Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2017:4112

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-10-2017
Datum publicatie
31-10-2017
Zaaknummer
18/750097-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De meervoudige strafkamer van rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 31 oktober 2017 verdachte veroordeeld voor een poging tot doodslag en wapenbezit.

Verdachte heeft meermalen met een wapen op de openbare weg op het slachtoffer geschoten. Het slachtoffer is daarbij bij zijn lies geraakt. Ten gevolge hiervan heeft het slachtoffer forse verwondingen en blijvend letsel opgelopen.

De aanleiding was gelegen in een langdurend conflict tussen een familielid van verdachte en het slachtoffer. Op de bewuste dag in december 2015 is dit conflict geheel uit de hand gelopen.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren met aftrek van het voorarrest. Tevens moet verdachte € 10.000,00 betalen aan het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 287
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/750097-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 31 oktober 2017 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 11 oktober 2017 en 17 oktober 2017.

De verdachte is ter terechtzitting van 11 oktober 2017 verschenen, bijgestaan door mr. S. Dogan, advocaat te Utrecht. Zij zijn ter terechtzitting van 17 oktober 2017 niet verschenen.

Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting van 11 oktober 2017 vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema en ter terechtzitting van 17 oktober 2017 door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 december 2015 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, in de richting van het hoofd en/of in de richting van het (onder)lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, waarbij de lies en het scrotum van die [slachtoffer] zijn geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 december 2015 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk en met voorbedachten rade aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, te weten een zodanige verwonding van het scrotum (waarbij een ontsteking is ontstaan) ten gevolge waarvan een teelbal moest worden verwijder, heeft toegebracht door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, op het (onder)lichaam van die [slachtoffer] te schieten;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 11 december 2015 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade aan [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen met een vuurwapen, althans een daarop gelijkend voorwerp, in de richting van het hoofd en/of in de richting van het (onder)lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, waarbij de lies en het scrotum van die [slachtoffer] zijn geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 11 december 2015, te Leeuwarden, een vuurwapen (een pistool geschikt voor het afvuren van munitie kaliber 7.65) van categorie III en/of 3 patronen (kaliber 7.65mm), althans munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gemotiveerd bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair ten laste gelegde. Zij heeft hiertoe onder meer aangevoerd dat is gebleken dat verdachte op korte afstand gericht heeft geschoten op de grond, dan wel de benen van het slachtoffer en dat dit geen aanmerkelijke kans op de dood oplevert.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 10 oktober 2017 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb op 11 december 2015 te Leeuwarden meermalen met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer] geschoten. Bij het tweede schot raakte ik hem. Op het moment dat ik schoot kwam [slachtoffer] op mij afrennen. Ik had nog nooit eerder geschoten.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 december 2015, opgenomen op pagina 373 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2015363162-PROKNE d.d. 28 april 2016, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Op 11 december 2015 was ik in de kapperszaak op [straatnaam] te Leeuwarden. Ik zag dat de mij bekende [verdachte] vanuit de richting van de Oosterkade kwam aanlopen over [straatnaam]. Ik zag dat [verdachte] een pistool trok toen hij voor de kapperszaak arriveerde. Ik hoorde dat [verdachte] zei: als je naar buiten komt, schiet ik. Door de gedeeltelijk geopende deur probeerde ik het pistool te pakken. Toen [verdachte] bij de deur arriveerde laadde hij het pistool door. [verdachte] rende weg en ik liep er achteraan. Ik zag dat [verdachte] zich omdraaide en in mijn richting schoot. Hij raakte mij niet. [verdachte] liep weer weg en ik ging er weer achteraan. [verdachte] draaide zich weer om en schoot op mij. Ik werd hierbij geraakt tussen mijn rechterlies en mijn ballen. Achteraf was dit een schampschot.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangever d.d. 21 december 2015, opgenomen op pagina 380 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

De afstand tussen mij en [verdachte] was tijdens het schieten enkele meters. Ik weet niet precies hoeveel. De tweede keer dat [verdachte] schoot was hij dichter bij mij dan de eerste keer.

4. Een letselrapportage van de GGD Fryslân, op 9 maart 2016 opgemaakt en ondertekend door dhr. B.A.A.L. Roescher, forensisch arts, opgenomen op pagina 387 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als zijn verklaring:

Letselonderzoek: 15 december 2015, betreft [slachtoffer]

Beoordeling (interpretatie) van de letsels

Genitaliën:

Op de rechter zijde van het scrotum is een mogelijk wat ontstoken en langwerpig paars rood huidwondje van ongeveer 1 cm bij 3-4 mm, wat kan passen bij een oppervlakkig "schampschot" tussen rechter lies en rechter scrotum. Ook is het rechter scrotum wat paarsig en gezwollen, door een bloeduitstorting/kneuzing t.g.v. dit "schampschot". Op een CT-scan werd daarbij gezien dat er wat onderhuids lucht in de rechter lies aanwezig was en wat lucht in het rechter scrotum, wat hoogstwaarschijnlijk door de "schampende " kogel is veroorzaakt. Het langwerpig huidwondje op het scrotum stemt overeen in richting en raakt aan het langwerpig huidwondje in de liestreek van het rechter bovenbeen.

Rechter been:

Het langwerpig en wat ontstoken paars rode huidwondje, met wat wit gelig etterende pus, aan de binnenzijde van het rechter bovenbeen in de rechter lies en welke in richting overeenstemt en raakt aan het huidwondje op het rechter scrotum, kan passen bij een oppervlakkig "schampschot" tussen rechter lies en scrotum.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 december 2015, opgenomen op pagina 431 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige]:

Ik kwam op 11 december 2015 met mijn auto op [straatnaam]. Opeens zag ik een jongeman uit [bedrijf] rennen. Ik zag dat hij een stuk hout in 1 hand had. Ik zag dat er een andere groep jongens op straat stond. Het was duidelijk dat die man die zaak uit rende en op dat groepje mannen af liep. Ik zag de mannen weglopen. Ik zag toen dat één jongen uit dit groepje zich omdraaide. Ik zag toen een wapen. Hij draaide zich om, hij had meteen dit wapen in zijn handen. Hij schoot gelijk, bambam. Ik kon in de loop van dat pistool zien en zag de vonken uit dat pistool komen. De man die schoot liep in eerste instantie van de man met het stuk hout vandaan, samen met de andere drie personen. Op een gegeven moment draaide één man zich om en begon het wapen af te vuren. Hij hield het wapen op borsthoogte. Hij vuurde heel snel. Het was omdraaien en schieten. Hij nam niet echt de tijd om te richten.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 2 maart 2016, opgenomen op pagina 234 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

Op 11 december 2015 ben ik naar [straatnaam] gereden. Ik ben naar de kapperszaak gehold omdat ik zag dat het niet goed ging. Toen ik bij de kapperszaak kwam zag ik dat [medeverdachte 1] voor de kapperszaak stond. Ik zag toen [medeverdachte 2] naar buiten komen lopen. Kort daarop kwam [medeverdachte 3] ook naar buiten rennen. Daarna hebben wij getracht de deur dicht te houden om te voorkomen dat [slachtoffer] naar buiten kwam. Na een tijdje heb ik mijn wapen gepakt. Ik liet dit zien en riep dat [slachtoffer] op moest houden en ons weg moest laten gaan. Terwijl de deur werd tegengehouden en ik zag dat [slachtoffer] niet ophield heb ik het vuurwapen doorgeladen. Ik deed dit terwijl ik oogcontact had met [slachtoffer] en hij kon zien dat ik het vuurwapen doorlaadde.

Bewijsoverweging

Voorbedachte raad

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat er geen bewijs voorhanden is voor de voorbedachte raad. De rechtbank acht het plegen van een poging tot moord dan ook niet bewezen.

Opzet

Op grond van het dossier en onderzoek ter terechtzitting acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de bedoeling, zijnde het volle opzet, had om [slachtoffer] van het leven te beroven.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of er sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo'n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).

De rechtbank stelt op grond van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende vast.

Verdachte heeft meerdere keren in de richting van [slachtoffer] geschoten. Verdachte was een ongeoefend schutter. Het was de eerste keer dat verdachte een wapen afvuurde. Op het moment dat verdachte op [slachtoffer] schoot was de afstand tussen beide personen slechts enkele meters en was in ieder geval [slachtoffer] in beweging. Verdachte, die van aangever weg rende, heeft zich omgedraaid en gehaast in de richting van [slachtoffer] geschoten. Hij heeft niet de tijd genomen zorgvuldig te richten. Verdachte hield het vuurwapen op borsthoogte. [slachtoffer] is geraakt ter hoogte van zijn lies.

De rechtbank is van oordeel dat als iemand onder de hiervoor genoemde omstandigheden schoten afvuurt op een ander, de kans aanmerkelijk is dat die ander dodelijk wordt getroffen. Verdachte heeft weliswaar verklaard dat hij bewust de beslissing heeft genomen om op de benen van aangever te schieten, maar was gelet op de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden niet in staat om zodanig gecontroleerd te schieten dat hij ervan uit kon gaan dat hij [slachtoffer] ook daadwerkelijk in de benen zou raken. Integendeel, hij moet zich bewust zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat hij [slachtoffer] op een andere plek zou raken, met dodelijk letsel tot gevolg. [slachtoffer] is daadwerkelijk geraakt ter hoogte van zijn lies, waar zich slagaders bevinden. De liesstreek ligt in het onderlichaam, dichtbij de buik. Algemeen bekend is dat zich in dit deel van het lichaam vitale organen bevinden. De gedragingen van verdachte waren dan ook geëigend om de dood te kunnen laten intreden en kunnen naar de uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer te zijn gericht op het toebrengen van dat gevolg, dat het - behoudens contra-indicaties, waarvan de rechtbank niet is gebleken - niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.

Aldus heeft verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer als gevolg van zijn handelen zou overlijden en is het opzet van verdachte in voorwaardelijke zin daarop gericht geweest.

De rechtbank acht op grond van het voorgaande een poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 2. bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 11 oktober 2017;

2. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2016.02.01.181, d.d. 24 februari 2016 opgemaakt door ing. M.E. Bestebreurtje, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 315 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met 2015363162-PROKNE d.d. 28 april 2016.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 11 december 2015 te Leeuwarden, in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet, meermalen met een vuurwapen, in de richting van het (onder)lichaam van die [slachtoffer] heeft geschoten, waarbij de lies en het scrotum van die [slachtoffer] zijn geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 11 december 2015, te Leeuwarden, een vuurwapen, een pistool geschikt voor het afvuren van munitie kaliber 7.65, van categorie III en 3 patronen, kaliber 7.65mm, voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair Poging tot doodslag;

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot munitie van categorie III

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt verdediging

Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw overeenkomstig haar pleitnota aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Uit de verschillende bewijsmiddelen blijkt dat [slachtoffer] in de aanval achter verdachte aan rende met een houten stok/bezem en mogelijk een mes in zijn hand. [slachtoffer] schreeuwde en dreigde en liet zich niet stoppen. De raadsvrouw heeft aldus gesteld dat de verdachte zich geconfronteerd zag met een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. De raadsvrouw heeft op grond daarvan geconcludeerd dat verdachte een beroep op noodweer toekomt en in deze zaak aldus overgaan dient te worden tot ontslag van alle rechtsvervolging.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gemotiveerd aangegeven dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt. Daarbij heeft de officier van justitie gewezen op de volgende omstandigheden: [slachtoffer] viel verdachte niet aan, maar was zich aan het verdedigen tegen de aanval van de drie personen die hem in de kapperszaak hadden belaagd én de bedreiging van verdachte met een wapen.

Verdachte hoorde kennelijk van een dreigende situatie en heeft er bewust voor gekozen om bewapend met een pistool zich in de situatie te voegen. Dit terwijl hij, naar eigen zeggen, wist dat [slachtoffer] gevaarlijk was. Op het moment dat hij andere personen zag wegrennen van de situatie, had hij ook moeten wegrennen.

Kortom, verdachte bracht zichzelf in de situatie en had zich hieraan kunnen en moeten onttrekken. Door dit niet te doen, voldeed de wijze van handelen ook niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, geen beroep op noodweer rechtvaardigen.

De rechtbank gaat uit van de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat er voorafgaand aan het schietincident sprake was van een conflict tussen [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) en [slachtoffer]. Daar zijn op een later moment ook anderen, waaronder verdachte bij betrokken geraakt. Dit was voor verdachte bij een incident in juni 2015. Verdachte werd vanaf dat moment, volgens eigen zeggen, bedreigd door [slachtoffer]. Dit terwijl hij [slachtoffer] al kende vanaf de pubertijd. Hij wist daardoor ook waartoe [slachtoffer] in staat was: in een confrontatie zou hij [slachtoffer] niet kunnen kalmeren met woorden, daarvoor zou een wapen nodig zijn. Gelet op deze kennis en het feit dat hij bedreigd werd door [slachtoffer], voelde verdachte zich genoodzaakt om een wapen en munitie aan te schaffen. Verdachte had dit wapen en deze munitie altijd bij zich, zodat hij zich mogelijk kon verdedigen als [slachtoffer] hem op zou zoeken. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij op de bewuste 11 december 2015 met de telefoon van [medeverdachte 1] is gebeld. Hem werd verteld dat er een dreigende situatie was bij de kapperszaak en dat hij werd gevraagd naar de kapperszaak te komen. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hem was verteld dat '[slachtoffer] weer bezig was met dreigementen' en 'Hij was bedreigend naar [medeverdachte 3]'.

De rechtbank stelt op grond van de telefoongegevens vast dat het moment dat verdachte werd gebeld moet zijn geweest voordat er geweld in de kapperszaak is gebruikt. Enkele minuten later heeft nog een telefoongesprek plaatsgevonden. Verdachte heeft toen de telefoon van [medeverdachte 1] gebeld. De rechtbank gaat er vanuit dat beide gesprekken hebben plaatsgevonden voordat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de kapperszaak in zijn gegaan en de situatie binnen, tussen enerzijds voornoemde drie mannen en anderzijds [slachtoffer], escaleerde. Het dossier biedt geen enkel aanknopingspunt voor de veronderstelling dat er nog telefonisch contact is geweest nadat deze drie mannen naar binnen zijn gegaan. Voorts blijkt uit het dossier en de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat verdachte nadat hij aankwam met zijn auto is uitgestapt, naar de kapperszaak is gerend en zijn vuurwapen uit de auto heeft meegenomen. Verdachte kwam aldus met een wapen naar de kapperszaak, terwijl hij niet op de hoogte kon zijn van de escalatie in die zaak.

In de kapperszaak is aangever door [medeverdachte 3] met een tondeuse op zijn hoofd geslagen, door [medeverdachte 2] meerdere malen met een mes in zijn nek gestoken en zijn daarna nog door [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] andere geweldshandelingen op aangever uitgeoefend. Aangever heeft zich hiertegen verdedigd en genoemde drie mannen de kapperszaak uitgejaagd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zag dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de kapperszaak uitkwamen. [slachtoffer] probeerde ook de kapperszaak uit te komen.

Uit de verklaring die verdachte bij de politie heeft afgelegd blijkt dat verdachte vrijwel direct bij de deur van de kapperszaak zijn wapen ter hand heeft genomen en hiermee heeft gedreigd. Verdachte heeft daarbij zichtbaar voor [slachtoffer] het wapen doorgeladen. Hierop heeft [slachtoffer] gereageerd door, naar zijn eigen zeggen, het wapen proberen af te nemen. Dit lukte hem niet.

Vervolgens is [slachtoffer] uit de kapperszaak gekomen en achter verdachte en de andere drie mannen aangegaan. Verdachte verklaart hierover dat hij toen meerdere malen in de richting van [slachtoffer] heeft geschoten; niet met het doel om hem te doden, maar om hem op afstand te houden. Het eerste schot zou een waarschuwingsschot zijn geweest en het tweede schot in de richting van de benen. De afstand tussen verdachte en [slachtoffer] was maar enkele meters.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de gedragingen van [slachtoffer] niet worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachtes eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Immers, [slachtoffer] was in de kapperszaak degene die zich verdedigde tegen een wederrechtelijke aanranding. Zijn houding en handelingen bij de deur van de kapperszaak toen verdachte in beeld kwam, kwamen voort uit het in de kapperszaak jegens hem toegepaste geweld en het feit dat hij met een vuurwapen werd geconfronteerd.

Daarnaast geldt dat de handelingen van verdachte, gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedrag, niet kunnen worden aangemerkt als verdedigingshandelingen. Zijn handelingen moeten - naar de kern bezien - als aanvallend worden aangemerkt. Verdachte heeft willens en wetens de confrontatie met [slachtoffer] gezocht. Verdachte greep bij de kapperszaak vrijwel direct naar zijn meegebrachte wapen en munitie. [slachtoffer] was degene die zich daarop genoodzaakt voelde zich te verdedigen door te proberen om het wapen af te pakken.

De rechtbank verwerpt op grond van het voorgaande het beroep van de raadsvrouw op noodweer.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu ook niet van enige andere strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om bij een eventuele strafoplegging onder meer rekening te houden met de ouderdom van de feiten op het uittreksel van de justitiële documentatie van verdachte en de groei die verdachte heeft doorgemaakt tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis.

De raadsvrouw heeft de vraag aan de rechtbank voorgelegd of wellicht kan worden volstaan met een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages van Reclassering Nederland d.d. 18 maart 2016, 7 september 2016 en 4 oktober 2017, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door meermalen op de openbare weg op het slachtoffer te schieten. Hij heeft daarbij het slachtoffer bij zijn lies geraakt. Het slachtoffer heeft door dit geweld forse verwondingen opgelopen.

De aanleiding was gelegen in een langdurend conflict tussen de oom van verdachte en het slachtoffer. Op de bewuste dag is dit conflict geheel uit de hand gelopen. Daarbij heeft verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en een poging ondernomen om het slachtoffer het leven te ontnemen.

Verdachte heeft ook een inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de omstanders die ongewenst getuige waren van deze schietpartij. Uit verschillende getuigenverklaringen is gebleken dat het gebeuren ook op hen een grote impact heeft gehad.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een verboden wapen en munitie.

Het gaat hiermee om een ernstige feiten, die in beginsel een langdurige vrijheidsstraf rechtvaardigen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten, maar dat deze veroordelingen langer dan vijf jaar geleden zijn.

Uit het laatste reclasseringsrapport blijkt dat het toezicht tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis positief is verlopen. Verdachte heeft zijn leven een positieve wending gegeven en wordt in staat geacht dit zelfstandig voort te zetten.

De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande het volgende.

Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de periode van het voorarrest. Daarnaast ziet de rechtbank in de rapporten van de reclassering geen reden om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Wel ziet de rechtbank in het tijdsverloop aanleiding om een lagere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Daarbij houdt de rechtbank ook rekening met de omstandigheid dat verdachte niet het volle opzet had op de dood van verdachte, maar wel - juridisch gezien - dit risico welbewust meermalen heeft genomen.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren passend en geboden en zal de rechtbank deze straf dan ook opleggen aan verdachte.

Voorlopige hechtenis

Ten aanzien van het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis overweegt de rechtbank het volgende.

In onderhavige zaak is verdachte op 28 december 2015 aangehouden en daarna in voorlopige hechtenis gesteld. De voorlopige hechtenis is met ingang van 22 september 2016 door de rechtbank geschorst. Uit de rapporten van de reclassering blijkt dat verdachte zich heeft gehouden aan de hem gestelde voorwaarden. De rechtbank ziet daarom geen meerwaarde in het laten voortduren van de schorsing, maar vindt tegelijkertijd dat verdachte een eventueel hoger beroep in vrijheid zou moeten kunnen afwachten. Daarom zal de rechtbank in dit eindvonnis het geschorste bevel van de voorlopige hechtenis opheffen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 20.000,00 ter vergoeding van materiële schade en € 20.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot een bedrag van € 10.000,00 immateriële schade hoofdelijk wordt toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dat bedrag. Het overige deel dient niet ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering niet ontvankelijk te verklaren, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij materiële schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren.

Het is de rechtbank duidelijk dat het slachtoffer door het misdrijf pijn en letsel heeft ondervonden en dat hij immateriële schade heeft geleden. De rechtbank ziet voldoende grond om deze schade op een bedrag van in ieder geval € 10.000,00 vast te stellen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 11 december 2015. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de meer gevorderde schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom voor dit deel niet ontvankelijk verklaren.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1. primair en 2. laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Ten aanzien van feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 2015.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 december 2015, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 85 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Brinksma, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. J.N.M. Blom, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 oktober 2017.