve naar het UMCG afgereisd en hebben, zodra we hier toestemming voor hadden van de artsen, een gesprek gehad

met [verzoeker] . Voorafgaand dit gesprek hebben wij verbalisanten [verzoeker] de cautie gegeven. Kort nadat wij hem hadden uitgelegd dat we kort zijn kant van het verhaal wilden weten werden wij ook reeds weer door chef van dienst [K] gebeld, met de mededeling dat [verzoeker] niet als verdachte kan worden aangemerkt. Tijdens het gesprek met [verzoeker] hebben wij hem gevraagd naar zijn ervaringen omtrent de aanrijding en hebben wij hem gevraagd over wat precies de relatie was tussen hem

en de bestuurster, [A] .

Hierbij hebben wij de volgende informatie gekregen;

[verzoeker] vertelde ons verbalisanten dat hij en [A] sinds enkele maanden bevriend zijn. Hij geeft aan dat ze elkaar regelmatig zien en dat ze goed met elkaar kunnen praten. Hij geeft daarbij expliciet aan dat het niet zo is dat hij een relatie heeft met [A] . Wel zegt hij dat [A] hem duidelijk had gemaakt dat zij hem leuk vind. Hierover zouden ze vandaag, maandag 14 mei 2012, dan ook een gesprek hebben. [verzoeker] vertelde hierover vervolgens dat [A] hem die ochtend had opgehaald uit

de stad Groningen. Ze zijn vervolgens met zijn tweeën richting de woning van [A] in Oude Pekela gereden. Daar hebben ze met elkaar gepraat en een broodje gegeten. Nadat ze hun broodjes op hadden, zijn ze weer in de auto gestapt omdat [A] [verzoeker] weer naar Groningen zou brengen. Vervolgens zijn ze op weg gegaan richting de stad. Onderweg hebben ze gewoon een gesprek gehad met elkaar. Op een gegeven moment zag [verzoeker] dat [A] wat last had van de zon. Zij deed hierbij de zonneklep naar beneden en ging wat verzitten. Direct daarop raakte opeens de auto in de berm en begon deze te spinnen. Omdat [verzoeker] ooit eens had geleerd, volgens hem van zijn vader, dat je dan altijd het stuur recht moet houden heeft hij daarop het stuur gegrepen om de auto weer recht te krijgen. Dit lukte echter niet met als gevolg dat de auto volgens hem zes keer over de kop sloeg. Toen de auto tot stilstand was gekomen, is [verzoeker] uit de auto gekropen via het rechter achterraam. Hij is daarop op de vangrail gaan zitten en heeft om hulp geroepen. [A] lag op dat moment nog buiten bewustzijn in de auto. Hij heeft haar eerst maar laten liggen, want hij dacht dat je in zo’n situatie beter niet aan iemand kan zitten. Vervolgens waren er heel snel twee mannen van de wegenwacht die te hulp schoten. Kort daarna kwamen ook diverse andere hulpverleningsdiensten ter plaatse. (…)Na ons gesprek vroegen wij verbalisanten aan [verzoeker] of we nog even in zijn telefoon mochten kijken. Dit omdat wij van chef van dienst [K] hadden vernomen dat hij ter plaatse van het ongeval opvallend veel naar zijn telefoon vroeg. Tevens was er enige informatie dat [verzoeker] en [A] voorafgaand het ongeval ruzie met elkaar zouden hebben gehad. [verzoeker] stemde ermee in dat we in zijn telefoon mochten kijken. (…) Daarop hebben wij verbalisanten even kort in de telefoon van [verzoeker] gekeken. Hierbij hebben wij niets opvallends kunnen zien of lezen. Vervolgens hebben wij verbalisanten aan [verzoeker] uitgelegd dat hij nog benaderd zalworden om een uitgebreidere verklaring af te leggen. Dit begreep hij en vond hij goed. (…)

2.9.

Op 14 mei 2012 hebben hoofdagenten [B] en [C] het bericht van overlijden van [A] overgebracht aan haar vader [vader van A] . In het door verbalisanten opgemaakte proces-verbaal van bevindingen is (voor zover hier van belang) het volgende opgenomen:

(…) Wij hoorden dat de vader zei: waar is het gebeurd en met wie was ze daar! Verder hoorden we hem zeggen: ze was zeker met die kamper uit Groningen. Het was die [verzoeker] zeker. Ik was vanmorgen al door hem ge-sms-ed dat hij met me wilde praten. Hij zei: ik heb die jongen nog maar een keer gezien. Ik was op mijn werk en ik heb hem ge-sms-ed dat ik daar niet bereid toe was, omdat ik aan het werk was. Hij zei dat hij deze sms nog wel had.

Hij vertelde verder dat zijn dochter hem tegen half twaalf nog had gebeld en dat ze problemen had met haar vriendje. Ze had haar vader op het werk gebeld, dit deed ze anders nooit. Hij vertelde dat die jongen erg jaloers was. (…)

2.10.

Op 15 mei 2012 hebben [L] en [M] , hoofdagenten van politie te Groningen, [verzoeker] op zijn woonadres als getuige gehoord. In het daartoe opgemaakte proces-verbaal verhoor getuige is (voor zover hier van belang) het volgende opgenomen:

(…) [A] en ik hadden een vrij goede vriendschap. Ik ken [A] nu een paar maanden. Ik ben een paar keer bij [A] thuis geweest. Ze was volgens mij schoonmaakster. Ik weet de achternaam van [A] niet. Ik ken haar via vrienden. Ik heb gisteren, op maandag 14 mei 2012, rond 10:00 uur met [A] gebeld om met haar af te spreken. Ik wilde een beetje bijpraten met haar. (…)

Ik was op een gegeven moment alleen met [A] en haar dochter thuis. [A] haar dochter is vijf jaar oud en heet [O] . In de woning van [A] was alles netjes, ze was wel aan het schoonmaken maar de woning zag er netjes en opgeruimd uit. Ik heb met [A] gesproken over een andere auto. [A] gaf aan dat zij wel graag een andere auto wilde kopen, Mijn vader heeft een autobedrijf en ik dacht dat ik haar misschien wel kon helpen om een andere auto te vinden. Ook heb ik met [A] gesproken over onze relatie. We hebben weleens gekust, maar voor mij bestond onze relatie puur uit vriendschap. Ik denk dat [A] wel erg gek op mij was. Ik heb tegen [A] gezegd hoe ik over onze relatie dacht en dat ik het contact wilde verbreken, ik wilde haar geen valse hoop geven. Ook wist ik dat mijn moeder het niet goed vond dat ik contact had met [A] . Mijn moeder heeft [A] nog nooit gezien of gesproken. Ik ben een tijdje geleden stiekem bij [A] thuis geweest en hier zijn

mijn ouders toen achter gekomen. Mijn moeder heeft mij toen gezegd dat zij wilde dat ik het contact met [A] zou verbreken omdat [A] 24 jaar oud was en ik nog maar zestien. Toen ik [A] vertelde dat ik het contact wilde verbreken, werd zij hierop wel een beetje emotioneel.

Na ons gesprek hebben [A] en ik [O] naar school gebracht in Oude Pekela. Ik weet niet precies waar de school zat, maar het was vlakbij [A] haar huis. Ik kreeg vervolgens een telefoontje van een vriend van mij. Hij vertelde mij dat mijn scooter was gestolen. Ik schrok en wilde op dat moment graag naar huis. Ik heb later gehoord dat de diefstal van mijn scooter niet waar was. Mijn vrienden wilden een grapje met mij uithalen.

[A] en ik zijn vervolgens weer vanuit Oude Pekela naar Groningen gereden. [A] zei voordat we gingen tegen mij dat ze zich niet zo lekker voelde. Het was rustig toen wij in de auto zaten. We spraken wat met elkaar, maar hadden geen ruzie of iets dergelijks. Toen wij tussen Hoogezand en Groningen reden, was [A] erg stil. De zon stond ook erg laag. Ik merkte dat de zon in mijn gezicht scheen en dat dit mijn zicht wat belemmerde. Ik zag dat [A] vervolgens opeens vanuit de

linker rijbaan naar de vluchtstrook reed. Ik heb hierop gezegd “wat doe je!”. Ik zag dat [A] schrok en het stuur om draaide. Ik zag dat [A] in paniek raakte en hevig aan het sturen was. Ik heb ooit geleerd dat het goed is om het stuur stil te houden, zodat de auto dan weer grip krijgt. Ik heb hierop het stuur van de auto vastgepakt. Het was echter al te laat, want de auto sloeg een paar keer over de kop. Na een tijdje kwamen we tot stilstand. Ik zag dat [A] niet bij bewustzijn was. Ik wist op dat moment niet dat ze niet meer leefde. Ik dacht dat ze enkel buiten bewustzijn was. Ik heb haar niet aangeraakt omdat ik bang was dat ik dan iets verkeerds zou doen. Ik ben via het achterraam uit de auto gekropen. Ik zag dat er een man naar mij toe kwam lopen. Ik heb tegen de man gezegd dat hij 112 moest bellen. Ik zag dat er twee auto’s van de wegenwacht aan kwamen rijden en kort hierna ook de politie en alles. Het ging allemaal erg snel.

U zegt mij dat medewerkers van de wegenwacht hebben verklaard dat jij hen vertelde dat [A] en jij ruzie hadden in de auto. Ik kan u vertellen dat dit niet het geval was. Ik heb misschien uit emotie wat dingen gezegd, dit weet ik niet meer precies. [A] en ik hebben niet tegen elkaar geschreeuwd ofzo. Ik was ook niet boos.

Ik kon goed opschieten met de vader van [A] . Ik heb hem gisteren, voordat het ongeluk gebeurde, ook ge-SMSt dat ik met hem wilde praten over [A] . Ik wilde met hem praten om aan te geven dat ik het contact met [A] wilde verbreken en hem wilde verzoeken om [A] in de gaten te houden, ook in verband met haar ex-vriend. [A] heeft mij verteld dat haar ex-vriend een aantal dagen geleden bij haar was geweest en dat zij ruzie hadden gehad. [A] haar ex-vriend heeft haar toen bij haar keel gegrepen. Ik wilde dat [A] haar vader hiervan op de hoogte was. Ik weet niet wie de ex-vriend van [A] is. Het is volgens mij een negroïde man die ergens in een asielzoekerscentrum woont. Ik weet ook niet of hij de vader van [O] is.

Ik heb een scheur in mijn schouderblad en veel kneuzingen van het ongeval opgelopen. Ook heb ik nu, zoals het lijkt, bloed in mijn longen. Ik moet vanmiddag naar de dokter hiervoor.

Opmerking verbalisanten:

Moeder geeft aan dat [verzoeker] een IQ van 75 heeft, een hartafwijking, epilepsie en dat hij naar het speciaal onderwijs gaat. Moeder verteld dat [verzoeker] erg beïnvloedbaar en impulsief kan zijn. Ook is het voor [verzoeker] moeilijk om aan te geven hoe hij zich voelt en uit hij zijn emoties niet altijd..” (…)

2.11.

Bij brief van 1 juni 2015 heeft [verzoeker] Reaal aansprakelijk gesteld voor de als gevolg van het ongeval door hem geleden en te lijden schade.

2.12.

Op 14 mei 2012 (rond 15.00 uur) hebben verbalisanten [P] en

[Q] , beiden brigadier van politie, een analyse van het ongeval gemaakt. In het door hen opgestelde rapport gedateerd 19 juni 2012, hierna VOA-rapport te noemen, is (voor zover hier van belang) het volgende vermeld:

(…)

1.4

Conclusie / beantwoording

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurster van de Volkswagen, immers zij belandde in een slip waarna het voertuig over de kop sloeg. (…)

5.2

Oorzaak, toedracht en gevolg

De bestuurster reed met haar Volkswagen over de A7 te Groningen. Zij kwam uit de richting

Nieuweschans en reed in de richting van Groningen. Het voertuig raakte met de linkerzijde in

de middenberm waarbij het woelspoor ontstond. Hierna raakte zij met haar voertuig, vermoedelijk door een te abrupte stuurbeweging in een slip naar rechts. Hierna ontstonden de slipsporen op de ononderbroken wegbelijning nabij de uiterste linkerzijde van de rijbaan richting Groningen. Deze sporen waren afkomstig van de beide linker wielen van het voertuig. Vervolgens kwam het voertuig in een linker slip waarbij aan de uiterste rechterzijde van de rijbaan richting Groningen slipsporen aftekenden van de rechter wielen van de Volkswagen. Naast het slipspoor van het rechter voorwiel zagen wij een krasspoor. Dit spoor werd veroorzaakt door de buitenste velgrand van het rechter voorwiel. Het rechter achterwiel veroorzaakt bij deze linkerslip een woelspoor in de zachte grasberm. De rechter wielen ondervonden hierbij zoveel weerstand dat het voertuig over de kop sloeg. Hierbij ontstonden de aangetroffen bloedsporen op het wegdek. Doordat het lichaam van de bestuurster tegen de deurstijl was geslagen was vermoedelijk letsel ontstaan waarbij bloed vrijkwam welke op het wegdek zijn beland. De linker voorzijde veroorzaakte hierna het krasspoor met gele lakafwrijving op het wegdek. Vervolgens kwam de rechterzijde en het dak op de vangrail terecht. Hierbij ontstonden de langwerpige vervormingen op de Volkswagen. Hierna belandde het voertuig op het dak op rijstrook 1 en de vluchtstrook. De bestuurster kwam hierbij te overlijden.

5.3

Relevantie afgelegde verklaringen

De inhoud van de afgelegde verklaringen komt overeen met hetgeen wij hebben bevonden,

behoudens het volgende:

De passagier verklaart dat kort voor het ongeval de zon in zijn gezicht scheen en dat dat zijn

zicht wat belemmerde.

Ik, eerste verbalisant, onderzocht de invloed van de stand van de zon op het zicht dat bestuurders ter plaatse van het ongeval hadden.

Daartoe bevond ik mij op 15 mei 2012, één dag na het ongeval, omstreeks 14.13 uur, op de plaats van het ongeval. De weersomstandigheden kwamen overeen met de dag er voor. Ik had mijn voertuig geplaatst in de richting waarin de bestuurster reed kort voor het ongeval. Ik zag dat de zon zich links van mij bevond. De zon belemmerde mij in het geheel niet in mijn zicht. Aangezien de passagier zich rechts in het voertuig bevond is het niet aannemelijk dat de zon het zicht van de passagier belemmerde.

2.13.

Bij brief van 19 april 2016 heeft [R] (werkzaam voor [naam] letselschade) namens [verzoeker] Reaal aangeschreven waarbij hij [A] heeft omschreven als “de vriendin” van [verzoeker] .

2.14.

Tijdens de mondelinge behandeling op 8 mei 2017 heeft [verzoeker] (voor zover hier van belang) het volgende over het ongeval verklaard:

(…) Tijdens het rijden was er niets meer aan de hand en waren we redelijk rustig. [rechtbank: volgens [verzoeker] was er eerder op de dag tussen [A] en [verzoeker] een discussie gaande over de omgang van [A] met haar ex-vriend]. De zon scheen tijdens de rit in mijn gezicht. Ze was erg stil en ik zag dat ze in een gedachtegang zat. Ze lette niet goed op. De auto ging heel rustig naar rechts. Hij ging steeds verder naar rechts richting de vluchtstrook. Ik gaf aan ‘wat doe je’. Ze schrok “wakker” en probeerde te corrigeren om op de baan te blijven. Dat ging totaal mis. Ze bleef corrigeren en de auto vloog bijna over de kop. Toen heb ik ingegrepen. Ik wist dat je het stuur moet vasthouden. Dat heeft niet meer geholpen. De auto is over de kop geslagen. Toen heb ik mij losgemaakt en ben ik uit de auto gekropen. Schijnbaar heb ik gezegd ‘we hadden ruzie’, maar dat sloeg meer op dat het niet zo lekker ging tussen ons (…) [A] had juist ingehaald toen het ongeval gebeurde. We bevonden ons weer op de rechter rijbaan. De auto ging heel rustig naar rechts, richting de vluchtstrook. Toen schrok ze wakker uit haar trance. (…)

3 Het verzoek

[verzoeker] verzoekt bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:

I. te bepalen dat Reaal aansprakelijk is voor de gevolgen van het [verzoeker] op 14 mei 2012 overkomen ongeval,

II. te bepalen dat Reaal gehouden is de nog nader vast te stellen ongeval gerelateerde schade aan [verzoeker] te vergoeden,

III. de kosten van onderhavige procedure te begroten op € 11.035,89 (inclusief kantoorkosten en BTW) en Reaal te veroordelen tot betaling daarvan.

4 Het standpunt van [verzoeker]

4.1.

Partijen zijn verdeeld over de aansprakelijkheid. Een beslissing daarover in het kader van dit deelgeschil zou kunnen bijdragen aan het bereiken van een vaststellingsovereenkomst. Het geschil leent zich derhalve voor behandeling in onderhavige procedure.

4.2.

Primair stelt [verzoeker] dat uit de omschrijving in het verzoekschrift van de feitelijke toedracht van het ongeval volgt dat [A] in strijd met artikel 6 WVW 1994 heeft gehandeld. Derhalve is sprake van een aan haar toe te rekenen onrechtmatige daad.

Er is sprake van ernstig verwijtbaar handelen aan de zijde van [A] als gevolg waarvan het ongeval is ontstaan. [A] heeft de macht over het stuur verloren, dat wil zeggen dat zij met haar auto opeens vanuit de linkerbaan naar de vluchtstrook reed, het stuur omdraaide althans rare stuurbewegingen maakte waardoor de auto is gaan slingeren en de auto diverse malen over de kop is geslagen als gevolg waarvan [verzoeker] letsel heeft opgelopen. Bij akte heeft [verzoeker] subsidiair nog gesteld dat [A] de macht over het stuur is verloren, met haar auto vanuit haar rijbaan naar de vluchtstrook is gereden, de auto is gaan slingeren en over de kop is geslagen als gevolg waarvan [A] gewond is geraakt.
Uit het VOA-rapport volgt dat het ongeval niet is te wijten aan een technisch gebrek van het voertuig en dat de oorzaak ervan moet worden gezocht in een rij- of beoordelingsfout van [A] . Aangenomen moet worden dat de VOA-deskundigen kennis hebben genomen van de diverse processen-verbaal en dat onderzoek is verricht naar de rol van [verzoeker] bij het ongeval en alle overige relevante omstandigheden. Er kan derhalve van uit worden gegaan dat het verkeersgedrag van [A] het ongeval heeft veroorzaakt en niet het vastpakken van het stuur door [verzoeker] .

Als gevolg van het ongeval heeft [verzoeker] een beschadiging aan zijn ruggenwervel opgelopen, een breuk van het schouderblad en hebben zich psychische klachten bij hem ontwikkeld. Als WA-verzekeraar van het voertuig van [A] is Reaal aansprakelijk voor door [verzoeker] geleden en te lijden schade.

4.3.

[verzoeker] betwist het standpunt van Reaal dat hij het ongeval heeft veroorzaakt. Eerst nadat de auto begon te slingeren en [A] de macht over het stuur verloor, heeft [verzoeker] het stuur vastgepakt in een poging het ongeval te voorkomen. In dit verband wijst [verzoeker] er op dat hij door de politie niet als verdachte is aangemerkt en niet strafrechtelijk is vervolgd. Het is aan Reaal te stellen en te bewijzen dat [verzoeker] het stuur heeft vastgepakt en dat het ongeval ook zou hebben plaatsgevonden indien [A] geen stuurfout zou hebben gemaakt.

4.4.

Indien de rechtbank tot het oordeel komt dat het onrechtmatig handelen niet reeds volgt uit de feitelijke omschrijving van het ongeval stelt [verzoeker] (subsidiair) dat de omkeringsregel van toepassing is omdat artikel 6 WVW 1994 moet worden aangemerkt als een specifieke in het verkeer geldende norm die strekt ter voorkoming van verkeersgedrag dat de dood of letsel tot gevolg kan hebben. Uit de processen-verbaal volgt dat deze specifieke norm door [A] is geschonden. Door het gedrag van [A] is zwaar lichamelijk letsel bij [verzoeker] ontstaan. Het risico waartegen de specifieke norm uit artikel 6 WVW 1994 beoogt te beschermen heeft zich derhalve verwezenlijkt. [verzoeker] verwijst naar de conclusie van Procureur-Generaal Hartkamp onder het arrest van de Hoge Raad van 24 september 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO9070). Het is derhalve aan Reaal te bewijzen dat [A] geen verkeersnorm heeft overtreden.

Voorts moet het in strijd met de redelijkheid en billijkheid worden geacht om de bewijslast (op de voet van de hoofdregel in artikel 150 Rv) bij [verzoeker] neer te leggen. Vanwege het overlijden van [A] zou hij daardoor in een onmogelijke bewijspositie komen te verkeren. Ook op die grond dient de bewijslast te worden omgekeerd.

4.5.

Meer subsidiair - indien de rechtbank oordeelt dat de omkeringsregel niet van toepassing is - voert [verzoeker] aan dat op basis van de in het geding gebrachte processen-verbaal en verklaringen voorshands aannemelijk moet worden geacht dat [A] zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten ongeval is ontstaan, waardoor [verzoeker] letsel heeft opgelopen. Aldus is sprake van onrechtmatig handelen jegens hem, voor welk handelen Reaal aansprakelijk is. [verzoeker] voert daartoe aan dat een normaal participerende en oplettende automobilist zich dient te onthouden van verkeersgedrag waardoor onveilige situaties kunnen ontstaan.

4.6.

De uitlating direct na het ongeval (‘we hadden ruzie’) heeft [verzoeker] in de emotie van het moment gedaan. [verzoeker] betwist dat sprake was van ruzie met [A] . Er was slechts sprake van een verschil van inzicht over de contacten die [A] onderhield met haar ex-partner.

4.7.

[verzoeker] biedt aanvullend bewijs aan van zijn stelling dat het ongeval door nalatig handelen van [A] is veroorzaakt. Een verkeersongevallenanalist kan worden verzocht een analyse te maken van het ongeval. Voorts zouden verbalisanten van de politie te Groningen en betrokkenen dan wel getuigen (waaronder [verzoeker] zelf) kunnen worden gehoord over de toedracht van het ongeval.

4.8.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank de kosten van de behandeling van het onderhavige verzoek te begroten, zulks ingevolge artikel 1019aa lid 1 Rv en Reaal te veroordelen tot betaling daarvan. Daarbij dienen alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te worden genomen. De tijdsbesteding van de raadsman bedraagt (inclusief de bespreking van het verweerschrift en de zitting) 28,70 uur, waarbij een uurtarief van

€ 297,00, te vermeerderen met 7% kantoorkosten en BTW is gehanteerd. De buitengerechtelijke kosten bedragen derhalve € 11.035,89 (inclusief BTW en kantoorkosten). [verzoeker] meent dat de ter zake van de onderhavige deelgeschilprocedure gemaakte kosten aan haar zijde voldoen aan de dubbele redelijkheidtoets als bedoeld in artikel 6:96 BW en derhalve voor volledige vergoeding in aanmerking komen.

5 Het standpunt van Reaal

5.1.

De door [verzoeker] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden volstaan niet ter onderbouwing van de stelling dat Reaal aansprakelijk is voor de door [verzoeker] als gevolg van het ongeval geleden schade. Niet voldoende concreet gesteld is welke verwijten [A] worden gemaakt met betrekking tot het ontstaan van het ongeval. De vordering dient te worden afgewezen omdat niet aan de stelplicht is voldaan. Onder randnummer 9 van zijn akte van 19 juni 2017 heeft [verzoeker] zijn stellingen die aan de vordering ten grondslag liggen nog gewijzigd. Dat is niet geoorloofd in deze fase van de procedure. Daarnaast biedt dit subsidiaire standpunt geen grond voor aansprakelijkheid omdat [verzoeker] heeft verzuimd een tot [A] gericht verwijt te formuleren.

5.2.

[verzoeker] is niet geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat het ongeval is veroorzaakt door heftige stuurbewegingen van [A] . Reaal betwist dat uit het feitelijke relaas volgt dat [A] onrechtmatig heeft gehandeld. Er bestaat aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de door [verzoeker] gedane verklaringen. De verklaringen van [verzoeker] met betrekking tot de toedracht van het ongeval bevatten tegenstrijdigheden, onjuistheden en zijn niet consistent en op onderdelen weersproken.

5.3.

Over de toedracht van het ongeval heeft [verzoeker] verklaard dat [A] kort ervoor onwel was geworden. Op de dag na het ongeval heeft [verzoeker] verklaard dat [A] verblind werd door de laagstaande zon en dat de auto op de vluchtstrook is geraakt en is gaan spinnen vanwege een heftige stuurbeweging van [A] . Dat half mei (rond 14.10 uur) sprake was van een lage zonstand wordt betwist. Reaal verwijst daartoe naar productie 1 bij haar verweerschrift en naar de bevindingen in het VOA-rapport. In één van zijn verklaringen stelt [verzoeker] dat de auto naar links afdreef en een stuurcorrectie naar rechts noodzakelijk was. Getuige [F] heeft echter verklaard dat de auto zich na de inhaalmanoeuvre op de linker rijbaan bevond en dat de eerste slingerende beweging naar rechts geschiedde. De getuige heeft niet gemeld dat sprake was van een slip of een geleidelijke beweging richting de berm. [verzoeker] heeft verschillende hoofdoorzaken aangevoerd. Hij is er niet in geslaagd een geloofwaardig scenario te schetsen met betrekking tot de toedracht van het ongeval.

5.4.

Het VOA-rapport levert geen bewijs op van de stellingen van [verzoeker] . De enige conclusie die op basis van het rapport kan worden getrokken is dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek van het voertuig. De onderzoekers verklaren dat de oorzaak moet worden gezocht in een beoordelingsfout van de bestuurster. Daarmee staat niet vast dat [A] een fout heeft gemaakt. Alternatieve oorzaken zijn niet onderzocht. Uit het rapport blijkt in het bijzonder niet dat onderzocht is of het ongeval door [verzoeker] kan zijn veroorzaakt. Uit het onderzoek volgt dat de auto een plotselinge ruk naar rechts heeft gemaakt. Die bevinding komt overeen met de verklaring van getuige [F] . Deze plotselinge ruk naar rechts is het gevolg geweest van de door [verzoeker] uitgevoerde stuuringreep en is niet het resultaat van een stuurfout door [A] . Reaal betwist dat de onderzoekers het scenario waarbij [verzoeker] aan het stuur heeft getrokken hebben onderzocht en verworpen. Dat volgt niet (impliciet) uit het rapport. De onderzoekers hebben zich niet uitgelaten over de rol van [verzoeker] . Op basis van het rapport kan slechts worden beoordeeld dat het ongeval niet is ontstaan door een technisch mankement maar door een verkeersfout.

5.5.

Over zijn relatie met [A] heeft [verzoeker] uiteenlopende verklaringen afgelegd. Aanvankelijk heeft hij aan verbalisant [C] medegedeeld dat [A] een vage kennis van hem was. Tijdens het verhoor met verbalisanten [I] en [J] heeft [verzoeker] verklaard dat hij en [A] enkele maanden bevriend waren, dat ze elkaar regelmatig zagen en goed met elkaar konden praten, dat weliswaar geen sprake was van een relatie maar dat [A] duidelijk had gemaakt hem leuk te vinden. Bij brief van 19 april 2016 heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] verklaard dat [A] zijn vriendin was en uit de verklaring van de vader van [A] volgt dat zijn dochter kort voor het ongeval ruzie met [verzoeker] had en dat zij aan haar vader had verklaard dat [verzoeker] erg jaloers was.

Bij de plaats van het ongeval aanwezige medewerkers van de ANWB hebben gehoord dat [verzoeker] direct nadat hij uit het wrak kroop heeft verklaard dat sprake was van ruzie. In latere verklaringen heeft [verzoeker] juist ontkend dat hij en [A] ruzie hadden. Kennelijk is het de bedoeling van [verzoeker] de aandacht af te leiden van een scenario waarin een emotionele en/of gewelddadige uitbarsting van hem bij het ontstaan van het ongeval een rol heeft gespeeld. Mede gezien de verklaring van getuige [F] , hij heeft waargenomen dat de auto plotseling een ruk naar rechts maakte, is het aannemelijk dat [verzoeker] het ongeval heeft veroorzaakt door aan het stuur te trekken.

5.6.

Reaal heeft de stellingen van [verzoeker] betwist. Reaal heeft een ontkennend verweer gevoerd. De bewijslast van de stellingen van [verzoeker] rusten op hem. Er bestaat geen aanleiding voor een omkering van de bewijslast. Daarvoor is vereist dat een norm wordt geschonden die er toe strekt de verwezenlijking van een specifiek gevaar te voorkomen. In het onderhavige geval staat niet vast dat een norm is geschonden. Voor het hanteren van een bijzonder bewijsvermoeden bestaat evenmin aanleiding. [verzoeker] heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld die niet te betwisten zijn en een sterk vermoeden opleveren dat het ongeval is veroorzaakt door nalatig handelen van [A] .

5.7.

Omdat Reaal niet aansprakelijk is voor de door [verzoeker] gestelde gevolgen van het ongeval dienen de gevorderde kosten te worden afgewezen. Reaal maakt bezwaar tegen de hoogte van de gevorderde kosten. Het gevorderde bedrag kan de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaan.

6 De beoordeling

Grondslag

6.1.

De deelgeschilprocedure is een verzoekschriftprocedure, waarop naast de bepalingen van artikel 1019w Rv e.v. ook de bepalingen van Boek 1, titel 3 Rv van toepassing zijn, tenzij anders bepaald. Het verzoekschrift dient dan ook te voldoen aan zowel de eisen van artikel 278 lid 1 Rv als aan die van artikel 1019x lid 3 Rv. Artikel 278 lid 1 Rv bepaalt (onder meer) dat in het verzoekschrift duidelijk dient te zijn omschreven het verzoek en de gronden waarop het berust.

6.2.

De rechtbank verstaat het verzoekschrift aldus dat [verzoeker] als grondslag heeft opgeworpen schending van artikel 6 WVW 1994 en artikel 6:162 BW.

Stelplicht en bewijslast

6.3.

In zijn verzoekschrift stelt [verzoeker] dat [A] in strijd met artikel 6 WVW en onrechtmatig heeft gehandeld door de macht over het stuur te verliezen, dat wil zeggen dat zij met haar auto opeens vanuit de linkerbaan naar de vluchtstrook reed, het stuur omdraaide althans rare stuurbewegingen maakte waardoor de auto is gaan slingeren en de auto diverse malen over de kop is geslagen als gevolg waarvan [verzoeker] letsel heeft opgelopen. Bij akte heeft [verzoeker] subsidiair nog gesteld dat [A] de macht over het stuur is verloren, met haar auto vanuit haar rijbaan naar de vluchtstrook is gereden, de auto is gaan slingeren en over de kop is geslagen als gevolg waarvan [A] gewond is geraakt.

6.4.

[verzoeker] heeft zich er op beroepen dat Reaal aansprakelijk is voor de gevolgen van deze door hem gestelde stuurfout van [A] .

6.5.

[verzoeker] heeft hierbij onder meer gesteld dat op Reaal de last rust feiten te bewijzen die zij tot haar verweer heeft aangevoerd. Die opvatting, zo volgt uit het arrest van de Hoge Raad 23 oktober 1992 (ECLI:NL:HR:ZC0727 (CZF/Vander der Velde, Ongeval St. Oedenrode), kan niet als juist worden aanvaard. Uit de hoofdregel van artikel 150 Rv volgt dat [verzoeker] , die zich beroept op rechtsgevolgen van door hem gestelde feiten, belast is met het bewijs van die feiten. Uit die hoofdregel kan niet worden afgeleid dat de wederpartij de feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van eerder bedoelde door [verzoeker] gestelde feiten.

Omkering bewijslast

6.6.

[verzoeker] stelt verder met een beroep op de in de jurisprudentie ontwikkelde omkeringsregel dat [A] een specifieke in artikel 6 WVW 1994 besloten norm heeft geschonden en dat het op de weg van Reaal ligt te bewijzen dat het ongeval niet door nalatig handelen van [A] is veroorzaakt. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

6.7.

In de rechtspraak waarin de omkeringsregel is aanvaard, wordt tot uitdrukking gebracht dat in de daarin bedoelde gevallen op grond van een bijzondere, uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende regel, een uitzondering dient te worden gemaakt op de hoofdregel van artikel 150 Rv in die zin dat het bestaan van causaal verband (in de zin van: conditio sine qua non-verband) tussen de onrechtmatige gedraging of tekortkoming en het ontstaan van de schade wordt aangenomen tenzij degene die wordt aangesproken, bewijst dat de bedoelde schade ook zonder die gedraging of tekortkoming zou zijn ontstaan.

Voor het maken van bedoelde uitzondering is plaats als het gaat om schending van een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en als dit gevaar door de normschending in het algemeen aanmerkelijk wordt vergroot. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval niet gegeven dat [A] een specifieke norm heeft geschonden. De vergelijking met het door [verzoeker] aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 24 september 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO9070) gaat niet op omdat in die casus sprake was van een vaststaande normschending in de vorm van een snelheidsovertreding. In het onderhavige geval is de normschending door [A] voorshands niet gegeven en staat deze ter discussie. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een normschending door [A] , biedt de omkeringsregel geen grond om de bewijslast om te keren.

6.8.

Voorts stelt [verzoeker] dat de bewijslast op grond van eisen van redelijkheid en billijkheid op Reaal dient te rusten en dat het aan haar is te bewijzen dat door [verzoeker] geleden schade niet is ontstaan vanwege een door [A] gemaakte stuurfout. De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

6.9.

Op grond van vaste jurisprudentie kan toepassing van deze uitzondering slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden. Het bestaan van bewijsnood, in dit geval bij [verzoeker] omdat [A] vanwege haar overlijden niet kan worden gehoord, is op zichzelf onvoldoende reden om de bewijslast om te keren op grond van de redelijkheid en billijkheid. In het onderhavige geval zou Reaal om die zelfde reden in bewijsnood komen te verkeren.

De aansprakelijkheid

6.10.

In artikel 6 WVW 1994 is bepaald dat het een ieder die aan het verkeer deelneemt verboden is zich zodanig te gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval plaatsvindt waardoor een ander wordt gedood of waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht of zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden ontstaat.

[verzoeker] stelt dat uit de omschrijving van de toedracht van het ongeval (kennelijk wordt door hem daarmee bedoeld het feit dat de auto is gaan slingeren en over de kop is geslagen) reeds volgt dat [A] in strijd met deze bepaling en derhalve onrechtmatig heeft gehandeld.

6.11.

De rechtbank volgt [verzoeker] niet in zijn (primaire) stelling die er op neerkomt dat het onrechtmatig handelen, althans het handelen in strijd met artikel 6 WVW, reeds ligt besloten in het enkele gegeven dat de auto is gaan slingeren en over de kop is geslagen.

Voor aansprakelijkheid van Reaal dient vast komen te staan dat het ongeval te wijten is aan (verwijtbaar) handelen of nalaten van [A] c.q. dat het ongeval te wijten is aan een stuurfout van [A] . Dat volgt in het onderhavige geval niet uit de enkele omstandigheid dat geen ander verkeer bij het ongeval betrokken is geweest en het door [A] bestuurde voertuig over de kop is geslagen, te meer niet nu vaststaat dat [verzoeker] zelf op enig moment aan het stuur heeft getrokken.

6.12.

Gelet op het vorenstaande dient [verzoeker] te stellen en eventueel te bewijzen dat verwijtbare stuurbewegingen van [A] het ongeval hebben veroorzaakt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door Reaal niet aan zijn stelplicht voldaan omdat zijn verklaringen niet stroken met technisch bewijs en andere verklaringen, niet eenduidig en helder zijn en bovendien niet uitsluiten dat het ongeval door zijn toedoen is veroorzaakt. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

6.13.

Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst [verzoeker] naar de processen-verbaal en de VOA-rapportage die in het geding zijn gebracht. In het VOA-rapport wordt geconcludeerd dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurster van het voertuig omdat het voertuig is gaan slingeren en over de kop is geslagen.

Uit het rapport komt naar voren dat het voertuig aanvankelijk met de linkerzijde de middenberm raakte waarbij het woelspoor ontstond en waarna het voertuig, vermoedelijk door een te abrupte stuurbeweging in een slip naar rechts is geraakt. Deze bevindingen komen overeen met de verklaring van getuige [F] . [F] heeft verklaard dat de auto hem links inhaalde en vervolgens naar rechts slingerde.

De wisselende verklaringen van [verzoeker] wijken echter op essentiële onderdelen af van de bevindingen in het VOA-rapport en van de verklaring van getuige [F] . Zo heeft [verzoeker] aanvankelijk gesteld dat [A] opeens vanuit de linker rijbaan naar de vluchtstrook reed, het stuur omdraaide en toen rare stuurbewegingen maakte, waardoor de auto is gaan slingeren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [verzoeker] over het ongeval verklaard dat het voertuig na het afronden van een inhaalmanoeuvre ( [A] haalde het door [F] bestuurde voertuig in) heel rustig naar rechts ging. Voorts verklaarde hij dat [A] zich in een ‘trance’ bevond en dat de auto zich op de rechter rijbaan bevond en toen verder richting de vluchtstrook reed waarna het door stuurbewegingen van [A] begon te slingeren en uiteindelijk - ondanks het vastgrijpen van het stuur door [verzoeker] - over de kop is geslagen.

6.14.

Het VOA-rapport besteedt geen aandacht aan de mogelijkheid dat een handeling van [verzoeker] het ongeval heeft veroorzaakt, althans daaraan heeft bijgedragen, hoewel vast staat dat [verzoeker] op enig moment aan het stuur heeft getrokken. De bevindingen en bovengenoemde verklaringen in onderling samenhang beschouwd sluiten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende uit dat het ingrijpen van [verzoeker] het ongeval heeft veroorzaakt.

6.15.

De rechtbank weegt bij haar oordeel verder mee dat over de aanleiding van het ongeval en de rol daarbij van [A] , [verzoeker] verschillend heeft verklaard. Direct na het ongeval heeft [verzoeker] tegenover hoofdagenten [B] en [C] verklaard dat [A] niet lekker was geworden en daardoor rare stuurbewegingen heeft gemaakt. Tegenover hoofdagenten [I] en [J] heeft hij daags na het ongeval verklaard dat [A] last had van de zon, dat zij de zonneklep naar beneden deed en direct daarop de auto in de berm raakte en begon te spinnen. Deze beide verklaringen van [verzoeker] laten zich naar het oordeel van de rechtbank moeilijk rijmen met elkaar en ook met de gang van zaken zoals door [verzoeker] geschetst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling. Daar heeft hij verklaard dat [A] de auto ‘in trance’ geleidelijk richting de vluchtstrook heeft gestuurd.

6.16.

De verklaring van [verzoeker] over het beperkte zicht door de zon acht de rechtbank gelet op de inhoud van het VOA-rapport in ieder geval ongeloofwaardig. Uit het VOA-rapport volgt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de stand van de zon ten tijde van het ongeval zodanig was dat deze - anders dan [verzoeker] heeft verklaard - niet in het gezicht van [A] en [verzoeker] kan hebben geschenen op het moment van het ongeval.

6.17.

ANWB-medewerkers [H] en [G] hebben voorts ten overstaan van de politie verklaard dat zij [verzoeker] na het ongeval uit de auto hebben zien klimmen waarna hij aan hen heeft medegedeeld ‘we hadden ruzie’ althans waarbij woorden van gelijke strekking werden gebezigd. Dat sprake was van spanningen tussen [A] en [verzoeker] op de dag van het ongeval wordt bevestigd door hetgeen [vader van A] op de dag dat het ongeval was gebeurd aan de politie heeft verteld, namelijk dat [A] hem, hierover kort voor het ongeval (omstreeks om 11.30 uur) over heeft gebeld. Ook over de aard van de relatie met [A] heeft [verzoeker] geen eenduidige verklaringen afgelegd.

[verzoeker] heeft zijn stellingen (onder randnummer 9 van zijn akte van 19 juni 2017) te elfder ure nog gewijzigd, maar daar is evenmin op onvoldoende duidelijke wijze uiteengezet welk verwijt [A] wordt gemaakt.

6.18.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [verzoeker] aldus - een en ander bezien in het licht van het gemotiveerde verweer van Reaal - onvoldoende eenduidig en helder gemotiveerd gesteld welke aan [A] te verwijten handeling tot aansprakelijkheid van Reaal zou moeten leiden, zodat niet aan bewijslevering kan worden toegekomen. De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] om een deskundige een analyse van het ongeval op te laten maken, en/of betrokkenen nogmaals als getuige te horen af omdat [verzoeker] niet aan de op hem rustende stelplicht heeft voldaan.

6.19.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoeker] dient te worden afgewezen.

De kosten

6.20.

De rechtbank overweegt dat, ondanks de afwijzing van het verzoek, op de voet van artikel 1019aa Rv in beginsel begroting dient plaats te vinden van de kosten die [verzoeker] heeft gemaakt in het kader van de deelgeschilprocedure. Daarbij dient de rechter de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets te hanteren: het dient redelijk te zijn dat deze kosten zijn gemaakt en de hoogte van deze kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

6.21.

[verzoeker] vordert met een beroep op voornoemd wetsartikel vergoeding van zijn advocaatkosten. Hij begroot de bestede tijd aan het opstellen van het verzoekschrift, de bestudering van het verweerschrift, besprekingen met haar en de mondelinge behandeling in totaal op 28,70 uur. Uitgaande van het door zijn advocaat gehanteerde uurtarief van

€ 297,00, te vermeerderen met 7 % kantooropslag en BTW resulteert dit in een vordering van € 11.035,89.

6.22.

Reaal acht het door de advocaat van verzoekers aan dit deelgeschil bestede aantal uren en het gehanteerde uurtarief bovenmatig.

6.23.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de complexiteit van de zaak, het gevorderde aantal uren de dubbele redelijkheidstoets niet doorstaat. De rechtbank acht een besteding van 20 uren door een ervaren advocaat in een zaak als de onderhavige aanvaardbaar. Het door de advocaat van [verzoeker] gehanteerde uurtarief vermeerderd met kantoorkosten en BTW komt de rechtbank niet onredelijk voor. De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil daarom op € 7.603,20 (20 uur x € 297,00 + 7% kantoortoeslag en 21% BTW). Deze kosten zullen worden vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 288,00, hetgeen resulteert in een totaalbedrag van € 7.891,20.

Gelet op het feit dat de aansprakelijkheid van Reaal in deze zaak niet is vastgesteld, zal het verzoek van [verzoeker] om Reaal te veroordelen tot betaling van de met het deelgeschil samenhangende kosten worden afgewezen.

7 De beslissing

De rechtbank

7.1.

wijst het verzoek af,

7.2.

begroot de kosten als bedoeld in artikel 1019aa lid 1 Rv op € 7.891,20.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Wichers, mr. S.M. Schothorst en mr. L.T. de Jonge en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2017.1

1 rh