Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4143

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
01-11-2017
Zaaknummer
18/920199-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank legt de ISD maatregel op aan een veelpleger die zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot diefstal door middel van verbreking.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/920199-17

vorderingen na voorwaardelijke veroordeling parketnummers: 18/930127-13 en

18/187354-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

17 oktober 2017.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.B.J.G. Baggen, advocaat te Arnhem. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 17 juli 2017 te Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een (mini)shovel, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen (mini)shovel onder zijn bereik te brengen door middel van

braak en/of verbreking en/of valse sleutel,

- zich naar die shovel heeft begeven en/of

- in/op die shovel is gaan zitten en/of

- het contactslot heeft geforceerd en/of

- de bedrading van die shovel heeft doorverbonden, althans heeft getracht door

te verbinden en/of

- die shovel heeft gestart, althans heeft getracht te starten en/of

- met die shovel heeft gereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 16 mei 2016, te Emmen, (althans) in de gemeente Emmen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer valse of vervalste bankbiljetten van 50 euro heeft uitgegeven;

3.

hij op of omstreeks 23 mei 2016, in elk geval in of omstreeks de periode van

16 mei 2016 tot en met 23 mei 2016, te Emmen, (althans) in de gemeente Emmen [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of

met zware mishandeling, door die [slachtoffer 1] dreigend de woorden toe te voegen:

"Ik maak je dood" en/of "dan sla ik [slachtoffer 1] de hele kop aan gruzzelementen", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde op grond van het dossier en de verklaring van verdachte kan worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van al het ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft hij daartoe aangevoerd dat verdachte niet het oogmerk heeft gehad van wederrechtelijke toe-eigening.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde

De rechtbank is er, hoewel er wettig bewijs voorhanden is, niet van overtuigd dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal daarom verdachte van deze feiten vrijspreken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 juli 2017, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017187626 d.d. 19 juli 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik had een shovel verhuurd en deze stond in Emmen aan de [straatnaam].

Ik heb op iedere shovel een track&trace. Vanmorgen, maandag 17 juli 2017 om 03:10 uur, kreeg ik een melding in het systeem van track&trace dat de shovel bewoog. Hierna werd ik om 03:37 uur gebeld door de politie uit Emmen. Ik hoorde dat men geprobeerd had de shovel weg te nemen en dat er een verdachte was aangehouden. Ik heb de shovel bekeken en zag dat het contactslot opengebroken was en dat de bedrading los hing. Ik zag tevens dat er wat boutjes misten van de traanplaten. Ik zag dat de shovel op de [straatnaam] stond. De verdachte heeft de shovel een meter of twee verplaatst.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

17 juli 2017, opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

Vanuit ons slaapkamerraam hebben wij zicht op de [straatnaam]. Omstreeks 03:00 uur afgelopen nacht hoorde ik gerommel en gestommel.

Ik hoorde het geluid alsof er een motor van iets werd gestart. Ik ben uit bed gegaan en ben gaan kijken uit het raam. Ik zag een shovel staan bij de wegwerkzaamheden.

Ik zag op deze shovel een man zitten. Ik zag ook dat de man 2 handen aan het stuur van de shovel had. Ik hoorde dat de persoon op de shovel hem probeerde te starten. Ik zag dat hij een hand aan het stuur had en met de andere hand bij het contactslot iets deed. Ik zag dat hij wegrende, vanuit mijn raam gezien naar links. Ik had toen even geen zicht meer. Ik zag echter na ongeveer een halve minuut dat hij weer terugkwam. Ik zag dat hij weer op de shovel stapte en dat hij verder ging met startpogingen. Ik zag dat de man nog steeds dingen deed bij het contactslot. Ik zag ook dat hij zijn telefoon gebruikte als zaklamp, om wat te kunnen zien daar.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juli 2017, opgenomen op pagina 15 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op maandag 17 juli 2017 omstreeks 03.15 uur hoor de ik, verbalisant, via de portofoon

dat er mogelijk een diefstal van een kleine shovel gaande was in Emmen, op de

[straatnaam] ter hoogte van de [straatnaam]. Ik, verbalisant, reed op de [straatnaam] rechtsaf richting de [straatnaam]. Verderop zag ik iemand op een mini shovel zitten. Ik zag dat die persoon in het donker gekleed was, een donkere muts droeg. Ik zag dat die persoon van de rijdende shovel sprong en hard wegliep tussen de huizen van de [straatnaam].

Ik, verbalisant, ben terug gereden naar de mini shovel. Ik hoorde een ratelend geluid

uit die shovel komen. Ik zag dat het contactslot geforceerd was en dat er diverse

draden met elkaar doorverbonden waren.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 17 juli 2017, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik ben gaan prutsen met de draden van de shovel. Volgens mij heb ik de hele buurt ook wakker gemaakt tijdens het starten van dat ding. Er zijn maar 4 draden, 1 stroom en 1 aarde, dan blijven er maar 2 over en daar was ik mee bezig.

Ik ben met gereedschap aan het werk geweest, een schroevendraaier, een sleutel en nog iets. Ik weet nog wel dat het contactslot uit elkaar sprong. Als ik ermee gereden heb is het hooguit een paar meter.

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder te 1 laste gelegde heeft begaan.

De rechtbank is van oordeel dat het samenstel van de gedragingen zoals blijkt uit het dossier, naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer is gericht op de voltooiing van

diefstal van de shovel dat het handelen van verdachte kan worden aangemerkt als een begin van uitvoering van die diefstal.

De rechtbank acht derhalve de poging tot diefstal wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 17 juli 2017 te Emmen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een (mini)shovel, toebehorende aan [bedrijf] en die weg te nemen (mini) shovel onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking en daartoe

- zich naar die shovel heeft begeven en

- op die shovel is gaan zitten en

- het contactslot heeft geforceerd en

- de bedrading van die shovel heeft doorverbonden en

- die shovel heeft gestart en

- met die shovel heeft gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft conform het advies van de reclassering d.d. 5 oktober 2017 gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren. Gelet op de justitiële documentatie van verdachte is aan de wettelijke eisen voor het opleggen van de ISD-maatregel voldaan. Tevens eist de veiligheid van goederen het opleggen van de maatregel

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat het opleggen van de ISD-maatregel een ultimum remedium is en dat verdachte nog niet voldoende ruimte is geboden om zich met ambulante behandeling en begeleiding te bewijzen. Anders dan door de reclassering is betoogd, is het falen van een aantal trajecten niet enkel te wijten aan gedrag van verdachte, maar ook aan de wijze waarop de reclassering en andere (hulpverlening) instanties opereren en hem tegemoet treden. De raadsman heeft daarom verzocht mevrouw Kroeze, werkzaam bij de gemeente Emmen, als getuige op te roepen. Zij kan de rechtbank informeren over het conflict dat verdachte heeft gehad met Direction Zorg, hetgeen geleid heeft tot verlies van zijn woning en beëindiging van zijn PGB. De raadsman heeft voorts betoogd dat de feiten waarvoor verdachte thans terechtstaat geen ernstige delicten betreffen en dat de delictfrequentie beperkt is, waardoor de maatregel van ISD nog een brug te ver is.

Verdachte erkent dat hij behandeling nodig heeft en is bereid mee te werken aan ambulante behandeling en begeleiding.

Mocht de rechtbank wél van oordeel zijn dat de ISD-maatregel moet worden opgelegd, dan dient in de visie van de raadsman de duur van de maatregel een termijn van 1 jaar niet te overschrijden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf/maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is een 44-jarige man die reeds vele malen veroordeeld is ter zake van -met name- vermogensdelicten. Verdachte heeft een uitgebreide justitiële documentatie opgebouwd en staat geregistreerd als veelpleger.

Ook nu weer heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit, te weten een poging tot diefstal.

Dit soort feiten bezorgen de samenleving als geheel, en degenen die hiervan slachtoffer worden in het bijzonder, ernstige overlast.

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van de inhoud van het reclasseringsadvies

d.d. 5 oktober 2017, welk advies ter zitting door de deskundigen is bevestigd en nader is toegelicht.

Er zijn vanuit de reclassering (en betrokken hulpverleningsinstanties) diverse pogingen

gedaan om verdachte te ondersteunen bij het stabiliseren van de problemen op

(vrijwel alle) leefgebieden. Voor de advisering van een ISD-maatregel is gekeken naar het

ambulante en het klinische behandel- en begeleidingsaanbod van de afgelopen jaren.

Gebleken is dat aan verdachte voldoende kansen geboden zijn die uiteindelijk niet geleid hebben tot recidivevermindering. Verdachte gaat veelvuldig de strijd aan met hulpverleners en instanties. Het ontstaan van conflicten leidt af van waar het werkelijk om gaat, in dit geval het effectief werken aan de forse problemen waarmee verdachte heeft te kampen en daarmee het verminderen van het (zeer hoge) recidiverisico bij verdachte.

Gelet op vorenstaande, de problemen op vrijwel alle leefgebieden die bijna allemaal

(ernstig) criminogeen zijn in combinatie met de gestelde persoonlijkheidsstoornis, adviseert de reclassering om aan verdachte de ISD-maatregel op te leggen.

Alles overwegende acht de rechtbank de ISD-maatregel in dit geval niet alleen aangewezen, maar ook passend en geboden, gelet op de hardnekkige recidive van verdachte op het terrein van vermogenscriminaliteit en het niet van de grond komen van hem reeds geboden ambulante hulpverlening, waardoor er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De rechtbank zal overeenkomstig de vordering van de officier van justitie aan verdachte de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren, opleggen. Het bewezen en strafbaar verklaarde betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en er moet voorts ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan en de veiligheid van goederen eist het opleggen van de maatregel. De rechtbank overweegt dat derhalve is voldaan aan de formele voorwaarden die artikel 38m lid 1 Wetboek van Strafrecht stelt aan het opleggen van de maatregel tot plaatsing van een verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders.

De rechtbank ziet, gelet op de inhoud van het reclasseringsadvies en de persoon van verdachte, aanleiding om na één jaar een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de ISD-maatregel te gelasten en draagt de officier van justitie op daarvoor te zorgen.

De rechtbank acht het horen van mevrouw Kroeze als deskundige niet noodzakelijk. Gelet op de inhoud van het dossier en gelet op de ter terechtzitting door vier deskundigen afgelegde –met elkaar overeenstemmende- verklaringen, acht de rechtbank zich voldoende ingelicht, waardoor het horen van mevrouw Kroeze als deskundige niet noodzakelijk is. De rechtbank wijst derhalve het daartoe strekkende verzoek af.

Benadeelde partij ten aanzien van feit 1

[bedrijf] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 480,50 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in haar geheel kan worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de kostenposten die kennelijk zien op gewerkte uren, onvoldoende zijn onderbouwd en daarom afgewezen dienen te worden. Ten aanzien van de kostenposten die zien op kilometervergoeding refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Het overige deel van de vordering is voor toewijzing vatbaar.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de gevorderde kostenposten die zien op gewerkte uren, onvoldoende zijn onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de overige gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. Dit overige deel van de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van € 190,50, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 juli 2017.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling t.a.v. parketnummer 18/930127-13

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 4 oktober 2013, gewezen door de meervoudige strafkamer in de rechtbank Noord-Nederland te Assen is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op

12 augustus 2014, en is op 28 november 2016 met 1 jaar verlengd. De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 13 september 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Ter zitting is door de officier van justitie afwijzing van deze vordering gevorderd gezien de aard van de maatregel die zij heeft gevorderd.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling t.a.v. parketnummer 18/187354-16

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 28 november 2016 gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Assen is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 week met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 12 december 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 13 september 2017 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

Het hiervoor bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Ter zitting is door de officier van justitie afwijzing van deze vordering gevorderd gezien de aard van de maatregel die zij heeft gevorderd.

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de aard van de maatregel die de rechtbank aan verdachte oplegt, zal de rechtbank de vorderingen tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straffen afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38s, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Bepaalt dat na 1 jaar na aanvang van de ISD-maatregel een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel dient plaats te vinden.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Wijst de vordering van de benadeelde partij [bedrijf] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 190,50 (zegge: honderdnegentig euro en vijftig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [bedrijf] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf] te betalen een bedrag van € 190,50 (zegge: honderdnegentig euro en vijftig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 17 juli 2017 bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 3 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/930127-13.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis

van de meervoudige strafkamer te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, d.d. 4 oktober 2013.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/187354-16.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis

van de politierechter te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, d.d. 28 november 2016.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.H.A. Fransen, voorzitter, mr. R. Depping en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door J.H. van Scharrenburg, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 oktober 2017.